stuiting deel geldt voor geheel


HR 19-02-1999 NJ 2000, 328


Stuiting naar oud BW: dagvaarding deel schade ook voor resterende deel schade daad van rechtsvervolging?
Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde - op dezelfde feitelijke en juridische grondslag - een ander deel, dan geldt de eerste dagvaarding ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde als een "daad van rechtsvervolging" die de verjaring stuit.

 

HOGE RAAD
19 februari 1999, nr. 16 742, C97/284
(Mrs. Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman; A-G De Vries Lentsch-Kostense)
RvdW 1999, 39

BW (oud) art. 2016; BW art. 3:310; Ow NBW art. 73, 120

[Essentie] Stuiting naar oud BW: dagvaarding deel schade ook voor resterende deel schade daad van rechtsvervolging?
Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde - op dezelfde feitelijke en juridische grondslag - een ander deel, dan geldt de eerste dagvaarding ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde als een "daad van rechtsvervolging" die de verjaring stuit.
In onderhavige zaak is aan de orde de vraag of naar oud recht de verjaring van een deel (f 80 000) van een vordering (f 175 000) wordt gestuit doordat de schuldeiser zijn schuldenaar voor een ander deel van die vordering (f 95 000) op een zelfde feitelijke en juridische grondslag eerder dagvaardde "onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere".
Het hof is terecht ervan uitgegaan dat de in 1987 geldende verjaringstermijn van dertig jaar ingevolge het bepaalde in art. 73 Ow NBW in verbinding met art. 3:310 lid 1 BW met ingang van 1 januari 1993 in dit geval is verkort tot vijf jaar, zodat de vordering met ingang van die datum is verjaard, tenzij de verjaring voordien is gestuit. Voorts is het hof terecht ervan uitgegaan dat ingevolge het bepaalde in art. 120 Ow NBW de vraag of de verjaring als gevolg van de dagvaarding van 27 juli 1990 is gestuit, moet worden beoordeeld naar oud recht, derhalve in dit geval naar het bepaalde in art. 2016 (oud) BW.
Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, geldt de eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde (vgl. HR 23 mei 1997, NJ 1997, 531).

[Tekst] V. te B., eiser tot cassatie, adv. mr. R.V. Kist,
tegen
H., te H., verweerder in cassatie, niet verschenen.
Hof:
4. De beoordeling
4.1. De grief is gegrond.
a. V. vordert in de onderhavige zaak de veroordeling van H. tot betaling van een schadebedrag van in hoofdsom f 80 000.
b. In verband met de woonplaats van V. overweegt het Hof dat beide partijen er kennelijk vanuit gaan dat de vordering moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Het Hof sluit zich hierbij aan.
c. H. heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat de verjaringstermijn van bedoelde vordering medio juni 1986 is ingegaan. Nadat V. dit bij conclusie van repliek had bestreden, heeft H. zijn stelling bij conclusie van dupliek geadstrueerd aan de hand van een aantal producties, waaronder een proces-verbaal d.d. 1 december 1988 van een door V. ten overstaan van de rechter-commissaris in de Rechtbank te Haarlem afgelegde verklaring. V. heeft toen o.a. verklaard dat hij in de zomer 1986 t/m begin 1987 een aantal gesprekken heeft gevoerd met een zekere B., dat deze hem een en ander had verteld over een zekere H. en over het geld dat deze H. en B. op 11 mei 1986 te Schiphol bij zich hadden en dat B. hem had gezegd dat dit geld van V. was. Aangezien V. vervolgens hierop noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft gereageerd, dient er vanuit te worden gegaan dat de verjaringstermijn in elk geval in begin 1987 een aanvang heeft genomen. Die termijn bedroeg toen 30 jaar.
d. Ingevolge het bepaalde in artikel 73 van de Overgangswet NBW jo. artikel 3:310 lid 1 BW is deze verjaringstermijn met ingang van 1 januari 1993 verkort tot 5 jaar, zodat de vordering van V. toen in beginsel was verjaard.
e. Bedoeld bedrag van f 80 000 maakte deel uit van een bedrag van f 175 000. Bij inleidende dagvaarding d.d. 27 juli 1990 heeft V. een gedeelte van laatstgenoemd bedrag van in hoofdsom f 95 000 van H. opgevorderd en in die dagvaarding omtrent het door hem thans gevorderd restantbedrag ad f 80 000 gesteld: "De door eiser geleden schade is groter dan f 95 000, doch eiser beperkt zijn vordering thans tot dat bedrag onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere."
f. Ingevolge het bepaalde in artikel 120 van de Overgangswet NBW dient de vraag of de verjaring als gevolg van voormelde dagvaarding van 27 juli 1990 met daarin genoemde clausule is gestuit te worden beoordeeld naar oud recht, derhalve in casu naar het bepaalde in art. 2016 BW (oud).
g. Daarvan uitgaande is de verjaring van de vordering niet gestuit. Gelet op bedoelde clausule kan niet worden gezegd dat er sprake is van een aanmaning, dagvaarding of andere daad van rechtsvervolging in de zin van art. 2016 BW (oud). V. heeft toen immers niet méér gedaan dan zijn rechten op het bedrag, waarvan hij thans betaling vordert, voorbehouden.
h. Verder is niet gebleken dat V. terecht heeft aangevoerd dat de door hem in de met bedoelde dagvaarding van 27 juli 1990 ingeleide procedure verrichte processuele handelingen of de in verband met die zaak gevoerde correspondentie wel een stuitingshandeling als bedoeld in art. 2016 BW (oud) oplevert.
Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de in artikel 3:317 BW toegevoegde mogelijkheid om de verjaring te stuiten door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt in deze zaak niet van toepassing is.
4.2. V. heeft nog aangevoerd dat de ratio van de verjaring o.m. is om te voorkomen dat de schuldenaar na lange tijd aangesproken kan worden voor een schuld, waarvan hij misschien niet eens meer afweet, terwijl dit in het onderhavige geval geenszins het geval is. Dit verweer kan V. niet baten, omdat de tekst van art. 2016 BW (oud) en het belang van de rechtszekerheid geen ruimte laten om een uitzondering te maken voor het geval de schuldenaar van de vordering afwist.
4.3. Ook het door V. gevoerd verweer dat het beroep van H. op verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wordt gepasseerd, omdat V. deze stelling onvoldoende met feiten heeft onderbouwd om dit verweer te kunnen schragen.
4.4. Nu aangenomen moet worden dat de onderhavige vordering is verjaard, behoort het beroepen vonnis te worden vernietigd. V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden verwezen.
(enz.)
Cassatiemiddel:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming met nietigheid wordt bedreigd, doordat het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in het bestreden arrest van 26 mei 1997 waarvan de inhoud als hier ingelast beschouwd moet worden, heeft overwogen en geoordeeld als daarin is weergegeven, zulks ten onrechte om de volgende voorzover nodig ook in onderling verband te beschouwen redenen:
I Inleiding
Bij dagvaarding van 27 juli 1990 heeft V. H. op grond van onrechtmatige daad aangesproken tot betaling van een bedrag van f 95 000. H. had een bedrag van f 175 000, dat deel uitmaakte van losgeld dat aan ontvoerders van de echtgenote van V. was betaald, in zijn bezit. Die vordering is bij vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 1993 toegewezen. Dat vonnis heeft gezag van gewijsde.
In die dagvaarding had V. gesteld:
de door hem geleden schade is groter dan f 95 000 doch hij beperkt zijn vordering thans tot dat bedrag onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere.
Er was toen slechts verhaal op H. voor het bedrag van f 95 000.
Bij dagvaarding van 17 mei 1994 heeft V. het meerdere, een bedrag van f 80 000, in rechte opgevorderd. Er was een nieuwe verhaalsmogelijkheid op H.
De Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het beroep op verjaring van H. verworpen en de vordering toegewezen. In de eerdere procedure was de rechtsbetrekking in geschil het gehele bedrag van f 175 000 dat H. in 1986 onder zich had.
In hoger beroep heeft het Hof het beroep op verjaring gegrond geoordeeld en het vonnis vernietigd.
II Klacht
Ten onrechte oordeelde het Hof, dat de rechtsvordering van V. tegen H. niet is gestuit door de dagvaarding van 27 juli 1990 met daarin gemaakt voorbehoud van zijn rechten op het meerdere.
In die dagvaarding werd de rechtsvordering op grond van onrechtmatige daad, de rechtsbetrekking in geschil, ingesteld. Die dagvaarding had de verjaring stuitende werking wat die rechtsvordering op grond van onrechtmatige daad tegen H. betreft. Daaraan doet niet af, dat V. slechts betaling van een gedeelte van de schade vorderde en zich zijn rechten op het meerdere voorbehield. Mitsdien ontstond op 27 juli 1990 een nieuwe verjaringstermijn met betrekking tot dat meerdere en was de vordering tegen H. niet verjaard toen deze bij dagvaarding van 17 mei 1994 werd ingesteld.
Het Hof miskent, dat de dagvaarding van 27 juli 1990 wel stuitende werking heeft ten aanzien van de rechtsvordering van V. tegen H. op grond van onrechtmatige daad.
Althans is het oordeel van het Hof, dat de dagvaarding van 27 juli 1990 geen stuitende werking heeft ten aanzien van de rechtsvordering terzake van het meerdere niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed, aangezien V. in die dagvaarding de rechtsvordering had ingesteld, waaraan het voorbehoud van rechten op het meerdere niet afdoet.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: V. - heeft bij exploit van 17 mei 1994 verweerder in cassatie verder te noemen: H. - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd H. te veroordelen om aan V. te betalen een bedrag van f 80 000, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding.
H. heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 13 oktober 1995 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft H. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 26 mei 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering afgewezen.
(...)
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 11 mei 1986 is H. met zijn auto op de luchthaven Schiphol aangekomen met een geldbedrag van f 175 000 in contanten. H. heeft toen daarvan f 95 000 aan een derde ter hand gesteld.
(ii) Kort daarna is H. door de politie aangehouden. De politie heeft f 80 000 in zijn auto aangetroffen en voormelde f 95 000 onder de derde.
(iii) In het kader van een gerechtelijk vooronderzoek heeft de rechter-commissaris te Haarlem het bedrag van f 95 000 in beslag genomen.
(iv) Het bedrag van f 80 000, dat deel uitmaakte van het genoemde bedrag van f 175 000, is aan de belastingdienst afgestaan vanwege een aan H. opgelegde belastingaanslag. Deze aanslag is later vernietigd, waarna de belastingdienst het bedrag van f 80 000 aan H. heeft uitbetaald.
(v) In juli 1990 heeft V. conservator beslag onder de Staat gelegd op het bedrag van f 95 000. Bij dagvaarding van 27 juli 1990 heeft V. f 95 000 schadevergoeding van H. gevorderd en vanwaardeverklaring van het beslag. Deze vordering was gebaseerd op de stelling dat H. jegens V. onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij een bedrag van f 175 000 onder zich had, dat, naar hij wist althans behoorde te weten, afkomstig was uit het losgeld dat was betaald voor de vrijlating van de in 1982 ontvoerde echtgenote van V., en heeft nagelaten V. of justitie daarvan op de hoogte te stellen.
V. heeft toen, ervan uitgaande dat H. slechts verhaal bood tot het door de rechter-commissaris in beslag genomen bedrag, zijn bij die dagvaarding ingestelde vordering met de volgende woorden beperkt:

"De door eiser geleden schade is groter dan f 95 000, doch eiser beperkt zijn vordering thans tot dat bedrag onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere."

(vi) Bij vonnis van 28 mei 1993 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch de vordering op grond van onrechtmatige daad toegewezen na te hebben vastgesteld dat het geld dat H. op Schiphol op 11 mei 1986 bij zich had, uit het losgeld van V. afkomstig was, en dat H. dit wist of kon weten. Het vonnis heeft kracht van gewijsde verkregen.
(vii) Na dat vonnis is aan V. gebleken dat de belastingdienst het onder (iv) bedoelde bedrag van f 80 000 aan H. heeft uitbetaald, waaruit V. heeft afgeleid dat H. inmiddels verhaal voor f 80 000 bood. V. heeft daarom in dit geding bij exploit van 17 mei 1994 H. opnieuw gedagvaard en het bedrag van f 80 000 gevorderd. Daartoe heeft V. dezelfde gronden aangevoerd als in de onder (v) en (vi) vermelde procedure.
(viii) H. heeft zich beroepen op verjaring van de vordering van f 80 000.
(ix) De verjaringstermijn heeft begin 1987 een aanvang genomen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de verjaring is gestuit door het bij dagvaarding van 27 juli 1990 instellen van de vordering van f 95 000 met voorbehoud van rechten op het meerdere.
3.2 De Rechtbank heeft omtrent het beroep op verjaring geoordeeld dat V. bij de dagvaarding van 27 juli 1990 aan H. heeft kenbaar gemaakt dat deze gehouden was tot betaling van het gehele bedrag van f 175 000, dus ook van genoemde f 80 000, ten aanzien van welk bedrag V. zijn rechten uitdrukkelijk heeft gereserveerd, hetgeen moet worden aangemerkt als een aanmaning c.q. een dagvaarding in de zin van art. 2016 (oud) BW, zodat de verjaring tijdig is gestuit.
3.3 Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat de in 1987 geldende verjaringstermijn van dertig jaar ingevolge het bepaalde in art. 73 Ow NBW in verbinding met art. 3:310 lid 1 BW met ingang van 1 januari 1993 in dit geval is verkort tot vijf jaar, zodat de vordering met ingang van die datum is verjaard, tenzij de verjaring voordien is gestuit. Voorts is het Hof terecht ervan uitgegaan dat ingevolge het bepaalde in art. 120 Ow NBW de vraag of de verjaring als gevolg van de dagvaarding van 27 juli 1990 is gestuit, moet worden beoordeeld naar oud recht, derhalve in dit geval naar het bepaalde in art. 2016 (oud) BW.
3.4 Met gegrondbevinding van de enige appelgrief heeft het Hof geoordeeld dat de verjaring van de vordering niet is gestuit door de dagvaarding van 27 juli 1990, daar, gelet op het daarin gemaakte voorbehoud van rechten op het meerdere, niet kan worden gezegd dat er sprake is van een aanmaning, dagvaarding of andere daad van rechtsvervolging in de zin van art. 2016 (oud) BW.
3.5 De in het middel tegen dit oordeel aangevoerde rechtsklacht is gegrond. Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, geldt de eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde (vgl. HR 23 mei 1997, nr. 16266, NJ 1997, 531).
De in het onderhavige geding door V. tegen H. ingestelde vordering tot schadevergoeding berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de door hem bij de dagvaarding van 27 juli 1990 tegen dezelfde gedaagde ingestelde vordering. Door die dagvaarding werd de verjaring gestuit, ook met betrekking tot het in dit geding gevorderde deel van de schadevergoeding, voor welk deel een nieuwe verjaringstermijn is begonnen te lopen vanaf de aanvang van 28 juli 1990. De dit geding inleidende dagvaarding van 17 mei 1994 is binnen deze termijn uitgebracht. Het Hof heeft dus ten onrechte aangenomen dat de onderhavige vordering is verjaard.
3.6 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De enige appelgrief faalt. Het vonnis van de Rechtbank dient met verbetering van de in rov. 4.1 gegeven gronden te worden bekrachtigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 mei 1997;
bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 1995;
veroordeelt H. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van V. begroot op f 1590 aan verschotten en f 2500 voor salaris;
veroordeelt H. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van V. begroot op f 2154,85 aan verschotten en f 3500 voor salaris.

[Mening] Conclusie A-G mr De Vries Lentsch-Kostense:
Inleiding
1. In deze zaak gaat het om de vraag of de verjaring van de onderhavige vordering tijdig is gestuit op de voet van art. 2016 BW (oud). Daarbij gaat het met name erom of een dagvaarding in een eerder geding waarin een deel van de totaal geleden schade werd gevorderd, kan gelden als "daad van rechtsvervolging" ten aanzien van de thans ingestelde vordering voor de resterende schade indien in die eerdere dagvaarding is gesteld dat eiser zijn vordering beperkt onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere. Het Hof heeft deze vraag - in tegenstelling tot de Rechtbank - ontkennend beantwoord. Mijns inziens terecht. Voordat ik hierop inga geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding.
2. In het onderhavige geding vordert thans eiser tot cassatie, V., veroordeling van thans verweerder in cassatie, H. tot betaling van een schadevergoeding van in hoofdsom f 80 000. Dit bedrag maakt deel uit van een totale schadevordering van f 175 000, een vordering die is gebaseerd op de stelling dat H. jegens V. onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij een bedrag van f 175 000 onder zich had dat, naar hij wist of kon weten, afkomstig was uit het losgeld dat was betaald voor de vrijlating van de ontvoerde echtgenote van V. De dit geding inleidende dagvaarding ter zake van de vordering van f 80 000 dateert van 17 mei 1994.
Bij inleidende dagvaarding van 27 juli 1990 vorderde V. van H. reeds f 95 000. In die dagvaarding is omtrent het thans gevorderde restant van f 80 000 gesteld:

"De door eiser geleden schade is groter dan f 95 000, doch eiser beperkt zijn vordering thans tot dat bedrag onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere."

In het onderhavige geding beroept H. zich op verjaring van de vordering van f 80 000. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de vordering moet worden beoordeeld naar Nederlands recht en dat de verjaring in elk geval begin 1987 een aanvang heeft genomen. Rechtbank en Hof zijn - terecht - ervan uitgegaan dat deze verjaringstermijn ingevolge het bepaalde in art. 73 Overgangswet NBW juncto art. 3:310 lid 1 BW met ingang van 1 januari 1993 is verkort tot 5 jaar zodat de vordering van V. met ingang van dat tijdstip - en derhalve vóór de aanvang van dit geding - is verjaard tenzij zij rechtsgeldig is gestuit. Dit uitgangspunt is niet betwist. V. heeft betoogd dat de vordering is gestuit als gevolg van eerder genoemde dagvaarding van 27 juli 1990 met daarin de clausule dat hij zijn bij die dagvaarding ingestelde vordering beperkt onder voorbehoud van zijn rechten op het meerdere. Rechtbank en Hof zijn - wederom met juistheid - ervan uitgegaan dat de vraag of de verjaring als gevolg van voormelde dagvaarding van 27 juli 1990 is gestuit moet worden beoordeeld naar oud recht derhalve in casu naar het bepaalde in art. 2016 BW (oud). Ook dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de in de dagvaarding van 27 juli 1990 opgenomen clausule inhoudende de uitdrukkelijke reservering van rechten ten aanzien van het thans gevorderde bedrag van f 80 000 moet worden aangemerkt als een aanmaning c.q. een dagvaarding in de zin van art. 2016 BW (oud) zodat de verjaring tijdig is gestuit. Zij verwierp H. subsidiaire verweren en wees de vordering toe.
4. Het Hof is daarentegen tot de slotsom gekomen dat van een stuiting als bedoeld in art. 2016 BW (oud) geen sprake is geweest. Dit college overwoog daartoe het volgende:

"Gelet op bedoelde clausule kan niet worden gezegd dat er sprake is van een aanmaning, dagvaarding of andere daad van rechtsvervolging in de zin van art. 2016 BW (oud). V. heeft toen immers niet méér gedaan dan zijn rechten op het bedrag, waarvan hij thans betaling vordert, voorbehouden.

Verder is niet gebleken dat V. terecht heeft aangevoerd dat de door hem in de met bedoelde dagvaarding van 27 juli 1990 ingeleide procedure verrichte processuele handelingen of de in verband met die zaak gevoerde correspondentie wel een stuitingshandeling als bedoeld in art. 2016 BW (oud) oplevert. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de in artikel 3:317 BW toegevoegde mogelijkheid om de verjaring te stuiten door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt in deze zaak niet van toepassing is."

5. V. heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. H. is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend.
Het cassatiemiddel
6. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de op onrechtmatige daad gebaseerde rechtsvordering van V. niet reeds is gestuit door zijn dagvaarding van 27 juli 1990 met het daarin gemaakte voorbehoud van zijn rechten op het meerdere. Betoogd wordt dat in die dagvaarding immers reeds de rechtsvordering gegrond op de onrechtmatige daad werd ingesteld en dat die dagvaarding dan ook stuitende werking had met betrekking tot deze rechtsvordering; gesteld wordt dat daaraan niet afdoet dat V. bij die dagvaarding slechts een gedeelte van de schade vorderde en zich zijn rechten op het meerdere voorbehield. In de schriftelijke toelichting wordt in dit verband verwezen naar de jurisprudentie van Uw Raad inzake stuiting en eisvermeerdering. Met name wordt genoemd Uw arrest van 23 mei 1997, NJ 1997, 531, waarin Uw Raad - onder verwijzing naar de arresten van 12 november 1965, NJ 1966, 58 en van 20 maart 1992, NJ 1992, 495, m.nt. PAS - het volgende overwoog:

"In geval een eiser in de loop van het geding zijn eis vermeerdert en de verweerder zich tegen de aldus bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering beroept op verjaring, hangt het tijdstip waarnaar moet worden beoordeeld of dit verweer doel treft, daarvan af of de aldus ingestelde vordering al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe rechtsvordering; in het eerste geval is voor de vraag of zij tijdig is ingesteld, het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend, in het tweede geval dat van de rechtsingang. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de bij wege van eisvermeerdering ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid."

7. Volgens het in casu toepasselijke art. 2016 BW (oud) wordt de verjaring gestuit door "aanmaning, dagvaarding en elke daad van regtsvervolging, alle in den vereischten vorm beteekend door eenen daartoe bevoegden ambtenaar". Zie over stuiting naar oud recht Asser-Hartkamp I, 1988, nr. 679 e.v. Zie voorts over stuiting Asser-Hartkamp I, 1996, nr. 679 e.v. en Koopmann, Bevrijdende verjaring, 1993, nr. 21 e.v. Met het Hof ben ik van oordeel dat het voorbehoud dat V. maakte in zijn dagvaarding van 27 juli 1990 niet kan worden gekwalificeerd als een daad van rechtsvervolging. Juist omdat V. in de eerdere procedure zijn vordering (met voorbehoud van rechten) in de dagvaarding beperkte en ook in de loop van dat geding bleef beperken tot een bedrag van f 95 000, moet worden geconcludeerd dat destijds met betrekking tot het resterende bedrag van f 80 000 geen daad van rechtsvervolging is verricht. Anders dan de steller van het middel meen ik dat daaraan niet afdoet dat een inleidende dagvaarding - als daad van rechtsvervolging - wèl de verjaring stuit van een in hetzelfde geding bij wijze van eisvermeerdering ingestelde vordering voor zover die vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarvoor het geding was ingesteld, zodat zij in zoverre in datzelfde geding niet als nieuwe vordering moet worden beschouwd. Wordt, zoals in casu, in een nieuw geding een vordering ingesteld die is gebaseerd op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als een reeds in een ander geding ingestelde vordering, dan is in zoverre wel degelijk sprake van een "nieuwe" vordering waarvan de verjaring niet kan zijn gestuit door de dagvaarding (met voorbehoud van rechten) in dat andere geding. Vordert men in rechte slechts een deel van de totale vordering (met voorbehoud van rechten) dan wordt met andere woorden door die daad van rechtsvervolging de verjaring ook slechts voor dat deel gestuit, zoals ook bij erkenning van een deel van de totale vordering de verjaring slechts voor dat deel wordt gestuit. (Zie over stuiting en gedeeltelijke erkenning Koopmann, a.w. p. 78 en 79).
8. Uit het voorgaande volgt dat ik van oordeel ben dat de rechtsklacht moet falen. De in het middel tegen 's Hofs rechtsoordeel vervatte motiveringsklacht faalt omdat niet met motiveringsklachten tegen een rechtsoordeel kan worden opgekomen.
Conclusie
Het middel ongegrond bevindend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

 

This message is intended only for the person or entity to which it is addressed and may contain confidential and/or privileged information, the disclosure of which is prohibited. If you are not the intended recipient you may not read, use, disseminate or copy the information transmitted. If you have received this message in error, please contact the sender and delete the material from any computer. AXA Verzekeringen is a trade name of AXA Leven N.V., Commercial Register Utrecht no. 30132524, AXA Schade N.V., Commercial Register Utrecht no. 30136006, AXA Verzekeringen B.V., Commercial Register Utrecht no. 30132526, Stichting AXA Beleggingsrekening, Commercial Register Utrecht no. 41155868. AXA and its subsidiaries deny any responsibility for damages in connection with or resulting from the use of e-mail.

Dit bericht is uitsluitend bestemd voor de (rechts)persoon aan welke het is gericht. Het kan vertrouwelijke of alleen voor deze bestemde informatie bevatten, die niet mag worden geopenbaard. Als dit bericht niet voor u bestemd is, mag u de ontvangen informatie niet lezen, gebruiken, verspreiden of kopieren. Als u dit bericht abusievelijk hebt ontvangen, gelieve u het te deleten en contact op te nemen met de afzender. AXA Verzekeringen is een handelsnaam van AXA Leven N.V., Handelsregister Utrecht no. 30132524, AXA Schade N.V., Handelsregister Utrecht no. 30136006, AXA Verzekeringen B.V., Handelsregister Utrecht no. 30132526, Stichting AXA Beleggingsrekening, Handelsregister Utrecht no. 41155868. AXA en zijn dochterbedrijven aanvaarden geen aansprakelijkheid voor schade verband houdend met of voortvloeiend uit e-mailgebruik.

 

No virus found in this incoming message.
Checked by AVG Free Edition.
Version: 7.5.516 / Virus Database: 269.20.8/1287 - Release Date: 19-2-2008 10:55