Rapport van de Studiecommissie Opzet

VERBOND VAN  VERZEKERAARS IN NEDERLAND

• Verbond van Verzekeraars in Nederland Groothertoginnelaan 8,2517 EG Den Haag Postbus 990, 2501 CZ Den Haag
Telefoon 070-61 47 31*


Inhoud

1

Opdracht         6

 

 

2

Samenstelling 6

 

 

3

Probleemstelling        7

 

 

4

Uitgangspunten          8

 

 

5

Het „Goudse"-arrest  9

 

 

6

Commentaren op het „Goudse"-arrest

 

 

7

Conclusie       14

 

 

8

Aanbevelingen           15

 

 

 

8.1. Nederlandse Vereniging van Algemene            16

 

 

 

Aansprakelijkheidsverzekeraars AAV

 

 

 

8.2       Nederlandse Vereniging van Automobiel-   17
assuradeuren NVVA

 

 

 

8.3       Nederlandse Vereniging ter Bevordering van
het Levensverzekeringwezen NVBL

17

 

 

8.3.1    Algemeen       17

 

 

 

8.3.2    Uitsluitingsclausules m.b.t. het overlijdens-
risico   18

 

8.3.2.1 Individueel 18
8.3.2.2 Collectief 19
8.3.3 Uitsluitingsclausules m.b.t. het risico van 19
overlijden tengevolge van een ongeval
8.3.4 Uitsluitingsclausules m.b.t. het risico van 20 arbeidsongeschiktheid
8.3.4.1 Individueel 20
8.3.4.2 Collectief 20
8.4 Nederlandse Vereniging van Ongevallen en 20 Ziekteverzekeraars NVOZ
8.5 Vereniging van Brandassuradeuren in 21 Nederland
8.6 Vereeniging van Transportassuradeuren in 22 Nederland
8.6.1 Goederenverzekering 22
8.6.2 Aansprakelijkheidsverzekering wegvervoerders 22 8.6.3 Binnenvaartcasco-verzekering 22
8.6.3.1 Eigen schaden-verzekering 22
8.6.3.2 Aansprakelijkheidsverzekering 22
8.7 Nederlandse Organisatie van Rechts- 23 bijstandassuradeuren NORA
8.8 Federatie van Onderlinge Verzekering- 24 maatschappijen in Nederland FOB
1 Opdracht
Het Bestuur van de Nederlandse Unie van Schade- verzekeraars (NUvS) heeft, in overleg met de Besturen van de betrokken organisaties uit het schadeverzeke- ringsbedrijf en het Bestuur van de"Nederlandse Vereni- ging ter Bevordering van het Levensverzekeringwezen (NVBL), een commissie ingesteld welke tot taak kreeg een studie te verrichten over de wenselijkheid van wijziging van de door verzekeraars in de polisvoorwaar- den gehanteerde uitsluiting van „opzet".
Aanleiding hiertoe was een voorstel van de Neder- landse Vereniging van Algemene Aansprakelijkheids- verzekeraars (AAV), dat werd ingegeven door ontwikke- lingen in de rechtspraak.
2 Samenstelling
3 Probleemstelling
Art. 276 K. zegt: schade door eigen schuld van een ver- zekerde is niet gedekt. Algemeen wordt aangenomen, dat aansprakelijkheidsverzekering naar haar aard wel dekking geeft tegen eigen schuld. Maar niet onbe- grensd. Volgens Dorhout Mees (Schadeverzekerings- recht, 4e druk, no. 389) is opzet en grove schuld onver- zekerbaar.
In het ontwerp nieuw B.W. (7.17.2.9) is de term eigen schuld vervangen door merkelijke schuld. Over de grens van hetgeen verzekerbaar is, zegt de Toelichting (p. 1176):
»Dekking van de gevolgen van eigen opzet of van voor- waardelijk opzet ware echter in strijd met de openbare orde. Aan rechtspraak en doctrine kan worden overgelaten de grenzen hiervan vast te stellen". .
Naar verwachting zullen tekst en toelichting anders luiden.
De samenstelling van deze commissie is:
Voorzitter Mr. R. A. Salomons
Leden Mr. P. J. G. M. Brouwer Mr. J. G. P. van der Hulst Mr. J. H. Koelmans
Mr. J. J. Luyt
Mr. P. B. Polet
Mr. P. M. L. Rosenberg* Secretaris G. R. Fernhout*
AAV, NVVA FOB. BRAND
NVBL
NORA TRANSPORT AAV
AAV, NIJvS
*De heren Rosenberg en Fernhout hebben slechts voor een bepaalde tijd deel genomen aan de werkzaamheden van de commissie. De heer Mr. E. A. Kleijnenberg is de heer Femhout als secretaris opgevolgd.
Laten we nu even bij het huidige recht blijven. We zien dan, dat volgens de wet eigen schuld niet gedekt is, maar dat de verzekeraar daarvan kan afwijken. Hij kan eigen schuld uitdrukkelijk meedekken, maar slechts tot de grens van opzet en grove schuld (volgens Dorhout Mees in 1967). Over deze grens echter bestaat onzekerheid, en die is versterkt door het Goudse (of Bierglas)-Arrest (zie hierna sub 5).
Verzekeraars staan nu voor de volgende vragen:
•          a Welke schuldgraden zijn onverzekerbaar? Opzet, opzet en voorwaardelijk opzet, opzet en grove schuld?
•          b Is het nodig of gewenst het begrip voorwaardelijk opzet te defmiëren?
•          c Is het mogelijk wat meer eenheid en/of duidelijk- heid te brengen in uitsluitingsbepalingen m.b.t. opzet?
6
4 Uitgangspunten
Iedere polis van levens- of schadeverzekering kent (zij het soms alleen stilzwijgend) een uitsluiting voor ,,opzet".
Alle verzekeringsbranches hebben dus met de hiervoor geschetste problematiek te maken — en dit verklaart de samenstelling van de Studiecommissie uit vertegen­woordigers van al deze branches.
Iedere branche stelt echter eigen eisen aan de polis­voorwaarden.
Het is daarom reeds niet denkbaar dat de Commissie tot een advies zou komen dat voor alle branches gelijk­luidend is.
Als werkwijze heeft de Commissie daarom gekozen voor een aanpak waarbij eerst in het algemeen de ver­schillende uitsluitingen op dit gebied worden geïnven­tariseerd, om vervolgens voor iedere branche afzonder­lijk aan te geven waar de grens ligt van datgene wat men nog wil verzekeren.
De Commissie heeft zich gerealiseerd dat er ook per branche verschillen zullen bestaan tussen de opzet- uitsluitingen van de daarin werkzame verzekeraars. Een inventarisatie van de gebruiken in iedere branche heeft daarin verder inzicht gegeven.
Sommige van deze verschillen zijn toe te schrijven aan een verschillende uitleg die aan de inhoud van bepaalde begrippen wordt gegeven.
De Commissie hoopt met dit rapport bij te dragen tot verduidelijking van die begrippen en hoopt met haar aanbevelingen een zekere stroomlijning te bewerk­stelligen.
5 Het „Goudse"-arrest
(HR 30-5-1975, NJ. 1976, no. 572)
De discussie over de uitsluiting van „opzet" is toe­genomen door een uitspraak van ons hoogste rechts­college in een geschil over de toepasselijkheid van deze uitsluiting. Anders dan de verzekeraar was de Hoge. Raad van oordeel dat de uitsluiting van „opzet" niet tevens inhoudt de uitsluiting van „voorwaardelijk opzet" in de betekenis welke door deze verzekeraar aan dit laatste begrip werd toegekend..
Het begrip voorwaardelijk opzet ontleent zijn betekenis voornamelijk aan het strafrecht. Het strafrecht stelt opzet en voorwaardelijk opzet op een lijn. Verzekeraars zijn er tot voor kort vaak vanuit gegaan dat parallellen met het strafrecht getrokken konden worden bij het hanteren van deze begrippen in het verzekeringsrecht. Dit leidde tot de veronderstelling dat de uitsluiting van „opzet" tevens omvatte „voorwaardelijk opzet".
De Hoge Raad heeft met zijn bovenvermelde uitspraak dit uitgangspunt verworpen voor twee bepaalde om­schrijvingen van voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad heeft overigens in deze uitspraak ook niet gezegd dat voorwaardelijk opzet in alle omschrijvingen een ver­zekerbare vorm van schuld is. Het berechte geval lag als volgt:
Nadat M met twee andere jongelui door B uit een openbare gelegenheid was verwijderd en B het hek achter hen had dicht­gedaan, heeft M in zijn woede over deze verwijdering een bierglas tegen het hek gegooid, waardoor splinters van dit glas een oog van B hebben getroffen. Voor de hierdoor aan B toe‑
gebrachte schade aansprakelijk gesteld, heeft M als verzekerde onder een door zijn vader gesloten WA.- verzeke­ring de Goudse in vrij­waring geroepen.
De Goudse heeft betwist, dat de aansprakelijkheid van M door de verzeke­ring werd gedekt, omdat — naar zij stelde —:
8
•          a de aan B toegebrachte letselschade door M was veroorzaakt met voorwaardelijk opzet;
•          b in de polis opzet is uitgesloten en dit mede omvat voor- waardelijk opzet;
•          c een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid voor door voorwaardelijk opzet veroorzaakte schade (evenals voor opzettelijk veroorzaakte schade) bovendien nietig is, als in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde.
Rechtbank en Hof stelden de Goudse in het ongelijk. Voor de Hoge Raad spitste de zaak zich toe op de volgende vragen:
a Is het nodig, opzet in een polis uit te sluiten? Of is opzet van rechtswege uitgesloten?
b Als de polis een uitsluiting voor opzet bevat, omvat zulks dan mede voorwaardelijk opzet?
De Hoge Raad beantwoordde deze vragen als volgt:
a Er geldt een ongeschreven regel, dat aansprakelijk- heid voor door verzekerde opzettelijk veroorzaakte schade in het algemeen niet door de verzekering wordt gedekt. Dit geldt ook als de polis geen uit- sluiting voor opzet bevat. Anders zou de overeen- komst in strijd zijn met de goede zeden en/of de openbare orde.
b Die regel strekt zich echter niet uit tot voorwaardelijk opzet naar de omschrijving:
„dat M door onder de bestaande omstandigheden een bier- glas tegen het hek te werpen, zich willens en wetens bloot- stelde aan de aanmerkelijke kans daardoor B te verwon- den". Hetzelfde geldt voor een polisbepaling die opzet uitsluit. Ook in zo'n polisbepaling strekt de uit- sluiting zich niet uit tot voorwaardelijk opzet als hiervoor omschreven.
Overigens merkte de H.R. op dat de strafrechtelijke omschrijving van voorwaardelijk opzet, betrekking hebbende op gevolgen die de dader redelijkerwijs had moeten voorzien, een schuldgraad aanduidt die in ieder geval wel verzekerbaar is.
Het resultaat was dus dat de Goudse ook in cassatie de zaak verloor.
10
6 Commentaren op het „Goudse"-arrest
Het arrest heeft aanleiding gegeven tot de volgende commentaren.
6.1       Een noot van Prof Mr. B. Wachter bij de publi-
catie van het arrest in de Nederlandse Juris- prudentie (NJ. 1976, no. 572).
6.2       Een commentaar op deze noot van Mr. R. A.
Salomons, gevolgd door een naschrift van Prof. Wachter, in het Nederlands Juristenblad (NJB 4.6.1977, blz. 582/583).
6.3       Een artikel door Prof Mr. C. J. H. Brunner in
Bouwrecht (14e jaargang nr. 4 — april 1977).
6.4 Een artikel door Mr. H. D. M. Mulder in Vraag- baak voor het Assurantiewezen (45e jaargang, 18 juli 1975, nr. 29).
6.5       De intreerede van Drs. Mr. W. Nieboer, Wetens
en Willens.
6.6       Het boek van Scheltema-Mijnssen, Algemeen
deel van het schadeverzekeringsrecht1978 (pag. 110-119).
De commissie heeft deze commentaren in haar studie betrokken, alsmede andere relevante bronnen, te weten:
6.7       De pleitaantekeningen inzake de Goudse-proce-
dure van Mr. J. W. Lely, optredend voor de wederpartij van de Goudse.
6.8       De conclusie van de Advocaat-Generaal Mr. Ber-
ger (NJ 1976, no. 572).
6.9       Een brief van Mr. B. van Marwijk Kooy, ge-
dateerd 3 juni 1975, aán de Goudse, voor wie hij in deze procedure als advocaat optrad.
6.10 De publicatie van Mr. H. M. Voetelink: „Verzeke- ring en voorwaardelijke opzet" (1972).
6.11 Het boek „Schadeverzekeringsrecht", 4e druk, van Prof Mr. T. J. Dorhout Mees.
6.12 Het boek „Algemene Wettelijke Aansprakelijk-
heidsverzekering", 1964, van Mr. H. A. Bongers.
6.13 Het Ontwerp nieuw B.W. Boek 7 (art. 7.17.2.9).
De inhoud van deze commentaren komt voornamelijk op het volgende neer.
Prof. Wachter waarschuwt in zijn noot, met verwijzing naar de opvattingen van andere schrijvers tegen .het
11
trekken van parallellen tussen het strafrecht en het burgerlijk recht, met name wanneer het gaat om een strafrechtelijk leerstuk als het voorwaardelijk opzet. Hij beoordeelt de beslissing van de Hoge Raad positief omdat daarmee is uitgemaakt dat de strafrechtelijke gelijkstelling tussen opzet en voorwaardelijk opzet, in de betekenis van het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans op het intreden van bepaalde gevolgen, niet doorgetrokken mag worden naar de aan­sprakelijkheidsverzekering.
Opvallend in zijn noot is de opmerking dat de aard van deze specifieke verzekering (de aansprakelijkheids­verzekering voor particulieren), in het bijzonder ge­relateerd aan de belangen van derden, zich niet hoeft te verzetten tegen het verlenen van dekking, ook indien de schade door opzet of grove schuld van de verzekerde veroorzaakt werd.
Het was voornamelijk tegen deze opmerking, welke nader in het vervolg van de noot werd toegelicht, dat het commentaar van Mr. Salomons zich richtte.
Deze wees erop dat het verlenen van dekking in zodanig geval niet alleen de belangen van derden dient, maar ook die van de verzekerde zelf die opzettelijk schade toebracht. Hij wordt immers bevrijd van een financiële last, nl. de betalingsplicht jegens de benadeelde.
Salomons wijst erop dat een regeling als bedoeld door Wachter veel verder zou gaan dan de regeling onder de WAM, waarbij in geval van opzettelijke schadetoebren­ging de verzekeraar weliswaar aan het slachtoffer betaalt, maar regres heeft op de schadeveroorzaker.
Salomons merkt voorts op dat de WAM door de wet­gever verplicht is gesteld in het belang van de benadeel­de. Blijkens de Memorie van Antwoord pag.165 betref­fende het Gewijzigd Ontwerp Nieuw B.W. Boek 6, is de wetgever vooralsnog niet van mening dat de algemene aansprakelijkheidsverzekering verplicht gesteld zou moeten worden.
Concluderend stelt hij o.m. dat in elk geval de dekking van verwijtbaar opzet in strijd is met de openbare orde, zelfs bij aansprakelijkheidsverzekering.
In zijn naschrift verklaart tenslotte Wachter zich vol­ledig te verenigen met deze opvatting van Salomons.
Het aspect van derdenbescherming dat Wachter tot zijn, door Salomons bestreden stelling bracht klinkt ook
door in andere commentaren, bijv. in de pleitaanteke­ningen van Mr. Lely, advocaat van de wederpartij van de Goudse.
Er bestaat een zekere neiging bij aansprakelijkheids­verzekering niet de vermogenspositie van de verzeker­de, maar de positie van het slachtoffer voorop te stellen. De aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren is echter, anders dan de aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen op grond van de WAM, niet primair gericht op bescherming van derden.
De stelling dat dekking (ter bescherming van de derde) aanwezig kan zijn in geval van opzettelijke schadetoe­brenging valt te weerleggen met een verwijzing naar Dorhout Mees: Schadeverzekeringsrecht, 4e druk, blz. 508, nr. 701:
„Verzekering tegen eigen opzet en voorwaardelijk opzet is ontoelaatbaar".
Volgens Dorhout Mees wordt dit slechts in schijn anders wanneer (zoals bij de WAM) bij een verplichte 'aansprakelijkheidsverzekering de derde een recht­streeks vorderingsrecht op de verzekeraar krijgt, waar­bij deze zich tegenover de derde niet op opzet of grove schuld van de verzekerde kan beroepen:
„De mogelijkheid voor de verzekeraar om door hem aan de derde gedane uitkeringen op de verzekerde te verhalen in geval van diens opzet of grove schuld laat echter zien, dat het beginsel, t.w. dat verzekering tegen eigen opzet of grove schuld niet mogelijk is, gehandhaafd bleef".
12        13
7 Conclusie    8 Aanbevelingen
(Welke schuldgraden zijn onverzekerbaar?). Volgens de Hoge Raad in het Goudse-arrest geldt een ongeschreven regel, dat aansprakelijkheid voor door eenverzekerde opzettelijk veroorzaakte schade in het algemeen niet door de verzekering wordt gedekt, ook als de polis geen uitdrukkelijke uitsluiting voor opzet bevat, aangezien in geval van dekking de overeenkomst in strijd zou zijn met de goede zeden en/of de openbare orde.
De Hoge Raad voegt hieraan toe dat deze regel zich niet uitstrekt tot voorwaardelijk opzet omschreven als: „het zich willens en wetens blot- stellen aan de aanmerkelijke kans" of als betrekking hebbend op „gevolgen die de dader redelijkerwijs had moeten voorzien".
•          ad b (Is het nodig ofgewenst het begrip voorwaardelijk opzet te definiëren?).
-          Gezien de juridische onzekerheden over de inhoud van de term voorwaardelijk opzet acht de commissie het raadzaam dat verzekeraars het gebruik van deze term achterwege laten.
ad c (Is het mogelijk wat meer eenheid en/of duidelijk- heid te brengen in uitsluitingsbepalingen m.b.t. opzet?).
-          De commissie heeft hiertoe een poging gedaan, welke is uitgewerkt in de onder punt 8 vermelde
•          aanbevelingen. Uitgaande van de bovenvermelde conclusie, dat het gebruik van de term „voorwaardelijk opzet" moet wor- den vermeden, heeft de commissie per branche willen aangeven waarop de uitsluiting voor opzet en daaraan grenzende schuldgraden minimaal betrekking zal kunnen hebben.
De commissie herhaalt dat het niet haar bedoeling is geweest één enkel advies uit te brengen dat op alle branches gelijkelijk toepasselijk is.
Het streven is gericht op de verduidelijking van de gehanteerde begrippen door een zo veel mogelijk een- vormig woordgebruik, waarbij aan de gekozen bewoor- dingen in de verschillende branches dezelfde betekenis wordt• toegekend. Deze verduidelijking wordt in de hand gewerkt door het achterwege laten van overbodige bewoordingen.
De commissie komt daarbij tot de aanbevelingen welke hieronder, afzonderlijk per branche, worden weer- gegeven.
Hierbij zijn enkele opmerkingen vooraf te maken:
a De commissie heeft zich bij haar studie beperkt tot het terrein van het opzet en wat daar dichtbij ligt. Het gebruik van alcoholclausules e.d. is dus niet in de studie betrokken.
-
b In dit rapport wordt alleen aangegeven wat ten minste zou kunnen worden uitgesloten. Daarmee is dus niet bedoeld te zeggen dat verzekeraars bij voorkeur geen lichtere schuldgraden moeten uitsluiten. Immers, deze aanbevelingen hebben geen betrekking op de omvang van de dekking, alleen op de formulering daarvan.
Het bovenstaande leidt tot de volgende conclusies m.b.t. de vragen gesteld onder punt 3.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

•          ad a


14

 

15

- en wel in deze trant: als een dergelijke daad in zo'n situatie door een normaal mens wordt gepleegd dan heeft zo iemand opzet, de dader is een normaal mens en dus had hij opzet".
Zie in dezelfde geest:
H.R. 1-12-70, NJ 71-139 (stompen en slaan)
H.R. 7- 1-35, NJ 35-389 (schieten)
H.R. 6- 2-51, NJ 51-475 (agent omver rijden) H.R. 31-10-78, NJ 79-131 (schieten)
Mr. A. A. G. Peters, Opzet en schuld in het strafrecht p.133; Mr. G. H. A. Schut, Rechterlijke verantwoordelijkheid en wettelijke aansprakelijkheid p. 102.

Inmiddels heeft de Contact Commis­sie Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven en Particulieren (CCA) in verband met het bovenstaande aan aansprakelijkheidsverzekeraars ge­adviseerd in de polissen voor de aan-
sprakelijkheidsverzekering voor parti­culieren de subjectieve opzetclausule, en in de polissen voor de aansprake­lijkheidsverzekering voor bedrijven een objectieve opzetclausule op te nemen.
82 Nederlandse Vereniging van Automobiel­assuradeuren NVVA
De commissie is van oordeel dat voor aansprakelijk­heidsverzekeringen in verband met motorrijtuigen, de aanbevelingen gedaan onder 8.1. betreffende algemene aansprakelijkheidsverzekeringen, eveneens van toe­passing kunnen zijn.
Voor de casco-verzekering van motorrijtuigen zou de­zelfde conclusie kunnen gelden, waarbij eraan wordt herinnerd, dat de aanbeveling slechts een minimum uitsluiting behelst.
8.3 Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het Levensverzekeringwezen NVBL
8.3.1. Algemeen
De voorstellen met betrekking tot bijgaande uitslui­tingsclausules zijn gedifferentieerd naar de risico's die het levensverzekeringsbedrijf dekt en binnen dat kader
17
8.1 Nederlandse Vereniging van Algemene Aansprakelijkheidsverzekeraars AAV
Voor algemene aansprakelijkheidsverzekeringen heeft de commissie gedacht aan een standaarduitsluitings­clausule, die inhoudelijk omvat:
-          opzet als oogmerk;
-          opzet als zekerheidsbewustzijn.
De omschrijving moet echter ook voor de verzekerde zo duidelijk mogelijk zijn.
Zo'n clausule zou als volgt kunnen luiden:
Uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde.voor schade, die voor hem het beoogde of zekeregevolg is van zijn handelen of nalaten.
Hier en daar is de vrees uitgesproken dat een dergelijke subjectieve clausule een (te) zware bewijslast op de ver­zekeraar legt. Wij menen dat de bewijslast inderdaad zwaarder is dan bij een objectieve clausule, maar daarin schuilen juist de bezwaren tegen een objectieve clau­sule: die kan zo gemakkelijk worden gehanteerd dat de toepassing licht afglijdt naar het door de schadecorres­pondent opleggen van zijn norm, zijn oordeel over het gedrag van de dader, en daarbij raakt men zeer gemak­kelijk af van het terrein van opzet en zekerheidsbewust­zijn.
Inderdaad dus: de bewijslast is bij de subjectieve clau­sule zwaarder. Maar niet te zwaar, menen wij, want in een aantal extreme gevallen (en daarvoor moet de clausule toch gereserveerd blijven) zal de rechter ons te hulp komen. Hij zal nl. bij extreme gedragingen het opzet uit de gedraging zelf afleiden.
Wij mogen voor deze gedachtegang verwijzen naar de intreerede van W. Nieboer, Wetens en Willens, waaruit wij een korte passage aanhalen (p. 7):
„Die motivering kan wel eens moeilijk zijn, met name als de verdachte zijn opzet ontkent. Maar het is geen onbegon­nen werk, want de verdachte heeft door zijn daden gesproken en de rechter moet in zijn vonnis laten zien dat die daden spreken van opzet, dat ze uiting van opzet zijn. Voor deze motiveringhe* de rechter verschillende mogelijkheden ont­wikkeld. Als eerste mogelijkheid noem ik: de generalisering
16
Opmerkingen:
weer naar gebruik bij het individuele bedrijf enerzij d s en het collectieve bedrijf anderzijds. De teksten vormen de grootste gemene deler van de gangbare voorwaarden ter zake van de grote zes, uiteraard met inachtneming van het doel van de studie en met een zekere stylering. Indien levensverzekeraars deze voorstellen zullen volgen zullen de teksten ingepast moeten worden in de bij deze -levensverzekeraars gebruikelijke formulerin- gen.
Opgemerkt wordt nog, dat uitsluiting wegens opzet of grove schuld beoogt uit te sluiten de ernstigste vorm van onbewuste schuld, alle vormen van bewuste schuld (roekeloosheid, grove roekeloosheid, schuld grenzende aan opzet) en tenslotte alle vormen van opze,t; een ter- minologie, gekozen op het voetspoor van H. A. Bongers in Algemene Wettelijke Aansprakelijkheidsverzeke- ring, 1964, pg. 99 vv.
Bij de aanvullende verzekeringen (ongevallen- en arbeidsongeschiktheidsverzekering) verdient het aan- beveling, teneinde ieder beroep op voorwaardelijk opzet te vermijden, om de uitsluiting uitsluitend te rich- ten op de begrippen opzet en grove schuld.
8.3.2. Uitsluitingsclausules m.b.t. het overlijdens- risico
8.3.2.1. Individueel
1 Geen uitkering vindt plaats, indien de verzekerde overlijdt ten gevolge van zelfmoord of poging daartoe van de verzekerde binnen ... jaar na het aangaan van de verzekering.
a De termijn wordt in de praktijk gesteld op een of twee jaar.
b De bepaling kan ook worden toegepast na herstel van een verzekering of t.a.v. een verhoging ervan.
c Niet-betaling van de uitkering kan worden vervan- gen door uitkering van een waarde (reserve-, afkoop- waarde).
2 Geen uitkering vindt plaats, indien het overlij den van de verzekerde opzettelijk is veroorzaakt door of mede door een begunstigde.
Niet-betaling van een uitkering kan worden vervan- gen door uitkering van een waarde (reserve-, afkoop- waarde). In de voorwaarden zal dan een voorziening moeten worden aangebracht, opdat deze uitkering niet ten goede komt aan de begunstigde, die het over- lijden (mede) opzettelijk veroorzaakte.
8.3.2.2. Collectief
Geen voorstel tot het expliciet hanteren van een uit- sluitingsclausule. In de opvatting van de H.R. evenwel (vgl. Auto-in-kanaal-arrest 10-12-16, RvdW. 13, NJ. 1978, no. 114; zie ook Ars Aequi XXVI (1977), 11, pg. 768 vv.) kan uitkering in geval van opzettelijk veroorzaakt overlijden worden geweigerd, waarbij de specifieke belangen van het collectieve bedrijf tot coulance kun- nen nopen.
Er zij nog op gewezen, dat in lid 1 van art. 14 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet is bepaald:
„Geen recht op weduwenpensioen, noch op tijdelijke „weduwenuitkering heeft
„de weduwe:
„d. wier echtgenoot door haar of met haar medeplich- „tigheid opzettelijk van het leven is beroofd”.
8.3.3. Uitsluitingsclausules m.b.t. het risico van overlijden ten gevolge van een ongeval
1 Geen uitkering uit hoofde van de aanvullende ver- zekering vindt plaats, indien het overlijden geschiedt tijdens het plegen van een misdrijf door de verzeker- de.
2 Geen uitkering uit hoofde van de aanvullende ver- zekering vindt plaats, indien het overlijden gevolg is van opzet of grove schuld van de verzekerde of een begunstigde.
a De dekking van het hier behandelde risico wordt, voor zover bekend, uitsluitend verleend in het indivi- duele levensverzekeringsbedrijf.
b Zelfmoord is geen uitsluitingsgrond, daar zelfmoord niet onder het begrip ongeval valt.
Opmerking:
18
19
8.3.4. Uitsluitingsclausules m.b.t. het risico van arbeidsongeschiktheid (vrijstelling van premie­betaling; rente)
8.3.4.1. Individueel
1 Geen uitkering uit hoofde van de aanvullende ver­zekering vindt plaats, indien de arbeidsongeschikt­heid gevolg is van een poging tot zelfmoord van de verzekerde.
2 Geen uitkering uit hoofde van de aanvullende ver­zekering vindt plaats, indien de arbeidsongeschikt­heid gevolg is van opzet of grove schuld van de verzekerde.
Men kan zich afvragen, of de uitsluiting wegens zelf­moordpoging al niet begrepen is in de algemene uit- sluitingsgrond. De uitsluiting is daarom expliciet op­genomen, omdaf de levensverzekeraars dat tot dusverre in het algemeen ook hebben gedaan.
8.3.42. Collectief Conform individueel.
Indien in de voorwaarden sprake is van „WAO-volgen", zullen uitsluitingen meestal niet nodig zijn. (Behalve wellicht t.a.v. bij het aangaan van de verzekering be staande arbeidsongeschiktheid dan wel arbeidsonge­schiktheid tengevolge van bij het aangaan van de ver­zekering bestaande oorzaken. Overigens bevat art. 28 WAO een uitsluiting voor opzet).
8.4 Nederlandse Vereniging van Ongevallen- en Ziekteverzekeraars NVOZ
8.4.1. Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen Hiervoor geeft de commissie de aanbeveling zowel ten aanzien van de verzekerde als van de belanghebbende uit te sluiten opzet en grove schuld en het gebruik van andere begrippen (zoals voorwaardelijk opzet, grove roekeloosheid, met goedvinden) waarmee hetzelfde wordt beoogd, te vermijden.
8.4.2. Ongevallen- en Ziekengeldverzekeringen Bij ongevallen- en ziekengeldverzekeringen, hieronder mede begrepen reisongevallen- en auto-inzittenden
ongevallenverzekeringen, komt het regelmatig voor dat alleen opzet is uitgesloten.
Ongevallen- en ziekengeldverzekeraars die onder de term opzet ook voorwaardelijk opzet willen begrijpen en dus gevallen van voorwaardelijk opzet willen af­wijzen, hoewel hun polis alleen van opzet spreekt, zou de commissie willen aanbevelen een andere weg in te slaan, b.v. door een omschrijving te geven van hetgeen men wil uitsluiten zonder gebruik te maken van de term voorwaardelijk opzet.
De commissie verwijst hiervoor naar haar hierboven gedane aanbeveling met betrekking tot arbeidsonge­schiktheidsverzekeringen.
8.4.3. Ziektekostenverzekeringen
Deze verzekeringen kennen geen uitsluiting voor opzet, voorwaardelijk opzet, grove schuld e.d. De Commissie hoeft voor deze branche dus geen aanbevelingen te doen. In voorkomende gevallen wordt geageerd op basis van artikel 276 Wetboek van Koophandel.
8.5 Vereniging van Brandassuradeuren in Nederland
Brandpolissen kennen geen specifieke uitsluiting voor opzet.
De commissie kan voor deze verzekering derhalve geen aanbevelingen doen. Opgemerkt wordt nog dat bij brandverzekeringen in voorkomende gevallen ge­ageerd wordt op basis van artikel 294 van het Wetboek van Koophandel. De commissie merkt hierbij op dat Dorhout Mees in zijn boek Schadeverzekeringsrecht (nr. 377) over merkelijke schuld het volgende heeft geschreven:
„Welke mate van schuld de wetgever met merkelijke precies - bedoeld heeft, blijkt niet.
Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Het zoeken naar een synonieme uitdrukking is gevaarlijk. Zo is er m.i. generlei reden, artikel 294beperkt te achten tot roeke­loosheid. Ook de verzekerde, die zich er in het geheel niet van bewust is dat zijn handelwijze schade kan veroorzaken, kan merkelijke schuld treffen. Ik acht dit begrip dus veel ruimer dan opzet en voorwaardelijke opzet of grove schuld".
20
21

(in verband met punt 8.6.2.):
De Vereeniging van Transportassura- deuren in Nederland heeft kennis ge- nomen van het onderscheid dat door de Contact Commissie Aansprakelijk- heidsverzekering voor Bedrijven en Particulieren (CCA) terzake wordt ge- maakt tussen polissen in de particu- liere sfeer en polissen in de bedrijven- sfeer (zie sub 8.1).
Binnen de Vereeniging van Transport- assuradeuren leeft eveneens sterk de gedachte voor wat betreft de toepas- sing van de subjectieve opzetclausule onderscheid te maken tussen polissen in de particuliere sfeer en polissen in de bedrijvensfeer.
De Vereeniging zal zich hierover nader beraden.
8.7 Nederlandse Organisatie van - Rechtsbijstandassuradeuren NORA
8.6 Vereenig-ing van Transportassuradeuren in Nederland
Het verdient overweging gebruik te maken van de volgende uitsluitingen (wij herhalen echter dat het ons niet gaat om de omvang van de dekking maar alleen om de formulering).
8.6.1. Goederenverzekering
In afwijking van het bepaalde in artikel 276 van het Wetboek van Koophandel vergoeden de verzekeraars geen verlies, schade en kosten veroorzaakt door eigen merkelijke schuld van de verzekerde.
•          8.6.2. Aansprakelijkheidsverzekering wegver- voerders
Uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.
8.6.3. Binnenvaartcascoverzekering
8.6.3.1. Eigen schaden-verzekering
In afwijking van het bepaalde in artikel 276 van het Wetboek van Koophandel vergoeden de verzekeraars geen verlies, schade en kosten veroorzaakt door eigen grove schuld van de verzekerde.
N.B. Wij merken hierbij op dat er uiteraard niets tegen is, voor de verzekerde-niet-opvarende een lichtere schuld- graad uit te sluiten dan voor de verzekerde-opvarende.
8.6.3.2. Aansprakelijkheidsverzekering
Voor beurspolissen: de daarin thans voorkomende clausules.
Voor provinciale polissen: uitgesloten is de aansprake- lijkheid van een verzekerde voor schade, die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.
Binnenvaartcascoverzekeringen waarop Besluit C12 toepasselijk is mogen ingevolge de bepalingen van dit Besluit behoudens uitdrukkelijke toestemming van de Binnenvaartcascocomrnissie uitsluitend geaccepteerd worden op de condities van de Nederlandse Beurs-

cascopolis voor de Binnenvaart c.a.
„Het is de taak van de rechtsbijstandverzekeraar zijn cliënt (verzekerde) zo goed mogelijk met raad en daad (kosten) te helpen om diens (mogelijk) aangetaste recht te verkrijgen, te waarborgen of te verdedigen" (Schade- regeling Motorrijtuigen 1977, 5.1.3.).
Rechtsbijstandverzekering, welke algemeen aanvaard als schadeverzekering is te beschouwen, wij kt door haar aard af ..7.an andere verzekeringsvormen. Immers de rechtsbijstandverzekeraar is pas in de tweede plaats kostenassuradeur. In eerste instantie namelijk zal hij zijn diensten aanbieden om zelf de kwestie (verhalen van schade, regelen van geschillen, verstrekken van juridische adviezen etc.) te regelen.
Bij rechtsbijstandverzekering kan een onderscheid worden gemaakt tussen rechtsbijstand terzake van een strafvervolging en in civiele zaken.
In civiele kwesties wordt in een i groot aantal gevallen rechtsbijstand verleend juist als met opzet het geschil is veroorzaakt; denk aan „opzettelijke" contractbreuk, het
•          zich „opzettelijk" niet houden aan een arbeids- of huur- overeenkomst etc. Vaak immers kan in deze gevallen het recht liggen aan de zijde van cliënt/verzekerde.
Ook in strafzaken wordt in het algemeen rechtsbijstand verleend waar sprake zou kunnen zijn van (voorwaarde- lijk) opzettelijk handelen, zoals wellicht bij alcohol- misdrijven.
22
23
Algemeen aanvaard is dat het in principe bij deze kwes- ties tot de taak van rechtsbij standassuradeuren behoort om dekking te verlenen.
Voor rechtsbij standverzekering bestaat derhalve geen reden voor een algemene opzetuitsluiting. Mocht in extreme gevallen de behoefte bestaan op opzet van de verzekerde beroep te doen dan wordt de wettelijke bepaling voldoende geacht.
8.8 Federatie van Onderlinge Verzekering-
maatschappijen in Nederland FOB
De afgevaardigde in de Commissie van de FOB kan zich lij alle voor de verschillende branches gedane aanbe- velingen aansluiten.
's-Gravenhage, april 1980
Verzorgd door het Bureau Voorlichting Verzekering Groothertoginnelaan 8, 2517 EG Den Haag Postbus 990, 2501 CZ Den Haag
Telefoon 070-61 47 31*