Causaliteit

Personenschade.
Proportionele causaliteit.
Redelijke toerekening
Tweede ongeval, policausaliteit en alternatieve causaliteit
Verkeers- veiligheidsnorm
Verwijderdheid van ongeval
Voorzienbaarheid, waarschijnlijkheid

 

Brunner, Deelregels:
1 Waarschijnlijkheid gevolgen,
2 verwijderdheid van OD,
3 verkeers- veiligheids- zorgvulgdigheidsnorm,
4 mate schuld, risicoaansprakelijkheid,
5 dood of letsel <> zuivere vermogensschade
6 Uitoefening in bedrijf / of particulier
7 Verzekerbaarheid

Vormen causaal verband
Feitelijke causaal verband, vestiging van aansprakelijkheid – het conditio sine qua non (csqn) verband, juridische causaal verband, omvang van de aansprakelijkheid, art. 6:98 BW

 

Personenschade

Rb Breda 22-8-2011 BR7054 kosten ter voorkoming ontslag staan in causaal verband (pdf, inloggen)

Deelgeschilprocedure. Letsel na arbeidsongeval. Begroting smartengeld en vergoeding kosten artikel 6:96 lid 2 BW. Gemaakte kosten ter voorkoming van ontslag en ter bevordering van reïntegratie voldoen aan dubbele redelijkheidstoets. Buitengerechtelijke kosten die gemaakt zijn als gevolg van de bejegening door werkgever zijn redelijkerwijs als gevolg van het ongeval toerekenbaar.

HR NJ 2005, 16 Houding verzekeraar kan tot ruimere toerekening leiden

HR 8 juni 2001 Zwolsche Algemene / de Greef NJ 2001, 433 eisen aan bewijs vaststelbaarheid letsel

Het medisch substraat behoeft niet vaststelbaar te zijn. Alleen moet objectief vastgesteld worden dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn.

HR 13-1-1995 Causaliteit buiten lijn verwachtingen regresnemers veiligheidsnorm VOA ABP

Letsel dat buiten de lijn der normale verwachtingen ligt is bij schending van een veiligheidsnorm eveneens vorderbaar voor regresnemers. Er daar geen goede grond bestaat een verschillende maatstaf voor de causaliteit te hanteren bij direct betrokkene en regresnemer.

HR 2-2-1990, NJ 91, 292 Causaliteit kwetsbaarheid latere gebeurtenis ziekte

Een na het ongeval intredende ziekte waardoor de gelaedeerde eveneens arbeidson­geschikt is geraakt komt voor de rekening van die gelaedeerde

HR 4-22-1988 NJ 89, 751 Causaliteit predispositie causale bijdrage schadebegroting

Al blijft het herstel uit als gevolg van de persoonlijkheidsstruc­tuur of moeilijkheden in diens privé-leven moet het uitblijven van het he­stel aan de dader worden toeger­kend. Omstandigheden die in de risico­sfeer van het slachtoffer liggen kunnen de begroting van de schade beïnvloeden ( zie ook medisch tekort­schieten in HR 8-2-1985, NJ 86, 136) Benadeelde moet bijdragen aan herstelproces.

HR 8-2-85, NJ 86, 136 (en 137) Causaliteit letsel lijn verwachtingen predispositie latere gebeurtenis fout arts

Als de oorzaak van de klachten voornamelijk gelegen zijn in de omstandigheid dat de artsen onvoldoende notitie van het letsel hadden genomen zijn deze toch toerekenbaar al zijn de gevolgen buiten de normale lijn der verwachtingen en ook al leidt het medisch tekort­schieten slechts door de samenhang met diens persoonlijke predispositie tot een verstoring van het herstel. Dit zou slechts anders zijn onder bijzondere omstan­digheden zoals het geval dat de gewonde nagelaten heeft alles in het werk te stellen, wat redelijkerwijs, de persoonlijkheidsstructuur in aanmerking genomen van de gewonde kan worden verlangd om aan het herstelproces bij te dragen.

HR 8-1-1982 NJ 82, 614 Causaliteit redelijk verwachtbaarheid wijze veroorzaking letsel natronloog

Voor aansprakelijkheid jegens degene die door het in aanraking komen met de gevaarlijke vloeistof letsel oploopt, doet het er in beginsel niet toe of de wijze waarop het letsel precies is veroor­zaakt voor­zienbaar was voor de partij die de zorgvuldig­heid niet voldoende in acht heeft genomen.

HR 21-3-1975 NJ 75, 372 Causaliteit verwachtbaarheid ver verband eigen schuld overlijden coronaire trombose

Het overlijden is ook dan toerekenbaar indien de wijze waarop het overlij­den plaats­vindt zelden voorkomt of buiten de lijn der verwach­tingen ligt behalve in geval van eigen schuld of het optreden van omstandigheden van zodanige aard dat het overlij­den redelijkerwijs niet meer aan de dader kan worden toegere­kend.

HR 9-6-1972 NJ 72, 360 Causaliteit voorzienbaarheid letsel neurotische depressie belemmering genezing

Ook toerekenbaar is als de genezing langer duurt dan in de normale lijn der verwachtingen ligt en dat slechts anders is als de genezing wordt belemmerd door bepaalde omstandig­heden van zodani­e aard dat het uitblijven van de genezing niet meer als gevolg van de aanrijding aan de dader kan worden toegerekend.

 

Proportionele causaliteit

HR 24 december 2010, LJN BO1799 Toepaselijkheid regel HR 31-3-2006 AU6092, terughoudendheid

r.o. 3.8

1) de regel moetmet terughoudendheid worden toegepast. De rechter zal in zijn motivering moeten verantwoorden dat strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending – waaronder is begrepen de aard van de door de benadeelde geleden schade – de toepassing van de regel rechtvaardigen.

2) Niet beperkt tot gevallen van werkgeversaansprakelijkheid op grond van een geschonden norm, die juist gezondheidsschade beoogde te voorkomen.
(a) de aansprakelijkheid van de aangesproken partij op zichzelf vaststaat;
(b) een niet zeer kleine kans bestaat dat het csqn verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is; en
(c) de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing van de genoemde regel rechtvaardigen.

3) Niet beperkt tot gevallen waarin het bewijs van het csqn verband moeilijk is. De vraag of de causaliteitsonzekerheid betrekking heeft op schade die reeds is geleden of schade die nog zal worden geleden, is evenmin relevant voor toepassing van de regel.

4) Als het feitelijke csqn causaal verband niet vaststaat kan toerekening in de zin van de juridische causaliteit van art. 6:98 BW niet aan de orde zijn.

 

Hoge Raad 31-3-2006 AU6092 Nefalit/Keramus proportionele causaliteit longkanker roken

Mede gelet op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet daarom worden aangenomen dat, indien de werknemer schade heeft geleden die, gelet op de hiervoor bedoelde kanspercentages, zowel kan zijn veroorzaakt door een toerekenbare tekortkoming van zijn werkgever (...) als door een aan de werknemer zelf toe te rekenen omstandigheid (...), zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate de schade van de werknemer door deze omstandigheden of één daarvan is ontstaan, de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag veroordelen, met vermindering van vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.”

Proportionele schadevergoeding bij longkanker door asbest en/of door roken

Naar aanleiding van Schaier/De Schelde, Ktg. Middelburg 1 februari 1999, VR 1999, 117 mr A.J. Akkermans VRA 1999/193

HOF 'S-GRAVENHAGE 10 oktober 2002, NJ 2003/99 Beroepsfout artsen door missen diagnose; aansprakelijkheid ziekenhuis; schade is het verlies van de kans op volledig herstel.


BW art. 6:98, 162, 7:453, 7:462

Op een woensdagavond in november 1987 vervoegt appellante zich op de afdeling eerste hulp van een (academisch) ziekenhuis met een heftig verlopende ontsteking aan haar linker wijsvinger. Zowel dan als in de daaropvolgende nacht wordt door de dienst doende co-assistent en arts-assistent niet de juiste diagnose gesteld (een door streptococcen veroorzaakte flegmoneus panaritium) (door bacterie veroorzaakte acute ontsteking van het nagellid van een vinger). Deskundigen achten het missen van de juiste diagnose niet verontschuldigbaar en schatten de kans op herstel bij het aanstonds stellen van de juiste diagnose op ruim boven de 50%.
Het hof komt, anders dan de rechtbank, op grond van het rapport van de deskundigen tot de conclusie dat het niet-stellen van de juiste diagnose verwijtbaar was en jegens appellante een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad oplevert. Het ziekenhuis is daarom aansprakelijk voor de ten gevolge van die tekortkoming toe te rekenen schade.
Nu blijkens het oordeel van de deskundigen niet valt uit te sluiten dat de schade ook zou zijn ingetreden indien de juiste diagnose was gesteld en appellante op de juiste wijze was behandeld, acht het hof geen zodanig verband tussen de onjuiste diagnose en de schade aanwezig, dat die schade volledig daaraan moet worden toegerekend. De aan de fout of tekortkoming toe te rekenen schade komt dan neer op het verlies van appellantes kansen op volledig herstel die zij had gehad na een juiste diagnose en een daarop afgestemde adequate behandeling.
In navolging van de deskundigen stelt het hof het deel van de door appellante geleden schade dat voor vergoeding door het ziekenhuis in aanmerking komt, op 60%. Volgt vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van het ziekenhuis om aan appellante 60% te vergoeden van een aantal materiële en immateriële schadeposten (totaal thans reeds te vergoeden bedrag € 47 491,53) met verwijzing van overige posten naar de schadestaatprocedure.

Peeperkorn VR 98, p321 Proportionele causaliteit verlies kans

Peeperkorn toont zich een voorstander van alles of niets en niet eenvergoeding van een deel van de schade wegens verlies van een kans. In beginsel draagt ieder zijn eigen schade. Alleen als een fout in redelijke mate waarschijnlijk bijgedragen heeft tot het ontstaan van schade moet die schade vergoed worden en dan wel volledig en niet proportioneel in verhouding van de mate van waarschijnlijkheid.

Hof Amsterdam 4-1-1996 VR 97, 164 Verlies kans kunstfout arts

De kans dat het kind zonder opname van 15 uur te laat restloos zou zijn hersteld van de hersenbloeding is volgens deskundigen verwaarloosbaar klein en behoeft niet meegewogen te worden. De kans dat het herstel nadelig is beïnvloed door de te late opname is aanwezig, maar niet groot. Het Hof acht het oordeel van de rechtbank juist dat alle relevante omstandigheden meegewogen het verlies van de kans op minder schade geschat moet worden dan 25%.
Zie ook Baijings, HR 24-10-1997 RvdW 97, 207, althans dat de schade geschat moet worden aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, ware dit ingesteld, zou hebben gehad.

Redelijke toerekening

HR 20-3-1970 NJ 70, 251 Redelijke toerekening adequatieleer verwijderd verband Waterwingebied

Köster wordt gevolgd in zijn stellingen dat de adequatieleer moet worden vervangen door de leer der redelijke toerekening. Niet maatgevend is of te voorzien was dat de opruimingskosten zouden ontstaan. Bij massaal uitstromen van olie is schade ter zake waterwinning niet een zo uitzonderlijke vorm van schade noch in een zo ver verwijderd verband met het ongeluk dat de schade niet naar redelijkheid ten laste zou mogen worden gebracht van de veroorzaker.

Tweede ongeval, policausaliteit en alternatieve causaliteit

Groene serie schadevergoeding (inloggen)

Ongelijktijdig en gelijktijdig werkende verschillende oorzaken vallen onder 6:99 BW

Art. 99. Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

Gedragsregels bij de behandeling van personenschade in het verkeer

Bedrijfsregeling no. 15, Afdeling Motorrijtuigen van het Verbond van Verzekeraars

(11 december 2002)

Artikel 10 - Meervoudige veroorzaking
1. Niet verwijzen
Indien een schuldloze benadeelde door twee of meer verkeersongevallen letsel heeft opgelopen en op voorhand niet direct is vast te stellen welk letsel is toe te rekenen aan de te onderscheiden ongevallen, is het de betrokken W.A.verzekeraars niet toegestaan voor de regeling van (een deel) van de schade naar elkaar te verwijzen.
2. Actieve schaderegeling
Zodra één van de betrokken verzekeraars kennis krijgt van voornoemde meervoudige veroorzaking, ontstaat de verplichting voor deze om in overleg met de andere verzekeraar(s) te treden teneinde overeenstemming te verkrijgen over het feit wie als regelend verzekeraar zal optreden. Als dit overleg niet binnen een maand na het eerste contact tussen de betrokken verzekeraars heeft geleid tot overeenstemming, zal de verzekeraar van de veroorzaker van het eerste ongeval optreden als regelend
verzekeraar.
3. Overeenkomstige toepassing
Alhoewel rechtstreekse toepassing van bedrijfsregeling no. 7 (schuldloze derde regeling) niet aan de orde is, is artikel 3.2 uit die regeling dienovereenkomstig van toepassing (zie RvT 2000/122 Mo).

Hof Amsterdam 20 maart 2008 106.006.277 twee ongevallen, art 6:99 BW, regres tussen WAM-verzekeraars: ieder evenredig deel (50%/50%) behoudens tegenbewijs ,

Twee ongevallen, twee maal whiplash. Delta Lloyd (veroorzaker eerste ongeval) heeft gehele letselschade vergoed en vordert 50% van London (veroorzaker tweede ongeval) van het deel van de schade dat zowel door het eerste ongeval als door het tweede ongeval veroorzaakt kan zijn (mengschade; vgl. art. 6:99 BW). London stelt dat slechts 10% van de schade het gevolg is van het tweede ongeval. Het hof komt tot het oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het tweede ongeval (blijvende) schade (in de zin van letsel) heeft veroorzaakt. Het hof oordeelt vervolgens dat “(…) London en Delta Lloyd op grond van art. 6:99 jo. art. 6 :102 BW hoofdelijk jegens (benadeelde) aansprakelijk waren. Op grond van art. 6:102 jo. 6:101 BW moet de schade in het kader van het door Delta Lloyd op de voet van art. 6:10 BW op London te nemen regres tussen partijen worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat niet de op grond van art. 6:10 BW verhaal zoekende hoofdelijke schuldenaar (Delta Lloyd) behoeft te stellen en te bewijzen dat en in welke mate aan de bijdrageplichtige hoofdelijke schuldenaar (London) toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, maar dat de partij die meent dat haar aandeel meer respectievelijk minder bedraagt dan een evenredig deel (in casu 50%) dit zal hebben te stellen en te bewijzen. Ware dit anders, dan zou de betaald hebbende en verhaal zoekende hoofdelijke schuldenaar op dit punt zonder redelijke grond een bewijsrisico moeten dragen. …”
lees verder

HOGE RAAD 7 december 2001, NJ 2002/576 Voortdurende schade; hypothetische meervoudige causaliteit. Latere gebeurtenis doorbreekt alleen causaliteit indien deze in risicosfeer benadeelde ligt.

RvdW 2001, 199 JOL 2001, 732

BW art. 6:95, 102, 105, 7A:1589; Rv art. 347

Indien zich na een schadeveroorzakende gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is jegens de benadeelde, een latere gebeurtenis voordoet die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt als die schade niet reeds was ontstaan, doet dat niet af aan de reeds gevestigde verplichting tot schadevergoeding van de voor de eerste gebeurtenis aansprakelijke.
Behalve in gevallen waarin de latere gebeurtenis voor risico van de benadeelde komt, (vgl. HR 2 februari 1990, nr. 13789, NJ 1991, 292), bestaat er geen grond daarover anders te oordelen indien het gaat om voortdurende schade. Ook geldt hetzelfde in gevallen waarin de schade voor het vervolg niet slechts hypothetisch maar in werkelijkheid - al dan niet mede - veroorzaakt is door de handeling van de derde. Ook dan verdient het immers de voorkeur dat de benadeelde, overeenkomstig de in artikel 6:102 BW neergelegde regel, slechts de veroorzaker van de eerste gebeurtenis behoeft aan te spreken en niet het risico behoeft te lopen dat de veroorzaker van de latere gebeurtenis geen verhaal biedt of zelfs niet jegens hem aansprakelijk is. (zi ook HR 2-2-1990 NJ 1991, 292

Rechtbank 's-Hertogenbosch 18-1-2006 AV1219 seksueel misbruik door verschillende daders, hoofdelijke aansprakelijkheid

Een vrouw is achtereenvolgens seksueel misbruikt door haar vader, haar fysiotherapeut en een gewelddadige verkrachter. Zij stelt de fysiotherapeut op grond van art 6:99 BW (alternatieve causaliteit) aansprakelijk voor de door haar geleden psychische schade. De rechtbank oordeelt dat art 6:99 BW niet van toepassing is, omdat dit artikel bedoeld is voor gevallen waarin (nog) niet duidelijk welke van de gebeurtenissen de schade heeft of hebben veroorzaakt. Nu bekend is dat de schade is veroorzaakt door een combinatie van de drie vormen van seksueel misbruik, moet art 6: 98 BW (causaliteit) worden toegepast. De rechtbank acht de fysiotherapeut op grond van art 6:102 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade.

Rechtbank Arnhem 13 juni 2006 AY4970 schade door meerdere ongevallen, art. 6:99 BW niet van toepassing

Benadeelde heeft achtereenvolgens twee verkeersongevallen gehad en vordert in kort geding hoofdelijke veroordeling van de beide wam-verzekeraars tot betaling van een voorschot om daarmee de een medische behandeling te kunnen bekostigen. De rechtbank oordeelt dat de behandelkosten niet zijn aan te merken als mengschade waarvoor artikel 6:99 BW toepasselijk is, nu zich hier niet het geval voordoet waarin de gebeurtenissen waarvoor de verzekeraars aansprakelijk zijn de gehele schade kunnen hebben veroorzaakt. Uit de medische rapporten blijkt dat de noodzaak tot medische behandeling reeds is opgeroepen door een eerder bedrijfsongeval én een val van de trap thuis. Alleen in het geval van onzekerheid geldt de (bewijs)regel van artikel 6:99 BW, niet in de zich hier voordoende situatie waarin de afzonderlijke gebeurtenissen slechts een deel van de schade tot gevolg hebben, aldus de rechtbank.

HOF DEN HAAG 5 april 2006 VR 2006/161art. 6:98 BW Policausaliteit. Twee ongelukken kort na elkaar; juridische causaliteit.

Oudere vrouw komt allereerst bekneld te zitten tussen twee schuifdeuren, als gevolg waarvan ze haar heup breekt. Tien weken na het ongeval, als de heupbreuk nog niet helemaal is genezen, komt zij bij het opstaan uit een stoel opnieuw ten val. Gelet op de matige medische conditie van het slachtoffer op het moment van het tweede ongeval, mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat er sprake was van juridische causaliteit met het eerste ongeval. Eigenaar van de schuifdeuren is dus aansprakelijk voor de gevolgen van beide ongevallen.

Hof Amsterdam 2 juni 2005, NJF 2005, 326: hoofdelijkheid dief en heler

Geïntimeerde is ter zake van opzetheling van een BMW op 10 december 1995 door de politierechter veroordeeld. De desbetreffende auto, verzekerd bij Generali, was op 10 december 1995 gestolen. Geïntimeerde is door de politie in 1997 aangehouden terwijl hij werkzaamheden aan onderdelen van de auto verrichtte. Generali heeft de verzekerde eigenaar schadeloos gesteld en spreekt geïntimeerde aan tot vergoeding van het verschil tussen de dagwaarde in december 1995 en de restwaarde waarvoor Generali de auto in april 1998 heeft verkocht. Geïntimeerde betwist het causaal verband tussen heling en schade. Het hof acht de geïntimeerde aansprakelijk op grond van art. 6:99 omdat de schade het gevolg kan zijn van diefstal, heling of vernieling en tenminste door één van deze gebeurtenissen kan zijn ontstaan.

RB ROERMOND 21 mei 2003 VR 2004/44 Verkeersongevallen causaliteit.

Slachtoffer van een ongeval is al eerder betrokken geweest bij een gelijksoortig ongeval. Partijen verschillen van mening welke schade kan worden toegerekend aan het tweede ongeval en welke schade ook zonder het ongeval zou zijn opgetreden als gevolg van het eerste ongeval.
Dat thans na zoveel jaar niet meer zal zijn vast te stellen in hoeverre opgetreden klachten al bestonden voor het ongeval is een gegeven. Dit zou anders geweest zijn als daar kort na het ongeval onderzoek naar was gedaan, hetgeen op de weg van de verzekeraar had gelegen. Door dit na te laten komt de onmogelijkheid om dit alsnog vast te stellen voor rekening en risico van de verzekeraar. Klachten moeten derhalve als ongevalsgevolg worden beschouwd.

RECHTBANK UTRECHT 27 augustus 2003 VR 2004/123 Schade veroorzaakt door twee ongevallen met tussenpose van 14 dagen.

Causale toerekening van schade aan elk van de ongevallen.
Vrouw wordt binnen veertien dagen twee keer aangereden, de eerste maal door een vrachtauto verzekerd bij Axa, de tweede maal door een personenauto verzekerd bij Roelofs. Roelofs betaalt de schade aan de benadeelde en neemt regres op Axa. De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt Axa op grond van causale toerekening tot betaling van 50% van de schade.
De vraag is of letsel als gevolg van het eerste ongeval nog aanwezig was toen zij bij het tweede ongeval op 7 maart 1991 betrokken raakte. Axa stelt dat dit niet het geval is. Uit de door Axa overgelegde verklaringen blijkt dat het letsel dat Van Moorst door het eerste ongeval had opgelopen nog niet volledig was hersteld op het moment van het tweede ongeval. Niet ter discussie staat daarbij dat verzekeringsmaatschappijen in een situatie als de onderhavige (twee opeenvolgende botsingen met een schuldloze derde die van beide ongevallen letsel ondervindt) hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens het slachtoffer. Na de cessie kan Roelofs dit vorderingsrecht tegen Axa uitoefenen, met dien verstande dat dit recht zijn begrenzing vindt in het eventuele regres dat Roelofs op Axa zou kunnen nemen. Roelofs kan immers ook na de cessie het aandeel in de schuld dat uitsluitend haarzelf regardeert niet op Axa afwentelen

HR 31-01-2003, NJ 2003, 346 2x brandstichting, alternatieve causaliteit bij brandstichting

Alternatieve causaliteit: aansprakelijkheid ingeval schade gevolg kan zijn van meer gebeurtenissen voor elk waarvan een ander aansprakelijk is; art. 6:99 BW.Art. 6:99 BW gold ook reeds vóór 1 jan. 1992, zij het dat die regel toen leidde tot een samenlopende aansprakelijkheid voor het geheel en niet tot hoofdelijkheid (zie DES). Nodig maar ook voldoende is dat sprake is van twee of meer gebeurtenissen en dat de schade door ten minste één ervan is veroorzaakt. Evenmin is vereist dat de identiteit van alle personen die voor de verschillende gebeurtenissen aansprakelijk zijn, bekend is. Uiteraard moet, wil art. 6:99 BW van toepassing zijn, voldaan zijn aan de overige vereisten voor aansprakelijkheid. 's Hofs oordeel komt erop neer dat vooralsnog, behoudens door thans eisers tot cassatie (stichters van de tweede brand) te leveren tegenbewijs, niet is komen vast te staan dat de eerste, door anderen gestichte, brand een zodanige schade heeft veroorzaakt dat de waarde van het gebouw na die brand - en derhalve de door thans eisers tot cassatie veroorzaakte vermogensschade - minder was dan de gehele in casu gevorderde schade.

HOF LEEUWARDEN 8 augustus 2001 NJ 2002/209 Causale gebeurtenissen na aanrijding. Verkeersaansprakelijkheid

Voetgangster op zebrapad aangereden door auto. Tot de causale keten behoort in casu ook een medische fout tijdens (latere) ziekenhuisopname.

 

HR 07-12-2001, NJ 2002, 576 hypothetische meervoudige causaliteit Voortdurende schade; hypothetische meervoudige causaliteit.

Indien zich na een schadeveroorzakende gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is jegens de benadeelde, een latere gebeurtenis voordoet die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt als die schade niet reeds was ontstaan, doet dat niet af aan de reeds gevestigde verplichting tot schadevergoeding van de voor de eerste gebeurtenis aansprakelijke. Behalve in gevallen waarin de latere gebeurtenis voor risico van de benadeelde komt, bestaat er geen grond daarover anders te oordelen indien het gaat om voortdurende schade. Ook geldt hetzelfde in gevallen waarin de schade voor het vervolg niet slechts hypothetisch maar in werkelijkheid - al dan niet mede - veroorzaakt is door de handeling van de derde.

HR 24-12-1999, NJ 2000, 351 samenlopende oorzaken Samenlopende oorzaken. Hoofdelijke aansprakelijkheid.

Ingeval een schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen terwijl voor elk van die gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden, en de schade derhalve is ontstaan door een samenloop van oorzaken, is ieder van die personen jegens de benadeelde voor de gehele schade aansprakelijk, met dien verstande dat het daarbij ingevolge art. 6:102 BW gaat om hoofdelijke aansprakelijkheid.

HOF ARNHEM 20 januari 1998 VR 1998/122 Art. 3:44 lid 1, 6:99, 7:900 lid 1 BW Twee ongevallen met 2½ jaar tussenruimte, beide met whiplashlaesie.

Alternatieve veroorzaking blijvende gevolgen. Dading vernietigd wegens misbruik van omstandigheden.
Benadeelde bespreekt kort ná tweede ongeval, zonder juridische bijstand, schade met WAM-verzekeraar eerste ongeval en tekent zelfde dag dading tegen finale kwijting. Verzekeraar wist dat medisch geen eindtoestand bereikt was, dat tweede ongeval was geschied waardoor gecompliceerde, voor ondeskundige moeilijk te overziene, schadesituatie was ontstaan en dat benadeelde geen bijstand had. Adviseert niet juridische bijstand in te roepen; gunt nauwelijks bedenktijd. Dading vernietigbaar, niet wegens dwaling, wel wegens misbruik van omstandigheden. Enkel WAM-verzekeraar eerste ongeval voor gevolgen van dat ongeval aansprakelijk; enkel WAM-verzekeraar tweede ongeval voor gevolgen dáárvan. Beiden hoofdelijk aansprakelijk voor gevolgen die door beide ongevallen kúnnen zijn veroorzaakt.

HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230 (Moerman/Bakker):Verontreiniging van een afwateringssloot

Op last van het waterschap moet de sloot worden uitgebaggerd. De baggerspecie blijkt verontreinigd en moet als zwaar chemisch afval worden afgevoerd, hetgeen extra kosten met zich brengt. Bakker spreekt Moerman, die op zijn perceel een autospuiterij heeft geëxploiteerd, aan voor de geleden schade. Moerman verweert zich met de stelling dat de verontreiniging mogelijk mede is te wijten aan de vorige eigenaar van het perceel, die eveneens een autospuiterij exploiteerde, danwel aan de meerderjarige zoon van Bakker, die volgens Moerman op vaders perceel auto's had gerepareerd en daarbij olie had laten weglopen. Het Hof oordeelde dat een en ander niet afdoet aan de aansprakelijkheid van Moerman jegens Bakker voor de gehele schade.
In cassatie plaatst de Hoge Raad het geheel in de sleutel van art. 6:99 BW en overweegt ten aanzien van de toepassing van dat artikel in een geval als het onderhavige dat: 'wanneer vaststaat dat de aangesprokene aansprakelijk is voor een bepaalde gebeurtenis waardoor de gehele gevorderde schade kan zijn ontstaan, die schade niet geheel of gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde behoort te blijven op de grond dat anderen, voor wie hij niet verantwoordelijk is, naar de stellingen van de aangesprokene een deel van de schade hebben veroorzaakt en de benadeelde niet kan bewijzen dat de gehele schade het gevolg van de voormelde gebeurtenis

HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 535 (CJHB); VR 1993, 19 (vWvC); DES

art. 6:99 BW uitkomst bieden. Dit artikel voorziet in een omkering van de bewijslast: 'Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is'.

Dystrofie

Hof 's-Gravenhage 26-10-2007 BB7749 proportionele aansprakelijkheid werkgever (20%) voor dystrofie na tweede ongeval Eerst vingers re en daarna pols re

Werknemer krijgt in 1999 na een bedrijfsongeval, waarvoor haar werkgever aansprakelijk is, posttraumatische dystrofie; in 2000 krijgt zij na een skeelerongeval opnieuw posttraumatische dystrofie. Het hof acht de werkgever voor 20% aansprakelijk. Op basis van een deskundigenbericht concludeert het hof dat de kans dat de dystrofie na het tweede ongeval mede het gevolg is van het bedrijfsongeval 50%. Het hof oordeelt vervolgens – gelet op art 6:99 en 6:101 BW- dat de werkgever aansprakelijk is voor de gehele schade, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden die aan werknemer kunnen worden toegerekend. Het skeelerongeval is aan werknemer toe te rekenen. Het hof oordeelt dat de tweede dystrofie voor 60% is toe te rekenen aan werknemer en voor 40% aan het bedrijfsongeval. Uitgaande van de kans dat de tweede dystrofie mede is veroorzaakt door het bedrijfsongeval circa 50% bedraagt, oordeelt het hof dat de schade als gevolg van de tweede dystrofie voor (50% van 40%=) 20% aan de werkgever.

"De kans op het optreden van een posttraumatische dystrofie na een polsfractuur is ca. 8%, ervan uitgaande dat betrokkene in het verleden volledig gezond was. (…) Ongeveer 5% van de patiënten met een dystrofie ontwikkelt al dan niet spontaan een dystrofie in een tweede lidmaat. Bij een polsfractuur zal dat percentage, gezien de hoge kans op een eerste dystrofie waarschijnlijk wel hoger liggen. Ik schat die kans op 8-25%. (...) Recidief, al dan niet door een nieuw trauma is steeds een risico, hoewel een recidief na een nieuw trauma lang niet altijd voorkomt."

4.2 Blijkens zijn onder rechtsoverweging 2.7 genoemde rapportage schat Goris de kans dat de tweede dystrofie zich had ontwikkeld als gevolg van het skeelerongeval op 8%, indien het bedrijfsongeval zich niet had voorgedaan. Nu sprake is van een voorafgaand (bedrijfs)ongeval waarna zich dystrofie heeft ontwikkeld, schat hij deze kans op 8-25%. Dit betekent dat de kans dat zich na het skeelerongeval dystrofie zou ontwikkelen, door het bedrijfsongeval gemiddeld genomen is verdubbeld (immers: toegenomen van 8% naar 16,5%). Deze verdubbeling van de kans dient, mede in aanmerking genomen de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van het bedrijfsongeval te worden aangemerkt. Nu het risico zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, kan dus worden vastgesteld dat de kans dat de na het skeelerongeval opgetreden dystrofie mede het gevolg is van het bedrijfsongeval circa 50% (immers 8,5/16,5 x 100%) is.
4.3 Mede gelet op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, ligt het in het onderhavige geval – gelet op voornoemd kanspercentage – in de rede dat het hof TPG tot vergoeding van de gehele schade veroordeelt, met vermindering van de vergoedingsplicht in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [werknemer] toe te rekenen omstandigheden tot haar schade hebben bijgedragen (vgl. HR 31 maart 2006, LJN: AU6092) .

 

Rechtbank Middelburg 24 juni 2009 BK8809 tweede dystrofie geen ongevalsgevolg; bewijs arbeidsongeschiktheid door pre-existentie klachten niet geleverd

Teneinde aan het in het tussenvonnis van 17 december 2003 opgedragen bewijs te voldoen zijn door partijen aan de deskundige dr. Van Mourik een zestal vragen, waarvan enkele onderverdeeld in subvragen, voorgelegd. Een aantal vragen ziet in meer algemene zin op het voorkomen en ontstaan van dystrofie en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken. Vraag 5 ziet specifiek op het ontstaan van de dystrofie in [eiser] zijn rechterarm. Op subvraag 5a, de vraag of het trauma van 1994 als gehele of gedeeltelijke oorzaak van de dystrofie van de rechterarm moet worden aangewezen antwoordt dr. Van Mourik dat de dystrofie in de rechterarm opeenvolgend aan het trauma van 1994 ontstond en daar dus oorzakelijk geheel mee is verbonden. Op subvraag 5b, de vraag of voor de dystrofie in de rechterarm als gehele of gedeeltelijke oorzaak de dystrofie in 1994 ontstaan van de linkerarm moet worden aangewezen overweegt dr. Van Mourik dat, gelet op de omstandigheid dat de kans op een spontane dystrofie in de tweede lidmaat op 1,8% per jaar moet worden begroot deze kans vele malen groter is dan de kans van 0,027% per jaar voor een eerste (al dan niet) spontane dystrofie. Voorts overweegt dr. Van Mourik dat de aanwezigheid van een bepaalde genetische constitutie de kans op het ontstaan van een tweede dystrofie verhoogt. Niet sprake is van een “zwart-wit” correlatie. Heb je het kenmerk dan is volgens dr. Van Mourik de kans verhoogd, heb je het niet dan is de kans kleiner. Concluderend stelt dr. Van Mourik in antwoord op subvraag 5b dat de tweede dystrofie aan de eerste gerelateerd kan worden gezien het duidelijk verhoogde risico, met andere woorden, als uitlokkende factor. Op subvraag 5c, de vraag of als gehele of gedeeltelijke oorzaak van de dystrofie van de rechterarm de overige gezondheidstoestand van de heer [eiser] kan worden aangewezen antwoord dr. Van Mourik dat de tenniselleboog in de rechterarm een uitlokkende rol gespeeld kan hebben.
Dr. Van Mourik wordt voorts de vraag (6) voorgelegd of, indien één van de in vraag 5 genoemde factoren als oorzaak kan worden aangewezen, vast te stellen is in welke mate deze factoren hebben bijgedragen aan het ontstaan van de dystrofie van de rechter arm.
Daarop antwoord dr. Van Mourik dat de dystrofie in de linkerarm, de rechtbank neemt aan dat daar bedoeld is rechterarm, verband heeft met een sterk verhoogde kans door de eerste dystrofie en, tussen haakjes, mogelijk aanleg. Voorts antwoord dr. Van Mourik dat de tenniselleboog een uitlokkende factor geweest kan zijn en een mogelijke genetische predispositie die de kans op een tweede dystrofie verhoogt.
Gelet op de beantwoording van de vragen door dr. Van Mourik is de rechtbank van oordeel dat daarin niet gelezen kan worden dat dr. Van Mourik tot de conclusie komt dat de tweede dystrofie als ongevalsgevolg kan worden beschouwd, afgezien van de beantwoording van vraag 5a. Met betrekking tot de beantwoording van die vraag is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien waarop dr. Van Mourik het daar gegeven antwoord baseert. Immers aan de rechterarm is [eiser] tijdens het ongeval niet gewond geraakt. Uitgegaan werd juist van het in 1998 ontstaan van een spontane dystrofie in de rechterarm. Het antwoord van dr. Van Mourik op de overige vragen strookt ook niet met het antwoord op vraag 5a.
Bij vraag 5b wordt weliswaar de eerste dystrofie als uitlokkende factor genoemd, maar daarbij gaat dr. Van Mourik uit van een (foutief berekende) veel te hoge kans op het ontstaan van een spontane tweede dystrofie en verwijst hij naar verhoging van die kans gelegen in een eventueel aanwezige genetische constructie. Nog afgezien daarvan kan kennelijk ook niet zondermeer uitgegaan worden van een spontane dystrofie in de rechterarm nu sprake is (geweest) van een tenniselleboog in de rechterarm hetgeen volgens dr. Van Mourik ook een uitlokkende rol gespeeld kan hebben. Bij beantwoording van vraag 6 somt dr. Van Mourik nog eens de factoren op die mede (naast de eerste dystrofie) een rol gespeeld kunnen hebben zoals aanleg, de tenniselleboog en mogelijk genetische predispositie. Daarbij komt dat, alhoewel dr. Van Mourik in antwoord op vraag 4 concludeert dat er geen bewijs lijkt te bestaan tussen onder andere diabetes mellitus en het ontstaan van een dystrofie, dr. Knepper in zijn rapportage vermeldt dat dr. Van Mourik in het boek “Posttraumatische Dystrofie” diabetes mellitus als eigenstandige risicofactor noemt.

Verkeers- veiligheidsnorm

HR 2-11-1979 NJ 80, 77 Mia Versluis Verkeersnorm veiligheidsnorm toerekenbaarheid grens

Bij het overtreden van verkeers- of veiligheidsnormen die in de regel strekken tot voorkoming van verkeers- of arbeidsongevallen moet rekening worden gehouden met ernstige gevolgen hoe deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen.
Bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst strekt de zorgvuldigheid zich uit tot de patiënt in de eerste plaats, niet tot de familieleden. Een overtreding daarvan is geen schending van een veiligheids- of verkeersnorm.

Verwijderdheid van ongeval

HR 03 oktober 2014 ECLI:NL:HR:2014:2895 causaal verband arbeidsongeval met letsel aan voet en latere val over mat

Vier gebroken tenen op bij arbeidsongeval. maand later struikeling over deurmat thuis. Hof: arbeidsongeval is conditio sine qua non voorhet knieletsel. De schade als gevolg van de struikelpartij staat niet in zodanig verband tot het bedrijfsongeval dat deze kan worden beschouwd als een toerekenbaar gevolg. Oordeel hof is onbegrijpelijk. Het hog neemt aan dat het letsel nog niet restloos genezen was en de pijn “minst genomen mede hebben bijgedragen tot zijn val/struikelpartij”. Dan is niet in te zien dat het knieletsel in zeer ver verwijderd verband staat tot het arbeidsongeval.

HR 13-6-1975 NJ 75, 509 Verband typische gevolgen Amercentrale

Door het uitzonderlijke karakter van risicoaansprakelijkheid, zonder schuld dient een nauwer verband tussen de gebeurtenis en de schade te worden gesteld dan bij aansprakelijkheid uit art. 6:162 BW (1401 oud)

Voorzienbaarheid, waarschijnlijkheid

HR 21.3.1975 NJ 1975 nr. 372 met noot Scholten ,aangereden hartpatiënt Dodelijke afloop bij aanrijding algemeen voorzienbaar.

Veroorzaker van aanrijding is derhalve in beginsel aansprakelijk voor dodelijke gevolg, ook al valt wijze waarop in bepaald geval overlijden slachtoffer is ingetreden, aan te merken als zelden voorkomend of als liggend buiten normale lijn der verwachtingen, tenzij overlijden redelijkerwijs niet meer als gevolg van aanrijding aan dader kan worden toegerekend

 

 

Aansprakelijkheid