Registraties RDW

Buiten document

Afmelding om 0:00 uur (doc)
Regelgeving RDW en art. 13 lid 5 WAM.
Herleven dekking (inloggen nodig, htm)

Binnen Document

Aan- en afmelding WAM.
APK en keuring.
Bekeuren op kenteken.
Eisen voertuig en kenteken.
Levenssfeer.
Narisico.
Rijbevoegdheid.
Tenaamstelling kenteken.
Vrijwaringsbewijs.

Aan- en afmelding WAM en registratie.

Nationale Ombudsman 11 september 2006 VR 2007, 140 (art. 60, 70i WVW 1994; art. 39 Kentekenregl.  Herstel van fouten door RDW

(dr. Brenninkmeijer), nr. 2006/313,

Het vereiste van administratieve nauwkeurigheid houdt in dat bestuursorganen secuur werken. Dit vereiste brengt met zich mee dat slordigheden moeten worden vermeden en dat fouten zo snel mogelijk moeten worden hersteld. Door de rechtsgevolgen van een beschikking onaangetast te laten na de ontdekking van de eigen fout, heeft de RDW in strijd gehandeld met het vereiste van administratieve nauwkeurigheid.
Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking houdt in dat bestuursorganen burgers met het oog op de behartiging van hun belangen actief desgevraagd van adequate informatie voorzien. Door verzoeker mee te delen dat hij de politie ingeval van problemen kon vragen contact op te nemen met het keuringsstation, heeft de keurmeester van de RDW verzoeker niet van adequate informatie voorzien.

RECHTBANK AMSTERDAM VR 2004, 29 28 mei 2003 WAM art. 13  Afmelding verzekering bij RDW. Foutieve invoering polisnummer door RDW.

(mr Marcus, enkelv.)

Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars regelt de schadevergoeding voor slachtoffers van een verkeersongeval in België. Het ongeluk is veroorzaakt met een personenauto met een Nederlands kenteken. De WAM-verzekering van deze auto bij Interlloyd was een klein jaar voor het ongeval beëindigd. Op de dag van het ongeval stond de auto bij de RDW echter nog steeds geregistreerd als verzekerd bij Interlloyd, zij het onder een ander nummer dan waarop het was aangemeld (met letter O i.p.v. met nummer 0). De rechtbank acht Interlloyd geslaagd in het bewijs dat de auto (geruime tijd) voor het ongeval was afgemeld bij de RDW.

HOGE RAAD 8 mei 2001 VR 2001, 134 art. 2, 13, 30 WAM, 359 Sv  Onverzekerd rijden onvoldoende aannemelijk met één letter verschil kenteken.

(mrs Davids, Corstens, Orie; A-G Machielse), nr 2487/00,

Bewezenverklaring: onverzekerd rijden met auto PS-73-LV.

Verdachte legt ter zitting over een brief van de verzekeringsmaatschappij dat een verzekering van kracht was voor auto gekentekend PS-73-LW.
HR: De inhoud van die brief geeft grond aan het ernstig vermoeden dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit voor de onderhavige auto een verzekering was afgesloten. Weliswaar verschilt het in die brief vermelde kenteken in één letter (een W in plaats van een V) met het kenteken van de desbetreffende auto, maar niettemin had de rechtbank in die brief aanleiding moeten zien het gebruik tot bewijs van de verklaring van de RDW nader te motiveren, nu de mogelijkheid niet is uitgesloten dat bij vergissing door de verzekeraar aan de RDW als kenteken van de auto is opgegeven PS-73-LW in plaats van PS-73-LV.

HOF ARNHEM 20 maart 2001 VR 2002, 56 art. 13 lid 7 WAM  Strekking artikel 13 lid 7 WAM.

(mrs Makkink, Van Ginkel, Van Loo),

De bescherming van artikel 13 lid 7 WAM (waarin is bepaald dat de verzekeraar die als zodanig door de registratie van de RDW wordt aangewezen de benadeelde niet kan tegenwerpen dat hij in feite niet de WAM-verzekeraar is) strekt zich alleen uit tot de wetenschap die de benadeelde uit hem verschafte schriftelijke informatie van de RDW heeft verkregen. Aan het proces-verbaal waarin zodanige informatie van de RDW is vervat, kan geen bijzondere tot bescherming leidende rol worden toegeschreven, omdat het hier geen informatie betreft die door de RDW aan een benadeelde is verstrekt.

HR 19 november 1999, NJ 2000, 117 (MMM), VR 2000,21 (Aegon/Waarborgfonds) Art. 13 lid 7 WAM  WAM-register. Registratie niet ten onrechte

Na aanrijding wordt WAM-verzekering gesloten met eerdere ingangsdatum. Deze verzekering komt met terugwerkende kracht tot stand en wordt geregistreerd. Ontbreken verzekering op moment ongeval kan niet aan benadeelde worden tegengeworpen. Registratie niet 'ten onrechte.' Vraag of art. 11 WAM derogeert aan art 269 K.

HOGE RAAD 22 januari 1999 VR 1999, 96 Art. 13 lid 7 WAM  WAM-register. Registratie ‘ten onrechte’

(mrs Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Herrmann, De Savornin Lohman; A-G Spier),

WAM-verzekering beëindigd per 4 mei 1987.
Op 24 juni 1987 vindt een ongeval plaats.
Op 7 juli 1987 doet de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) aan de benadeelden opgave van de geregistreerde verzekering.
Daarna verwerkt de RDW met terugwerkende kracht de afmelding, met 6 mei 1987 als datum van ontvangst van de kennisgeving van beëindiging.

Omdat de verzekeraar niet kan bewijzen dat de kennisgeving tijdig gedaan te heben, mag niet worden uitgegaan dat de registratie ten onrechte is geschied. De bedoeling van artikel 13 lid 7 WAM is dat de benadeelde in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de door de RDW aan hem verstrekte schriftelijke inlichtingen omtrent hetgeen uit de bijgehouden registratie blijkt omtrent de nakoming van de verzekeringsplicht ingevolge de WAM met betrekking tot het betrokken motorrijtuig.

HOGE RAAD 21 januari 1997 VR 1998, 24 Art. 1, 34 WAM, 359 Sv  Art. 34 WAM-verklaring bij appelakte. Nadere motivering bewezenverklaring vereist

(mrs Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Schipper; A-G Fokkens), nr 104.128,

Aan appelakte was een zgn. art. 34 WAM-verklaring gehecht, zij het met vermelding van een kenteken dat wat betreft één letter verschilt van het kenteken van de desbetreffende auto.
De inhoud van dat stuk geeft grond aan het ernstige vermoeden dat die auto wel verzekerd was. De rechtbank had daarin aanleiding moeten zien het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie nader te motiveren.

HOF AMSTERDAM 30 oktober 1997 VR 1999, 97 Art. 13 lid 7 WAM  WAM-verzekering door onbevoegde vertegenwoordiger. Registratie niet ‘ten onrechte’.
(mrs Streefkerk, Ingelse, Arisz),

Na herroeping van de volmacht betrekt de gewezen gevolmachtigde zijn gewezen principaal, een WAM-verzekeraar, toch op een nieuwe WAM-verzekering en meldt deze aan bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Op grond van omstandigheden (zie arrest alinea 4.4) kan de verzekeraar de onbevoegdheid van de gewezen gevolmachtigde niet tegenwerpen aan de verzekeringnemer en dus ook niet aan benadeelden die op grond van art. 6 WAM een rechtstreekse aanspraak jegens de verzekeraar hebben. Geen verhaal op het Waarborgfonds, omdat de verzekeringsovereenkomst — zij het onbevoegdelijk maar niettemin — geldig is tot stand gekomen, zodat de registratie niet ‘ten onrechte’ heeft plaatsgevonden.

HOGE RAAD 16 april 1996 VR 1997, 92 Art. 27, 28 WAHV  bij onjuiste registratie RDW geen sanctie

(mrs Haak, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp), nr 70–96-V,

De officier van justitie handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wanneer hij een sanctie int terwijl zonder meer als vaststaand moet worden aangenomen dat als gevolg van een fout van een overheidslichaam als de RDW de sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd.

HOGE RAAD 9 januari 1996 VR 1996, 206 art. 2, 30 WAM  WAM. Polisvoorwaarde m.b.t. niet-tijdige betaling premie

(mrs Hermans, Davids, Keijzer, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Schipper; A-G Meijers), nr 101.218,

Premievervaldag 1 november 1991.
Art. 4 polisvoorwaarden: ‘Zodra een termijn van 30 dagen, beginnende op de dag waarop enige premie verschuldigd is geworden, is verstreken zonder dat de verzekeringnemer premie heeft betaald, eindigt de dekking vanaf de eerste dag dat deze premie was verschuldigd ....’.
Auto op 21 november 1991 op de weg gefotografeerd; premie was toen niet betaald.
HR: In het licht van genoemde polisvoorwaarde is zonder nadere motivering onbegrijpelijk op welke grond de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat ervan dient te worden uitgegaan dat de verdachte op 21 november 1991 niet een verzekering had afgesloten en in stand gehouden.

NATIONALE OMBUDSMAN 28 januari 1992 VR 1992, 106 Art. 2, 13 en 30 WAM  (onjuiste) registratie kenteken CRWAM.

(mr drs Oosting),

Klacht dat de RDW in een brief ten onrechte had gesteld dat het motorrijtuig van betrokkene op de datum van de controle niet verzekerd was ingevolge de WAM. Onderzoek wees uit dat op die datum wel een geldige verzekering van kracht was die door de verzekeraar van betrokkene op de voorgeschreven wijze was aangemeld bij de RDW. Niettemin stond op de controledatum in het CRWAM geen geldige verzekering geregistreerd. Dat was veroorzaakt doordat een andere verzekeraar abusievelijk voor een motorrijtuig met hetzelfde kenteken een nieuwe verzekering had aangemeld bij de RDW en deze vervolgens op dezelfde dag weer had afgemeld, waardoor de door betrokkenes verzekeraar gemelde gegevens uit het hoofdbestand waren verwijderd en vervolgens naar het eerste, respectievelijk het tweede ‘Historisch bestand’ waren verschoven. Ten onrechte is de RDW er van uitgegaan dat de — aangemelde — verzekering van betrokkene was geeindigd en is betrokkene de desbetreffende brief toegezonden.

RECHTBANK ZWOLLE 1 februari 1989 VR 1991, 123 Art. 13 en 26 WAM  Aanrijding auto/fietser. Geen overmacht of eigen schuld ex 31 WVW. Vertraging in afmelding van WAM-verzekering als gevolg van foutieve instructie RDW niet aan benadeelde tegen te werpen.

(mr Van den Heuvel, enkelv.),
m.nt. HAB

Auto met defecte remmen rijdt overstekende bejaarde fietser aan. Met goede remmen was geen aanrijding gevolgd. Beroep op eigen schuld verworpen. WAM-verzekeraar had weliswaar maanden voor aanrijding schorsing verzekering bij Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) gemeld, maar op grond van — achteraf fout gebleken, zie het vonnis — instructie RDW was de inschrijving ‘herleefd’ en schorsing eerst per latere datum geregistreerd. Aanrijding binnen 16 dagen na deze datum. Ziekenfonds van slachtoffer spreekt Waarborgfonds en subsidiair WAM-verzekeraar aan. ‘Na-risico’-regeling van art. 13 lid 4 WAM beoogt slachtofferbescherming en gevolgen foutieve instructie RDW kunnen dan ook niet aan benadeelde worden tegengeworpen. WAM-verzekeraar aansprakelijk. Waarborgfonds heeft in beginsel slechts subsidiaire functie (zie noot).

Op 12 april 1985 heeft de OLM aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) kennisgegeven dat de verzekering is geschorst met begindatum 20 maart 1985 (mutatiecode 08). In mei 1985 heeft de OLM, overeenkomstig de toen geldende instructies van de RDW, via mutatiecode 06 de geregistreerde afmeldingsdatum en schorsingsindicatie (20 maart 1985) geannuleerd alvorens, via mutatiecode 05, op 31 mei 1985 de verzekering per 20 maart 1985 weer c.q. definitief af te melden. Genoemde instructie is later, ook door de RDW, als ‘foutief’ aangemerkt.

5. Doel van de WAM, waarin opgenomen de regeling van het ‘na-risico’, is het beschermen van de rechten van slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen.
Bij de uitleg van de wet en bij het bepalen van de gevolgen van door derden gemaakte fouten dient dit uitgangspunt in het oog te worden gehouden.

6. De OLM heeft op 31 mei 1985 kennisgegeven van de beeindiging van Harwigs verzekering, zulks per 20 maart 1985. Het bepaalde in artikel 13, vierde lid tweede volzin van de WAM brengt met zich dat een ‘na-risico’ ontstond in het tijdvak van 1 t/m 16 juni 1985.
Dat zou op zich voor de OLM niet bezwarend zijn, omdat zij al (m.i.v. 6 april 1985) van haar aansprakelijkheid was ontheven door de mededeling op 12 april 1985 van de schorsing van de verzekering per 20 maart 1985.
Die schorsing was echter, door de voorafgaande mutatie 06, geannuleerd, zodat op dat moment de aansprakelijkheid van de OLM herleefde.

Het vonnis is gewezen onder de vigeur van het oorspronkelijke artikel 13. Deze bepaling is bij wetten van 13 november 1983, Stb. 613 en 614 — in werking getreden op 1 juni 1986 (KB 16 mei 1986, Stb. 274) — ingrijpend gewijzigd in verband met de schoningsoperatie van het WAM-register, waarna het verplicht en mogelijk werd niet alleen aangemelde maar ook beeindigde en afgemelde verzekeringen door de RDW te laten registreren. Het nieuwe lid 7, waaraan in het vonnis wordt gerefereerd, bepaalt dat de uit de RDW-registratie opduikende verzekeraar aan de benadeelde niet kan tegenwerpen dat hij niet de verzekeraar is tegen wie de rechtstreekse actie kan worden ingesteld, tenzij hij aantoont dat de registratie ‘ten onrechte’ is geschied of dat zijn verplichtingen jegens de benadeelde op grond van een der in art. 13 lid 1 geregelde kennisgevingen ‘niettemin’ zijn geeindigd. De MvT wijst er op dat de verzekeraar bericht van de registratie door de RDW ontvangt en dat het rechtsvermoeden van lid 7 derhalve jegens hem niet onbillijk is. Klopt er iets niet met de registratie van de aan- of afmelding zoals die door de RDW aan de verzekeraar wordt bericht, dan ligt het, mag hieruit worden opgemaakt, op de weg van de verzekeraar te zorgen dat het abuis in de RDW-registratie wordt hersteld. Zolang hij dat nalaat kan hij niet zeggen dat het desbetreffende kenteken ‘ten onrechte’ als bij hem verzekerd geregistreerd staat noch dat hij een kennisgeving heeft gedaan waardoor zijn verplichtingen zouden zijn geeindigd.
HAB

HOGE RAAD VR 1984, 114 24/1/84 Artt. 13, 30, WAM, 3 KB 13–10–1964 Stb 380, en 350, 359 Sv  Registratie niet altijd up to date, onvoldoende bewijs overtreding

(Mrs. Van der Ven, Bronkhorst, De Groot, De Waard en Haak; A.G. Remmelink), nr. 76.332,

Het bewezenverklaarde kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, aangezien deze niet inhouden wanneer een verzoek om inlichtingen aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer is verzonden, waardoor de niet te verwaarlozen mogelijkheid openblijft dat met betrekking tot genoemd motorrijtuig voor de datum van de telastegelegde overtreding een nieuwe, bij de RDW nog niet aangemelde, verzekering van kracht was geworden.

Rb. 's-Gravenhage 12 maart 1981, VR 1982, 33 dekking WAM verzekering eindigt na van kracht worden vervangende auto dekking

Oordeel in beroep
9 februari 1977 beëindiging verzekering Datsun bij Nationale Nederlanden
24 februari 1977 afmelding bij RDW
3 maart 1977 aanrijding tijdens de zogenaamde na- risico periode ex artikel 13 lid 4 WAM

De vader van de eigenaar gebruikte de auto als tijdelijke vervanging met dekking bij Centrale voor zover niet elders verzekerd.

De verplichtingen uit artikel 13 lid 4 van de WAM kunnen niet worden aangemerkt als contractuele verplichtingen. Derhalve was de auto niet elders verzekerd maar wel bij de Centrale. Dat De Centrale de Datsun niet had aangemeld bij de RDW doet hieraan niet af.
Geen dekking bij Nationale Nederlanden.

Hof Leeuwarden 13 december 1978, VR 1979, 53, einde dekking niet afgemeld motorrijtuig bij van kracht worden garagepolis met WAM-strik

Auto verzekerd bij DLG
2 juli 1973 verkoop aan garage
26 juli 1973 verkocht aan klant garage, zonder afmelding door DLG
26 juli 1973 door een garageverzekering tegen WAM-dekking verzekerd bij Bovemij
29 juli 1973 verkeersongeval
De D.L.G.-verzekering voor de Peugeot eindigde van rechtswege toen de Bovemij-verzekering voor die auto van kracht werd.
Stelling dat dekking bij DLG na verkoop door garage herleefde niet aanvaard

De stelling, dat aan- en afmelding door Bovemij praktisch onmogelijk is op grond van het grote aantal jaarlijks te verrichten aan- en afmeldingen en op grond van de eisen van artikel 3 van het 'Besluit kennisgevingen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen' is niet aanvaard. De wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 12 van de WAM, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer 1960/61, nr. 3, pagina 13 rechter kolom, in de wetsontwikkeling reeds rekening gehouden met bestaande praktijken bij verzekeringen van handelaars in motorrijtuigen .

Rb Den Haag 2-5-1977, VR 1978-2 Auto wisselt van eigenaar; WAM-verzekeraar verzuimt af te melden overeenkomstig 13.2 WAM.

Nieuwe eigenaar sluit WAM-verzekering bij andere verzekeraar, die verzuimt aan te melden overeenkomstig 13.1 WAM.
De stelling dat ,,deze verplichtingen'' in 13.5 WAM slechts doelt op de verplichtingen van de WAM-verzekeraar in de 16-dagentermijn van lid 4, zodat de niet afgemelde eerdere WAM-verzekering niet van rechtswege eindigt door het van kracht worden van een nieuwe verzekering, is onjuist. Onder ,,deze verplichtingen'' wordt verstaan de verplichtingen van de verzekeraar jegens de benadeelde, ook voor het ingaan van de 16-dagentermijn. Deze uitleg is in overeenstemming met de WAM en de wetsgeschiedenis. Als een nieuwe verzekering wordt aangemeld voordat de oude verzekering is afgemeld, vervallen de verplichtingen uit de oude van rechtswege en vindt lid 4 in het geheel geen toepassing.

Mr. F. van Heycop ten Ham, de advokaat van de benadeelde, tekent bij deze uitspraak aan — onder verwijzing naar HR 22 juni 1976, VR 1977, 167 — dat de nieuwe verzekeraar aanzienlijke risico's loopt door in een geval als dit — de nieuwe verzekering komt tot stand nadat de auto al in derde handen is overgegaan — de overeenkomst niet aan en terstond daarna weer af te melden. Dat is de enige methode waarop de nieuwe verzekeraar de verplichtingen die voor hem uit de gesloten verzekeringsovereenkomst voortvloeien weer kan doen beeindigen.Thans staat nog, aldus mr. Van Heycop ten Ham, ter beslissing de vraag hoe het zit wanneer slechts een voorlopige dekking is afgegeven. Naar zijn mening is ook dan sprake van een nieuwe verzekeringsovereenkomst die de verplichtingen van de oude verzekeraar van rechtswege doet eindigen.

Noot CV

Niet contrair is Rb Rotterdam 11-3-1994, Vrb 1994, blz. 72 Sal (2.4 en 2.6):
De klant van een garage krijgt een leenauto, onder de voorwaarde dat hij zorgt voor een WA-verzekering, en begaat daarmee een ongeluk. De garage heeft een AVB-verzekering. De verzekeraars zijn het niet eens. Onder meer wordt in stelling gebracht dat de dekking bij de een krachtens artikel 13 lid 5 een einde maakt aan de dekking bij de ander, maar dat geldt alleen voor verplichtingen tijdens narisico.

De essentie is dat alleen dan de eerdere verzekering van rechtswege eindigt, en daarmede de verplichtingen jegens de benadeelde, indien de eerdere verzekeringsovereenkomst met de verzekerde zelf is beëindigd.

In die zin ook de commissie Samenloop in uitspraak 76, waarin par implicite de opvolgende verzekeraar, indien deze WAM-dekking zou hebben geboden, de schade voor haar rekening zou hebben moeten nemen.
vergelijk ook uitspraak 61: de bepaling van artikel 13 lid 5 WAM is slechts relevant indien een WAM-verzekering conform artikel 13 lid 1 b. WAM is opgehouden te bestaan.


HOGE RAAD , 22 juni 1976. VR 1977, 67Artt. 2, 13, 30 WAM.  WAM.-verzekering is ook geldig zonder aanmelding bij RDW.

(Mrs. Moons, Vroom, Fikkert, Van der Ven en Royer)

 

APK en keuring

Nationale Ombudsman 24 oktober 2008 VR 2009, 34 (art. 72, 73 WVW 1994)  Oldtimer. APK

(dr. Brenninkmeijer), nr. 2008/239

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit betekent onder meer dat een bestuursorgaan gehouden kan zijn een burger de gelegenheid te bieden een verzuim te herstellen alvorens tot beboeting van een overtreding over te gaan. Van een dergelijke situatie kan sprake zijn, als het bestuursorgaan gedurende een lange periode niet tegen de overtreding heeft opgetreden en er door de overheid in de tussentijd geen signaal is afgegeven waaruit de burger had kunnen afleiden dat er sprake was van een overtreding.

VRA 2007/1. Totstandkoming van nieuwe regelgeving betreffende voertuigtechnische eisen 

ir C. Doornheim

De processen die hieraan ten grondslag liggen in de Europese Gemeenschap en de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, de onderlinge relaties en de verwachte ontwikkelingen.

HOF LEEUWARDEN 19 juni 2002 VR 2002, 173 art. 53, 72, 73, 75 WVW 1994, 9, 20d WAHV  Beperkte keuring i.v.m. afgifte kentekenbewijs

(mrs Vellinga, Huisman, Van Dijk), nr 01/00655,
Geen afgifte goedkeuringsbewijs APK. Geen verontschuldigbare dwaling, wel matiging sanctie.


HOGE RAAD 18 april 2000 VR 2001, 3 art. 9 WAHV, 40, 71, 75 WVW 1994, 5 Vr, 7 Regeling kentekens en kentekenplaten  Kentekenplaat niet goed leesbaar. Beroep op goedkeuring bij APK

(mrs Davids, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster, Aaftink; A-G Machielse), nr 835–98-V,

Aangebrachte trekhaak maakte gedeelte van de kentekenplaat onleesbaar. Uit de regelgeving volgt dat ook al is kentekenplaat op de in art. 7, lid 7 Regeling kentekens en kentekenplaten voorgeschreven wijze op het motorrijtuig bevestigd, dit niet zonder meer meebrengt dat ook is voldaan aan het in art. 40 WVW 1994 bepaalde en aan het ter uitvoering daarvan in art. 5.2.1, lid 1 aanhef en onder d, Vr gegeven voorschrift dat het kenteken goed leesbaar is en de kentekenplaat niet mag zijn afgeschermd.
Indien in een procedure als de onderhavige een betrokkene aanvoert dat hij is afgegaan op de resultaten van het keuringsonderzoek APK, kan dit niet anders worden opgevat dan als een beroep op omstandigheden als bedoeld in art. 9, lid 2 aanhef en onder b, WAHV die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel medebrengen dat de opgelegde sanctie op een lager bedrag had moeten worden vastgesteld.

ABRS 8 maart 1999 VR 2000, 16 Art. 87 WVW 1994, 32 Erkenningsregeling APK  APK. Erkenningsregeling. Sanctie Dienst Wegverkeer niet gerechtvaardigd

(mrs Van der Does, Van der Weel, Van Wagtendonk), nr H01.98.0881,

Roetmeter aangesloten op auto in periode van 90 minuten na afmelding goedgekeurde voertuig. De uitleg die de Dienst Wegverkeer wil geven aan art. 32 lid 2 Erkenningsregeling — het verbod tot sleutelen in ‘quarantainetijd’ — is niet onredelijk. Echter die uitleg valt niet te lezen in de toezichtbrief die aan iedere erkenninghouder is verstrekt. Het beginsel dat gewekte verwachtingen zo mogelijk behoren te worden geëerbiedigd stond derhalve in dit geval aan de door de Dienst gewenste toepassing van art. 32 lid 2 in de weg

ABRS 8 oktober 1999 VR 2001, 16 art. 86, 87 WVW 1994, 32, 40 Erkenningsregeling APK  APK. Erkenning ten onrechte ingetrokken

(mrs Boukema, Van der Meer, Van Wagtendonk), nr H01.98.1747,

Geval van herkeuring. De desbetreffende auto bevond zich niet in de keuringsruimte, maar op een bij de inrichting behorende parkeerterrein. Het duurde tien minuten voordat de te keuren auto in de keuringsruimte kon worden gereden. I.c. geen gebrek aan de vereiste medewerking aan de steekproef door de de erkenninghouder.

ABRS 8 oktober 1999 VR 2001, 17 art. 86, 87 WVW 1994, 32, 40 Erkenningsregeling APK, 3:4 Awb  Erkenningsregeling APK. Intrekking erkenning

(mrs Boukema, Van der Meer, Van Wagtendonk), nr H01.98.1748,

Toen steekproefsgewijze herkeuring van vrachtauto zou plaatsvinden, was de eigenaar met het voertuig reeds vertrokken. Dit levert niet-nakoming van art. 32 Erkenningsregeling door de erkenninghouder op.
Het beleid dat de erkenning (voor een bepaalde tijd) wordt ingetrokken indien het voertuig niet aanwezig is ten tijde van de beoogde herkeuring is, tenzij blijkt dat de erkenninghouder niets te verwijten valt — gelet op het algemeen belang van de verkeersveiligheid ten behoeve waarvan het erkenningsstelsel met name in het leven is geroepen — niet kennelijk onredelijk.
Toen het de keurmeester duidelijk was dat de eigenaar van de vrachtauto niet bereid was gedurende (maximaal) negentig minuten te wachten indien diens voertuig in de steekproef zou vallen, had hij kunnen besluiten na de keuring niet tot afmelding over te gaan. Niet kan worden gezegd dat hem geen enkel verwijt treft.

HOGE RAAD 2 juni 1998 VR 1999, 2 Art. 72, 73 WVW 1994, 44 Invoeringswet WVW 1994, 4.7 Vr, 9 WAHV  Kopen van auto zonder geldig keuringsbewijs. Aansprakelijkheid nieuwe eigenaar

(mrs Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Schipper), nr 802–97-V,
.
Op 2 oktober 1996 is een registercontrole gehouden waarbij is geconstateerd dat voor het motorrijtuig geen geldig keuringsbewijs was afgegeven.
Verweer: ‘Auto was vanaf 12 december 1992 niet meer gekeurd. Ik heb de auto pas op 21 augustus 1996 gekocht. De auto vertoonde gebreken. Mij had de gelegenheid moeten worden gegeven de auto keuringsklaar te maken’.
HR: De in art. 4.7, tweede lid, Vr bedoelde termijn was reeds op 12 februari 1993 verstreken. Het oordeel van de kantonrechter dat de betrokkene aansprakelijk is voor de op 2 oktober 1996 geconstateerde overtreding is juist. Ook oordeel van de kantonrechter dat er geen grond was voor matiging van de sanctie nu betrokkene ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om aan zijn keuringsverplichting te voldoen, geeft niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie noot).

NATIONALE OMBUDSMAN 18 mei 1998 VR 1998, 191 Art. 91 WVW 1994, 6:14 Awb  Teleurgestelde koper van APK-goedgekeurde auto. Behandeling door RDW van verzoek om herkeuring.

(mr dr Oosting), nr 98/183,
Op 19 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Herbayum, met een klacht over een gedraging van de Dienst Wegverkeer te Zoetermeer (hierna ook te noemen: RDW). Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.
Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:
Verzoeker klaagt erover dat de Dienst Wegverkeer onvoldoende actie heeft ondernomen naar aanleiding van zijn klacht (voor het eerst ingediend per brief van 20 januari 1997) over de APK-keuring van zijn auto op 9 januari 1997.

NATIONALE OMBUDSMAN 27 augustus 1997 VR 1998, 190 Art. 85 WVW 1994, 5.2.11 Voertuigreglement  APK

(mr dr Oosting), 97/374,
Keuringsstation mag uitvoering roetmeting niet afhankelijk stellen van ontheffing aansprakelijkheid voor mogelijke schade.


HOGE RAAD 3 juni 1997 VR 1997, 199 Art. 9a, 9e, 9g WVW, 72, 78, 83 WVW 1994  APK-regeling niet in strijd met richtlijn 77/143 EEG, PB L 47

mrs Haak, Koster, Schipper; A-G Loeb), nr 766–96-V,

HOF DEN HAAG 24 oktober 1996 VR 1998, 75 Art. 6:101, 6:162, 6:163 BW, 13 lid 1 WVR  Aansprakelijkheid van keuringsinstantie (Rijksdienst voor het Wegverkeer)

(mrs Vrij, Hamaker, De Brauw),

voor schade van auto-eigenaar en autobestuurder als gevolg van het bij een keuring niet constateren van een gebrek in een ingebouwde LPG-installatie en een later plaatsvindende ontploffing. Eigen schuld van eigenaar resp. bestuurder van de auto. Vrijwaringsprocedure van de Staat tegen degene die de LPG-installatie heeft ingebouwd.
Indien een ambtenaar van de RDW onverplicht in het belang van de verkeersveiligheid een LPG-installatie preventief keurt, is hij daarbij krachtens hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, tegenover de verkeersdeelnemers tenminste verplicht bij de keuring geen misslagen te maken. In casu is sprake van zo'n misslag. De omstandigheid dat de LPG-installatie gebrekkig was, is een omstandigheid die, gelet op art. 13 lid 1 WVR, ingevolge art. 6:101 lid 1 aan de eigenaar en aan de bestuurder kan worden toegerekend.

 

Bekeuren op kenteken

HOF LEEUWARDEN 24 september 2003 VR 2004, 48 WAHV art. 5  Sanctie moet worden opgelegd of aan de bestuurder indien diens identiteit aanstonds is vastgesteld, of anders van de kentekenhouder

(mrs Dijkstra, Van Dijk, Weenink), nr. WAHV 03/00342

Aangetroffen was een auto die volgens inlichtingen van de RDW als gesloopt te boek stond. De auto werd door de politie weggesleept. De volgende dag kwam de betrokken bestuurder informeren op het politiebureau. Toen werd hem als bestuurder een sanctie opgelegd terzake van het ontbreken van een geldig keuringsbewijs.
Hof: Onder ‘aanstonds’ in art. 5 WAHV moet worden verstaan: ten tijde van de constatering van de gedraging of kort nadien. Gelet op het systeem van de WAHV dient de sanctie te worden opgelegd ofwel aan de bestuurder — indien ten tijde van de constatering van de gedraging ‘aanstonds’ diens identiteit wordt vastgesteld — of anders aan de kentekenhouder.
Dus kan niet de volgende dag aan degene die het voertuig zou hebben bestuurd een sanctie worden opgelegd.

HOF LEEUWARDEN 24 oktober 2001 VR 2002, 104 art. 6:7, 6:8, 6:11 Awb, 5, 9, WAHV  Katvanger tegen wil en dank. Ontvankelijk in beroep ondanks termijnoverschrijding. Sanctie vernietigd.

(mrs Vellinga, Kalsbeek, Huisman), nr 01/00300,


KANTONGERECHT BREDA 18 juni 1999 VR 2002, 26 art. 28 WAHV  Katvanger

(mr Spreuwenberg),
Vordering tot machtiging toepassing gijzeling gedurende in totaal meer dan vier jaar afgewezen. Subsidiariteitsbeginsel.

HOGE RAAD 10 november 1998 VR 1999, 32 Art. 5 WAHV, 58 WVW 1994, 37, 40 Kentekenreglement  Kentekenaansprakelijkheid. Betrokkene was kennelijk geen kentekenhouder meer (zie noot).

(mrs Haak, Davids, Koster), nr 65–98-V,

De betrokkene is als kentekenhouder een boete opgelegd wegens een overschrijding van de maximumsnelheid. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 december 1996. Tegen de beschikking is beroep ingesteld bij de officier van justitie en vervolgens de kantonrechter. In het aan de officier van justitie en de kantonrechter gerichte beroepschrift gaf de betrokkene aan het niet eens te zijn met de opgelegde boete; hij stelde: ‘het is onmogelijk dat ik daar zo hard heb gereden’. Bij gebreke van nadere specificaties is de strekking van het verweer wat onduidelijk. Is het onmogelijk dat het voertuig van de betrokkene reed met de geconstateerde snelheid? Is het onmogelijk dat de betrokkene toen en daar het voertuig bestuurde? Of is het onmogelijk dat het bij de gedraging betrokken voertuig het op naam van betrokkene geregistreerde voertuig is? Aangezien de betrokkene niet verscheen op de zitting van de kantonrechter, was het niet mogelijk hierover meer duidelijkheid te verkrijgen.

HOGE RAAD 15 oktober 1996 VR 1997, 67 Art. 62 WVW 1994, 37 (oud), 40 (oud), 46 Kentekenreglement  Bekeuring op kenteken

(mrs Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster; A-G Loeb), nr 61–96-V,
Auto waarvoor dat kenteken was opgegeven had tot bedrijfsvoorraad van W. BV behoord, doch zou zijn gesloopt, waardoor tenaamstelling is vervallen.

 

Eisen voertuig en kenteken

Hoge Raad 22 januari 2008 VR 2008, 99 (art. 219 Sr)  Omkatten van auto. Vals merk in de zin van art. 219 Sr

(mrs. Corstens, Van Schendel, Ilsink; A G Machielse), nr. 01856/06

De vervanging van het chassisnummer bestond daarin dat ‘de hele voorkant, inclusief de chassisbalk met het chassisnummer’ van de ene auto in de andere auto is gezet. Het oordeel dat dit oplevert het valselijk plaatsen van een merk in de zin van art. 219 onder 1 Sr is juist.

Hof Leeuwarden 9 november 2007 VR 2008, 116 (art. 67, 72, 73 WVW 1994)  Kentekenbewijs. Keuringsbewijs. Schorsing geldigheid kenteken.

(mrs. Dijkstra, Weenink, Van Wagtendonk), nr. 07/01123
Tijdens de schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs hoeft voor het voertuig geen geldig keuringsbewijs te zijn afgegeven. Dit laat onverlet dat wanneer de schorsing beëindigd wordt het voertuig moet zijn voorzien van een geldig keuringsbewijs.

ABRS 19 april 2006 VR 2007, 116 WVW 1994 art. 26, 48; Voertuigregl. art. 3.7.6; EG-Richtlijn nr. 97/27 bijlage 1  Weigering afgifte kentekenbewijs na individuele keuring. Vergroting van laadvermogen.

(mrs Vlasboom, Van Angeren, Mouton), nr. 200508276/1

Het betoog van appellante dat de rechtbank de term ‘uitstekende lading’ zou gebruiken in de betekenis van ‘ladingoversteek’ uit de gebruikseisen van het Voertuigreglement, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank geeft slechts toepassing aan voornoemd artikel 2.4.1 van Bijlage 1 van de richtlijn 97/27EG door aan te geven op welke wijze in de laadruimte extra lading kan worden vervoerd en dat het laadvermogen van het voertuig derhalve wordt vergroot door de onderhavige laadklepconstructie.

HOF LEEUWARDEN 15 maart 2006 VR 2006, 87 RVV 1990 art. 1 en 22; Voertuigregl. art. 1  Maximumsnelheid voor autobus zonder T100-aantekening op het kentekenbewijs

(mrs Dijkstra, Poelman, Weenink), nr. 06/00056

Nu de betrokkene uit bedrijfseconomische motieven ervoor heeft gekozen niet tijdig de T100-aantekening aan te vragen, gold voor het betreffende voertuig niet de verhoogde maximumsnelheid van 100 km/uur, maar de algemene maximumsnelheid van 80 km/uur voor autobussen.

VRA 2003/277. Aanpak katvangers: blijf alert

W. Hoogendoorn
Bij Koninklijk Besluit van 6 februari 2001 (Stb. 2001, 82) is een aantal wijzigingen aangebracht in het Kentekenreglement (KR), met als voornaamste doel om het verschijnsel ’katvanger’ tegen te gaan. Kort samengevat houdt de voorziening in, dat in het kentekenregister een zogenoemd verplichtingensignaal kan worden geplaatst, waardoor de afgifte van een kentekenbewijs wordt geweigerd (art. 19a KR) als is vastgesteld dat ten aanzien van een of meer voertuigen die op naam van de aanvrager staan of gestaan hebben, nog bepaalde vorderingen openstaan. Enerzijds wordt hierdoor de mogelijkheid geblokkeerd dat de persoon bij wiens naam het verplichtingensignaal is geplaatst nog meer voertuigen op zijn/haar naam stelt, anderzijds kan op de voertuigen waarop het verplichtingensignaal van toepassing is, fiscaal beslag gelegd worden. In dit artikel wordt teruggekeken naar de aanleiding tot genoemd KB, volgt een korte toelichting hierop en tot slot een nuancerende blik op de bereikte - eerste - resultaten.

ABRS 12 maart 2003 VR 2004, 136 WVW 1994 art. 56, 62 en 65  Zevendaags kentekenbewijs. Herhaalde overtreding.

(mrs Ligtelijn-van Bilderbeek, Van Angeren, Claessens), nr. 200203642/1

Intrekking erkenning voor zes weken door RDW niet onevenredig. Sanctiebeleid RDW niet grofmazig of anderszins onredelijk.

HOF LEEUWARDEN 30 oktober 2002 VR 2003, 85 art. 44 Kr, 4 Regeling handelaarskentekens en -kentekenbewijzen  Handelaarskenteken Geen gebruik in kader bedrijfsactiviteiten

(mrs Dijkstra, Kalsbeek, Weenink), nr 02/00728,
Geen grond voor matiging sanctie.

HOGE RAAD 2 februari 1999 VR 1999, 75 Art. 37 WVW 1994, 1, 3, 42, 44 Kentekenreglement  Handelaarskenteken. Geen gebruik in het kader van bedrijfsactiviteiten

(mrs Haak, Davids, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster, Schipper; A-G Jörg), nr 930–97-V,

Auto behoorde tot de bedrijfsvoorraad van betrokkene. Van het handelaarskenteken werd gebruik gemaakt voor een combinatie bestaande uit die auto en een aan een ander toebehorende aanhangwagen, op welke aanhangwagen een andere tot de bedrijfsvoorraad van de betrokkene behorende auto werd vervoerd.
Gesteld werd dat het de bedoeling was om de aanhangwagen in verband met een voorgenomen aankoop in belaste staat te testen.
Uit doel en strekking van art. 44 Kentekenreglement volgt dat, voorzover hier van belang, het handelaarskenteken slechts mag worden gebruikt voor een rit met een tot de bedrijfsvoorraad behorend motorvoertuig, die verband houdt met de werking, verkoop of aflevering van dat motorvoertuig.


HOGE RAAD 8 juli 1997 VR 1998, 56 Art. 44 Kentekenreglement, 37 WVW Gebruik handelaaraskenteken

(mrs Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster; A-G Loeb), nr 260–96-V,
Gelet op de inhoud van het uittreksel uit het kentekenregister is het oordeel van de kantonrechter, dat betrokkene het handelaarskenteken niet op de voorgeschreven wijze heeft gebruikt, onvoldoende gemotiveerd (zie noot).

NATIONALE OMBUDSMAN 6 juli 1994 VR 1995, 52 Art. 13 WVW, 22 RKR  invordering kentekenbewijs ‘Twintig dagen-regeling’ ten onrechte niet toegepast.

(mr drs Oosting), nr 94/396,

Aanrijding. De opsporingsambtenaren konden in redelijkheid tot het besluit komen om de delen I en III van het kentekenbewijs in te vorderen. Dat geldt echter niet voor de beslissing om die delen direct toe te zenden aan de RDW en dus niet de ‘twintig dagen-regeling’ van art. 22, lid 3 RKR toe te passen.
De NO doet de aanbeveling om de daardoor ontstane extra kosten aan verzoekster te vergoeden.
(de twintig dagen-termijn houdt in dat de opsporingsambtenaar de delen van het kentekenbewijs ten hoogste twintig dagen onder zich kan houden en deze kan teruggeven indien binnen die termijn is aangetoond dat het motorrijtuig weer aan de eisen bij of krachtens de WVW gesteld, voldoet; red. VR)

VRA 1993/33. Nieuwe orde in de wegenverkeerswetgeving (deel 2) kentekens en kentekenbewijzen

mr J.B.H.M. Simmelink
In de vorige aflevering van dit tijdschrift is het eerste deel van deze bijdrage over de bij het Parlement in behandeling zijnde WVW 1992 opgenomen. In die bijdrage zijn diverse hoofdstukken van de nieuwe WVW 1992 besproken, waarbij het accent is gelegd op veranderingen ten opzichte van de huidige wetgeving. In dit tweede deel worden de resterende hoofdstukken belicht.
6. Hoofdstuk IV
Kentekens en kentekenbewijzen

HOGE RAAD 23 juni 1992 VR 1993, 125 Art. 33 WVW, 184 Sr  Vordering ex art. 33, lid 2 WVW bevoegd gedaan

(mrs Van den Blink, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp; A-G Fokkens), nr 92371,

Auto met handelaarskenteken. Desgevorderd overhandigt de bestuurder een kentekenbewijs betreffende een ander (gewoon) kenteken. Daarop vorderden de verbalisanten de overbrenging van de auto naar het politiebureau, opdat aldaar het onderzoek kon worden voortgezet (controle chassis- en motornummer; inwinnen informatie bij RDW). Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat naar het redelijk oordeel van de verbalisanten overbrenging van de auto naar het politiebureau noodzakelijk was ten einde deze opsporingsambtenaren in de gelegenheid te stellen een (nader) onderzoek te verrichten naar de naleving van het gestelde in de WVW, in het bijzonder in art. 9 WVW.

Levenssfeer

NATIONALE OMBUDSMAN 21 april 1995 VR 1995, 151 Art. 8, 10, 14 Regeling vaststelling privacyreglement kentekenregister (Stcrt. 1993, 204) 

(mr drs Oosting), (nr 95/150),
Misbruik van positie als opsporingsambtenaar bij verkrijging van gegevens uit het kentekenregister.

 

Narisico

HOF DEN HAAG 16 september 2003 VR 2004, 128 WAM art. 13 en 15  Verhaal WAM-verzekeraar. Narisico. Premie

(mrs Borgart, Arpeau, Van der Hoeven-Oud) m.nt. dBK

WAM-verzekeraar schorst per 19 juni 1994 dekking wegens achterstand premiebetaling en meldt dekking af bij RDW per 19 juli 1994. Op 31 juli derhalve nog narisico. Verzekeraar heeft de schade derhalve verschuldigd betaald. Het feit dat de verzekeraar de schorsing van de dekking eerder had kunnen melden doet daaraan niet af. In uitspraak waarvan beroep: in casu geen verhaal op verzekeringnemer/kentekenhouder (zie noot).

 

Rijbevoegdheid


Nationale Ombudsman 3 februari 2009 VR 2009, 85 (art. 111 WVW 1994, 35, 97, 100–103 Reglement rijbewijzen)  Afgifte van Verklaring van geschiktheid door CBR aan ‘zeventigplussers’.

(dr. Brenninkmeijer), nr. 2009/019

De informatieverstrekking over de duur en de inhoud van de procedure van de aanvragen van een Verklaring van geschiktheid is niet voldoende adequaat en er is sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de gewekte verwachtingen over de afhandelingsduur van de aanvraag voor een te groot aantal mensen niet wordt waargemaakt.

Nationale Ombudsman 5 maart 2009 VR 2009, 86 (art. 111 WVW 1994, 67 Reglement rijbewijzen)  Weigering tot toelating tot rijexamen in verband met eisen aan identificatiebewijs

(dr. Brenninkmeijer), nr. 2009/044

Het streven van het CBR om door voorlichting zo veel mogelijk te voorkomen dat kandidaten kosten voor rijlessen en het examen maken en ook rijexamen doen, terwijl zij waarschijnlijk niet voor een rijbewijs in aanmerking komen, is lovenswaardig. Om kandidaten vervolgens te weigeren om rijexamen te laten doen, gaat echter een stap te ver, nu daar geen grondslag voor is in de regelgeving. Uiteindelijk is het de verantwoordelijkheid van de betrokkene om af te wegen of hij al dan niet examen wil doen, nadat het CBR hem of haar erop heeft gewezen dat er zonder vaste verblijfstitel geen recht op verkrijging van het rijbewijs is. Aldus kan een betrokkene een eventueel daaropvolgende weigering van de gemeente aanvechten middels een bezwaarschrift. Ook is het mogelijk dat betrokkene kort na het behalen van het examen een andere verblijfstitel krijgt, en dan alsnog het rijvaardigheidsbewijs kan verzilveren met een rijbewijs bij de gemeente binnen de daarvoor geldende termijn. Gelet op het bovenstaande had het CBR niet in redelijkheid mogen weigeren om verzoekster te laten deelnemen aan het rijexamen.

HOGE RAAD 31 mei 2005 VR 2005, 131 WVW 1994 art. 9 en 164; Sv art. 350  Invordering rijbewijs. Grondslag van de telastelegging.

(mrs Koster, Corstens, De Savornin Lohman; plv. P G Fokkens), nr. 02209/04

Door het telastegelegde bewezen te verklaren met weglating van de telastegelegde omstandigheid dat de invordering was gebaseerd op art. 164 WVW 1994, heeft het hof de grondslag van de telastelegging verlaten.

 

Tenaamstelling kenteken

ABRS 7 december 2005 VR 2006, 117 Kentekenregl. art. 40  Verval van tenaamstelling in kentekenregister terugwerkende kracht.

(mrs Polak, Van Angeren, Van den Brink), nr. 200503012/1

Niet kan worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan met toepassing van artikel 40 van het Kentekenreglement genomen besluiten, inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid van de tenaamstelling van voertuigen rechtvaardigen een dergelijk beleid. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de RDW in hetgeen betrokkene ter zake heeft aangevoerd geen aanleiding behoefde te zien om, in afwijking van dit beleid, de tenaamstelling van de voormelde auto's met terugwerkende kracht vervallen te verklaren vanaf de datum zoals door betrokkene is verzocht.

NATIONALE OMBUDSMAN 20 mei 2003 VR 2004, 15 WVW 1994 art. 36; WAHV art. 5  Gebruik valse kentekenplaten. Gedupeerde klaagt over RDW en CJIB.

(mr Fernhout), nr. 2003/140

Verzoeker klaagt erover dat de RDW/Centrum voor voertuigtechniek en informatie te Veendam onvoldoende actie heeft ondernomen naar aanleiding van de inhoud van zijn brief van 9 februari 2001 waarin hij de RDW onder meer kenbaar maakte dat uit politieonderzoek was gebleken dat de tenaamstelling van het kentekenbewijs van zijn personenauto zonder zijn medeweten en instemming was gewijzigd.
Verder klaagt verzoeker erover dat de gegevensuitwisseling tussen de RDW en het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden (CJIB) in verband met het opstellen van beschikkingen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) onvoldoende is geweest. Verzoeker klaagt er in dit verband met name over dat hij van het CJIB diverse beschikkingen terzake verkeersovertredingen heeft ontvangen waarvan de pleegdatum is gelegen ná 19 april 2001, terwijl de RDW hem bij brief van 17 oktober 2001 heeft bericht dat het kenteken waarmee deze verkeersovertredingen zouden zijn begaan met ingang van 19 april 2001 als ongeldig stond geregistreerd.
Ten slotte klaagt verzoeker erover dat het CJIB zijn klachtbrief van 17 oktober 2001 heeft aangemerkt als een beroepschrift tegen een aan hem opgelegde administratieve sanctie en deze dus niet heeft beantwoord maar heeft doorgezonden naar de officier van justitie.

HOF LEEUWARDEN 25 september 2002 VR 2003, 37 art. 1, 72 WVW 1994, 26, 40, 58 Kr  Vervallenverklaring door RDW van tenaamstelling motorrijtuig ontbeert terugwerkende kracht

(mrs Dijkstra, Huisman, Van Dijk), nr 02/00102,

Eigen verantwoordelijkheid van eigenaar voor overschrijving kenteken bij overdracht voertuig.

NATIONALE OMBUDSMAN 30 mei 1997 VR 1998, 35 Art. 33, 40 Kentekenreglement, 8 Regeling kentekenbewijzen (Stcrt 1994, 248)  Uitgevoerde auto.

(mr dr Oosting), nr 97/213,

Geen terugwerkende kracht van vervallenverklaring door Dienst Wegverkeer van de tenaamstelling kentekenbewijs.

HOGE RAAD 31 januari 1995 VR 1995, 102 Art. 5 en 26 WAHV  Wet Mulder. Adresgegevens RDW en verhuizing

(mrs Haak, Bleichrodt, Koster; A-G Meijers), nr 453–94-V,

Betrokkene voert aan dat hij de beschikking waarbij de sanctie ‘op kenteken’ is opgelegd niet heeft ontvangen en dat hij enkele malen is verhuisd. Kentekenhouder is niet verplicht een verhuizing door te geven aan de RDW. Onderzocht dient te worden of de beschikking is gezonden naar de woon- of verblijfplaats van de betrokkene, dan wel — na 1 oktober 1994 — naar diens adres volgens de GBA.

HOGE RAAD 15 juli 1993 VR 1994, 26 Art. 4, 26 WAHV  Lex Mulder. Adresperikelen verhuizing

(mrs Haak, Beekhuis, Mout, Keijzer, Bleichrodt; A-G Meijers), nr 90–92-V,

Voor de kentekenhouder bestaat niet een wettelijke verplichting om een verhuizing door de geven aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer, zulks in tegenstelling tot de met betrekking tot het bevolkingsregister geldende verplichting (art. 7 e.v. Besluit bevolkingsboekhouding). Het oordeel dat de betrokkene het risico dient te dragen in geval de inleidende beschikking met de administratieve sanctie hem niet bereikt omdat hij zijn adreswijziging niet heeft doorgegeven aan de RDW, is derhalve onjuist. De OvJ heeft de onderhavige verzetprocedure (waarin geen terechtzitting is gehouden) gegevens verstrekt in de vorm van een commentaar op het bezwaarschrift van de betrokkene, waarbij is gevoegd een zaakoverzicht van het CJIB. Uit de gedingstukken blijkt niet dat dit commentaar ter kennis van betrokkene is kunnen komen, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat zulks, in strijd met beginselen van een goede procesorde, niet is geschied.

 

Vrijwaringsbewijs

HOGE RAAD 17 juli 1995 VR 1995, 197 Art. 5, 8 WAHV  Wet Mulder. Overlegging vrijwaringsbewijs ten onrechte niet bevrijdend geoordeeld

(mrs Haak, Bleichrodt, Koster), nr 219–95-V

Bekeuring op kenteken. Volgens opgave RDW stond kenteken ten name van W. S. te Ede. Deze legt vrijwaringsbewijs over waaruit volgt dat auto vóór de datum van de gedraging is overgedragen aan J.E. S. te Almere.
HR: Indien de betrokkene een vrijwaringsbewijs overlegt met een datum gelegen vóór de datum van de gedraging, gaat deze in beginsel vrijuit. Weliswaar kan de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat nà de datum van afgifte van het vrijwaringsbewijs — en vóór het tijdstip van de gedraging — het kenteken wederom op naam van de betrokkene is gesteld, doch de officier van justitie zal zulks aannemelijk moeten maken bijvoorbeeld door het overleggen van stukken waaruit die latere wijziging in de tenaamstelling blijkt.


HOGE RAAD 7 februari 1995 VR 1995, 93 Art. 5, 8 WAHV, 9, 10, 24 RKR  Juiste verwerking door RDW van door handelaar afgegeven vrijwaringsbewijs?

(mrs Haak, Mout, Bleichrodt), nr 311–94-V,
Het RKR geeft de autohandelaar aan wie ingevolge art. 24 bijzondere kentekenbewijzen zijn afgegeven ten behoeve van de handelsvoorraad, de bevoegdheid om — bij overdracht van een motorrijtuig aan hem — zelf een vrijwaringsbewijs aan de verkoper of inruiler af te geven, waarna hij terstond een behoorlijk ingevuld en ondertekend duplicaat van dat bewijs aan de Directeur van de RDW moet doen toekomen. De regeling sluit niet uit dat een zodanig vrijwaringsbewijs later door de RDW wordt verwerkt in de kentekenregistratie dan het — door het postkantoor af te geven — vrijwaringsbewijs, dat de handelaar ontvangt van degene aan wie hij de auto heeft doorverkocht.