Hoofdelijkheid

Meerdere ongevallen en verjaring

Feiten
Drie schadegevallen op verschillende data. De oudste van WAM-verzekeraar X  die WAM-verjaring inroept tegen REGRESNEMER. REGRESNEMER komt bijna 4 jaar na ongeval met WAM-verzekeraar X bij ons. De persoonlijke schade is tussen WAM-verzekeraar X , WAM-verzekeraar Z en WAM-verzekeraar Y tegen 1:1:1 geregeld.

Vraag
Moet WAM-verzekeraar Y volledig betalen ongeacht verjaring bij WAM-verzekeraar X?

Art. 6:102 BW zegt dat als meerdere personen dezelfde schade moeten vergoeden er sprake is van hoofdelijkheid.
O.a. werken art. 6:10 en 11 BW hoofdelijkheid uit. Art. 6:11 lid 1 BW zegt dat de medeaansprakelijke " WAM-verzekeraar X "  alle verweren tegen "ons" kan inroepen die hij ook tegen de schuldeiser "REGRESNEMER" kan inroepen, maar lid 3 zegt dat verjaring daarop een uitzondering is.  Dus zou WAM-verzekeraar X verjaring jegens Y niet mogen inroepen.


Eerste argument
Art. 6:11 lid 1 BW gaat uit van een ontstaan van de verjaring op hetzelfde moment. De passage daarin:  het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen spreekt namelijk over één tijdstip voor meerdere bijdragen.
Dan ga je denken dat de uitzondering van het verweermiddel verjaring niet bedoeld is voor art. 6:99 BW omdat het daarin juist gaat om verschillende tijdstippen van ontstaan van de gebeurtenissen en niet om gelijktijdigheid.

Tweede argument
We spreken bij WAM-verzekeraar X  over de verjaring van de vordering uit de WAM. Het is maar de vraag of dat de verjaring is die in art. 6:11 lid 3  BW wordt bedoeld. Er is immers alleen een voorwaardelijk vorderingsrecht voor zover de verzekerde aansprakelijk is. Aan die voorwaarde komt een einde door de WAM-verjaring van drie jaar.
Verder is het maar de vraag of hier sprake is van hoofdelijkheid in de zin van art. 6:99 BW tussen verzekeraars. De hoofdelijkheid volgens genoemd artikel bestaat nu eenmaal niet voor dezelfde schade. Immers het artikel spreekt over het aansprakelijk zijn voor de gebeurtenissen. Is er aansprakelijkheid voor gebeurtenissen, dan hoofdelijkheid en een verzekeraar is nooit aansprakelijk voor de gebeurtenis. De WAM-verzekeraar heeft een afgeleide, voorwaardelijke aansprakelijkheid voor schade niet voor een gebeurtenis.

Het is dus verdedigbaar te stellen dat WAM-verzekeraar X wel het verjaringsverweer mag voeren. Daarover bestaat geen jurisprudentie.

Derde contrair argument
De regresnemer komt bijna 4 jaar na ongeval  bij WAM-verzekeraar Y. De verzekerde van X mag het verjaringsverweer uit de WAM niet voeren. Hij mag zich ook later niet op verjaring beroepen gezien art. 6:11 lid 3 BW. Indien hij dekking heeft moet WAM-verzekeraar X niet uit de WAM, maar uit de verzekeringsovereenkomst zelf presteren.

 

Rb Amsterdam 24-9-2008 BH2418 verzekeraar tweede ongeval aansprakelijk voor mengschade ex art 6:99 BW voor zover nog niet vergoed door eerste verzekeraar

Benadeelde is driemaal slachtoffer geworden van een achteropaanrijding. Eerste schade is afgewikkeld in lumpsum. Benadeelde stelt verzekeraar tweede aanrijdingaansprakelijk voor schade door tweede ongeval. (Derde ongeval speelt geen rol). Benadeelde stelt dat de beperkingen die hij ondervindt geheel toe te schrijven aan ongeval 2, terwijl verzekeraar 2 daartegenover stelt dat deze beperkingen geheel het gevolg zijn van ongeval 1 en dat ongeval 2 niet meer of andere schade heeft veroorzaakt. De rechtbank oordeelt vervolgens dat uit vergelijking tussen twee FML’s blijkt dat de beperkingen als gevolg van ongevallen 1 en 2 grotendeels dezelfde zijn. De rechtbank houdt het er in beginsel (behoudens tegenbewijs) voor dat de schade wegens verlies van arbeidsvermogen na ongeval 2 zowel het gevolg kan zijn van ongeval 1 als van ongeval 2; de rechtbank stelt voorts vast dat deze schade in elk geval door tenminste van één van deze ongevallen is veroorzaakt. Aangezien het verlies aan verdienvermogen vanaf de datum van ongeval 2 wordt aangemerkt als mengschade in de zin van artikel 6:99 BW, dient de vraag te worden beantwoord of in dit kader sprake is van schade die nog niet is vergoed door verzekeraar 1. Uit berekeningen van de arbeidsdeskundige volgt dat alle materiële schade die (mede) het gevolg is van ongeval 2, reeds is vergoed verzekeraar 1 Uit dien hoofde heeft benadeelde dan ook geen vordering meer jegens verzekeraar 2. Verzekeraar 2 is wel aansprakelijk voor deel smartengeld.

Hof Amsterdam 20-03-2008 BD4315 twee ongevallen, regres tussen WAM-verzekeraars: ieder evenredig deel (50%/50%) behoudens tegenbewijs, art 6:99 BW

Twee ongevallen, twee maal whiplash. Veroorzaker eerste ongeval, DL, heeft gehele letselschade vergoed en vordert 50% van London (veroorzaker tweede ongeval) voor het deel van de schade dat zowel door het eerste ongeval als door het tweede ongeval veroorzaakt kan zijn (mengschade zie art. 6:99 BW). London stelt dat 10% van de schade het gevolg is van het tweede ongeval. Het hof komt tot het oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het tweede ongeval letselschade heeft veroorzaakt. Het hof oordeelt dat "(.) London en Delta Lloyd op grond van art. 6:99 jo. art. 6 :102 BW hoofdelijk jegens (benadeelde) aansprakelijk waren. Op grond van art. 6:102 jo. 6:101 BW moet de schade in het kader van het door Delta Lloyd op de voet van art. 6:10 BW op London te nemen regres tussen partijen worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat niet de op grond van art. 6:10 BW verhaal zoekende hoofdelijke schuldenaar behoeft te stellen en te bewijzen dat en in welke mate aan de bijdrageplichtige hoofdelijke schuldenaar toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, maar dat de partij die meent dat haar aandeel meer respectievelijk minder bedraagt dan een evenredig deel (in casu 50%) dit zal hebben te stellen en te bewijzen. Ware dit anders, dan zou de betaald hebbende en verhaal zoekende hoofdelijke schuldenaar op dit punt zonder redelijke grond een bewijsrisico moeten dragen"

RECHTBANK DEN BOSCH 16 juni 2004 VR 2005/38 Afweging bij art. 6:99 jo 6:102 BW

3.12. Wanneer vast komt te staan dat de handelingen van twee of meer gedaagden het letsel veroorzaakt kan hebben, zijn deze gedaagden op grond van artikel 6: 99 jo artikel 6:102 lid 1 BW in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de door Van Delft geleden schade. Wanneer zou worden vastgesteld dat bij Van Delft sprake is van eigen schuld, wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid echter beperkt door het bepaalde in artikel 6:102 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling dient eerst te worden vastgesteld wat in een "Gesamtschau" de aandelen van Van Delft en de desbetreffende gedaagden in de schade is. Het aandeel eigen schuld van Van Delft in het totaal bepaalt dan welk aandeel van de schade Van Delft maximaal vergoed krijgt. Vervolgens dient de vergoedingsplicht van iedere gedaagde afzonderlijk te worden vastgesteld. Bij deze "Einzelabwägungen" dient te worden geabstraheerd van de aandelen van de andere gedaagden, maar wordt een afweging gemaakt tussen het aandeel van Van Delft en de desbetreffende gedaagde alsof deze de enige dader is.

HR 20-05-1983 VR 1984, 7 actie regresnemer op hoofdelijk aansprakelijken beperkt door ontbreken regresrecht op één van hen.

V.d. Graaf en v.d. Broek waren militairen.Brok was geen militair.
V.d. Graaf en Brok waren hoofdelijk aansprakelijk voor het letsel van v.d. Broek.
BVO verleende uitkering aan v.d. Broek die letsel opliep en verhaalt op v.d. Graaf en Brok
V.d. Graaf was 20% aansprakelijk voor het ongeval, Brok 80%.
Omdat naar analogie van art. 52b ZW en 91 WAO het collegaverweer opgaat heeft BVO geen actie op Brok voor 100%, maar alleen overeenkomstig zijn schuldaandeel voor 80%.

Hoge Raad 29-12-1995 Franzetti / NS / Suikerunie RvdW 96, 20, Hoofdelijkheid regres mededaders

Franzetti is met een zware vrachtwagen stil gaan staan op een spoor­wegover­gang die zich aandeed als een fabrieksspoor. De NS had onvol­doende gecon­troleerd of de overgang door toename van verkeer niet beter beveiligd moest worden. Het Hof Den Haag oordeelde dat NS 25% bijdrage aan de schade, trein en vrachtwagen toe te rekenen was. De in vrijwaring opgeroepen Suikerunie die de verhoging van de verkeers­in­tensiteit toe te rekenen was ging volgens het Hof vrijuit.

De Raad heeft in zijn eerdere vonnis van 18-12-1987 de zaak doorverwezen naar het Hof Amsterdam om te onderzoeken of de Suikerunie de NS niet had moeten waarschuwen en zelf maatregelen had moeten treffen. Het Hof Amsterdam stelde dat het nalaten de NS te waarschuwen on­rechtmatig was jegens Franzetti, met een zelfde toe te rekenen schuld als de NS van 25%. Het Hof oordeelde dat de nalatig­heid van de Suikerunie identiek was aan die van de NS en dat de daaruit voort­vloeiende bijdra­ge reeds begre­pen was in die van NS zodat er geen vordering meer was.

Als je eerst dacht (Hof Den Haag) dat je twee aansprakelijken had, X en Y, waarbij de verhouding X:Y = 75:25 en er komt dan 1 aansprake­lijke bij, Z, met een schuld­verhouding X:Z = 75:25 dan zou je toch denken dat de onder­linge verhoudin­gen X:Y:Z = 75:25:25 zouden zijn, = 60:20:20.

Er is geëist dat Z, de Suikerunie, nog bij moest dragen aan het uiteinde­lijk ontstane nadeel bij Franzetti c.s., zodat dezen bij toewijzing slechts met 50% van de brok­ken zouden blijven zit­ten. De Raad keurt het tegenge­stelde goed. Omdat de verwij­ten bij NS en Suikerunie identiek zijn, met hetzelfde gevolg, is de bijdrage van de Suikerunie reeds voldaan door die van NS. Het uiteindelijke resultaat is een ver­houding 75:12,5:12,5. De NS heeft geen verhaalsactie ingesteld op de Suikerunie dus het praktische resultaat is 75:25:0. Als de aard van de fout van de Suikerunie anders was dan die van de NS zou een ander resul­taat voor de hand hebben gelegen.

Aansprakelijkheid