Verzekeraar vertegenwoordigt verzekerde niet automatisch


Hof Den Bosch 30-07-1997 VR 1998, 70
Art. 6 WAM, 3:310 BW, 73 Ow

Het standpunt dat een aansprakelijkheidsverzekeraar vertegenwoordiger is van haar verzekerde vindt geen steun in enige rechtsregel.
Dat een verzekerde op verzoek van de benadeelde bevestigt dat hij een duplicaat van de brief van de benadeelde aan de verzekeraar zond impliceert niet dat de verzekeraar de verzekerde mocht vertegenwoordigen.
De benadeelde had zich moeten vergewissen of de verzekeraar de verzekerde mocht vertegenwoordigen, zeker omdat de verzekeraar liet weten zich niet zonder meer als vertegenwoordiger te beschouwen.

VR 1998/70
HOF DEN BOSCH
(mrs Goossens, Brandenburg, Van Schaik-Veltman),
30 juli 1997

De Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen,
appellante,
procureur: jhr mr F.F.C.M. van Rijckevorsel,
tegen
A.A. van Son-Sekhuis,
geïntimeerde,
procureur: mr W.M.C. van der Eerden.
Uit het vonnisRb. Den Boschd.d. 16 februari 1996:
2.4. Eiseres heeft gedaagde bij brief van 24 oktober 1990 (4,5 jaar na het ongeval) aansprakelijk gesteld voor de geleden schade en een kopie van die brief is door eiseres op dezelfde datum verzonden aan de WAM-verzekeraar van gedaagde, de Europeesche Verzekering Maatschappij NV, nader te noemen "de Europeesche". Vervolgens heeft eiseres met de Europeesche onderhandeld over een mogelijke schikking, ook al was de vordering jegens de Europeesche zelf als WAM-verzekeraar inmiddels verjaard. De Europeesche heeft zich echter uiteindelijk op het standpunt gesteld dat de vordering van eiseres op gedaagde ook zou zijn verjaard, enerzijds omdat de stuiting van de verjaring door eiseres niet aan gedaagde maar aan de Europeesche was gericht en anderzijds omdat die stuiting niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Eiseres voert in dat kader aan dat zij de Europeesche onder de gegeven omstandigheden mocht beschouwen als vertegenwoordiger van gedaagde: gedaagde heeft de aansprakelijkstelling door eiseres d.d. 24 oktober 1990 doorgezonden aan de Europeesche, en heeft daarvan aan eiseres mededeling gedaan, waarna de onderhandelingen begonnen. Een en ander blijkt uit een brief van 6/7 december 1990 van eiseres aan de Europeesche waarvan een afschrift bij conclusie van repliek is overgelegd. De inhoud van die brief luidt als volgt:

"In antwoord op uw bovenvermeld schrijven delen wij u mede dat ingevolge het bepaalde in artikel 10 lid 1 van de WAM de vordering op u inderdaad is verjaard, maar echter niet op uw cliënt. Uw cliënt deelde ons mede een duplicaat van onze aansprakelijkstelling reeds naar u te hebben gezonden. Indien U dat wenst zal onze ongevalsverzekeringsgeneeskundige uw medisch-adviseur inlichten indien u aansprakelijkheid erkent. Gaarne vernemen wij van u wanneer wij uw schadekwitantie tegemoet mogen zien". Aldus heeft gedaagde de Europeesche als haar vertegenwoordiger aangewezen, althans in ieder geval jegens eiseres de schijn gewekt dat dat het geval was. Immers, bij brief van 18 december 1990 schreef de Europeesche eiseres, dat zij zich afvroeg of er, gelet op het ontbreken van "WAM-dekking", nog wel een taak voor haar was weggelegd, en dat zij zulks nader zou onderzoeken. Daarna is de Europeesche bij brief van 4 januari 1991 aan eiseres inhoudelijk op de zaak ingegaan en heeft zij een schikkingsvoorstel gedaan. Aldus heeft de Europeesche zich als vertegenwoordiger van gedaagde opgeworpen. Nu de termijn van de WAM was verstreken kan haar inhoudelijke bemoeienis met de zaak niet anders worden begrepen dan als een daad van vertegenwoordiging. Eiseres mocht derhalve redelijkerwijs aannemen dat een toereikende volmacht was verleend op grond van de verklaring en de gedraging van gedaagde.

In 1992 zijn door het GAK in zijn hoedanigheid van administrateur van eiseres drie, (waarvan twee aangetekende) brieven verstuurd aan de Europeesche, respectievelijk gedateerd 20 juli, 4 december en 8 december 1992 (producties 5 tot en met 7 bij eis). Uit de inhoud van deze brieven vloeit ondubbelzinnig voort dat eiseres zich haar recht op nakoming voorbehield en voorbehoudt, zodat deze brieven hebben te gelden als sommaties tot betaling.

Het hof
Post alia:
3.De gronden van het hoger beroep
De door BV 25 voorgedragen grief luidt:
Ten onrechte heeft de rechtbank in r.o. 3.1 van haar vonnis overwogen en beslist dat BV 25 niet mocht vertrouwen dat Van Son de Europeesche volmacht had gegeven om haar te vertegenwoordigen, en heeft zij dienovereenkomstig beslist dat BV 25 niet ontvankelijk is in haar vordering.

4.De beoordeling
4.1. De vordering van BV 25 strekt tot verhaal van door haar aan haar verzekerde Meulesteen betaalde en nog te betalen bedragen wegens ziekengeld en WAO-uitkeringen. BV 25 acht Van Son voor die vergoedingen aan Meulesteen aansprakelijk, omdat deze kosten de schade betreffen die Meulesteen heeft geleden en lijdt tengevolge van een aanrijding op 14 maart 1986 tussen hem als bestuurder van een motor en Van Son als bestuurster van een auto, welke aanrijding volgens BV 25 aan de schuld van Van Son is te wijten.

4.2. Bij brief van 24 oktober 1990 (productie 1 bij memorie van grieven) heeft het GAK namens BV 25 jegens Van Son aanspraak gemaakt op betaling door Van Son van het aan Meulesteen uitgekeerde ziekengeld. In die brief heeft het GAK Van Son aanbevolen een afschrift van die brief aan haar wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar toe te zenden. Het GAK heeft voorts in die brief aan Van Son de gegevens van haar verzekering gevraagd.

BV 25 heeft zich te zelfder tijd ook tot de WA-verzekeraar van Van Son - de Europeesche Verzekering Maatschappij NV - gericht. Bij brief van 1 november 1990 (productie 2 bij memorie van grieven) heeft de Europeesche hierop laten weten dat de rechtstreekse aanspraak van BV 25 jegens haar ingevolge het bepaalde in art. 10 lid 1 van de WAM was verjaard.

Bij brief van 6 december 1990 aan de Europeesche (productie 5 bij conclusie van repliek, productie 3 bij memorie van grieven) heeft BV 25 die verjaring erkend doch opgemerkt dat zulks niet gold voor de vordering op Van Son. BV 25 heeft daaraan toegevoegd dat Van Son haar had meegedeeld een duplicaat van haar aansprakelijkheidstelling door BV 25 aan de Europeesche te hebben gezonden.

Bij brief van 18 december 1990 (productie 6 bij conclusie van repliek en productie 4 bij memorie van grieven) heeft de Europeesche hierop gereageerd dat zij niet wilde treden in de vraag of de vordering van BV 25 op Van Son was verjaard, dat zij nog onderzocht of en in hoeverre in verband met het ontbreken van WAM-dekking in dezen voor haar nog een taak was weggelegd en dat zij, onder voorbehoud van alle rechten en weren, BV 25 verzocht intussen te reageren op de door haar eerder opgeworpen vragen.

Hierna is door de Europeesche bij brief van 4 januari 1991 (productie 4 bij conclusie van eis, productie 5 bij memorie van grieven) inhoudelijk op de zaak ingegaan en een schikkingsvoorstel gedaan. Het GAK te Amsterdam heeft dit voorstel bij brief van 20 juli 1992 Europeesche betaling verzocht van het in die brief vermelde bedrag. Bij brieven van 4 december 1992 en 8 december 1992 aan de Europeesche (producties 6 en 7 bij conclusie van eis) heeft het GAK opnieuw aanspraak gemaakt op wettelijke rente.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van BV 25 op Van Son ingevolge art. 3:310 BW jo art. 73 Overgangswet nieuw BW per 1 januari 1993 is verjaard, indien geen stuiting van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft in haar bestreden vonnis derhalve terecht de vraag vooropgesteld of de hiervoor vermelde brieven van het GAK (in diens hoedanigheid van administrateur van BV 25) van 20 juli 1992, 4 december 1992 en 8 december 1992 aan de Europeesche de verjaring van de vordering van BV 25 jegens Van Son al dan niet hebben gestuit.

4.4. Het primaire standpunt van BV 25 in hoger beroep dat de Europeesche op grond van haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van Van Son als vertegenwoordiger van Van Son dient te worden beschouwd, moet worden verworpen. Dit standpunt vindt geen steun in enige rechtsregel.

4.5. Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat de enkele mededeling eind 1990 van Van Son aan BV 25 dat zij een duplicaat van haar aansprakelijkstelling door BV 25 aan de Europeesche had toegezonden niet als een zodanige gedraging van Van Son kan worden beschouwd dat BV 25 op grond daarvan mocht aannemen dat de Europeesche gerechtigd was Van Son terzake die aanspraak te vertegenwoordigen. De enkele omstandigheid dat het niet ongebruikelijk is dat een verzekerde de afwikkeling van een aanspraak op schadevergoeding overlaat aan haar verzekeringsmaatschappij, doet daaraan niet af. Het had op de weg van BV 25 gelegen zich ervan te vergewissen of zij na de doorzending - op haar aanbeveling - door Van Son aan de Europeesche van het duplicaat van haar aansprakelijkstelling voor wat Van Son betrof zich voor de verdere afwikkeling van die aansprakelijkstelling tot de Europeesche zou kunnen wenden.

Voor het verkrijgen van die zekerheid was in elk geval aanleiding, toen BV 25 uit de brief van 18 december 1990 van de Europeesche moest begrijpen dat deze laatste zich niet zonder meer als vertegenwoordiger van Van Son beschouwde.

4.6. Die situatie werd niet anders doordat door de Europeesche bij brief van 4 januari 1991 een schikkingsvoorstel werd gedaan. Anders dan BV 25 wil doen betogen, mocht zij aan de omstandigheid dat de Europeesche, in weerwil van het feit dat de rechtstreekse aanspraak van BV 25 op haar was verjaard, zich met deze aangelegenheid bleef bezighouden, niet het vermoeden ontlenen dat de Europeesche namens, d.w.z. als gevolmachtigde van Van Son, dat schikkingsvoorstel deed. Die verjaring stond er immers op zichzelf niet aan in de weg dat de Europeesche er niettemin een zelfstandig belang bij kon hebben met BV 25 tot een schikking te geraken.

4.7. Gezien het hiervoor overwogene moet ook de subsidiaire stelling van BV 25 dat zij de Europeesche als vertegenwoordiger van Van Son mocht beschouwen, worden verworpen.

Dit betekent dat de verjaring van de vordering van BV 25 op Van Son niet is gestuit door de door BV 25 aan de Europeesche gerichte brieven van 20 juli 1992, 4 december 1992 en 8 december 1992.

De door BV 25 aangevoerde grief treft geen doel. Het vonnis van de rechtbank kan worden bekrachtigd. BV 25 zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.

(enz.;red. VR)