Continuerende vordering verjaart vanaf eerste schade


HR 19-10-2001 nr. C00/264HR RvdW 2001, 162
BW (oud) art. 1401, 2004, 2016; BW art. 3:310, 316, 6:162; Rv (oud) art. 67

Naar het, in casu toepasselijke, oude recht begint de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade o.g.v. onrechtmatige daad te lopen op het tijdstip waarop de schade is geleden. Ook m.b.t. de immateriële schade moet worden aangenomen dat deze is ontstaan op en dus is geleden op het tijdstip waarop de onrechtmatige daad is gepleegd; daaraan doet niet af dat sprake is van doorlopende schade in die zin dat leed en verdriet voortduren.

HOGE RAAD 19 oktober 2001,
(Mrs. P. Neleman, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, P.C. Kop; A-G Wesseling-van Gent)
RvdW 2001, 162
JOL 2001, 560


G.E. van B., te E., eiseres tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, adv. mr. G. Snijders,
tegen
Vereniging voor Diaconessenarbeid in Eindhoven en Omgeving, te Eindhoven, verweerster in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres, adv. mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Rechtbank:
Ten processe kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
2.1. B. heeft in 1956 in het Diaconessen-ziekenhuis te Eindhoven een maagoperatie ondergaan. In verband daarmee is in het laboratorium van het ziekenhuis haar rhesusfactor bepaald. Daarbij is een fout gemaakt waardoor B. rhesus-positief bloed getransfuseerd heeft gekregen. Dat heeft bij haar geleid tot rhesusantagonisme.

2.2. Ten gevolge van een en ander heeft B. tweemaal, in 1959 en in 1960, een doodgeboren kind gekregen. Voorts bleek dat haar kans om kinderen te krijgen praktisch nul was. Zij heeft zich daarom in 1967 laten steriliseren.

2.3. Pas in 1988 vernam B. dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het Ziekenhuis.

2.3. Bij dagvaarding dd. 29/5'91 heeft B. de eerdere zaak aanhangig gemaakt en het Ziekenhuis aangesproken terzake van vergoeding van schade bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid en spanningen als gevolg van genoemde, als onrechtmatige daad aangemerkte, fout.

In drie instanties, laatstelijk bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden dd. 3/11'95, is geoordeeld dat deze vordering was verjaard en dat B. daarin niet kon worden ontvangen.

(enz.)
Hof:
4. De beoordeling
4.1. Tegen de door de rechtbank in de onderdelen 2.1 t/m 2.3 van het vonnis vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.

4.2. B. vordert in deze procedure vergoeding van de volgende schade:
a. de doorlopende immateriële schade die B. vanaf 1961 heeft geleden ten gevolge van het tot twee maal toe krijgen van een doodgeboren kind en het leed en de stress door het gemis aan (klein)kinderen (zie cvr pt 2 onder a en de vierde grief);

b. de doorlopende schade ten gevolge van de medische noodzaak om vanwege de verkeerde bloedtransfusie 6 - wekelijks door de huisarts een vitamine-B injectie te laten toedienen (zie cvr pt 8 en de vierde grief);

c. de in 1988 ontstane immateriële schade ten gevolge van het feit dat B. er toen voor het eerst door het Ziekenhuis over werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot 1988 tegenover haar door het Ziekenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen; elke dag dat het Ziekenhuis na 1967 de informatie voor B. verzweeg leverde een onrechtmatig handelen op; subsidiair vormt het extra leed als gevolg van de verzwijging een nieuwe schadepost uit 1988 (zie cvr ptn. 11-14 en de eerste grief).

4.3. De gevorderde schade sub a. en b. is veroorzaakt door de laboratoriumfout en de daardoor gevolgde verkeerde bloedtransfusie in 1956. Deze onderdelen van de vordering stuiten dan ook af op het gezag van gewijsde van de eerdere, bij dagvaarding van 29 mei 1991 door B. tegen het Ziekenhuis aanhangig gemaakte procedure, die is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995 (NJ 1998, 380  ).

4.3.1. Met de vierde grief heeft B. aangevoerd dat beide schades naar haar aard een voortdurende en doorlopende schade betreffen, zodat de schadevergoedingsvordering verjaart van periode tot periode dat de schade is ontstaan. B. stelt dat zij uit dien hoofde vergoeding kan vorderen van de schade voorzover geleden na het tijdstip gelegen dertig jaar vóór het instellen van haar rechtsvordering bij dagvaarding van 29 mei 1991, dus voorzover geleden vanaf 1961. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die in dit geval een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Slechts terzake van schadeposten die ten tijde van het schadeveroorzakend handelen niet behoefden te worden verwacht, kan een aparte termijn gaan lopen (vgl. punt 7. conclusie AG Hartkamp bij voormeld arrest). Dit aspect is aan de orde bij de gevorderde schade sub c.

4.4. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat het Ziekenhuis vanaf het door B. genoemde jaartal 1967 een doorlopende informatieplicht jegens B. had ten aanzien van het feit dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout, en het Ziekenhuis door schending van die informatieplicht onrechtmatig jegens B. heeft gehandeld, dan kan B. geacht worden in 1988 bekend te zijn met de schade ten gevolge daarvan. Feiten of omstandigheden die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. Uitgaande van voormelde veronderstelling is de vordering tot vergoeding van de door B. gestelde schade krachtens het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW, in verbinding met artikel 73 Overgangswet, door verloop van vijf jaar verjaard. De inleidende dagvaarding is uitgebracht op 2 mei 1996, zodat dit onderdeel van de vordering van B. is verjaard.

4.4.1. Anders dan B. met de derde grief aanvoert kan de dagvaarding van 21 mei 1991 in de eerdere procedure niet als een daad van stuiting worden aangemerkt. Die dagvaarding had immers geen betrekking op de rechtsvordering terzake de sub c. vermelde schade.

4.5. Met de vijfde grief komt B. op tegen de verwerping door de rechtbank van haar beroep op artikel 3:321 aanhef en sub f BW. Deze grief faalt. Noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft B. feiten of omstandigheden gesteld die, indien zij komen vast te staan, het oordeel kunnen rechtvaardigen dat het Ziekenhuis opzettelijk of zelfs met een aan opzet gelijk te stellen nalatigheid het bestaan van de laboratorium/transfusiefout heeft verzwegen. Het hof verwijst naar en neemt hier over hetgeen de rechtbank overigens in onderdeel 4.6 van het vonnis heeft overwogen.

4.6. De slotsom is dat géén van de grieven tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd. Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd kan bij gebrek aan belang buiten beschouwing blijven.

4.7. B. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.
Cassatiemiddelen:
Middel 1
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 2004 oud BW, en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 4.3 en 4.3.1 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende redenen:

Ten onrechte overweegt het Hof in rov. 4.3.1 dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen. Naar het te dezen toepasselijke oude recht begint de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad eerst te lopen vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is, hetgeen in de regel wil zeggen: vanaf het moment dat de schade is geleden. Ingeval van doorlopende of voortdurende schade - als te dezen door B. gesteld; vergelijk rov. 4.2 sub a en b van 's Hofs arrest - verjaart de vordering tot schadevergoeding van periode tot periode dat de schade is ontstaan. Anders dan het Hof oordeelt, is de vordering van B. tot vergoeding van de schade door haar geleden vanaf 1961 dan ook niet verjaard. Onjuist is de opvatting van het Hof dat slechts terzake van schadeposten die ten tijde van het schadeveroorzakend handelen niet behoefde te worden verwacht, een aparte termijn kan gaan lopen. Het Hof heeft derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorzover het Hof bij zijn oordeel in rov. 4.3 mede het oog heeft op de schade van B. vanaf en na 1961 (als omschreven in rov. 4.2 sub a t/m c van 's Hofs arrest) heeft het Hof ook in deze rechtsoverweging blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, danwel zijn oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd. In de eerdere procedure tussen partijen is immers onmiskenbaar geen oordeel gegeven omtrent deze schade (vgl. rov. 3.5 van het arrest van uw Raad van 3 november 1995) en ten aanzien van die schade bevat de in die procedure gedane uitspraak dan ook geen beslissing met gezag van gewijsde.

Middel 2
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 3:316 BW, en/of verzuim van het vormvereiste van toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 4.4.1 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende redenen:

Ten onrechte oordeelt het Hof in rov. 4.4.1 dat de dagvaarding van 21 mei 1991 (lees: 29 mei 1991) waarmee de eerdere procedure is aangevangen, niet kan worden aangemerkt als een daad van stuiting met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de in rov. 4.2 sub c van 's Hofs arrest genoemde schade, nu die dagvaarding geen betrekking had op die vordering. De vordering met betrekking tot bedoelde schade betreft ten opzichte van de vordering die destijds bij de dagvaarding van 29 mei 1991 door B. is ingesteld, onmiskenbaar geen nieuwe vordering, nu deze vordering onmiskenbaar berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de destijds bij de dagvaarding van 29 mei 1991 ingestelde vordering. Beide vorderingen hebben immers betrekking op de laboratoriumfout en de daardoor gevolgde verkeerde bloedtransfusie in 1956 en beide vorderingen zijn immers gebaseerd op de onrechtmatige daad die dit handelen naar het standpunt van B. jegens haar constitueert. De hier bedoelde vordering betreft slechts een nadere schadepost. De verjaring van die vordering is derhalve wel gestuit door de dagvaarding van 29 mei 1991; vgl. HR 23 mei 1997,NJ 1997, 531  en HR 19 februari 1999, RvdW 1999, 39 (NJ 2000, 328  ;red.). Het Hof heeft derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting danwel zijn arrest op dit punt onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel:
De cassatiegronden zijn schending van het recht en/of verzuim van vormen als bedoeld in art. 99 Wet RO. De in cassatie bestreden rechtsoverwegingen zijn te vinden in no. 4.1, waar het Hof constateert dat tegen de door de Rechtbank in de onderdelen 2.1 t/m 2.3 van het vonnis vastgestelde feiten geen grieven zijn gericht, zodat ook het Hof van deze feiten uitgaat, en in r.o. 4.4 waar het Hof, dat een tweetal veronderstellingen als uitgangspunt neemt (onrechtmatigheid van de gestelde maar bestreden doorlopende informatieplicht), van oordeel is dat B. geacht kan worden in 1988 bekend te zijn met de schade ten gevolge daarvan, en dat feiten of omstandigheden die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen niet zijn gesteld of gebleken. In cassatie wordt voorts bestreden r.o. 4.2 onder c voorzover daarin het Hof meer of anders - te weten een eigen oordeel - weergeeft dan - uitsluitend - de stelling(en) van B., meer in het bijzonder omtrent het tijdstip waarop zij voor het eerst door het Ziekenhuis werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot dat (zelfde) tijdstip tegenover haar door het Ziekenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen.

De beslissingen zijn rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk en althans heeft het Hof blijk gegeven van een verkeerde opvatting van zijn taak als appelrechter, om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te beoordelen redenen.

1.1 In zijn vonnis van 16 januari 1998 heeft de eerste rechter ten aanzien van de (vaststaande) feiten (r.o. 2.3.1) overwogen dat B. pas in 1988 vernam dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het Ziekenhuis. Van dit vaststaande feit wordt (ook) uitgegaan in r.o. 3.1.1 en 4.3.

1.2 Het Ziekenhuis heeft als geïntimeerde in het door B. ingestelde appèl meermalen benadrukt dat B. in werkelijkheid reeds in 1967 van de werkelijke toedracht, van het werkelijke causaal verband op de hoogte was (MvG pag. 4 bovenaan; pag. 6 onderaan + prod. 5; pag. 7 bovenaan; pag. 11/12).

1.3 Het Hof heeft miskend dat het Ziekenhuis als geïntimeerde niet incidenteel behoefde te appelleren om zijn eigen bezwaren tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis tot gelding te brengen, nu het zijnerzijds geen wijziging verlangt van het dictum in eerste aanleg, terwijl het appèl (vgl. R.o. 3 arrest a quo) de zaak in volle omvang aan het oordeel van de appelrechter is voorgelegd (HR 2 april 1993,nt. PAS). Althans heeft het Hof blijk gegeven van een verkeerde opvatting van zijn taak als appelrechter door niet te beslissen op het door het Ziekenhuis in eerste aanleg gevoerde en in hoger beroep uitdrukkelijk gehandhaafde (zie de vindplaatsen onder 1.2) althans niet prijsgegeven verweer dat B. (al) in 1967 van de werkelijke toedracht, van het werkelijk causaal verband op de hoogte was. Zo het Hof in de memorie van antwoord geen onuitdrukkelijk incidenteel appèl althans een bezwaar heeft gelezen tegen het als vaststaand aangenomen feit dat B. (pas) in 1988 is ingericht omtrent het causaal verband tussen haar kinderloosheid en de laboratoriumfout jo. de verkeerde bloedtransfusie in 1956, dan is de beslissing van het Hof in het licht der gedingstukken - meer speciaal de onder 1.2 vermelde vindplaatsen - onbegrijpelijk.

Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen:
B. - heeft bij exploit van 2 mei 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Diaconessenhuis - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd het Diaconessenhuis te veroordelen de in de inleidende dagvaarding bedoelde schade te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten en nader op te maken bij staat, alsmede aan B. een voorschotbedrag van f 25 000 op genoemde schade te betalen.

Het Diaconessenhuis heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 16 januari 1998 de vorderingen van B. afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft B. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 7 juni 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

(...)
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft B. beroep in cassatie ingesteld. Het Diaconessenhuis heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatie-dagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt zowel in het principaal als in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) B. heeft in 1956 in het Diaconessenziekenhuis te Eindhoven een maagoperatie ondergaan. In verband daarmee is in het laboratorium van het ziekenhuis haar rhesusfactor bepaald. Daarbij is een fout gemaakt waardoor B. rhesus-positief bloed getransfuseerd heeft gekregen. Dit heeft bij haar geleid tot rhesusantagonisme.

(ii) Ten gevolge van een en ander heeft B. tweemaal, in 1959 en in 1960, een doodgeboren kind gekregen. Voorts bleek dat haar kans om kinderen te krijgen praktisch nul was. Zij heeft zich daarom in 1967 laten steriliseren.

(iii) Pas in 1988 vernam B. dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het ziekenhuis.

(iv) Bij dagvaarding van 29 mei 1991 heeft B. het Diaconessenhuis aangesproken tot vergoeding van schade bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid en spanningen als gevolg van voormelde, als onrechtmatige daad aangemerkte, fout. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering was verjaard en B. niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd, en de Hoge Raad heeft bij arrest van 3 november 1995, nr. 15 801,NJ 1998, 380  , het daartegen ingestelde cassatieberoep verworpen.

3.2 B. heeft in het onderhavige geding opnieuw schadevergoeding gevorderd, en wel thans, naar zij heeft aangevoerd, andere schade dan die bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid. Volgens de in cassatie niet bestreden vaststelling van het Hof in rov. 4.2 van zijn arrest betreft de door B. gevorderde schadevergoeding:

a. de doorlopende immateriële schade die zij vanaf 1961 heeft geleden ten gevolge van het tot twee maal toe krijgen van een doodgeboren kind en het leed en de stress door het gemis aan (klein)kinderen;

b. de doorlopende schade ten gevolge van de medische noodzaak om zich vanwege de verkeerde bloedtransfusie 6-wekelijks door de huisarts een vitamine B injectie te laten toedienen;

c. de in 1988 ontstane immateriële schade ten gevolge van het feit dat zij toen voor het eerst door het Diaconessenhuis erover werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot 1988 tegenover haar door het Diaconessenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen; subsidiair vormt het extra leed als gevolg van de verzwijging een nieuwe schadepost uit 1988.

Het middel richt zich tegen de bekrachtiging door het Hof van het vonnis van de Rechtbank waarbij de vorderingen van B. waren afgewezen.

3.3 Middel I keert zich tegen hetgeen het Hof heeft overwogen in rov. 4.3 en 4.3.1 van zijn arrest. Daarin heeft het Hof in de eerste plaats overwogen dat de hiervoor in 3.2 onder a. en b. vermelde schade is veroorzaakt door de laboratoriumfout en de daarop gevolgde verkeerde bloedtransfusie, en dat deze onderdelen van de vordering afstuiten op het gezag van gewijsde van hetgeen in de eerdere procedure is beslist. Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat, anders dan B. in haar vierde appèlgrief had betoogd, de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen.

Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat naar het vóór 1 januari 1992 toepasselijke recht de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad begint te lopen op het tijdstip waarop de schade is geleden. Ook met betrekking tot de schade waarop het middel betrekking heeft moet evenwel worden aangenomen dat deze is ontstaan op en dus is geleden op het tijdstip waarop de onrechtmatige daad, hier de laboratoriumfout, is gepleegd. Daaraan doet, anders dan het middel betoogt, niet af dat sprake is van een doorlopende schade, in die zin dat leed en verdriet voortduren, evenals de noodzaak periodiek injecties te ondergaan. Het gaat hier immers om afzonderlijke elementen van de schade die in haar geheel bestaat in de door de onrechtmatige daad veroorzaakte lichamelijke toestand - het rhesusantagonisme - van B.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geeft het in rov. 4.3 van 's Hofs arrest besloten oordeel dat de onder a. en b. bedoelde schade die in het onderhavige geding wordt gevorderd, te weten schade ten gevolge van de laboratoriumfout en de daarop gevolgde bloedtransfusie, geen andere schade is dan die waarover reeds in het eerdere geding was beslist, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel, dat mede berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen verdere motivering.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
3.4 Met betrekking tot de schadepost onder c. heeft het Hof kennelijk zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van B. aldus verstaan dat het hier niet ging om schade ten gevolge van de laboratoriumfout en de daarop gevolgde bloedtransfusie, maar dat deze schade het gevolg was van een afzonderlijke onrechtmatige daad, te weten het niet nakomen door het Diaconessenhuis van zijn informatieverplichting, doordat het tot 1988 heeft verzwegen dat de kinderloosheid van B. een gevolg was van een onnodige menselijke fout (rov. 4.2, onder c., en rov. 4.4). Deze aan het Hof voorbehouden uitleg van de stukken van het geding is niet onbegrijpelijk.

De motivering die het Hof in rov. 4.4.1 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de dagvaarding van 21 mei 1991 (de Hoge Raad leest: 29 mei 1991) niet als een daad van stuiting kan worden aangemerkt, moet aldus worden verstaan dat de thans ingestelde vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de verzwijging berust op een andere feitelijke en juridische grondslag dan de destijds bij dagvaarding van 29 mei 1991 ingestelde vordering. Aldus is het Hof uitgegaan van de juiste maatstaf. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is 's Hofs oordeel ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.

Middel II faalt derhalve eveneens.
3.5 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het Hof zou leiden, behoeft geen behandeling.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt B. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Diaconessenhuis begroot op f 632,20 aan verschotten en f 3000 voor salaris.


[Mening]


ConclusieA-G mr. Wesseling-van Gent:
1. FeitenNOOT 1  en procesverloop; eerdere procedure tussen partijen
1.1 Eiseres tot cassatie, B., heeft in 1956 in het door verweerster in cassatie, het Ziekenhuis, geëxploiteerde Diaconessenziekenhuis te Eindhoven een maagoperatie ondergaan. In verband daarmee is in het laboratorium van het Ziekenhuis haar rhesusfactor bepaald. Daarbij is een fout gemaakt waardoor B. rhesus-positief bloed getransfuseerd heeft gekregen. Dat heeft bij haar geleid tot rhesusantagonisme.

1.2 Ten gevolge van een en ander heeft B. tweemaal, in 1959 en 1960, een doodgeboren kind gekregen. Voorts bleek dat haar kans om kinderen te krijgen praktisch nul was. Zij heeft zich daarom in 1967 laten steriliseren.

1.3 Bij inleidende dagvaarding van 29 mei 1991 heeft B. het Ziekenhuis aangesproken ter zake van vergoeding van schade bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid en spanningen als gevolg van genoemde, volgens haar als onrechtmatige daad aan te merken, fout. In drie instanties, laatstelijk bij arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995,NJ 1998, 380  (CJHB) is geoordeeld dat deze vordering was verjaard en dat B. daarin niet kon worden ontvangen.

1.4 B. heeft in de hiervoor genoemde procedure in cassatie (a) betoogd dat de schade wegens kinderloosheid heeft te gelden als een voortdurende of doorlopende schade en dat de vordering tot vergoeding van die schade daarmee van periode tot periode waarin de schade ontstaat verjaart, zodat haar vordering voor wat betreft de periode na 29 mei 1961 op grond van het toepasselijke art. 2004 BW (oud) ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet was verjaard (onderdeel 2 van het cassatiemiddel in de eerdere procedure).

Daarnaast heeft zij (b) gesteld dat haar op een later tijdstip extra leed is toegevoegd, toen zij vernam dat het mislopen van haar beide zwangerschappen en haar kinderloosheid aan een menselijke fout waren te wijten. Dit extra leed heeft als een bijkomende schade te gelden. De verjaringstermijn ter zake van de daarop betrekking hebbende vordering is eerst op dat moment gaan lopen. In dit verband is zij teruggekomen op haar eerdere stelling dat zij deze wetenschap in 1967 zou hebben verkregenNOOT 2  . Volgens B. berustte deze stelling op een misverstand; in werkelijkheid is haar eerst in 1988 medegedeeld dat destijds sprake is geweest van een menselijke foutNOOT 3  (onderdeel 3 van het cassatiemiddel in de eerdere procedure).

1.5 In genoemd arrest van 3 november 1995 heeft de Hoge Raad ten aanzien van deze stellingen het volgende overwogen:
"(De onderdelen) nemen tot uitgangspunt dat de schade wegens kinderloosheid heeft te gelden als een voortdurende of doorlopende schade zodat de vordering tot vergoeding verjaart van periode tot periode waarin de schade ontstaat (onderdeel 2), resp. dat toen en doordat B. in 1967 vernam dat het mislopen van haar beide zwangerschappen en haar kinderloosheid aan een menselijke fout waren te wijten, haar extra leed is toegevoegd dat als een bijkomende schade heeft gelden, zodat de daarop betrekking hebbende vordering eerst sedertdien is gaan verjaren (onderdeel 3). Voor beide uitgangspunten geldt dat, zoals de onderdelen zelf al aangeven, het hier stellingen betreft die in de feitelijke instanties niet zijn aangevoerd. Die stellingen zijn evenwel mede van feitelijke aard en kunnen daarom niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen."

1.6 In de onderhavige procedure heeft B. het Ziekenhuis bij exploit van 2 mei 1996 andermaal gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Zij vordert thans (alsnog) vergoeding van de doorlopende, na 1 mei 1961 geleden schade wegens haar kinderloosheid en van de schade als gevolg van het haar in 1988 toegebrachte extra leed. Daarnaast vordert zij vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de medische noodzaak om zich vanwege de verkeerde bloedtransfusie zeswekelijks door de huisarts een vitamine B-injectie te laten toedienen.

1.7 B. heeft in dit verband aangevoerd dat de verjaring van de vordering ter zake van deze schadeposten door de inleidende dagvaarding in de eerdere procedure van 29 mei 1991 rechtsgeldig is gestuit en dat deze stuiting ingevolge art. 3:316 lid 2 BW haar werking heeft behouden nu de onderhavige procedure binnen zes maanden na het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995 aanhangig is gemaakt.

1.8 Het Ziekenhuis heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Na conclusiewisseling en pleidooi heeft de rechtbank in haar vonnis van 16 januari 1998 de vorderingen van B. afgewezen.

1.9 Onder aanvoering van vijf grieven is B. van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het Ziekenhuis heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Na memoriewisseling heeft het hof bij arrest van 7 juni 2000 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.10 B. heeft tegen het arrest van het hof tijdigNOOT 4  beroep in cassatie ingesteld. Het Ziekenhuis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunt vervolgens nog schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de middelen in het principale beroep
2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 4.2 allereerst de schadeposten geïnventariseerd waarvan B. in deze procedure vergoeding vordert. Volgens het hof gaat om vergoeding van:

(a) de doorlopende immateriële schade die zij vanaf 1961 heeft geleden ten gevolge van het tot tweemaal toe krijgen van een doodgeboren kind en het leed en de stress door het gemis aan (klein)kinderen;

(b) de doorlopende schade ten gevolge van de medische noodzaak om vanwege de verkeerde bloedtransfusie zich zeswekelijks een vitamine B-injectie te laten toedienen;

(c) de in 1988 ontstane immateriële schade ten gevolge van het feit dat zij er toen voor het eerst door het Ziekenhuis over werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot 1988 tegenover haar door het Ziekenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen. Het hof verstaat de stellingen van B. op dit punt aldus dat elke dag dat het Ziekenhuis deze informatie na 1967 heeft verzwegen, jegens haar een onrechtmatige daad opleverde en subsidiair dat het extra leed als gevolg van de ontdekking van deze verzwijging in 1988 een nieuwe, bijkomende schadepost heeft opgeleverd.

2.2 Ten aanzien van de gevorderde schade sub a en b overweegt het hof vervolgens het volgende:
"4.3. De gevorderde schade sub a. en b. is veroorzaakt door de laboratoriumfout en de daardoor gevolgde verkeerde bloedtransfusie in 1956. Deze onderdelen van de vordering stuiten dan ook af op het gezag van gewijsde van de eerdere, bij dagvaarding van 29 mei 1991 door B. tegen het Ziekenhuis aanhangig gemaakte procedure, die is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995 (NJ 1998, 380  ).

4.3.1. Met de vierde grief heeft B. aangevoerd dat beide schades naar haar aard een voortdurende en doorlopende schade betreffen, zodat de schadevergoedingsvordering verjaart van periode tot periode dat de schade is ontstaan. B. stelt dat zij uit dien hoofde vergoeding kan vorderen van de schade voor zover gelden na het tijdstip gelegen dertig jaar vóór het instellen van haar rechtsvordering bij dagvaarding van 29 mei 1991, dus voor zover geleden vanaf 1961. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het moment van het schadeveroorzakend handelen. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die in dit geval een ander oordeel kunnen rechtvaardigen. Slechts ter zake van schadeposten die ten tijde van dat schadeveroorzakend handelen niet behoefden te worden verwacht, kan een aparte termijn gaan lopen (vgl. punt 7. Conclusie AG Hartkamp bij voormeld arrest). Dit aspect is aan de orde bij de gevorderde schade sub c."

2.3Middel Iricht zich met twee klachten tegen hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 heeft overwogen ten aanzien van de gevorderde schade sub a en b.

2.4 Deeerste klachtNOOT 5  is gericht tegen rechtsoverweging 4.3.1 en luidt dat het oordeel van het hof dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Betoogd wordt dat onder het hier toepasselijke art. 2004 BW(oud) de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad eerst begint te lopen op het moment dat deze vordering opeisbaar is. In de regel is dit het geval vanaf het moment dat de schade wordt geleden. Nu het bij de sub a en b bedoelde schade gaat om doorlopende of voortdurende schade die van periode tot periode wordt geleden, is de vanaf 1961 geleden schade, anders dan het hof heeft geoordeeld, dan ook niet verjaard.

2.5 Op grond van art. 2004 BW(oud) geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn van een vordering begint te lopen op het ogenblik waarop de verbintenis opeisbaar wordt, ongeacht of de schuldeiser op dat moment reeds met het bestaan van de verbintenis bekend isNOOT 6  . Voor wat betreft vorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt dit tijdstip volgens de Hoge Raad samen met het moment waarop de verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. Voor dit ontstaan is vereist dat naast de overige vereisten van art. 1401 BW(oud) ook is voldaan aan het vereiste dat schade is geleden. Met het intreden van de schade wordt de vordering opeisbaar en gaat de verjaringstermijn derhalve lopen. Daarbij is niet noodzakelijk dat de omvang van de schade alsdan reeds is komen vast te staanNOOT 7  .

2.6 De klacht karakteriseert m.i. terecht de onderhavige schade als een voortdurende schade. Bij B. leeft immers een niet aflatend besef van haar gedwongen kinderloosheid, dat zij haar gehele leven bij zich zal dragen.

2.7 In de literatuur bestaat verschil van mening over het aanvangstijdstip van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding, indien een onrechtmatige daad een voortdurende schade teweegbrengt.NOOT 8 

Tegenover het standpunt Langemeijer/Hartkamp, dat kort gezegd inhoudt dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment van de onrechtmatige daad, staat de visie van Bloembergen, die meent dat in gevallen waarin de schade en dus ook de verbintenis tot het vergoeden van de schade deel voor deel ontstaat, de verjaringstermijn eveneens deel voor deel zal beginnen te lopenNOOT 9  .

2.8 Wat betreft immateriële schade, meent Klaassen - die de lijn Bloembergen volgt - dat de vordering tot vergoeding daarvan in volle omvang ontstaat op het moment van de gebeurtenis die aanspraak op vergoeding van deze schade geeft. Zij acht deze benadering vanuit praktisch oogpunt alleszins acceptabel omdat het minder eenvoudig is een splitsing aan te brengen tussen geleden en toekomstige schadeNOOT 10  . Ook Lindenbergh meent dat immateriële schade zoals thans wordt gevorderd zich niet eenvoudig laat "opdelen in periodiek te lijden elementen"NOOT 11  . Beiden wijzen op het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1997,NJ 1998, 508over de wijze van berekening van de wettelijke rente over het bedrag van een geldvordering, waarin is geoordeeld dat wanneer de rechter omtrent het moment waarnaar de schade moet worden begroot geen oordeel heeft gegeven, de immateriële schade geacht moet worden terstond bij het ongeval te zijn ontstaanNOOT 12  .

2.9 De onderhavige immateriële schade was in al zijn facetten - derving van levensvreugde wegens gemis aan kinderen, de rijkdom van een gezinsleven, het ontbreken van kleinkinderen en het overige genoemde leed - voorzienbaar en te overzien op het moment van het ontstaan ervan. Hoewel er sprake is van verschillende facetten, kan toch worden gesproken van één doorlopende schadeNOOT 13  .

Ik meen daarom dat de verjaringstermijn voor de hier aan de orde zijnde schade op het moment van het schadeveroorzakend handelen, derhalve in 1956, is aangevangen.

B. kan immers vanaf dat moment geacht worden bekend te zijn met de schade, ook met die waarvan te verwachten is dat zij in de toekomst zal worden geleden. Daarbij kan nog worden gewezen op art. 6:105 lid 1 BW, - dat onmiddellijke werking heeft en waarvan wordt aangenomen dat dit ook reeds onder het oude recht goldNOOT 14  - dat de rechter de mogelijkheid biedt toekomstige schade bij voorbaat te begroten of de begroting daarvan uit te stellenNOOT 15  .

2.10 Hierop dient de eerste klacht van middel I af te stuiten.
2.11 Detweede klachtvan middel I is gericht tegen rechtsoverweging 4.3. Voor zover het hof in die overweging mede het oog heeft op de schade die B. na 1961 heeft geleden, is het daarin vervatte oordeel volgens de klacht rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu in de eerdere procedure onmiskenbaar geen oordeel over deze schade is gegeven.

2.12 Voor zover de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 aldus zouden moeten worden gelezen dat zij elk een afwijzingsgrond bevattenNOOT 16  , is sprake van twee gronden die het oordeel van het hof omtrent de schade sub a en b ieder zelfstandig kunnen dragen. In dat geval zou de tweede klacht van het middel bij gebrek aan belang geen bespreking behoeven. M.i. dienen de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.3.1 evenwel als een geheel te worden gelezen.

2.13 Ingevolge art. 67 Rv. komt gezag van gewijsde toe aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, waarbij onder "rechtsbetrekking in geschil" dient te worden verstaan het geschilpunt of de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt.

De strekking van het gezag van gewijsde brengt mee dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe juridische en feitelijke stellingen, op grond waarvan thans anders moet worden geoordeeldNOOT 17  . Hiervan dient wel te worden onderscheiden het geval dat de vordering wordt herhaald op een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelatenNOOT 18  .

2.14 De vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt nauw samen met de inhoud en strekking van die beslissing. Het oordeel daarover is in de eerste plaats een kwestie van uitleg van het eerdere vonnis, hetgeen in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechterNOOT 19  .

2.15 In rechtsoverweging 2.3 van haar vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat in de eerdere procedure definitief is beslist dat de vordering van B. tot vergoeding van de (immateriële) schade als gevolg van de als een onrechtmatige daad te kwalificeren laboratoriumfout in 1956, de daarop gevolgde verkeerde bloedtransfusie en de daardoor veroorzaakte onvrijwillige kinderloosheid, is verjaardNOOT 20  .

2.16 Waar het hof deze vaststelling blijkens rechtsoverweging 4.1 heeft overgenomen, ligt in rechtsoverweging 4.3 het oordeel besloten dat de onderdelen a en b van de vordering geen andere of nieuwe schadeposten vormen, terwijl B. deze onderdelen van haar vordering evenmin heeft gebaseerd op een andere, nog niet beoordeelde feitelijke grondslag, zodat sprake van dezelfde rechtsbetrekking in geschil.

Dit oordeel - dat mede is gebaseerd op een aan het hof voorbehouden uitleg van de beslissing in de eerdere procedure en de daarna ingestelde vordering van B. - geeft in het licht van hetgeen hiervoor werd opgemerkt niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

B. vordert immers wederom vergoeding van de (immateriële) schade als gevolg van de als onrechtmatige daad te kwalificeren laboratoriumfout in 1956, zij het dat zij deze schade thans presenteert als een voortdurende, periodiek te lijden schade en dat zij thans slechts aanspraak maakt op vergoeding van deze schade, voor zover deze na 1961 is opgetreden en geleden.

2.17 De tweede klacht van middel I faalt derhalve eveneens.
2.18Middel IIis gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.4.1. Het klaagt erover dat het hof hierin ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de dagvaarding in de eerdere procedure wat betreft onderdeel c van de vordering geen stuitende werking heeft gehad nu die dagvaarding daarop geen betrekking had.

Betoogd wordt dat onderdeel c van de vordering onmiskenbaar geen nieuwe vordering betreft, maar slechts een nadere schadepost die berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering die destijds bij de dagvaarding van 29 mei 1991 door B. is ingesteld.

2.19 Uit de rechtsoverwegingen 4.2 onder c en 4.4 blijkt dat het hof de stellingen van B. primair aldus heeft opgevat dat zij dit deel van haar vordering baseert op een tweede, zelfstandige onrechtmatige daad van het Ziekenhuis, daarin bestaande dat het Ziekenhuis vanaf 1967 tot 1988 tegenover haar heeft verzwegen dat haar onvrijwillige kinderloosheid te wijten is geweest aan een menselijke fout. In zoverre gaat het bij onderdeel c van de vordering derhalve primair om een zelfstandige vordering met een zelfstandige feitelijke grondslag waarvan de verjaring niet kan zijn gestuit door de dagvaarding van 21 mei 1991.

2.20 Het hof heeft echter daarnaast in rechtsoverweging 4.2 geoordeeld dat het extra leed als gevolg van de verzwijging subsidiair een nieuwe schadepost uit 1988 vormt, hetgeen aldus kan worden verstaan dat het hier gaat om een nadere schadepost die nog voortvloeit uit de als een onrechtmatige daad aan te merken laboratoriumfout in 1956; de later verkregen wetenschap dat het hier om een vermijdbare menselijke fout ging, heeft bij B. extra leed veroorzaakt.

2.21 In rechtsoverweging 4.3.1 heeft het hof overwogen dat ter zake van schadeposten die ten tijde van het schadeveroorzakend handelen niet behoefden te worden verwacht, een aparte verjaringstermijn kan gaan lopen en dat dit aspect aan de orde is bij de schade sub c. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is evenwel niet begrijpelijk of het extra leed in de hierbedoelde zin in 1956 al dan niet behoefde te worden verwacht. Indien voor deze schadepost een aparte verjaringstermijn is aangevangen in 1988, is de verjaring gestuit door de dagvaarding van 21 mei 1991. In zoverre treft middel II dan ook doel.

3. Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
3.1 In rechtsoverweging 4.1 heeft het hof overwogen dat geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Bij zijn beoordeling in hoger beroep is het hof daarom uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde feit dat B. pas in 1988 heeft vernomen dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het Ziekenhuis.

3.2 Het middel komt hiertegen op met een rechtsklacht en een motiveringsklacht. Volgens de rechtsklacht heeft het hof aldus de devolutieve werking van het appel miskend, nu het Ziekenhuis zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft gesteld dat B. reeds in 1967 van de werkelijke toedracht en van het werkelijke causale verband op de hoogte was.

Volgens de motiveringsklacht is bedoelde beslissing van het hof, zo het in de memorie van antwoord geen onuitdrukkelijk incidenteel appel, althans een bezwaar tegen dit door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit heeft gelezen, in het licht van de gedingstukken van het Ziekenhuis in elk geval onbegrijpelijk.

3.3 De devolutieve werking van het appel strekt ter bescherming van de geïntimeerde die daardoor wordt behoed voor de nadelige gevolgen van het niet instellen van incidenteel beroep en brengt aldus mee dat een partij die een voor haar gunstig vonnis heeft verkregen harerzijds niet incidenteel behoeft te appelleren om haar niet prijsgegeven stellingen en weren in hoger beroep herbeoordeeld te krijgenNOOT 21  .

Op grond van deze strekking meen ik dat de regel ook geldt voor de vastgestelde feiten, ook indien het hof de grond waarop de rechtbank over dezelfde kwestie een voor geïntimeerde gunstig oordeel heeft gegeven, bekrachtigt. In geval van cassatie behoudt hij hierbij met het oog op de procedure na cassatie immers belang. Waar het Ziekenhuis in hoger beroep nogmaals uitdrukkelijk heeft gesteld dat B. reeds in 1967 wist van de gemaakte fout geeft het oordeel van het hof onder 4.1 derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtsklacht van het middel treft derhalve doel, zodat de motiveringsklacht geen bespreking behoeft.

4. Conclusie in het principaal en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Deze strekt tot vernietiging en verwijzing.




Voetnoten
1  [Terug]  Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 januari 1998, het bestreden arrest en het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel.

 
2  [Terug]  MvG in de eerdere procedure, nr. 1.4.

 
3  [Terug]  S.t. mr Snijders in de eerdere procedure, nrs. 1.4-1.6.

 
4  [Terug]  De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 4 september 2000.

 
5  [Terug]  Ik volg de volgorde van de klachten in de cassatiedagvaarding; in de schriftelijke toelichting wordt gesteld dat middel I zich in de eerste plaats keert tegen r.o. 4.3.

 
6  [Terug]  HR 27 november 1964,NJ 1965, 51  ; HR 4 maart 1966,NJ 1966, 215  ; HR 22 september 1995,NJ 1997, 418  .

 
7  [Terug]  HR 24 mei 1991,NJ 1992, 246  ; HR 11 september 1992,NJ 1992, 746  ; HR 22 september 1995,NJ 1997, 418  ; HR 29 september 1995,NJ 1997, 419  .

 
8  [Terug]  Voor een overzicht van de opvattingen in de literatuur zou ik op dit punt kortheidshalve willen verwijzen naar de conclusie van de A-G Hartkamp vóór het arrest van 3 november 1995, nr. 7. Zie ook Asser-Hartkamp, 4-I, 2000, nr. 674a en de daar genoemde literatuur en de conclusie van wnd A-G Bloembergen vóór HR 17 oktober 1997,NJ 1998, 508  onder 2.4.

 
9  [Terug]  Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965, blz. 131-132.

 
10  [Terug]  C.J.M. Klaassen, Het moment van ontstaan van schade, preadvies voor de vereniging van Burgerlijk recht, 1998, blz. 26.

 
11  [Terug]  S.W Lindenbergh, Smartengeld, proefschrift, 1998, blz. 309.

 
12  [Terug]  Zie r.o. 3.11. De Hoge Raad overweegt echter ook uitdrukkelijk dat deze zienswijze in dat geding niet is betwist. Zie over dit arrest Schadevergoeding, Deurvorst, art. 106, aant. 19; Wachter, A&V 1997, blz.152 e.v.; Dommering-van Rongen, NTBR 1998, blz. 81 e.v.

 
13  [Terug]  Het Duitse recht spreekt in dit verband van een "Schadenseinheit", Schuldrecht IV/2, 1998, blz. 703. In zoverre verschilt deze zaak van HR 11 september 1992,NJ 1992, 746  , waarin de periodiek te verschijnen schadeposten telkens duidelijk konden worden aangewezen.

 
14  [Terug]  Oostveen 2001 (T&C BW) art. 6:105 BW, aant. 5 en 6, onder verwijzing naar Asser-Hartkamp 4-I, 1992, blz. 362-364 en MvT, Parl. Gesch. Ow, blz. 308. Daar is dit overigens niet met zoveel woorden te vinden.

 
15  [Terug]  Zie ook de conclusie van A-G Hartkamp vóór het arrest in de eerdere procedure onder 7.

 
16  [Terug]  Zie de schriftelijke toelichting van mr. Von Schmidt auf Altenstadt onder 3.9.

 
17  [Terug]  Hierover uitgebreid: D.J. Veegens, Het gezag van gewijsde, 1972; Burgerlijke rechtsvordering, Asser, art. 67, aant. 6-10; Y.E.M. Beukers, Eenmaal, andermaal?, 1994; E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde, 1994, allen met (veel) verdere verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.

 
18  [Terug]  Burgerlijke rechtsvordering, Asser, art. 67, aant. 7 en 8.

 
19  [Terug]  Vgl. de conclusie van A-G Asser vóór HR 19 november 1993,NJ 1994, 175  (nr. 2.16). Zie ook de noot van Vranken onder HR 14 oktober 1988,. Zie ook: HR 13 oktober 2000,.

 
20  [Terug]  In het vonnis van de rechtbank is sprake van een foutieve nummering; in werkelijkheid gaat het om rov. 2.4.

 
21  [Terug]  HR 17 oktober 1986,NJ 1987, 124  ; HR 10 juni 1988,NJ 1989, 30  (JBMV); HR 29 mei 1998,NJ 1999, 287  ; Ras, De grenzen v