gcs002 kettingbotsing


GCS OVS 21-04-04 002


Afstand van verhaal van de middelste verzekeraar op de voorste verzekeraar staat er niet aan inde weg dat de achterste verzekeraar in de kettingbotsing verhaal neemt voro zijn uitkeringen op de voorste verzekeraar als diens verzeekrde de aanrijding veroorzaakte.

Uitspraak 04 GCS-OVS 002
Uitspraak van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars inzake een OVS-geschil.

Betreft
Artikel IX van de OVS.

Partijen
Partij A: Maatschappij X, verzekeraar van partij A, bestuurder van een personenauto, WA verzekerd.
Partij B: Maatschappij Y, verzekeraar van partij B, bestuurder van een personenauto, WA en Casco verzekerd.
Partijen hebben zich naar aanleiding van een geschil dat tussen hen is gerezen ter verkrijging van een uitspraak tot de Geschillencommissie Schadeverzekeraars gewend.
Feitelijke gegevens
In december 2002 vond op de oprit naar de A35 een aanrijding plaats waarbij drie achter
elkaar in dezelfde richting rijdende motorrijtuigen waren betrokken.
De voorste was de bij partij A verzekerde personenauto, de middelste was een personenauto,
WA en Casco verzekerd bij C en de achterste was de bij partij B verzekerde personenauto.
Met partijen gaat de commissie ervan uit dat de aanrijding in kwestie naar het gemene recht
geheel en al te wijten was aan het rijgedrag van de bestuurder van de voorste auto, die –
kennelijk omdat hij vond dat de middelste auto ietwat te dicht achter hem reed – plotseling en
zonder dat daarvoor enige verkeersnoodzaak bestond, krachtig remde, waarna de middelste
auto achterop de voorste botste en vervolgens de achterste weer op de middelste.
Partij B heeft op grond van de OVS 50% van de cascoschade van de middelste auto aan C
betaald.

Stellingname van partijen inzake de toepasselijkheid van de OVS
Partij B neemt het standpunt in dat partij A aan haar dient terug te betalen wat partij B op
grond van de OVS aan C heeft voldaan.
Zij stelt daartoe dat de OVS tussen partij B en partij A in dit geval niet van toepassing is,
omdat  –  kort  en   zakelijk  samengevat  –  de  bij   deze  beide  verzekeraars  verzekerde
motorrijtuigen niet met elkaar in botsing zijn gekomen, laat staan op een wijze die tot
toepasselijkheid van artikel IX van de OVS kan leiden.
Partij A daarentegen is van mening dat – wederom kort samengevat – nu C op grond van de
OVS afstand diende te doen van haar regresrecht op partij A, deze afstand van verhaal door
haar aan partij B kan worden tegengeworpen.
Partij A stelt zich verder op het standpunt dat partij B in deze zaak niet ontvankelijk is en dat
de zaak aan de burgerlijke rechter dient te worden voorgelegd, hetgeen impliceert dat volgens haar de Geschillencommissie Schadeverzekeraars niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

Overwegingen van de commissie
De commissie heeft kennis genomen van de aan haar overgelegde stukken.
Zij stelt vast dat er ten aanzien van de feiten – en de daaruit volgende consequentie voor de
afwikkeling van dit schadegeval naar het gemene recht – tussen partijen kennelijk geen
verschil van mening bestaat.
Nu de feiten tussen partijen vaststaan en partijen evenmin van mening blijken te verschillen
over het gevolg van die feiten voor de afwikkeling conform het gemene recht, is de commissie – anders dan partij A meent – wel degelijk bevoegd in deze zaak uitspraak te doen.
Dat zou anders zijn wanneer partijen over de afwikkeling naar gemeen recht van mening
zouden verschillen.

Op grond van hetgeen in de Richtlijnen bij de toepassing van de OVS bij artikel IX onder de
kop “regres” is opgenomen, oordeelt de commissie dat het gelijk in deze zaak ook inhoudelijk
aan de zijde van partij B ligt.
De commissie vindt aanleiding de betreffende passage hieronder integraal te citeren:
“Regelmatig is de situatie van een kop-staartbotsing, waarbij meer dan twee in dezelfde
rijrichting aan het verkeer deelnemende motorrijtuigen zijn betrokken, voor bindend advies
voorgelegd.
Vaak betrof het dan de vraag of de verzekeraar van het achterop rijdende motorrijtuig, nadat
hij op basis van de O.V.S. de schade aan de voorrijder heeft betaald, voor deze schade op
grond van het gemene recht verhaal kan nemen op de (O.V.S.-)verzekeraar, die het verderop in de file doordrukkende motorrijtuig heeft verzekerd, ervan uit gaande dat de bestuurder daarvan aansprakelijk is.
Het antwoord op die vraag luidde steeds bevestigend.

De overwegingen zijn :
1.         de O.V.S. regelt alleen de schadeafwikkeling tussen de verzekeraars van de twee
motorrijtuigen die met elkaar in botsing zijn gekomen op een wijze als in artikel IX O.V.S. is
aangegeven (“… met de voorkant in botsing komt met de achterkant…”)
2.         Afstand van verhaal als omschreven in de O.V.S. heeft slechts betrekking op het verhaal van de cascoverzekeraar van het achterop rijdende motorrijtuig op de WA-verzekeraar van het voorrijdende motorrijtuig.
3.         In de O.V.S. zijn geen andere bepalingen opgenomen of voorzieningen getroffen, die tot een andere conclusie dan in 2 omschreven kunnen leiden”.
Dat in dit geval het “schuldige” motorrijtuig vóór in plaats van achter de twee met elkaar in
botsing gekomen motorrijtuigen aan het verkeer deelnam maakt voor de toepassing van de
hierboven in extenso geciteerde overweging geen verschil.
Het standpunt van partij A - inhoudend dat zij tegenover partij B kan “profiteren” van het feit
dat C jegens partij A op grond van de O.V.S. afstand van regres moest doen - vindt reeds in
het bovenstaande zijn weerlegging.
De commissie voegt daaraan nog toe dat voor het uitoefenen van een recht van verhaal als
hier bedoeld de aanwezigheid van een akte van cessie niet nodig is.
Dit regresrecht vloeit immers uit de wet voort, en wel in het bijzonder uit de artikelen 101
juncto 102 van boek 6 van het BW.

Bindend advies
De OVS staat er – uitgaande van het gegeven dat de verzekerde van partij A naar burgerlijk recht volledig draagplichtig is – niet aan in de weg dat partij B voor de door haar op grond van de O.V.S. aan C uitgekeerde cascoschade regres neemt op partij A.
Aldus is beslist op 22 april 2004 door J.C. van der Harst, mw. mr. A.G. Verhoeven en mr. G. Wassink, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van mr. M.N.J. Heeneman, secretaris.
De vice-voorzitter        De secretaris
Mr. G. Wassink            Mr. M.N.J. Heeneman