Levenssfeer

1992-11-11 Gedragscode discriminatie bestrijding racisme.
2002-06-10 Gedragscode financiële instellingen.
2003 Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens.


Aanleiding onderzoek
Basisadministratie
Belang bij feiten
Besluitvorming tot onderzoek
Bewijs en aard inbreuk
Blokkeringsrecht
Dossierinzage
Functie van degene die inzicht krijgt, mate van inbreuk
Hoor en wederhoor
Instemming
Juistheid informatie
Mededeling vooraf
Proportionaliteitsbeginsel, informatieplicht
Subsidiariteit
video telefoon technische hulpmiddelen
Verwijderingsrecht
Verplichting tot meewerking
Zorgvuldigheid

 

 

Aanleiding onderzoek

 

Hof 's-Hertogenbosch 2 december 1992, NJ 1993, 327:

Het door de werkgever doen controleren van een werknemer buiten diens weten door een detectivebureau is slechts aanvaardbaar onder zeer bijzondere omstandigheden waarin tegen de werknemer ernstige verdenkingen zijn gerezen terzake van ernstige overtredingen, welke een onderzoek buiten de betrokkene om noodzakelijk maken.

Gedragscode advies Verbond persoonlijk onderzoek levenssfeer informatie resultaat standpunt RvT III 1999, 07

Verzekeraars kon in de omtrent klager ontvangen anonieme tip voldoende aanleiding vinden om klagers gangen te laten nagaan in twee observaties waarbij ook video­opnames zijn gemaakt. Dat is niet in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit van de gedragscode persoonlijk onderzoek. Klager behoefde ook niet vooraf geïnformeerd te worden. Door klager aan te bieden de videoband te komen bekijken op verzekeraars niet ver van klagers woonplaats gelegen bijkantoor heeft verzekeraar voldoende voldaan aan zijn verplichting om klager het resultaat van het persoonlijk onderzoek mede te delen. Verzekeraar had eerst klager gelegenheid moeten geven te reageren op de resultaten van het persoonlijk onderzoek alvorens zijn standpunt te bepalen.

VR 1997, 46

INSTANTIE

RAAD VAN TOEZICHT OP HET SCHADEVERZEKERINGSBEDRIJF

(mrs Mijnssen, Sluyters, Veldhuyzen, dr Brinkhorst, Gispen, artsen), nr III-96/21,

8 juli 1996

REGELING

art. 6:2, lid 1 BW, 179 Rv

ZIE OOK

VR 1997/34

ESSENTIE

Medische informatie aan aansprakelijkheidsverzekeraar. Observatie klaagster door onderzoeksbureau.

Whiplash. AV-verzekeraar vraagt informatie omtrent eerder whiplash-ongeval en medische machtiging. Advocaat klaagster: eerder ongeval 13 jaar geleden en restloos genezen; zijn beleid dat eigen medisch adviseur informatie verzamelt en aan AV-verzekeraar doorstuurt; informatie huisarts en fysiotherapeut bijgesloten. Verzekeraar antwoordt te twijfelen aan medisch causaal verband tussen laatste ongeval en huidige klachten en herhaalt verzoek om machtiging. Laat onderzoeksbureau dagelijks werk klaagster observeren.

RvT: I.c. niet in strijd met goede naam (i) om eigen medisch adviseur de voor beoordeling aansprakelijkheid nodige gegevens te willen laten verzamelen, noch (ii) om bij gebreke medische machtiging onderzoeksbureau in te schakelen; niet gebleken dat rapporteur grenzen geoorloofde heeft overschreden. (iii) Goede naam wel geschaad door aan onderzoeksbureau zonder machtiging klaagster voorhanden medische informatie ter hand te stellen.

Basisadministratie

 

Levenssfeer persoonsgegevens formulierdagvaarding bevolkingsregister basisadministratie GBA 98 / GBA 100 / Rv 104 B&W Diemen 12-01-1999 Prg 1999, 5189

De Rechtbank Den Bosch heeft in de uitspraak van 6-4-1998, PrG 1998, 4975 in een andere zaak overwogen dat het verzoek tot het verstrekken van adresgegevens ten behoeve van een formulierdagvaarding ingewilligd moet worden als dat verzoek voldoende onderbouwd is. B&W acht deze uitspraak niet maatgevend. Opvolging zou betrekkelijk eenvoudig tot misbruik kunnen leiden. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer zou daardoor onvoldoende worden gewaarborgd.

Basisadministratie bevolkingsregister persoonsgegevens dagvaarding formulier 98 GBA Rb Den Bosch 6-4-1998, Prg 1998, 4975

In het kader van art. 98 GBA dient de gegevensverstrekking door de gemeente uit de basisadministratie, voorheen het bevolkingsregister, ook aan derden te geschieden die door middel van een formu­lierdag­vaarding, als bedoeld in art. 104 Rv, een persoon willen dagvaarden.

De verstrekking van gegevens met het oog op een gerechtelijke proce­dure dient één van de primaire belangen van de rechtsorde, te weten dat geschillen langs gerechtelijke weg tot een einde worden ge­bracht.

Belang bij feiten

 

HR 9 januari 1987, NJ 1987, 928 (EAA) (Edamse bijstandsmoeder):

De vraag of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet, kan slechts worden beantwoord door in het licht van de omstandigheden van het geval en de eventueel toepasselijke wettelijke bepalingen tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die door het verzamelen en aan de overheid doorgeven van gegevens als waarom het gaat, worden gediend of redelijkerwijze kunnen worden gediend. Dit betekent dat die vraag in beginsel moet worden beantwoord aan de hand van waarderingen die mede van feitelijke aard zijn.

HR 4 maart 1988, NJ 1989, 361 (CJHB) (Kinderen De Bourbon Parma):

"Bij het door afweging te vinden antwoord op de vraag of een perspublikatie waardoor inbreuk wordt gemaakt op eens anders recht op eerbiediging van zijn privé-leven, wordt gerechtvaardigd door de vrijheid van meningsuiting - de uitoefening van welk vrijheidsrecht o.m. beperkt wordt door de rechten van anderen - dienen alle bijzonderheden van het gegeven geval te worden meegewogen."

INSTANTIE

HR 11 september 1998, RVDW 1998, 153

nr. 16 642, C97/121

(Mrs. Roelvink, Mijnssen, Heemskerk, Jansen, De Savornin Lohman;

A-G Langemeijer)

REGELING

EVRM art. 8; WvK art. 258, 276, 283; Rv art. 188

ESSENTIE

Ziektekostenverzekering; eigen schuld; plicht tot voorkoming/vermindering schade. Overleggen strafdossier; schending privacy.

Op ziektekostenverzekering kan noch art. 279 K (eigen schuld verzekerde) noch art. 283 K (plicht tot voorkoming en vermindering van schade) van toepassing worden geacht. Overleggen proces-verbaal uit strafdossier; belang bescherming privacy moet in gegeven omstandigheden wijken voor belang dat waarheid van gestelde feiten komt vast te staan. Art. 258 K is alleen van toepassing op bewijs van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer en/of de verzekerde tegen de verzekeraar.

In dit geding vordert een ziektekostenverzekeraar van K. en J. die hun bij de ziektekostenverzekeraar verzekerde patiënt R. iatrosophisch en/of homeopathisch hebben behandeld, vergoeding van ten behoeve van R. gemaakte ziektekosten. K. en J. hebben zich verzet tegen overlegging van een proces-verbaal van een strafrechtelijk onderzoek naar hun handelingen ten aanzien van onder meer R. Verder betwisten zij het bestaan van de ziektekostenverzekeringsovereenkomst en doen zij een beroep op de eigen schuld en de schadebeperkingsplicht van R.

Anders dan het hof overwoog kan uit art. 188 Rv. dat uitsluitend betrekking heeft op de bewijskracht van een door de Nederlandse strafrechter gewezen vonnis niet zonder meer worden afgeleid in hoeverre het in een civielrechtelijke procedure overleggen van een proces-verbaal als het onderhavige een schending van de privacy van de wederpartij in die procedure vormt. In casu (zie rechtsoverweging 3.3 5e alinea) laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat voorzover de overlegging van het proces-verbaal al als een inbreuk op de privacy van de K. en J. is te beschouwen, het belang van K. en J. bij bescherming van hun privacy moet wijken voor het belang van de ziektekostenverzekeraar dat in de onderhavige procedure de waarheid van de door hem gestelde feiten komt vast te staan.

Art. 258 K is alleen van toepassing op bewijs van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer en/of de verzekerde tegen de verzekeraar. Er bestaat geen grond deze bepaling, die een uitzonderlijk karakter draagt, ook van toepassing te achten in gevallen waarin de verzekeringsovereenkomst jegens een derde dient te worden bewezen.

De aard van de onderhavige verzekeringsovereenkomst, die strekt tot vergoeding van de kosten van medisch noodzakelijke behandeling, brengt mee dat zowel de bepaling van art. 276 K, dat geen verliezen of schade door eigen schuld van een verzekerde veroorzaakt, ten laste van de verzekeraar komen, als de bepaling van art. 283 K, dat de verzekerde op straffe van schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn, verplicht is om alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen ten einde schade te voorkomen of te verminderen, op deze verzekeringsovereenkomst niet van toepassing kan worden geacht. In beginsel zal de verzekeraar zich evenmin te zijner bevrijding erop kunnen beroepen dat de verzekerde zijn gezondheid opzettelijk heeft geschaad.

Besluitvorming tot onderzoek

 

Literatuur, PIV Bulletin 1998 No 3, Wansink, privacy

Als hekkensluiter stelde prof.mr. J.H. Wansink (lid Redactiecommissie, Verzekeringsinstituut, hoogleraar EUR) de normen en waarden die verzekeraars in acht moeten nemen bij het regelen van schade aan de orde, waarbij hij de Code Persoonlijk Onderzoek als voorbeeld noemde. Hij pleitte ervoor dat de beslissing, over te gaan tot een persoonlijk onderzoek, op een hoog niveau in de organisatie genomen wordt en in ieder geval door iemand die rechtstreeks verantwoording schuldig is aan de directie. Overigens zou het zo moeten zijn dat, wanneer de verzekeraar geen negatieve uitkomsten aan het onderzoek verbindt, de verzekerde de mogelijkheid heeft zijn polis bij de maatschappij op te zeggen. `Verzekeren is immers gebaseerd op vertrouwen en die vertrouwensband is niet helemaal meer aanwezig', aldus Wansink.

Bewijs en aard inbreuk

 

De HR besliste reeds in 1953 (HR 12 juni 1953, NJ 1954, 61 m.nt. DJV) dat de rechter het gelasten van een deskundigenonderzoek niet afhankelijk behoeft te stellen van de bereidheid tot medewerking van een procespartij op de enkele grond dat dit onderzoek een bewijs tegen een partij zou kunnen opleveren. Het ging destijds om de weigering van een man om bloedonderzoek te laten doen in het kader van een vaderschapsactie. Medewerking aan het onderzoek is één ding, een invasieve ingreep in dat kader een tweede. Zo kan men niet gedwongen worden een bloedonderzoek te dulden. De bescherming van de privacy en de persoonlijke integriteit vergt dat de betrokkene daarvoor toestemming geeft.

Telefoongesprek opname Driessen van Gelder HR 16-10-1987, NJ 1988, 850

Heimelijk opgenomen telefoongesprekken zijn niet reeds uitgesloten in het civiele geding omdat het opnemen een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer.

Vgl. EHRM 23-11-1993, Publ. ECHR, Series A, vol 277B

Telefoongesprekken behoren tot de persoonlijke levenssfeer.

zie ook HR 1-7-1992, NJ 1994, 621.

bewijs telefoon bandopname toestemming levenssfeer HR 19-03-1999, RvdW 1999, 50C

Voor het in het geding brengen van een geluidsband door een partij met het doel daarmede bewijs te leveren is evenals voor schriftelijk bewijs geen toestemming van de wederpartij noch een verzoek of opdracht van de rechter vereist.

Blokkeringsrecht

 

Pres. Rb. Amsterdam 16 september 1993, Mediaforum 1993, blz. B98:

Toestemming voor filmopnamen onder de conditie dat dierenpark het vetorecht heeft over openbaarmaking van het beeldmateriaal. Aan deze afspraak moet men zich houden.

Pres. Rb. Haarlem 20 februari 1997, KG 1997, 117; Mediaforum 1997-4, p. B64-B66:

Als geoefend parlementariër moet eiser ervan op de hoogte zijn geweest dat hij door journalisten zou worden geciteerd. Inzage van de publicatie vooraf is niet door eiser bedongen en evenmin door gedaagden toegezegd. In het algemeen bestaat geen recht op inzage vooraf, tenzij dat is afgesproken.

Dossierinzage

 

In beginsel heeft iedereen recht op inzage van medische en andere dossiers die van hem zijn aangelegd, ook voorzover dat niet valt onder de Wet Persoonsregistraties. Uitzonderingen zijn mogelijk wat betreft de wijze waarop en de mate waarin informatie wordt verstrekt en indien andere belangen - waaronder privacy-belangen van anderen - zwaarder wegen.

Hof Amsterdam, 4 maart 2014 zaaknr 200.090.740 WBP verplicht tot overlegging stukken, in lijst aangegeven (docx)

Het hof heeft in een eerdere beschikking als uitgangspunt genomen dat de verzekeraar op grond van de Wbp)specifieke informatie behoort te verstrekken waardooreiser in staat wordt gesteld behoorlijk kennis te nemen van zijn gegevens en van de wijze waarop deze zijn verwerkt. Daarbij zal verzekeraar niet mogen volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch zal zij alle relevante informatie moeten verschaffen door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels. Dit inzagerecht strekt zich niet uit tot interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de verantwoordelijke bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad, terwijl er ook geen verplichting is tot het verstrekken van gegevens indien dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van Medirisk, of van de rechten en vrijheden van anderen

EHRM 26 maart 1987, NJCM-Bulletin 1988, blz. 148 (Th.L.B.) (Leander)

HR 2 december 1988, NJ 1989, 752 (Ma):

Degene van wie een instelling als de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) een dossier heeft aangelegd, heeft in beginsel recht op kennisneming van de inhoud daarvan, maar de wijze van kennisneming hangt mede af van de aard van de stukken en de daarin vervatte gegevens. Bij een medisch dossier als het onderhavige zal in de regel kennisneming door middel van een aan de betrokkene te verschaffen afschrift kunnen worden verlangd. Aan een instelling als de GMD komt echter een zekere vrijheid toe om aangaande het inzagerecht bepaalde regels te stellen die enerzijds dit recht voldoende waarborgen en anderzijds rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de GMD en met de rechten en belangen van derden. In casu is de regeling van de GMD - stukken kunnen op bepaald kantoor worden ingezien en desgewenst kunnen daar afschriften worden gegeven - niet in strijd met het inzagerecht.

HR 25 juni 1993, NJ 1994, 140 (WH-S)(Poppenmethode):

Vader vordert in kort geding afgifte van verslag van interview met minderjarige dochter waarbij gebruik is gemaakt van anatomisch correcte poppen. Verw. hoefden aan het verzoek niet te voldoen voorzover zulks niet verenigbaar was met de hun jegens het kind betamende zorg. Het hof heeft terecht tegen elkaar afgewogen het door de vader aangevoerde opvoedingsbelang en het belang van het kind bij de bescherming van haar persoonlijke levenssfeer aan welk laatste belang een hoge mate van bescherming toekomt nu het hier gaat om gegevens van een zeer intiem karakter. Het hof heeft terecht het belang van het kind doorslaggevend geoordeeld.

Hof 's-Gravenhage 19 februari 1981, NJ 1982, 195:

Patiënt wordt geen eigenaar van van hem gemaakte röntgenfoto's. Ziekenhuis hoeft de foto's danwel kopieën ervan niet te verstrekken zonder dat daarvoor betaald is. Het ziekenhuis kan niet geacht worden de foto's voor patiënt te houden, noch op grond van veranderde rechtsopvattingen in de gezondheidszorg (privacy patiënt) noch op grond van gering belang ziekenhuis om de foto's te behouden (professionele verantwoordelijkheid).

Pres. Rb. Amsterdam 13 juni 1985, KG 1985, 188:

Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) weigert eiser kopieën te verstrekken van schriftelijke gegevens uit zijn GMD-dossier, welke gegevens eiser nodig heeft in een Kroonprocedure, door hem aangespannen over een parkeerontheffing. Pres. ziet in die weigering een onrechtmatige daad. Het in art. 10, eerste lid Grw. neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer omvat namelijk minstens twee aspecten, te weten in de eerste plaats dat derden die beroepshalve kennisdragen van gegevens van een burger deze buiten het doel waarvoor zij zijn verzameld geheim hebben te houden en in de tweede plaats dat de betrokken burger zelf zoveel als mogelijk is wordt geïnformeerd over de gegevens die over hem bij anderen berusten, zodat hij bij de inrichting van zijn leven hiermede rekening kan houden. Derhalve heeft eiser in beginsel recht op rechtstreekse inzage in zijn GMD-dossier. Voor de uitzonderingen zij hier naar het vonnis zelf verwezen.

Hof Amsterdam 20 juli 1989, KG 1989, 344:

Verbod van vernietiging en/of afgifte aan derden van geluids- en beeldbanden waarop, zonder medeweten of goedvinden van betrokkene, die gesprekken zijn vastgelegd. Bevel tot afgifte van kopieën van de originele banden.

Hof Amsterdam 6 augustus 1987, KG 1987, 383; NJ 1988, 567:

In beginsel heeft de burger het recht om te worden geïnformeerd over gegevens welke over hem zijn vastgelegd. Vraag of er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn welke een inbreuk op dit beginsel rechtvaardigen. Onder medisch dossier moet worden verstaan de stukken betreffende de ziektegeschiedenis en behandeling welke bedoeld of naar hun aard bestemd zijn om geruime tijd bewaard te worden. Voor wat dit inhoudt en voor wat is uitgezonderd zie het arrest. Ook advocaat heeft, indien daartoe door patiënt gemachtigd, recht op inzage.

Pres. Rb. Amsterdam 10 september 1987, KG 1987, 423:

In beginsel hebben de ouders recht van inzage van het medisch dossier over minderjarig kind. In casu echter een uitzondering gegeven de omstandigheden: de voor het onderzoek noodzakelijke sfeer van vertrouwen tussen de minderjarige en het onderzoeksteam, het ontbreken van specifieke deskundigheid bij de ouders (van belang voor de beoordeling van het dossier) en de bereidheid van RIAGG om in beperkte mate inzage van het dossier te verlenen.

Functie van degene die inzicht krijgt, mate van inbreuk

 

Pres. Rb. Haarlem 17 juli 1981, NJ 1982, 277:

In een echtscheidingsprocedure verschaft de vrouw medische gegevens over de man. Dit is een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de man. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy), voor zover dat waarborgt het niet bij derden bekend worden van iemands medische gegevens, heeft een absoluut karakter in dier voege dat dit recht in beginsel valt in te roepen tegenover iedere derde, d.w.z. iedereen buiten de medicus die de gegevens relateert en de onderzochte zelf, behoudens indien en voor zover deze laatste tot dat bekend worden zelf toestemming geeft. Aan de hier bedoelde onrechtmatigheid kan niet afdoen dat zij aan wie de gewraakte gegevens bekend worden uit hoofde van hun functie tot geheimhouding verplicht waren.

INSTANTIE

HOGE RAAD 8 november 1996, VR 1997, 34

(mrs Roelvink, Neleman, Heemskerk, Herrmann, De Savornin Lohman; A-G Asser),

REGELING

art. 179 Rv

ESSENTIE

Letselschade. Medische gegevens en persoonlijke levenssfeer.

Benadeelden stellen als bestuurder en inzittende whiplash-letsel opgelopen te hebben, maar weigeren bepaald na ongeval op gemaakt neurologisch-psychiatrisch rapport aan WAM-verzekeraar aansprakelijke, die causaal verband betwist, ter kennis te brengen.

Hof: Deskundigenbericht onder voorwaarde dat benadeelden rapport aan te benoemen deskundige en aan WAM-verzekeraar toezenden. Inbreuk op privacy blijft beperkt doordat WAM-verzekeraar accoord gaat dat alleen zijn medisch adviseur van rapport kennis neemt.

HR: Dictum hof dat benadeelden rapport aan deskundige en aan WAM-verzekeraar "in afschrift dienen over te leggen" kennelijk aldus te verstaan dat aan eis "afschrift" kan worden voldaan door toezending aan medisch adviseur WAM-verzekeraar.

(vgl. RvT Schadeverzekeringsbedrijf 8 juli 1996, nr III-96/21, VR 1997, 46)

Hoor en wederhoor

 

Pres. Rb. Amsterdam 6 februari 1995, KG 1995, 146:

Het had op de weg van de TROS gelegen om overeenkomstig het algemeen in de journalistiek geldende beginsel van hoor en wederhoor eiser met deze vragen te confronteren. De wijze waarop TROS deze confrontatie heeft gezocht door de bedrijfsleiding van eiser zonder vooraankondiging met een lopende camera ter verantwoording te roepen is in beginsel niet voldoende zorgvuldig.

Instemming

 

Pres. Rb. Amsterdam19 september 1996 KG 1996, 342

Door en/of onder verantwoordelijkheid van gedaagden zijn televisieopnamen gemaakt voor het SBS6-programma "Breekpunt". In die opnamen komt een interview met eiser voor en beelden van diens kantoor- en woonomgeving. Aanleiding was het feit dat op verzoek van eiser medische onderzoeken zijn verricht in verband met door de aansprakelijkheidsverzekering van een ziekenhuis aan een behandelde patiënt (hieronder aan te duiden als "X"), na toekenning van een reeds betaald voorschot, nog uit te keren schadevergoeding. Op basis van die rapportage is zodanige nadere schadevergoeding door de verzekeraar geweigerd. In bedoeld programma zou de onvrede met de uitkomsten van dat onderzoek aan de orde gesteld worden. Eiser vraagt - kort gezegd - verbod tot uitzending. De gevraagde voorziening wordt geweigerd.

Juistheid informatie

 

Pres. Rb. Amsterdam 12 december 1985, KG 1986, 26:

Privé moet rectificeren wat het geschreven heeft over het eerste "liefdesweekend" van eiser (prins Willem-Alexander) in het Amsterdamse Hiltonhotel.

Pres. Rb. Amsterdam 23 oktober 1995, Mediaforum 1995, p. B128

In het blad Party is in strijd met de waarheid vermeld dat de schoondochter van oud-premier Lubbers zwanger was, voordat zij in het huwelijk trad. Het artikel vormt een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het echtpaar.

TOEZICHT OP HET SCHADEVERZEKERINGSBEDRIJF

(mrs Roelvink, Dil-Stork, Veldhuyzen), nr I-92/42,

3. Verzekeraar heeft tegenover klaagster enerzijds de suggestie gewekt als zou de verzekerde jongen reeds tweemaal strafrechtelijk zijn veroordeeld, doch anderzijds het standpunt ingenomen geen inzicht in bepaalde argumenten te kunnen geven omdat anders inbreuk zou worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. Dit laatste moge op zichzelf verdedigbaar zijn, doch daaruit volgt niet dat het gepast is wel op voor de verzekerde belastende omstandigheden te zinspelen maar vervolgens nadere inlichtingen te weigeren. Verzekeraar heeft in zijn verweerschrift niet ontkend dat de suggestie als zou de verzekerde tweemaal strafrechtelijk zijn veroordeeld feitelijk onjuist is, zoals klaagster heeft aangevoerd. De Raad acht de op dit punt door verzekeraar gevolgde gedragslijn strijdig met de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf, zodat de desbetreffende klacht doel treft.

5. Verzekeraar neemt het standpunt in dat hij zich terecht beroept op de uitsluiting van dekking ingevolge de hierboven geciteerde bepaling (artikel 6.1 van de verzekeringsvoorwaarden). De aan de Raad overgelegde stukken, in het bijzonder de processen-verbaal van de politie, bieden onvoldoende steun voor dat standpunt. De Raad kan echter de mogelijkheid niet uitsluiten dat verzekeraar in een eventuele (vrijwarings)procedure tussen de verzekerde en verzekeraar met behulp van nadere gegevens welke verzekeraar niet aan klaagster heeft willen onthullen om de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde te beschermen, zou kunnen slagen in het bewijs dat de brand voor de verzekerde het 'beoogde of zekere gevolg' van zijn handelen of nalaten was.

Mededeling vooraf

 

Illustratief voor het navraag doen bij één enkele derde is uitspraak nr. III-87/25 waarin de Raad van Toezicht zich in afkeurende zin uitlaat over het feit dat de aansprakelijkheidsverzekeraar zonder toestemming van de benadeelde of diens raadsman navraag heeft gedaan bij een leraar van klagers school over diens prestaties.

HR 12 februari 1993, NJ 1993, 599

De Algemene Bijstandswet bepaalt in art. 84d lid 3 dat alvorens inlichtingen over iemands inkomen worden ingewonnen de betrokkene daarvan in kennis wordt gesteld. De regel strekt er mede toe het belang te beschermen dat de betrokkene onder bijzondere omstandigheden erbij kan hebben dat de overheid zich van het inwinnen van dergelijke inlichtingen onthoudt. Onder bijzondere omstandigheden kan dat inwinnen inbreuk maken op het in art. 8 EVRM beschermde recht. Niet-naleving van de verplichting kan daarom onder bijzondere omstandigheden jegens betrokkene onrechtmatig zijn, zulks echter enkel onder zodanige omstandigheden, dat het oordeel is gewettigd dat, zou de overheid deze hebben gekend, zij zich van het geven van uitvoering aan haar voornemen tot het inwinnen van inlichtingen had behoren te onthouden, omdat dat inwinnen niet noodzakelijk in de zin van art. 8 lid 2 EVRM kan worden beschouwd.

Bepalend voor het beleid van de Raad van Toezicht als het gaat om een `buurtonderzoek' is met name uitspraak II-90/34, recentelijk bevestigd door uitspraak III-95/40. Daaruit komen de volgende gedragsregels naar voren:

1.De verzekeraar moet degene die voorwerp van het onderzoek is, te voren en duidelijk mededelen dat een buurtonderzoek wordt gehouden, met welk oogmerk en wat dit gaat omvatten;

2.De betrokkene moet daartoe expliciet te voren toestemming verlenen en daarvan moet blijken in het rapport;

3.Het rapport waarin de uitkomst van het onderzoek is neergelegd, moet aan de betrokkene ter beschikking worden gesteld en deze moet ook in de gelegenheid worden gesteld een reactie te geven.

Proportionaliteitsbeginsel, informatieplicht

 

RvT I-98/14

`1. Veelal zal de grens tussen een feitenonderzoek en een persoonlijk onderzoek niet duidelijk te trekken zijn. Om welk onderzoek het in dit geval gaat kan evenwel in het midden blijven, aangezien bij beide onderzoeken de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen dienen te worden, beginselen die - naar verzekeraar heeft erkend - ook leefden in het rechtsbewustzijn voordat de "Gedragscode Persoonlijk Onderzoek" werd ingevoerd.

2. Het voorgaande brengt mee dat - ook indien met verzekeraar wordt aangenomen dat een onderzoek naar de aan de claim ten grondslag gelegde feiten in de rede lag - verzekeraar zijn belang bij een onderzoek had moeten afwegen tegen het belang van klaagster bij een ongeschonden zakelijke reputatie. Verzekeraar had zich immers moeten realiseren dat bij een onderzoek als het onderhavige de zakelijke reputatie van klaagster bij haar opdrachtgever in het geding zou kunnen komen. De omstandigheid dat twijfel was gerezen aan de juistheid van de claim in verband met het feit dat klaagsters onderneming vóór het aanvaarden van de bedoelde opdrachten niet of nauwelijks inkomsten van enige betekenis had genoten, levert onvoldoende grond op om zonder verkregen toestemming of voorafgaande aankondiging dat onderzoek te verrichten. Gegeven het feit dat de claim was ingediend door klaagsters raadsman, met wie verzekeraar ook ter zake correspondeerde, had verzekeraar minst genomen de raadsman te voren behoren te informeren over het voorgenomen onderzoek. Verzekeraar heeft er voorts niet blijk van gegeven dat hij de door hem gekozen, voor klaagster mogelijk zeer schadelijke onderzoeksmethode heeft afgewogen tegen andere, potentieel minder schadelijke methoden, bijv. een schaderegeling in overleg met klaagsters rechtsbijstandverzekeraar waartoe hij door deze was uitgenodigd. Door dit alles achterwege te laten heeft verzekeraar de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet voldoende in acht genomen. Verzekeraar heeft daardoor de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf in zoverre geschaad. De klacht dient op dit punt gegrond te worden verklaard.'

INSTANTIE

HR 9 januari 1998, NJ 1998, 456

nr. 16483

(Mrs. Snijders, Korthals Altes, Heemskerk, Herrmann, Jansen; A-G Langemeijer; m.nt. prof. mr. F.C.B. van Wijmen)

RvdW 1998, 15

REGELING

BW art. 7:448, 464; Rv art. 221

ESSENTIE

Geen voor rekening betrokkene komend gebrek aan medewerking aan door rechtbank bevolen medisch onderzoek; arts dient ook bij behandeling op gebied van geneeskunst anders dan krachtens behandelingsovereenkomst betrokkene op duidelijke wijze en desgewenst schriftelijk in te lichten over het voorgenomen onderzoek (over de aard daarvan en over de voor de gezondheid te verwachten gevolgen en risico's van het onderzoek).

Subsidiariteit

 

Pres. Rb. 's-Hertogenbosch 23 december 1974, NJ 1975, 80:

Beroep op het algemeen belang verworpen o.a. omdat aan gedaagde andere mogelijkheden open stonden om dit algemeen belang te dienen (...) welke andere mogelijkheden tot een onderzoek van bedoelde beschuldigingen zouden hebben kunnen leiden en derhalve reeds uit dien hoofde effectiever zijn te achten dan de thans door gedaagde gevolgde methode die beschuldigingen aanstonds in de publiciteit te brengen.

Hof Amsterdam 26 oktober 1995, Mediaforum 1996-2, p. B22-B24:

Geen belang wordt in dit verband toegekend aan het feit dat het voor de TROS in technisch opzicht bezwaarlijk is haar programma en zendschema op het laatste moment te wijzigen. Dit vloeit immers voort uit door haar zelf gemaakte keuzen, waarvan de consequenties niet op derden mogen worden afgewenteld. De Tros staan minder diep in de privésfeer ingrijpende methoden ten dienste om de door haar nagestreefde doeleinden te verwezenlijken. Dat zij daartoe juist het middel van de "reality television" koos, mag onder deze omstandigheden niet voor rekening komen van P. en T.

Hof Amsterdam 16 december 1976, NJ 1977, 86:

(Publikatie in weekblad waarin eiser, zonder met name genoemd te worden, beschuldigd wordt van spionnage-activiteiten voor de KGB). Beroep op algemeen belang verworpen, nu onvoldoende is aangetoond dat andere meer passende wegen, zoals het doorgeven van de informatie aan de BVD, niet tot het gewenste resultaat zouden hebben geleid.

Pres. Rb. Amsterdam 10 december 1981, KG 1982, 2:

Publikatie van verdenkingen onrechtmatig, nu gedaagde die verdenkingen reeds ter kennis van een tot onderzoek bevoegde instantie heeft gebracht en bovendien niet over enig bewijs beschikt. Gedaagde had zich in de gegeven omstandigheden zonder meer kunnen beperken tot zijn schriftelijke mededeling aan de betreffende Tweede-Kamercommissie.

Hof Amsterdam 18 juni 1992, Mediaforum 1992, blz. B67:

Het beoogde belang had ook langs andere, voor B. minder schadelijke, wegen bereikt kunnen worden en was het niet nodig de identiteit van B. op televisie te onthullen.

video telefoon technische hulpmiddelen

 

Opname telefoongesprek

Heimelijk opgenomen telefoongesprekken zijn niet reeds uitgesloten in het civiele geding omdat het opnemen een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer.
(Driessen van Gelder HR 16-10-1987, NJ 1988, 850Vgl. EHRM 23-11-1993, Publ. ECHR, Series A, vol 277B Telefoongesprekken behoren tot de persoonlijke levenssfeer.
zie ook HR 1-7-1992, NJ 1994, 621.)

bewijs telefoon bandopname toestemming levenssfeer HR 19-03-1999, RvdW 1999, 50C

Voor het in het geding brengen van een geluidsband door een partij met het doel daarmede bewijs te leveren is evenals voor schriftelijk bewijs geen toestemming van de wederpartij noch een verzoek of opdracht van de rechter vereist.

HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 850 (EAA); ook in NJCM-bulletin 1988, blz. 639 met nt. L. Verhey:

Bandopname waarop zonder toestemming en/of medeweten van gesprekspartner een telefoongesprek is vastgelegd. Openbaarmaking aan de rechter in een civiel rechtsgeding maakt geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en is evenmin uit anderen hoofde onrechtmatig. Het betrof een in het zakelijk verkeer tussen twee directeuren van bedrijven gevoerd telefoongesprek met een geheel zakelijke inhoud.

bewijs onrechtmatig bandopname verzekeraar levenssfeer RvdW 1992, 42?

Pres. Rb. Breda 1 juni 1965, NJ 1965, 337:

Betreft afluisteren door middel van microfoon en bandrecorder. Pres. kwalificeert dit als een aanslag op de onschendbaarheid van eisers woning en huisvrede. De wetgever heeft in tal van wetsartikelen - o.m. art. 172 Gr.w en 682 e.v. BW - blijk gegeven, ieders woning en hetgeen daarin voorvalt, gedaan en gesproken wordt tegen ongewenste belangstelling van derden te willen beschermen. Het nemen van maatregelen om zonder medeweten van de bewoner en zonder diens goedvinden met oog en oor binnen te dringen in privé-levenssfeer levert een aantasting op van een aan de bewoner toekomend recht, is althans onzorgvuldig.

INSTANTIE

HR 11 november 1994, NJ 1995, 400

Onrechtmatig bewijs technische hulpmiddelen observatie camera HR 11-11-1994, RvdW 94, 241

Met behulp van een camera verkregen bewijs is niet onrechtma­tig nu daarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt als waarneming door een per­soon. Maatgevend is of de rapportage voldoende betrouwbaar is.

rek.nr. 8501

(Mrs. Snijders, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis, Swens-Donner; A-G Leijten; m.nt. EAA en HJS)

RvdW 1994, 241

REGELING

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen art. 25a, 25b, 3; Sv art. 141; EVRM art. 6, 8 lid 2; IVBP art. 19; Gr.w art. 10

ZIE OOK

ESSENTIE

Terugvordering IOAZ. Opsporingsbevoegdheid gemeente. Onrechtmatig verkregen bewijs; observatie door middel van technische hulpmiddelen. Mensenrechten; privé-leven; "in accordance with the law" in art. 8 EVRM. Rapportage.

Rechtbank: Het feit dat bij een observatie technische hulpmiddelen worden gebruikt, brengt nog niet mee dat de met behulp daarvan verkregen waarnemingen als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. De keuze van het hulpmiddel, een op de woning van O. gerichte camera, is niet disproportioneel te achten, nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar op dezelfde plaats had kunnen waarnemen.

Hoge Raad: Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet door in weerwil van de in art. 8 lid 2 EVRM voorkomende woorden "voor zover bij de wet is voorzien" ("in accordance with the law") onvermeld te laten op welke wetsbepaling of ongeschreven rechtsregel de bevoegdheid tot het verzamelen van het onderhavige bewijsmateriaal berustte. De rechtbank heeft immers kennelijk de opsporingsbevoegdheid van art. 141 Sv voor ogen gehad. Het enkele feit dat het verzamelde bewijs thans in de onderhavige procedure wordt gebezigd, heeft niet tot gevolg dat het onrechtmatig is verkregen, noch ook dat de vermelde bepaling geen grondslag kan zijn voor een gerechtvaardigde inmenging in het privé-leven, als hier naar het oordeel van de rechtbank heeft plaatsgevonden.

Er bestaat geen verschil tussen observatie met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel en het geval dat observatie zonder gebruikmaking van een technisch hulpmiddel heeft plaatsgevonden: ook dan vormt de rapportage geen volledige beschrijving van hetgeen de opsporingsambtenaar heeft waargenomen. Waar het in beide gevallen op aankomt, is of de rechter de rapportage, eventueel in het licht van daartegen aangevoerd tegenbewijs, voldoende betrouwbaar oordeelt. *

Verwijderingsrecht

 

HR 1 maart 1968, NJ 1968, 221:

Waarschuwingssysteem tussen kredietinstellingen. Er zijn omstandigheden denkbaar dat op de beheerder van het systeem de verplichting rust een persoon uit het systeem te verwijderen, bijvoorbeeld indien de waarschuwing een vordering betrof die als niet bestaand moest worden aangemerkt.

Rb. Utrecht 10 januari 1990, NJ 1990, 624:

Uit art. 10 Gr.w, art. 8 EVRM en art. 17 Bupo vloeit niet in algemene zin, d.w.z. ten gronde en rechtstreeks, een (rechtens afdwingbaar) recht op vernietiging van een dossier voort. Wel is er een ongeschreven regel dat de bewaarder van medische gegevens als in kwestie naar maatstaven van zorgvuldigheid gehouden kan zijn die gegevens na zekere tijd op verzoek van de patiënt te vernietigen, tenzij zwaarwegende belangen aan de zijde van de bewaarder zich daartegen verzetten.

Verplichting tot meewerking

 

Pres. Rb. 's-Gravenhage 12 april 1988, KG 1988, 219:

Onrechtmatige daad van vader tegenover zoon doordat vader weigert om in het kader van de Wet studiefinanciering zijn inkomensgegevens aan de overheid te verschaffen, waardoor zoon slechts basisbeurs ontvangt en geen aanvullende financiering. Hoewel die gegevens betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van de vader, brengt de bijzondere aard van diens onderhoudsverplichting jegens de zoon mee, dat hij het nodige doet voor zo'n aanvullende financiering.

Ktr. Gorinchem 17 februari 1995, KG 1995, 153

Werknemer heeft contractueel recht op aandeel in de winst. Dat de bepaling van de winst zal geschieden door een accountant ontneemt de werknemer niet het recht te controleren of zijn aandeel juist is berekend. Geen inbreuk op de privacy van de werkgever, wiens financiële gegevens ook uit de jaarrekening te lezen zijn.

Zorgvuldigheid

 

2. RAAD VAN TOEZICHT III - 98/29

In zijn inleiding vestigde Misana de aandacht van de aanwezigen op een recente uitspraak van de RvT Schadeverzekeringsbedrijf. De klacht tegen een verzekeraar had betrekking op de wijze waarop met medische informatie werd omgegaan. In het kort komt de werkwijze van deze verzekeraar neer op het volgende:

- de geneeskundig adviseur van de verzekeraar bepaalt welke informatie er wordt ingewonnen; de feitelijke aanvraag wordt verzorgd door de dossier-behandelaar;

- de ontvangen medische informatie wordt ter beoordeling en bespreking aan de geneeskundig adviseur verstrekt en, voorzover relevant voor de schaderegeling, met de dossier-behandelaar besproken; en

- de medische informatie wordt in een apart deel van het schade-dossier bewaard en mag slechts worden ingezien door de geneeskundig adviseur, wiens adviezen vermeld staan op de kaft van het medisch dossier.

Het standpunt van de verzekeraar is dat door deze handelwijze de bestaande regels (KNMG-richtlijnen en de Gedragscode van het Verbond van Verzekeraars) niet worden geschonden. De raad is een andere mening toegedaan en acht de klacht gegrond, waarbij de verzekeraar wordt opgedragen de regels omtrent de omgang met medische gegevens in acht te nemen. De raad verwijst specifiek naar de art. 6-7 en 12-13 van de Beroepscode voor Geneeskundig Adviseurs werkzaam bij Particuliere Verzekeringsmaatschappijen. In het kort komen deze artikelen er op neer dat de geneeskundig adviseur zèlf verplicht is een medisch dossier aan te leggen en dit te bewaren in een medisch archief dat wordt beheerd onder zijn verantwoordelijkheid. Met betrekking tot de medische gegevens heeft de geneeskundig adviseur een geheimhoudingsplicht: hij mag alleen medische gegevens verstrekken aan de functionele eenheid, voorzover die gegevens nodig zijn bij de beoordeling van de letselschade.

Levenssfeer letselbureau verantwoordelijkheid verzekeraar medisch geheim
Als de medisch adviseur van een letselschadebureau gemachtigd is om inlichtingen te verschaffen uit een medisch expertiserapport aan de schadebehandelaar, dan mag laatstgenoemde binnen het kader van zijn taak die gegevens doorgeven aan een arbeidsdeskundige.
De Raad is niet bevoegd de handelwijze van een zelfstandig letsel­schadebureau te beoordelen, maar voor een eventueel tekort schieten van zo'n bureau is de verzekeraar in tuchtrechtelijke zin aansprake­lijk. RvT 8-12-1997 I 1997, 18