Verzekeraar vertegenwoordigt


Hof Den Haag 18-04-1995 VR 1996, 23
art. 6:83b, 6:96 lid 2c BW, 11 RVV-1990

Het is een feit van algemene bekendheid, dat in gevallen als het onderhavige de WA-verzekeraar van de verzekerde verlangt dat alle correspondentie aan eerstgenoemde wordt doorgestuurd danwel door deze wordt gevoerd, zodat de verzekeraar als de vertegenwoordiger van de verzekerde moet worden aangemerkt, hetgeen onverlet laat dat de WA-verzekeraar ook uit eigen hoofde aansprakelijk is. Rente-aanzegging aan verzekeraar geldt ook als tot verzekerde gericht.

HOF DEN HAAG (mrs Van Meerten, Van Schellen, Hehemann),
18 april 1995

W. van der Linden,
appellante,
procureur en advocaat: mr P.C.M. de Graaf,
tegen
Ziekenfonds Het Groene Land UA,
geïntimeerde,
procureur en advocaat: mr F.H.T. Munneke-Lourens.
Post alia:
1. Op 9 juli 1991 heeft te Zeewolde op de openbare weg, de Dasselaarweg, een aanrijding plaatsgevonden tussen een personenauto, bestuurd door appellante en een kinderfiets bestuurd door de dertienjarige benadeelde, verzekerde van geïntimeerde. Benadeelde is daarbij gewond geraakt en heeft schade geleden.

2. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder deze aanrijding heeft plaatsgevonden staat vast, dat appellante ter plaatse, waar een maximumsnelheid gold van 50 km per uur, met een snelheid van tenminste 55 km per uur benadeelde heeft ingehaald, die rechts van de weg reed. De weg, zes meter breed en verdeeld in twee rijstroken, werd begrensd door een zachte berm. Uit tegenovergestelde richting naderde een auto, zodat appellante niet naar de voor haar linkerkant van de weg kon uitwijken. De door appellante bestuurde auto was 1.65 m breed. De door appellante bestuurde auto vertoonde schade bestaande, volgens het aanrijdingsformulier uit "een kras op raam en op auto", terwijl op dit formulier is aangegeven met een pijl, dat de eerste aanraking met de auto heeft plaatsgevonden ter hoogte van de voorruit.

Niet gesteld of gebleken is dat appellante snelheid heeft geminderd noch dat appellante een waarschuwingssignaal heeft gegeven.

3. Appellante stelt dat benadeelde bij het passeren onverwacht hevig is gaan slingeren, terwijl geïntimeerde stelt, dat benadeelde door appellante is geschept.

4. Gegeven de leeftijd van benadeelde en het feit dat zij op een kinderfiets reed, moet appellante hebben kunnen waarnemen dat zij een kind ging passeren. Gelet op het uit ervaringsregels bekend verkeersgedrag van jeugdige verkeersdeelnemers had appellante dit met grote voorzichtigheid moeten doen en had zij rekening moeten houden met de mogelijkheid dat in de gegeven situatie benadeelde een slingerbeweging zou kunnen maken. Appellante heeft haar verkeersgedrag daaraan niet aangepast. In de gegeven omstandigheden kan benadeelde van haar veronderstelde wijze van rijden geen verwijt worden gemaakt, zodat aan appellante voor 100% de door benadeelde geleden schade moet worden toegerekend. Geïntimeerde als regresnemende verzekeraar treedt in dit geval volledig in de rechten van haar verzekerde.

5. Overigens is het hof van oordeel, dat, zelfs afgezien van de jeugdige leeftijd van de fietsster, de beslissing van appellante de fietsster te gaan inhalen met de door haarzelf opgegeven snelheid onder de gegeven omstandigheden onverantwoord is. Zij had onder die omstandigheden bedacht moeten zijn op de mogelijkheid van een aanrijding en haar snelheid aan de situatie moeten aanpassen. Indien de aanrijding mede te wijten zou zijn aan een slingerende beweging van de fietsster dan is die in hoge mate veroorzaakt door het rijgedrag van appellante, zodat, voorzover de fietsster daarvan al een verwijt zou kunnen worden gemaakt, de schuld van de fietsster in het niet zinkt bij de schuld van appellante.

6. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie, dat er geen grond is de verhaalsvordering van geïntimeerde te beperken op grond van de zgn. billijkheidscorrectie, omdat bij vaststelling van de aansprakelijkheid van appellante daarmee geen rekening is gehouden. De gevorderde hoofdsom, bestaande uit het bedrag, dat geïntimeerde als verzekeraar ten behoeve van benadeelde heeft betaald, is derhalve terecht door de rechtbank toegewezen zodat de grieven I tot en met III falen.

7. Grief IV stelt allereerst de vraag aan de orde of geïntimeerde de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten op appellante kan verhalen, welke vraag de rechtbank naar appellantes oordeel ten onrechte bevestigend heeft beantwoord. Voorts betwist appellante de omvang van het door de rechtbank terzake toegewezen bedrag.

8. Het verhaalsrecht van geïntimeerde omvat het recht de ten behoeve van het slachtoffer betaalde kosten, welke een gevolg zijn van het ongeval op de aansprakelijke te verhalen. Met name biedt dit verhaalsrecht, anders dan bij regres ingevolge de VOA, niet de mogelijkheid ook voordelen te behalen. In een dergelijk geval acht het hof in de maatstaven van redelijkheid en billijkheid voldoende grond de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten ten laste van de veroorzaker van het ongeval te brengen. In zoverre faalt de grief.

9. Terzake van de omvang van de kosten heeft appellante gemotiveerd de opgave voor geïntimeerde van de kosten betwist. Het komt het hof voor dat van het totaal van de in rekening gebrachte kosten een groter deel als tot de door de artikelen 56 en 57 Rv bestreken kosten dient te worden gerekend dan geïntimeerde heeft gedaan, waarbij het hof met name denkt aan de als buitengerechtelijke kosten opgevoerde studiekosten. Het hof is van oordeel, dat, alles afwegende, in dit geval als redelijke kosten een bedrag van ƒ 2000 voor vergoeding als buitengerechtelijke kosten in aanmerking komt. Nu geïntimeerde volgens eigen opgave BTW-plichtig is, is de door de raadsman in rekening te brengen BTW voor haar een verrekenpost, zodat deze niet door geïntimeerde gedragen wordt en niet afzonderlijk vergoed hoeft te worden. In zoverre slaagt grief IV.

10. Grief V bestrijdt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente. Het hof kan appellante niet volgen in haar opvatting dat de aanzegging van rente aan de WA-assuradeur van appellante niet als tot haar gericht kan worden beschouwd. Het is een feit van algemene bekendheid, dat in gevallen als het onderhavige de WA-verzekeraar van de verzekerde verlangt dat alle correspondentie aan eerstgenoemde wordt doorgestuurd danwel door deze wordt gevoerd, zodat de verzekeraar als de vertegenwoordiger van de verzekerde moet worden aangemerkt, hetgeen onverlet laat dat de WA-verzekeraar ook uit eigen hoofde aansprakelijk is.

11. De vordering van geïntimeerde als regresnemende verzekeraar vloeit voort uit de wet en strekt tot betaling van een geldsom. De vordering ontstaat op het moment of de momenten dat de verzekeraar betaald heeft. Deze momenten staan in deze procedure niet vast, maar liggen volgens geïntimeerde in 1992. Gezien de sommatie, d.d. 17 juni 1992 komt dit het hof niet onwaarschijnlijk voor, omdat geïntimeerde er alle belang bij had, indien zij eerder betaald had, eerder te sommeren. Appellante is de op haar rustende, uit de wet voortvloeiende, verbintenis tegenover geïntimeerde niet nagekomen, hetgeen haar kan worden toegerekend. Naar luidt van artikel 6:74 BW verplicht iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis tot schadevergoeding, welke in een geval als het onderhavige bestaat in vergoeding van de wettelijke rente. Ingevolge artikel 6:83 sub b BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in, wanneer de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Geïntimeerde mag derhalve in ieder geval vanaf 18 juli 1992 aanspraak maken op de wettelijke rente.