Stuiting kan bij vertegenwoordiger gebeuren.


HR 1-12-2000 NJ 2001, 45


NJ 2001/45

HOGE RAAD

1 december 2000, nr. C99/006HR

(Mrs. F.H.J. Mijnssen, W.H. Heemskerk, A.E. M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop; A-G De Vries Lentsch-Kostense)

RvdW 2000, 242

JOL 2000, 604

 

BW art. 3:317, 7:422; Rv (oud) art. 177

 

[Essentie] Lastgeving; einde bij faillissement lastgever. Stelplicht en bewijslast; gemotiveerde betwisting en verschaffen gegevens "eigen domein". Stuiting verjaring; mededeling aan (bevoegde vertegenwoordiger van) schuldenaar zelf. Gezien het uitvoerig geadstrueerde betoog van de schuldenaar dat de schuldeiserllastgever "ter incasso" niet heeft bestaan, lag het op de weg van de lasthebber "ter incasso" in het kader van haar motivering van de betwisting van de stellingen van de schuldenaar de omstandigheden aan te geven die meer in haar sfeer dan in die van de schuldenaar lagen - dat wil in dit geval zeggen nadere gegevens te verstrekken en de nodige bescheiden in het geding te brengen, waaruit kon blijken van het bestaan van de schuldeiser - en kon de lasthebber niet volstaan met een blote ontkenning van die stelling. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft 's Hofs oordeel dat op de schuldenaar de stelplicht en bewijslast rustte betreffende een mogelijk faillissement van de schuldeiser/lastgever en dat de schuldenaar onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat de schuldeiser in staat van faillissement is verklaard en dat de last als gevolg hiervan zou zijn vervallen. Hof heeft niet miskend dat stuiting van de verjaring moet geschieden door een schriftelijke mededeling aan (een bevoegde vertegenwoordiger van) de schuldenaar zelf.

Wegens het niet-tijdig nakomen van een leveringsverplichting en het niet-voldoen aan de overeengekomen kwaliteitseisen, heeft Intrepid een vordering tot schadevergoeding gekregen op een "dochter" van TTS, Kenmark. TTS had zich jegens Intrepid garant gesteld en hoofdelijk verbonden voor de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van Kenmark. Heerema Engineering trad op als bevoegd vertegenwoordiger van Intrepid. Intrepid heeft voornoemde vordering ter beoordeling voorgelegd aan het Internationale Hof van Arbitrage van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) te Parijs. Intrepid heeft het aan het Hof van Arbitrage verschuldigde voorschot voldaan. Kenmark heeft aan het Hof van Arbitrage laten weten dat zij niet in staat was het voorschot te voldoen. Ook TTS, daartoe uitgenodigd, heeft betaling van het voorschot geweigerd. Daarop heeft het Hof de arbitrage als ingetrokken beschouwd. Intrepid heeft vervolgens aan Sigillo een last gegeven om de vordering van Intrepid op TTS (en op Kenmark) in eigen naam in rechte aanhangig te maken en het geïncasseerde aan Intrepid af te dragen. In cassatie gaat het om drie door TTS opgeworpen weren, die alle verband houden met het afgeleide karakter van de vordering van Sigillo en die alle drie door de Rechtbank zijn verworpen. In hoger beroep heeft het Hof het (tussen)vonnis bekrachtigd, oordelende dat de op deze verwerping betrekking hebbende grieven falen.

Gezien het uitvoerig geadstrueerde betoog van TTS dat Intrepid niet heeft bestaan, lag het op de weg van Sigillo in het kader van de motivering van haar betwisting van de stellingen van TTS de omstandigheden aan te geven die meer in haar sfeer dan in die van TTS liggen - dat wil in dit geval zeggen nadere gegevens te verstrekken en de nodige bescheiden in het geding te brengen, waaruit kon blijken van het bestaan van Intrepid - en kon Sigillo niet volstaan met een blote ontkenning van deze stelling; uit de stukken van het geding blijkt niet dat Sigillo bedoelde gegevens en bescheiden in het geding heeft gebracht. Uit het voorgaande vloeit ook voort dat het oordeel van het Hof dat "duidelijk is" dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij de litigieuze overeenkomst in wezen de Heerema-groep was, onbegrijpelijk is, nu zonder nadere motivering niet duidelijk is waarop het Hof zijn oordeel baseert dat Intrepid als rechtspersoon heeft bestaan.

Nu niet is gebleken van faillietverklaring of liquidatie van Intrepid en TTS hieromtrent ook geen verdere gegevens heeft verstrekt, bestaat geen grond ervoor aan te nemen dat de door Intrepid verstrekte last ingevolge het bepaalde bij art. 7:422 lid 1, aanhef en onder b, BW is vervallen. In 's Hofs oordeel dat TTS geen concrete aanwijzingen heeft gegeven betreffende een mogelijk faillissement van Intrepid ligt besloten dat op TTS te dier zake de stelplicht en de bewijslast rusten en dat TTS onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat Intrepid in staat van faillissement is verklaard en dat de last als gevolg hiervan zou zijn vervallen. Dit oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk en kan voor het overige, als van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

De klacht dat's Hofs oordeel dat de ingevolge art. 3:317 lid 1 BW voor stuiting van de verjaring vereiste mededeling - ook - aan Kenmark is gedaan, onjuist althans onbegrijpelijk is, faalt. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de telefax van 10 januari 1992 aan TTS diezelfde dag in kopie aan Kenmark is gezonden en door deze is ontvangen. In het licht hiervan heeft het Hof niet van een onjuiste opvatting omtrent genoemde bepaling blijk gegeven.

In het licht van het voorgaande geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het Hof, dat de tussen Kenmark en Intrepid overeengekomen arbitrale procedure als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark, noch TTS voor haar, het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald.

 

[Tekst] De vennootschap naar het recht van Noorwegen, TTS Automation NS, voorheen genaamd: TTS Total Transportation Systems (International) NS, te Oslo, Noorwegen, eiseres tot cassatie, adv. mr. R.S. Meijer,

tegen

Stichting Administratiekantoor Sigillo, te Rotterdam, verweerster in cassatie, niet verschenen.

Hof:

2.1 Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 1983, NJ1984, 254 overweegt het hof dat een schuldeiser (zoals te dezen Intrepid) al dan niet met gebruik van de term cessie ter incasso aan een derde (te dezen Sigillo) de last kan geven de vordering op eigen naam te innen. Niettegenstaande de ook door de rechtbank gesignaleerde discrepantie in de terminologie van de overeenkomst tussen Intrepid en Sigillo, is het hof van oordeel dat de algemene strekking van die overeenkomst is om Sigillo op te dragen de vordering op Kenmark en TTS in rechte aanhangig te maken en het geïncasseerde aan Intrepid af te dragen. Zulk een opdracht is rechtsgeldig en van een nietige overdracht van de vordering is geen sprake. Grief 1 faalt derhalve.

2.2 Uitgaande van het hierboven naar aanleiding van grief 1 overwogene, staat vervolgens ter beoordeling de door grief II aan de orde gestelde vraag of Intrepid inmiddels heeft opgehouden te bestaan en of een in voormelde overeenkomst besloten liggende lastgeving dientengevolge geëindigd is.

Aan TTS wordt toegegeven dat van de zijde van Sigillo buitengewoon weinig is aangedragen om de stelling van TTS, dat Intrepid niet meer zou bestaan te ontzenuwen. Dit kan evenwel, zoals hieronder nader zal worden overwogen, niet leiden tot de slotsom dat dientengevolge de in de overeenkomst Intrepid/Sigillo besloten liggende lastgeving is geëindigd en de vordering van Sigillo moet worden afgewezen.

2.3 Wat ook de huidige situatie met betrekking tot het (voort)bestaan van Intrepid moge zijn, duidelijk is dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij deze overeenkomst betreffende de constructie van een Skid Unit System voor de aan Heerema toebehorende "launch barge H 851" in wezen de Heerema-groep was.

Het hof neemt bij dit oordeel onder meer de volgende omstandigheden in aanmerking:

2.4 Onder die omstandigheden is naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar de opvatting dat op grond van het vermoeden dat Intrepid niet meer zou bestaan de lastgeving besloten in de overeenkomst Intrepid/Sigillo die tot strekking heeft verhaal van onder voormelde overeenkomst tussen Intrepid (doch in wezen Heerema) en Kenmark mogelijk geleden schade, beëindigd zou zijn ingevolge art. 7:422 lid 1 BW: van enige concrete gegevens omtrent mogelijke liquidatie of faillissement van Intrepid is niet gebleken, noch ook heeft TTS positieve aanwijzingen in die richting gegeven. De door Dunn & Bradstreet International geleverde informatie aangaande de onvindbaarheid van Intrepid draagt op dit punt onvoldoende bij.

3. Met grief III bestrijdt TTS de overweging van de rechtbank dat TTS zich door middel van de "parent company guarantee" hoofdelijk jegens Intrepid verbond. Naar het oordeel van het hof bestaat op dit punt geen reden voor twijfel: in art. C van deze garantie verbindt TTS zich als "guarantor" dat:

rights and obligations of the Contract ............ and (onderstreping - hof)

De strekking van deze clausule is dat TTS zich hoofdelijk met Kenmark verbindt onder a) om op haar (TTS') kosten maatregelen te nemen die tot doel hebben een juiste uitvoering


van de overeenkomst te verzekeren en onder b) om te vergoeden alle verliezen, schades en kosten ontstaan "by reason of such breach" (onderstreping - hof). Deze in b) genoemde "breach" kan door gebruik van het woordje "such" alleen betrekking hebben op de onder a) omschreven situatie. Zowel door het woordje "and" aan het einde van a) als door de vermelding van "such breach" in b) wordt er een verbinding gelegd tussen de twee alineas van clausule C en moet logischerwijs worden aangenomen dat de verplichting van de guarantor in beide alineas een hoofdelijke is. Ook grief III mist derhalve doel.

Aangezien grief III, zoals hierboven overwogen, faalt, behoeft grief VII geen bespreking meer. Hetzelfde geldt ten aanzien van grief VIII, die zelfstandige betekenis mist.

(enz.).

Cassatiemiddel:

het Hof heeft in zijn voormelde arrest, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast is te beschouwen, het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de riet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, als in zijn arrest is weergegeven, zulks om de navolgende, mede in hun onderlinge samenhang te lezen redenen:

1. In r.00. 2.2 t/m 2.4 verwerpt het Hof grief II van TTS, zulks ten onrechte althans zonder toereikende motivering.

A. Inleiding

1. De kern van deze grief van TTS (zie MvG p. 7 t/m 9 en appèlpleitnota p. 3 t/m 6) was haar betwisting van het geldig (voort)bestaan van de door Sigillo als grondslag (zie Inl. dagv. § 1 en 15; CvR § 2.6; MvA p. 4/5) voor haar litigieuze vordering gestelde, van Intrepid Shipping Company Ltd. verkregen incassolast/-bevoegdheid (prod. 1 bij Inc. Concl. d.d. 25.06.93). Meer in het bijzonder betwistte TTS in dit kader dat Intrepid ooit als (zelfstandige) rechtspersoon zou hebben bestaan dan wel als zodanig nog zou


voortbestaan. In het eerste geval is Sigillo's incassolast/-bevoegdheid ab initio ongeldig; in het tweede geval is de geldigheid ervan op grond van art. 7:422 BW vervallen (vgl. Rechtbank r.o. 4.3).

2. Deze betwisting door TTS was gebaseerd op:

3. Ondanks deze aldus onderbouwde betwisting en uitnodiging zijdens TTS, heeft Sigillo ook in appèl geen enkel stuk in het geding gebracht, waaruit het ooit hebben bestaan c.q. nog voortbestaan van Intrepid als rechtspersoon kan worden afgeleid.

Wèl heeft Sigillo terzake getuigenbewijs aangeboden (pleitnota 1, p. 10; de

genoegzaamheid daarvan is door TTS betwist bij MvG p. 9 en appèlpleitnota p. 6), alsook (voor het eerst) bij appèlpleidooi aangeboden bepaalde stukken (o.a. oprichtingsakte en statuten) over te leggen (pleitnota II, § 2.4), maar het één noch het ander is geschied en het Hof heeft daarop zijn hier bestreden beslissing ook niet gebaseerd.

4. Tenslotte heeft Sigillo, echter pas voor het eerst bij appèlpleidooi, gesteld dat "als lntrepid al niet (meer) zou hebben bestaan, dan Heerema Holding Company handelende onder de naam lntrepid", de contractspartij van Kenmark, de begunstigde onder de "Guarantee" van TTS, en de lastgever van Sigillo zou zijn.

In r.o. 2.2. overweegt het Hof (onderstreping dezerzijds):

"Aan TTS wordt toegegeven dat van de zijde van Sigillo buitengewoon weinig is aangedragen om de stelling van TTS, dat lntrepid niet meer zou bestaan te ontzenuwen." In r.o. 2.3. overweegt het Hof (onderstreping dezerzijds):

"Wat ook de huidige situatie met betrekking tot het (voort)bestaan van lntrepid moge zijn, duidelijk is dat lntrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij deze [constructie-] overeenkomst in wezen de Heerema-groep was."

In r o. 2.4 overweegt het Hof (onderstreping dezerzijds):

"Onder die omstandigheden is ... onaanvaardbaar de opvatting dat op grond van het vermoeden dat lntrepid niet meer zou bestaan, de lastgeving [van lntrepid aan Sigillo tot] verhaal van [door] Intrepid (doch in wezen Heerema) ... geleden schade, beeindigd zou zijn ingevolge art. 7:422 lid 1 BW."

Daaraan voegt het Hof in r.o. 2.4 nog tot dat - kort gezegd - TTS geen "concrete gegevens of positieve aanwijzingen omtrent mogelijke liquidatie of faillissement van lntrepid" heeft aangevoerd.


1°) dat de vordering van Sigillo van meet af aan was gegrond op door c.q. namens Intrepid zelf als (zelfstandige) rechtspersoon gesloten overeenkomsten met Kenmark (voor de constructie), met TTS (voor de "Guarantee") en met Sigillo (voor de "cessie ter incasso"/last), en/of

2°) dat het vermogens- en vennootschapsrechtelijke systeem zich ertegen verzet om (althans zonder bijzondere omstandigheden, waarop in casu door Sigillo geen beroep is gedaan c.q. waarvan uit 's Hofs arrest niet als beslissingsgrond blijkt) de aanspraken van een (zelfstandige) rechtspersoon tegen haar contractuele wederpartij (zonder diens medewerking en zonder dat dit volgt uit een fusie, liquidatie, cessie o.i.d.) over te laten gaan op een andere (rechts)persoon en a fortiori op een diffuse "groep" van rechtspersonen waarvan zij deel zou uitmaken c.q. hebben uitgemaakt, en/of 3°) dat uitgaande van de (overigens bestreden) visie van het Hof "(de) Heerema (groep)" zo al niet een specifiek gelegitimeerde vennootschap daarvan deze vordering had kunnen en moeten instellen dan wel Sigillo daartoe had kunnen en moeten machtigen. Bovendien spoort die visie van het Hof niet met het door Sigillo terzake gevoerde betoog, althans had Sigillo's stelling bedoeld in A sub 4 hierboven, voor zover al hiermee overeenstemmend (hetgeen TTS primair betwist), als een qua inhoud en vorm tardieve en ongeoorloofde wijziging van de grondslag van Sigillo's eis buiten beschouwing moeten worden gelaten (temeer nu TTS daarmee geenszins heeft ingestemd).

Gelet op de - althans in de visie van Sigillo en het Hof door (de) Heerema (groep) geaccordeerde - tenaamstelling op " Intrepid Shipping Company Ltd. " van de overeenkomst met Kenmark, de arbitrage-aanvrage c.a. en de lastgeving aan Sigillo, alsook - zij het indirect, nI. door het gebruik van de term "Company" (vgl. CvA prod. 3 en CvR § 3.4) - van de "Guarantee" van TTS, is - althans zonder nadere motivering - niet voldoende begrijpelijk, waarom het rechtens " onaanvaardbaar" zou zijn, dat het niet meer bestaan van Intrepid haar lastgeving aan Sigillo zou doen eindigen. Zulks behoort dan rechtens immers in de regel voor risico van (de) Heerema (groep) zelf te komen, nu deze zelf het intreden van dit risico heeft geschapen en had kunnen vermijden.

Bovendien laat dit alles onverlet dat de "cessie ter incasso"/lastgeving aan Sigillo ook weer expliciet en uitsluitend ten name van Intrepid zelf is gesteld.

6. De slotzin van r.o. 2.4 (achter de dubbele punt) is - althans zonder nadere motivering - niet voldoende begrijpelijk c.q. draagkrachtig.

Immers, (veronderstellenderwijs) uitgaande van het niet meer bestaan van Intrepid - en a fortiori, indien Intrepid nimmer als zelfstandig rechtspersoon zou hebben bestaan - kan het voor de verwerping van grief II van TTS niet (althans niet zonder meer) beslissend zijn, dat TTS een tussentijdse liquidatie of faillissement van Intrepid niet voldoende concreet/positief heeft aangetoond.

11 In r.o. 4 verwerpt het Hof grief IV van TTS tegen r.o. 4.10 van de Rechtbank, zulks ten onrechte althans zonder toereikende motivering.

Het Hof volgt hier het oordeel van de Rechtbank, dat de fax-brief van Sigillo's raadsman aan TTS van 10 januari 1992 (prod. 1 bij Sigillo's Akte d.d. 03.04.96) de (volgens Rechtbank r.o. 4.8 anders per 22 januari 1993 voltooide) verjaring van Intrepids beweerde vordering op Kenmark tijdig heeft gestuit, omdat 1°) de passage op p. 5 van die brief aan TTS ("...Intrepid reserves its right to present its full claims to arbitrators ...") geldt als een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW, en 2°) een kopie van die brief aan TTS door Sigillo's raadsman op dezelfde dag eveneens per fax-brief is verzonden aan Kenmark en door deze ook is ontvangen (prod. 2 bij Sigillo's Akte d.d. 03.04.96).

111 In r.o. 6 verwerpt het Hof grief VI van TTS tegen r.o. 4.12 van de Rechtbank, zulks ten onrechte althans zonder toereikende motivering.

A. Inleiding

De kern van deze grief VI was dat - onafhankelijk van het antwoord op de vragen of de vordering op Kenmark al verjaard is en of TTS ook hoofdelijk schuldenaar is - Sigillo in strijd handelt met de goede trouw resp. de eisen van redelijkheid en billijkheid door niet eerst de omstreden "hoofdvordering" van Intrepid tegen Kenmark in de daartoe overeengekomen ICC-arbitrage te laten toetsen.

In zijn r.o. 6 gaat het Hof niet op de betreffende bezwaren van TTS tegen r.o. 4.12 van de Rechtbank in, maar oordeelt dat dit beroep van TTS op de goede trouw (c.q. de eisen van redelijkheid en billijkheid) faalt, omdat 1°) Intrepid al in april 1988 haar vordering tegen Kenmark conform hun overeenkomst bij het ICC Court of Arbitration heeft aangebracht en 2°) deze arbitrale procedure "als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark, noch TTS voor haar, het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald". B. Klachten

1. Het Hof heeft aldus miskend dat redelijkerwijs niet van een "frustratie" van die arbitrale procedure door Kenmark en/of TTS kan worden gesproken. Immers, zoals eerder door TTS was aangevoerd en onderbouwd,

Zie: Inc. Concl. § 8 jo. prod. 2; Inc. CvD § 5 en 7; CvA § 2.5, § 6.6, § 7 jo. prod. 5 t/m 9; CvR prod. 5 en 6; CvD § 4.5/4.7 en § 5; MvG p. 14/15; Pleitnota 11 § 6.

2. Het Hof heeft althans onvoldoende duidelijk gemaakt, wat het bedoelt met "...als het ware is gefrustreerd", en/of waarom het niet betalen van het betreffende deel van het voorschot door Kenmark en/of TTS, in de weg staat aan het beroep van TTS dat de eisen van redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat zij door Sigillo in rechte wordt aangesproken voordat door de terzake exclusief bevoegde arbiters over de hoofdvordering van Intrepid tegen Kenmark is beslist.

Hoge Raad:

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Sigillo - heeft bij exploit van 25 september 1992 eiseres tot cassatie - verder te noemen: TTS - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, TTS te veroordelen om aan Sigillo te betalen een bedrag van f 1 657 240, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 11 februari 1988.

TTS heeft een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen. Sigillo heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep op onbevoegdheid. De Rechtbank heeft zich in het incident bij tussenvonnis van 22 april 1994 bevoegd verklaard om van de vordering van Sigillo kennis te nemen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen.

TTS heeft in de hoofdzaak de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 12 september 1996 heeft de Rechtbank - alvorens verder te beslissen - de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich alsnog over de zaak ten principale kunnen uitlaten.

Tegen dit tussenvonnis heeft TTS hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 8 september 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.


(...)

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. De advocaat van TTS heeft bij brief van 11 september 2000 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat in dit geding om het volgende:

3.2. In cassatie gaat het om drie door TTS opgeworpen weren, die alle verband houden met het afgeleide karakter van de vordering van Sigillo en die alle drie door de Rechtbank zijn verworpen. In hoger beroep heeft het Hof het (tussen)vonnis bekrachtigd, oordelende dat de op deze verwerping betrekking hebbende grieven falen. Grief II was gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van liquidatie of faillissement of van het niet (meer) bestaan van Intrepid en stelde in dit verband de vraag aan de orde "of Intrepid inmiddels heeft opgehouden te bestaan en of een in voormelde overeenkomst besloten liggende lastgeving dientengevolge geëindigd is". Het Hof overwoog te dien aanzien: "2.2. (...) Aan TTS wordt toegegeven dat van de zijde van Sigillo buitengewoon weinig is aangedragen om de stelling van TTS, dat Intrepid niet meer zou bestaan te ontzenuwen. (...)

2.3. Wat ook de huidige situatie met betrekking tot het (voort)bestaan van Intrepid moge zijn, duidelijk is dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij deze overeenkomst betreffende de constructie van een Skid Unit System voor de aan Heerema toebehorende "launch barge H 851" in wezen de Heerema groep was. (...)

2.4. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar de


opvatting dat op grond van het vermoeden dat Intrepid niet meer zou bestaan de lastgeving besloten in de overeenkomst Intrepid/Sigillo die tot strekking heeft verhaal van onder voormelde overeenkomst tussen Intrepid (doch in wezen Heerema) en Kenmark mogelijk geleden schade, beëindigd zou zijn ingevolge art. 7:422 lid 1 BW: van enige concrete gegevens omtrent mogelijke liquidatie of faillissement van Intrepid is niet gebleken, noch ook heeft TTS positieve aanwijzingen in die richting gegeven. De door Dunn & Bradstreet International geleverde informatie aangaande de onvindbaarheid van Intrepid draagt op dit punt onvoldoende bij."

Grief IV bestreed het oordeel van de Rechtbank dat de verjaring van de vordering op Kenmark tijdig is gestuit. Het Hof overwoog in rov. 4 dat dit het geval is omdat de per telefax aan TTS verzonden brief van 10 januari 1992, waarvan een kopie op dezelfde dag eveneens per telefax is gezonden aan Kenmark, die deze fax ook heeft ontvangen, "geldt als een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW: de tekst van die telefax, waarvan het relevante gedeelte door de rechtbank wordt geciteerd (...) is ondubbelzinnig en Iaat er geen twijfel over bestaan dat Intrepid het verhaal van haar vorderingen wenst voort te zetten".

Grief VI bestreed het oordeel van de Rechtbank dat niet valt in te zien waarom Sigillo in strijd met de vereiste goede trouw zou handelen door niet eerst de weg van de tussen Intrepid en Kenmark overeengekomen arbitrage te (laten) volgen. In rov. 6 overwoog het Hof daaromtrent dat tussen partijen als onbestreden vaststaat dat door de raadsman van Intrepid arbitrage is aangemeld en dat eveneens vaststaat dat deze arbitrale procedure als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark, noch TTS voor Kenmark, het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald. Onder die omstandigheden, aldus het Hof, valt niet in te zien waarom Intrepid zou handelen in strijd met de vereiste goede trouw door haar vordering tegen TTS bij de gewone rechter aan te brengen.

3.3.1. Onderdeel 1 van het middel richt zich met een reeks van klachten tegen rov. 2.2 - 2.4. Voorzover in dit onderdeel wordt geklaagd dat het Hof ervan uitgaat dat de Heerema-groep als contractspartij geldt, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit rov. 2.1 en rov. 2.4 blijkt immers dat het Hof Intrepid als schuldeiser heeft aangemerkt. 3.3.2. Het onderdeel bevat voorts de klacht dat het Hof het verweer van TTS dat Intrepid niet dan wel niet meer als rechtspersoon bestaat niet had mogen verwerpen, althans niet zonder eerst van Sigillo nadere gegevens omtrent het (nog) bestaan van Intrepid te verlangen. Deze klacht slaagt. Gezien het uitvoerig geadstrueerde betoog van TTS dat Intrepid niet heeft bestaan, lag het op de weg van Sigillo in het kader van de motivering van haar betwisting van de stellingen van TTS de omstandigheden aan te geven die meer in haar sfeer dan in die van TTS liggen - dat wil in dit geval zeggen nadere gegevens te verstrekken en de nodige bescheiden in het geding te brengen, waaruit kon blijken van het bestaan van Intrepid - en kon Sigillo niet volstaan met een blote ontkenning van deze stelling; uit de stukken van het geding blijkt niet dat Sigillo bedoelde gegevens en bescheiden in het geding heeft gebracht.

3.3.3. Uit het voorgaande vloeit ook voort dat het oordeel van het Hof dat "duidelijk is" dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij de litigieuze overeenkomst in wezen de Heerema-groep was, onbegrijpelijk is, nu zonder nadere motivering niet duidelijk is waarop het Hof zijn oordeel baseert dat Intrepid als rechtspersoon heeft bestaan.

3.3.4. Voorzover het onderdeel zich richt tegen 's Hofs rov. 2.4 faalt het. Hetgeen het Hof daar overweegt, moet aldus worden begrepen dat nu niet is gebleken van faillietverklaring of liquidatie van Intrepid en TTS hieromtrent ook geen verdere gegevens heeft verstrekt, geen grond ervoor bestaat aan te nemen dat de door Intrepid verstrekte last ingevolge het bepaalde bij art. 7:422 lid 1, aanhef en onder b, BW is vervallen.

In 's Hofs oordeel dat TTS geen concrete aanwijzingen heeft gegeven betreffende een mogelijk faillissement van Intrepid ligt besloten dat op TTS te dier zake de stelplicht en de bewijslast rusten en dat TTS onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat Intrepid in staat van faillissement is verklaard en dat de last als gevolg hiervan zou zijn vervallen. Dit


oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk en kan voor het overige, als van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

3.4.1. Voorzover onderdeel II strekt ten betoge dat het Hof in zijn rov. 4 heeft miskend dat de stuiting van de verjaring niet is geschied door een schriftelijke mededeling aan (een bevoegde vertegenwoordiger van) de schuldenaar zelf, mist het feitelijke grondslag en kan het daarom niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft dit niet miskend, het heeft immers in het voetspoor van de Rechtbank geoordeeld dat de vereiste mededeling was gedaan aan zowel TTS als Kenmark.

3.4.2. Voorzover onderdeel II klaagt dat 's Hofs oordeel dat de ingevolge art. 3:317 lid 1 BW voor stuiting van de verjaring vereiste mededeling - ook - aan Kenmark is gedaan, onjuist althans onbegrijpelijk is, faalt het. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de telefax van 10 januari 1992 aan TTS diezelfde dag in kopie aan Kenmark is gezonden en door deze is ontvangen. In het licht hiervan heeft het Hof niet van een onjuiste opvatting omtrent genoemde bepaling blijk gegeven. Het bestreden oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.5. Onderdeel III van het middel is gericht tegen het in rov. 6 vervatte oordeel van het Hof, dat de tussen Kenmark en Intrepid overeengekomen arbitrale procedure als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark, noch TTS voor haar, het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald. Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor in 3.1 onder (iv) is vermeld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het onderdeel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 september 1998; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt Sigillo in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van TTS begroot op f 8979,12 aan verschotten en f 3500 voor salaris.

 

[Mening] Conclusie A-G mr De Vries Lentsch-Kostense:

Inleiding

Sigillo "legitimeerde" zich in dit geding met een beroep op een haar door Intrepid Shipping Company Ltd. kantoor houdende te Genève (Zwitserland) - verder te noemen: Intrepid - verstrekte bevoegdheid tot inning van de vordering van Intrepid op TTS (waarover hierna meer). Deze bevoegdheid is Sigillo verleend bij op 18 en 22 september 1992 getekende overeenkomst (in de gedingstukken wordt gesproken van de overeenkomst van 18/22 september), in eerste aanleg overgelegd als productie 1 bij incidentele conclusie voor alle weren. In de aanhef van die akte wordt Intrepid aangeduid als "the Liberian Company Intrepid Shipping Company Ltd. of Geneva, Switzerland". Op de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. Evenals de Rechtbank heeft het Hof geoordeeld dat deze overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat Intrepid aan Sigillo (een door de raadsman van Intrepid opgerichte Stichting) de last heeft gegeven de vordering van Intrepid op TTS (en op Kenmark Industries Inc., waarover hierna) op eigen naam in rechte aanhangig te maken en het geïncasseerde aan Intrepid af te dragen. Onder verwijzing naar Uw arrest van 21 oktober 1983, NJ 1984, 254, m .nt. Ma., overwoog het Hof voorts dat een schuldeiser, zoals te dezen Intrepid, al dan niet met het gebruik van de term "cessie ter incasso" aan een derde (te dezen Sigillo) de last kan geven de vordering op eigen naam te innen. In cassatie zijn deze oordelen niet bestreden.


In april 1988 heeft Intrepid haar vordering op Kenmark ter beoordeling voorgelegd aan het Internationale Hof van Arbitrage van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs. Intrepid heeft het aan het Hof van Arbitrage verschuldigde voorschot voldaan. Kenmark heeft aan het Hof van Arbitrage laten weten dat zij niet in staat was het voorschot te voldoen. TTS is door Intrepid uitgenodigd het door Kenmark verschuldigde voorschot te betalen; zij heeft betaling geweigerd. Daarop heeft het Secretariaat van het Hof van Arbitrage doen weten dat het Hof de arbitrage als ingetrokken beschouwde. 3. Vervolgens heeft Sigillo - na de aan haar verstrekte last tot incasso - TTS in rechte betrokken en betaling gevorderd van het hiervoor genoemde bedrag van f 1 657 240, vermeerderd met rente en kosten.

Na een bevoegdheidsincident, heeft TTS - voorzover in cassatie nog van belang - de volgende "exceptieve weren" opgeworpen die alle verband hielden met het "afgeleide" karakter van de vordering van Sigillo:

i) TTS betoogde in de eerste plaats dat lastgeving tot incasso eindigt door liquidatie of faillissement van de lastgever. Zij heeft in dat verband het volgende aangevoerd (dupliek onder 2.8):

"Voorzover aangenomen zou moeten worden dat wel sprake is van een lastgeving tot incasso, dan eindigt deze lastgeving door liquidatie of faillissement van de lastgever (i.c. Intrepid). T.T.S. vraagt zich af of Intrepid nog wel bestaat. Zij is niet ingeschreven - noch ooit geweest - in het desbetreffende register in haar plaats van vestiging (Genève). (...) TTS nodigt Sigillo uit om duidelijkheid te verschaffen.

Indien Intrepid niet meer bestaat is een eventuele lastgeving op grond daarvan geëindigd en komt aan Sigillo ook op grond daarvan geen vorderingsrecht jegens TTS toe." Sigillo heeft bij pleidooi als volgt gereageerd (pleitnota, p. 9-10):

"TTS heeft de vraag opgeworpen of Intrepid nog wel bestaat. In dat verband heeft zij een verklaring van het Régistre du Commerce te Genève overgelegd (...). Van veel belang is dit niet.

TTS kan immers niet ontkennen en heeft ook niet ontkend dat haar dochter Kenmark een overeenkomst met Intrepid heeft gesloten, aan Intrepid goederen heeft geleverd en van Intrepid betaling heeft ontvangen. Dat alles was mogelijk ofschoon Intrepid ook toen niet in het Régistre du Commerce te Genève was ingeschreven (TTS stelt terecht ... dat Intrepid niet was ingeschreven "noch ooit is geweest"). Toen de heer Waldvogel op 22 september 1992 de cessieakte in Genève tekende was hij, zoals in de aanhef van de akte staat, een "fully authorized Member of the Board" van Intrepid. Hij had zich inderdaad voorzien van


machtigingen van zijn mededirecteuren van een vennootschap die noch in liquidatie, noch failliet was. En dat ook vandaag de dag niet is.

Ten overvloede: de heren (...) die tezamen de Board van Intrepid vormen, zijn bereid dit te bevestigen. Voorzoveel nodig biedt Sigillo op dit punt getuigenbewijs aan."

TTS handhaafde haar stellingen (pleitnota, nr. 2.8):

"Tenslotte (voor het geval de cessie moet worden aangemerkt als - uitsluitend - een lastgeving): Sigillo dient zich nog uit te laten over het (nog) bestaan van Intrepid. Zie conclusie van dupliek sub 2.8."

Sigillo heeft gemotiveerd gesteld dat wel degelijk sprake is geweest van een tijdige stuiting.

"4.3. Terecht heeft TTS aangevoerd dat lastgeving tot incasso eindigt door liquidatie of faillissement van de lastgever (artikel 7:422 lid 1 BW). Naar aanleiding van het subsidiaire verweer van TTS heeft Sigillo betwist dat daarvan bij Intrepid sprake is. Hoewel de door Sigillo verstrekte informatie summier is, heeft TTS daar bij pleidooi geen aanleiding in gezien om expliciet te stellen dat Intrepid inmiddels is geliquideerd of gefailleerd. Voor een bewijsopdracht aan TTS is derhalve geen grond."

Met betrekking tot het beroep op verjaring stelde de Rechtbank vast dat de verjaring van de vordering van Intrepid op Kenmark - gezien de hiervoor onder 1 genoemde brief van Heerema Engineering aan Kenmark d.d. 21 januari 1988 - is gaan lopen op 22 januari 1988 en dat de verjaring op grond van art. 3:310 lid 1 BW intreedt na verloop van 5 jaar, zodat de vordering per 22 januari 1993 is verjaard tenzij voordien stuiting heeft plaatsgevonden. De Rechtbank concludeerde vervolgens dat Kenmark een afschrift heeft ontvangen van de brief van de raadsman van Sigillo aan TTS d.d. 10 januari 1992 en dat deze brief kan worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, zodat de verjaring tijdig is gestuit. Voorts overwoog de Rechtbank dat, in aanmerking genomen dat TTS kan worden aangemerkt als hoofdelijke borg en dat de vordering van Intrepid op Kenmark nog niet is verjaard, niet valt in te zien waarom Sigillo in strijd met de vereiste goede trouw zou handelen door niet eerst de weg van de tussen Intrepid en Kenmark overeengekomen arbitrage te volgen.

Daarop verwees de Rechtbank de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich alsnog over de zaak ten principale uit te laten.

In haar tweede grief bestreed TTS het oordeel van de Rechtbank dat aangenomen moet worden dat geen sprake is van liquidatie of faillissement of van het niet (meer) bestaan van Intrepid. In dat verband betoogde zij:

"De Rechtbank gaat echter ten onrechte voorbij aan de feitelijke stellingen van TTS in dit verband, inhoudende dat TTS zich afvroeg of Intrepid nog wel bestond. (...) (...)

Na de uitspraak van de Rechtbank heeft TTS door Dun & Bradstreet International aanvullend onderzoek laten verrichten. Bij brief d.d. 19 november 1996 aan de advocaat van TTS heeft Dun & Bradstreet verslag uitgebracht van haar bevindingen. Een kopie van die brief wordt hierbij overgelegd. (...) TTS verwijst naar de inhoud van die brief. Intrepid


bleek volstrekt onvindbaar.

Mede gezien het vorenstaande en ter voorkoming van ieder misverstand herhaalt TTS hierbij uitdrukkelijk haar voormeld standpunt bij pleidooi in eerste aanleg en ontkent en betwist TTS hierbij uitdrukkelijk dat Intrepid (nog) bestaat, Of Intrepid heeft nooit bestaan óf Intrepid is inmiddels geliquideerd of gefailleerd.

Nu Intrepid, ondanks uitgebreid onderzoek in opdracht van TTS, op geen enkele wijze te traceren is, zal Sigillo dienen te bewijzen dat Intrepid wel (nog) bestaat en niet is geliquideerd of gefailleerd, voorzover Sigillo zulks harerzijds zou willen (blijven) stellen. Bewijs door middel van getuigen is daarvoor onvoldoende. Sigillo zal ook de nodige justificatoire bescheiden moeten overleggen.

(...)

(...) Dat een partij zich noemende Intrepid overeenkomsten heeft gesloten doet daaraan niet af.

(...)

TTS heeft in eerste aanleg naar voren gebracht en thans in haar Toelichting herhaald dat Intrepid niet is ingeschreven in het Régistre du Commerce te Genève. Dat is juist. (...) TTS stelt - met juistheid - dat Intrepid "ook nooit ingeschreven was geweest." Hoe zou daaruit kunnen volgen dat Intrepid is geliquideerd of gefailleerd?

(...)

Een vennootschap die niet gevonden kan worden door Dun & Bradstreet kan wel degelijk bestaan. Intrepid bestond in ieder geval toen zij een (grote) opdracht gaf aan TTS' dochter Kenmark en daarvoor betaalde. Dat Intrepid na het sluiten van die overeenkomst zou zijn geliquideerd of gefailleerd wordt in het rapport van Dun & Bradstreet niet bevestigd."

De raadsman van Sigillo heeft in zijn pleitnota (onder 2.3-2.7) het volgende gesteld:

"(...) heb ik Heerema gevraagd om het Intrepid-dossier uit haar archieven op te diepen. Die zoektocht leverde onder meer op een "Notary Certificate of Incorporation of Intrepid Shipping Company Limited", de "By-Laws of Intrepid Shipping Company Limited" (beide uit 1972) en een toondercertificaat van Intrepid uit 1987 dat het totale aandelenkapitaal van Intrepid betreft.

Ik heb die stukken hier bij me, dus als U daar prijs op mocht stellen, kan ik ze U even laten zien. (...)

Overigens - maar dat gaat grief II eigenlijk te buiten -: ik denk dat ik U geen geheim verklap als ik zeg dat "achter" Intrepid de Heerema-groep zit, om precies te zijn 100% aandeelhoudster Heerema Holding Company. Het is ook de Heerema Holding Company geweest die voor Intrepid optrad, bij het aangaan van de overeenkomst, het doen van betalingen, de cessie ter incasso, instructie tot het instellen van de procedure etc. Ook voor Kenmark en TTS was en is dat geen geheim. (...)

Dus als Intrepid al niet (meer) zou hebben bestaan, dan was en is Heerema Holding Company handelende onder de naam Intrepid (i) de contractuele wederpartij jegens Kenmark, (ii) de begunstigde onder de door TTS afgegeven "parent company guarantee" en (iii) de lastgever van Sigillo. (...)"


Het Hof stelde voorop (onder 1 refereerde ik daaraan reeds) dat een schuldeiser "zoals te dezen Intrepid" aan een derde "te dezen Sigillo" de last kan geven de vordering op eigen naam te innen.

Het Hof overwoog dat vervolgens ter beoordeling stond "de door grief II aan de orde gestelde vraag of Intrepid inmiddels heeft opgehouden te bestaan en of een in voormelde overeenkomst besloten liggende lastgeving dientengevolge geëindigd is". Het Hof overwoog daartoe als volgt:

"2.2. (...) Aan TTS wordt toegegeven dat van de zijde van Sigillo buitengewoon weinig is aangedragen om de stelling van TTS, dat Intrepid niet meer zou bestaan te ontzenuwen. (...)

2.3. Wat ook de huidige situatie met betrekking tot het (voort)bestaan van Intrepid moge zijn, duidelijk is dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij deze overeenkomst betreffende de constructie van een Skid Unit System voor de aan Heerema toebehorende "Launch barge H 851" in wezen de Heerema-groep was. (...)

2.4. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar de opvatting dat op grond van het vermoeden dat Intrepid niet meer zou bestaan de lastgeving besloten in de overeenkomst Intrepid/Sigillo die tot strekking heeft verhaal van onder voormelde overeenkomst tussen Intrepid (doch in wezen Heerema) en Kenmark mogelijk geleden schade, beëindigd zou zijn ingevolge art. 7:422 lid 1 BW: van enige concrete gegevens omtrent mogelijke liquidatie of faillissement van Intrepid is niet gebleken, noch ook heeft TTS positieve aanwijzingen in die richting gegeven. De door Dunn & Bradstreet International geleverde informatie aangaande de onvindbaarheid van Intrepid draagt op dit punt onvoldoende bij."

In rechtsoverweging 4 concludeerde het Hof dat de verjaring tijdig is gestuit:

"(...) met de rechtbank is het hof van oordeel dat de telefax van 10 januari 1992 aan TTS, waarvan een kopie op diezelfde dag eveneens per telefax is gezonden aan Kenmark, en die, naar tussen partijen onbestreden vaststaat, ook door Kenmark is ontvangen, geldt als een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW: de tekst van die telefax, waarvan het relevante gedeelte door de rechtbank wordt geciteerd (...) is ondubbelzinnig en laat er geen twijfel over bestaan dat Intrepid het verhaal van haar vorderingen wenst voort te zetten. (...)"

In rechtsoverweging 6 verwierp het Hof de grief gericht tegen de overweging van de Rechtbank dat niet valt in te zien waarom Sigillo in strijd met de vereiste goede trouw zou handelen door niet eerst de weg van de tussen Intrepid en Kenmark overeengekomen arbitrage te (laten) volgen. Het Hof stelde voorop dat tussen partijen als onbestreden vaststaat dat door de raadsman van Intrepid arbitrage is aangemeld en dat vaststaat dat deze arbitrale procedure als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark noch TTS voor Kenmark het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom Intrepid in strijd zou handelen met de vereiste goede trouw door haar vordering tegen TTS bij de gewone rechter aan te brengen. Aldus het Hof.

Het cassatiemiddel


van Sigillo nadere gegevens omtrent het (nog) bestaan van Intrepid te verlangen. Deze klacht wordt in de overige klachten nader uitgewerkt. Ik moge hier wel volstaan met een verwijzing naar het middel.

12. Bij de beoordeling van het middelonderdeel neem ik het volgende tot uitgangspunt:

13. Als respons op de grief van TTS dat het ervoor moet worden gehouden dat Intrepid niet heeft bestaan, althans dat Sigillo bescheiden dient over te leggen waaruit kan blijken dat Intrepid heeft bestaan, kan uitsluitend gelden - voorzover het Hof al op deze grief heeft gerespondeerd - 's Hofs overweging dat "duidelijk is" dat Intrepid een tot de Heerema-groep behorende werkmaatschappij was en dat ook Kenmark en TTS hebben geweten dat de wederpartij bij de litigieuze overeenkomsten in wezen de Heerema-groep was. Deze respons is onvoldoende, in aanmerking genomen dat ervan moet worden uitgegaan dat Intrepid op eigen naam handelde. Onduidelijk is immers waarop het Hof zijn oordeel baseert dat Intrepid als rechtspersoon heeft bestaan. In de pleitnota van Sigillo wordt - zoals hiervoor aangetekend - melding gemaakt van bescheiden die alsnog "getoond" zouden kunnen worden. Het Hof maakt in zijn arrest evenwel geen gewag van deze bescheiden; zelfs blijkt niet dat deze ook daadwerkelijk zijn "getoond" en hoe TTS op dit punt heeft gereageerd. Uit ambtshalve door mij bij de griffie van het Hof ingewonnen inlichtingen is mij gebleken dat geen proces-verbaal is opgemaakt; in het aan mij toegezonden audiëntieblad (door mij bij het dossier gevoegd) staat slechts vermeld dat is gepleit aan de hand van pleitnotities. TTS tekent in haar schriftelijke toelichting ook aan dat van een "tonen" geen sprake is geweest.

De conclusie moet dan ook zijn dat 's Hofs arrest lijdt aan een motiveringsgebrek: de omstandigheid dat "in wezen" de Heerema-groep de wederpartij was bij de

overeenkomsten die op eigen naam door Intrepid zijn gesloten, kan niet meebrengen dat Intrepid bestond en evenmin dat het niet bestaan van Intrepid niet van belang was. Het middel klaagt voorts terecht dat het op de weg van Sigillo lag - gezien het uitvoerig geadstrueerde betoog van TTS dat Intrepid niet heeft bestaan en gezien de reactie daarop van de zijde van Sigillo (een reactie die zich in wezen heeft beperkt tot een niet nader geadstrueerde ontkenning en het niet reageren op het dringende en bepaald niet als onredelijk aan te merken verzoek de nodige bescheiden in het geding te brengen) - nadere gegevens te verstrekken en de nodige bescheiden in het geding te brengen waaruit kon blijken van het bestaan van Intrepid (een kwestie die naar ik aanneem moet worden beoordeeld naar Liberiaans recht nu in de aanhef van de hiervoor onder 1 genoemde lastgevingsovereenkomst wordt gesproken over de "Liberiaanse vennootschap"; zie art. 2 juncto art. 3 van de Wet Conflictenrecht corporaties, Stb. 1997, 699, die op dit punt het voordien geldende recht weergeven). Ook daaraan heeft het Hof voorbijgezien.

18. Dit middelonderdeel faalt. Naar mijn oordeel is voldoende duidelijk wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging dat de arbitrale procedure als het ware is gefrustreerd door de omstandigheid dat noch Kenmark noch TTS voor Kenmark het door de ICC verlangde voorschot heeft betaald; het Hof heeft met deze overweging duidelijk gemaakt dat het aan Kenmark en aan TTS te wijten was dat deze arbitrage geen doorgang heeft gevonden en dat het niet op de weg van Intrepid lag doch veeleer op de weg van TTS, die daartoe ook door Intrepid is uitgenodigd, om het door Kenmark verschuldigde voorschot te betalen, althans dat TTS niet erover kan klagen dat Intrepid in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door haar vordering jegens TTS onder deze omstandigheden bij de gewone rechter aan te brengen nu in de overeenkomst tussen TTS en Intrepid geen arbitrage was overeengekomen. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is geenszins onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.