Arbeidsongeval verjaring vertegenwoordiging


Rb Amsterdam 20-12-2000 VR 2002, 146
3:317 BW en 7:658 BW

Door de afwikkeling van de aansprakelijkstelling geheel aan de aansprakelijkheidsassuradeur over te laten heeft de schuldenaar tegenover de eiser de schijn gewekt dat de aansprakelijkheidsassuradeur bevoegd was haar met betrekking tot eisers vordering op de schuldenaar te vertegenwoordigen.
Het overlaten kan afgeleid worden uit het niet reageren door de verzekerde op de aansprakelijkstelling en een herinnering.

VR 2002/146
RECHTBANK AMSTERDAM
(mrs Beukenhorst, Pompe, Van Harmelen),
20 december 2000
art. 3:317 lid 1, 7:658 BW

A. Moelker, eiser in hoger beroep,
procureur: mr W.H. van Baren,
tegen
Nestlé Nederland BV,
gedaagde in hoger beroep,
procureur: mr P.C.J. Twaalfhoven.
Uit het vonnis vanKtg. Amsterdamd.d. 10 juli 1997:
Gronden van de beslissing
1. Uitgegaan wordt van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:
1.1. Op 13 juni 1985 is er een brand ontstaan in een koffiebrander die was geplaatst in de toenmalige koffiebranderij van gedaagde in Rotterdam.

1.2. Eiser was op het moment van het ongeval in dienst van gedaagde en werkzaam bij deze koffiebrander.
1.3. Eiser heeft getracht de brand te blussen. Hij werd daarbij gehinderd door het feit dat op het moment van de brand de druk op de waterleiding was weggevallen tengevolge van een breuk in de hoofdwaterleidingbuis van de gemeente Rotterdam.

1.4. Bij de koffiebrander bevond zich geen hydrofoorinstallatie. Dit was wel het geval bij de koffiepoedertorens in het bedrijf van gedaagde.

2.1. Eiser heeft gesteld dat hij tengevolge van het genoemde ongeval ernstig letsel heeft opgelopen. Hij heeft bij de brand rook ingeademd. Tengevolge hiervan is een long zodanig beschadigd dat een deel ervan is verwijderd. Overgebleven echter is een longemfyseem en veel klachten van kortademigheid.

2.2. Gedaagde is in de visie van eiser aansprakelijk voor genoemde en overige schade. Gedaagde immers heeft er niet voor gezorgd dat de betreffende koffiebrander over een hydrofoorinstallatie beschikte, wat wel het geval was bij de andere koffiebranders. Gedaagde heeft evenmin voldoende maatregelen genomen waardoor hij bij het blussen van de regelmatig voorkomende branden lichamelijk letsel had kunnen voorkomen. Zo ontbraken zuurstofmaskers.

3.1. Gedaagde heeft een en ander bestreden. Zij heeft allereerst aangevoerd dat een mogelijke vordering van eiser verjaard is. Het ongeval immers vond plaats op 13 juni 1985. Op grond van de overgangsbepalingen behorende bij de invoeringswet van het (toenmalig) NBW, dat op 1 januari 1992 in werking is getreden, had - en ook eiser is het daarmee eens - eiser voor 1 januari 1993 de verjaringstermijn rechtsgeldig moeten stuiten. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat dat niet is geschied. De brief van 24 december 1992 aan Zürich Verzekeringen, de WA-assuradeur van gedaagde, heeft de verjaring niet gestuit omdat zij niet was geadresseerd aan gedaagde. Zij beroept zich op dit punt op een uitspraak van de rechtbank Assen, die in dezelfde zin heeft beslist.

3.2. Gedaagde heeft verder de aansprakelijkheid aan het ongeval ontkend. Het feit dat op de dag van de brand geen waterdruk in het leidingnet van haar fabriek in Rotterdam was, is niet haar te verwijten, maar valt te kwalificeren als overmacht. Ook het ontbreken van een hydrofoor bij de koffiebrander is haar niet aan te rekenen. In ruim dertig jaar is er nimmer een probleem bij een koffiebrander als waar het in deze procedure om gaat ontstaan. Ook voor aanwezigheid van zuurstofmaskers bestaat geen noodzaak. Nog nimmer immers hadden zich brandjes voorgedaan waarbij deze maskers nuttig of noodzakelijk waren. De Arbeidsinspectie heeft bovendien nimmer op de aanwezigheid ervan aangedrongen.

3.3. Tot slot heeft gedaagde ook ontkend dat eiser het door hem gestelde letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeval op 13 juni 1985. Zij heeft erop gewezen dat eiser al voor die datum longklachten had.

3.4. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de bewijslast met betrekking tot de feitelijke toedracht van het ongeval en de gestelde letselgevolgen volledig op eiser drukken. Zij heeft er daarbij op gewezen dat op het onderhavige ongeval artikel 7A:1638x (oud) BW van toepassing is.

4. Geoordeeld wordt als volgt.
Verjaring
4.1. Partijen zijn het erover eens dat de vordering zou zijn verjaard per 1 januari 1993, tenzij de verjaring in 1992 zou zijn gestuit en dat eiser om dit doel te bereiken niets anders heeft gedaan dan het versturen van genoemde brief van 14 december 1992.

4.2. Stuiting als waarvan hier sprake is vindt plaats door een schriftelijke aanmaning of mededeling. Aanmaning of mededeling moeten, in een ander geval mist deze wettelijke bepaling iedere zin, bestemd zijn voor de partij die, zonder een dergelijke uiting, de mogelijkheid krijgt zich op de verjaring te beroepen. Zij moeten tevens een voldoende duidelijke waarschuwing zijn aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat er nog een procedure kan volgen.

4.3. Allereerst valt op dat de brief van 24 december 1992 is geschreven aan Zürich Verzekeringen, de assuradeur van gedaagde, en niet aan gedaagde zelf. Dit hoeft niet per se te betekenen dat de mededeling niet bestemd was voor en gericht was tot gedaagde.

4.4. Verder valt op dat in deze brief met geen woord over de aansprakelijkheid van gedaagde wordt gerept. Eiser houdt zich immers het recht voor nakoming te vorderen van de op Zürich rustende verbintenis jegens hem.

4.5. Gelet op deze twee feiten tezamen kan niet worden aangenomen dat de brief van 24 december 1994 een voldoende duidelijke waarschuwing aan gedaagde inhoudt, als hierboven overwogen.

4.6. Bovenstaande houdt in dat de vordering van eiser op gedaagde verjaard is. De meer inhoudelijke geschillen die partijen verdeeld hielden behoeven dan ook niet beoordeeld te worden. Eiser dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij en te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De rechtbank
Post alia:
Gronden van de beslissing
(...)
6. Vaststaat dat de vordering van Moelker per 1 januari 1993 is verjaard, tenzij de verjaring voordien rechtsgeldig is gestuit. Moelker stelt, onder verwijzing naar een door zijn raadsman aan de WA-verzekeraar van Nestlé, Zürich Verzekeringen (hierna: Zürich) verstuurde brief van 24 december 1992 (hierna: de brief), dat dit het geval is. Voor zover van belang luidt de brief als volgt:

"Van mijn kantoorgenoot mr J. Houkes heb ik de behandeling van bovengenoemde kwestie overgenomen (betreffende de door cliënt, de heer Moelker geleden schade). Tot een oplossing in dezen is het nog niet gekomen. Ik zal daarom eerdaags de dagvaarding laten uitgaan.

Ter voorkoming van enig verval van rechten van cliënt, bericht ik u hierdoor dat cliënt zich uitdrukkelijk het recht voorbehoud nakoming te vorderen van de op u rustende verbintenis jegens hem.

U dient dit schrijven te beschouwen als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 BW; de vordering is hierdoor gestuit".

7. Wil het beroep van Moelker op de stuiting van de verjaring slagen, dan zal moeten worden vastgesteld dat de brief een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW behelst en dat Zürich daarbij als vertegenwoordiger van Nestlé kan worden aangemerkt, althans dat Nestlé bij Moelker de schijn heeft gewekt dat Zürich gerechtigd was haar in deze te vertegenwoordigen. In dat geval kan de brief immers worden beschouwd als te zijn gericht aan Nestlé.

Uitgangspunt is dat de brief voor 1 januari 1993 door Zürich is ontvangen, aangezien Nestlé niet heeft gesteld dat zulks niet het geval is geweest. Haar in eerste aanleg geopperde veronderstelling dat Zürich in verband met de tussenliggende kerstdagen en de jaarwisseling waarschijnlijk pas in 1993 van de inhoud heeft kennis genomen is te vaag om daaraan gevolgen te verbinden.

8. Vooropgesteld wordt dat de woorden in artikel 3:317 lid 1 BW "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt" moeten worden begrepen in het licht van een stuitingshandeling van deze aard: het moet gaan om een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de brief heeft Moelker deze waarschuwing aan Nestlé willen geven. Duidelijk is dat Moelker beoogde de verjaring van zijn vordering op Nestlé op de wettelijk voorgeschreven wijze te stuiten. In de brief wordt letterlijk gezegd dat Moelker zich het recht om nakoming te vorderen voorbehoudt en dat het schrijven beschouwd dient te worden als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 BW. De daarop volgende zinsnede dat hierdoor de vordering gestuit is kan niet anders dan als een verschrijving worden gezien (in plaats van 'vordering' moet verjaring gelezen worden) en doet niet af aan de duidelijk strekking van de brief.

Ditzelfde geldt ook voor het in de brief genoemde 'verval van rechten'. Voorts valt niet in te zien dat Zürich in de veronderstelling kan hebben verkeerd dat Moelker doelde op de situatie als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:317 BW. De vordering van Moelker op Nestlé betreft de nakoming van een verbintenis (namelijk tot schadevergoeding) en is geen rechtsvordering als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:317 BW. Zoals hierna zal worden besproken had Moelker in de voorafgaande jaren steeds met Zürich gecorrespondeerd over de afwikkeling van zijn vordering op Nestlé en was Zürich volledig op de hoogte van de aard van de vordering (het referentienummer van Zürich is in de brief weergegeven). Dat in de brief ten onrechte Zürich en niet Nestlé als schuldenaar vermeld is, kan dan ook bij Zürich niet tot misverstanden hebben geleid. De brief kan immers niet los worden gezien van de daaraan voorafgegane contacten tussen Zürich en Nestlé enerzijds en Moelker anderzijds.

9. Aan de brief is - in het kort - het volgende voorafgegaan.
Bij brief aan Nestlé van 31 maart 1987 heeft Bureau Pals BV namens Moelker Nestlé aansprakelijk gesteld voor alle door Moelker als gevolg van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade. Op 16 april 1987 heeft Zürich - onder verwijzing naar de door haar verzekerde ontvangen brief van 31 maart 1987 - aan Bureau Pals BV meegedeeld dat zij aan Expertisebureau Takkenberg Groot verzocht hadden om een schuldvraagonderzoek in te stellen en sans préjudice de schade vast te stellen. Van Nestlé zelf heeft Moelker geen reactie op de aansprakelijkstelling ontvangen. Expertisebureau Takkenberg Groot heeft vervolgens op 9 juni 1987 een rapport uitgebracht. Dit heeft niet tot een erkenning van de aansprakelijkheid zijdens Nestlé geleid.

Op 27 december 1988 heeft de toenmalig raadsman van Moelker (aan wie het dossier inmiddels was overgedragen) Nestlé aangeschreven en haar, met aanzegging van de wettelijke rente, nogmaals aansprakelijk gesteld voor de door Moelker geleden en nog te lijden schade. Ook op deze brief heeft Moelker geen reactie van Nestlé zelf ontvangen. Wel heeft bij brief van 17 januari 1989 Zürich gereageerd en de aansprakelijkheid afgewezen.

Bij brief van 15 juni 1992 heeft de opvolgend raadsman van Moelker zich tot Zürich gewend en aangegeven dat hij Nestlé aansprakelijk achtte op grond van artikel 1638x BW. Zürich heeft bij brief van 16 september 1992 dit standpunt afgewezen en haar afwijzend standpunt ten aanzien van de aansprakelijkheid gehandhaafd.

10. Door - zoals uit vorenstaande blijkt - de afwikkeling van de aansprakelijkstelling geheel aan Zürich over te laten heeft Nestlé in elk geval tegenover Moelker de schijn gewekt dat Zürich bevoegd was haar met betrekking tot zijn vordering op Nestlé te vertegenwoordigen. Met name heeft Moelker dit mogen afleiden uit het feit dat Nestlé niet rechtstreeks op aan haar gerichte brieven heeft gereageerd, maar hem naar Zürich heeft verwezen door de beantwoording van deze brieven aan Zürich over te laten. Voor zover Moelker dan ook ten onrechte heeft verondersteld dat Zürich bevoegd was om Nestlé te vertegenwoordigen, kan Nestlé dit niet aan hem tegenwerpen. Dit betekent, gelet ook op het hiervoor onder 8 overwogene, dat de grieven slagen. De verjaring van de vordering van Moelker is door de brief gestuit.

11. Vorenstaande brengt met zich dat het geschil thans inhoudelijk beoordeeld dient te worden.
12. Moelker stelt dat Nestlé zowel op grond van artikel 1638x (oud) BW als op grond van artikel 7:658 (huidig) BW aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade. Volgens Moelker is Nestlé tekort geschoten in haar verplichtingen jegens hem door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Zo beschikte de koffiebrander waarin de brand is ontstaan, in tegenstelling tot de koffiepoedertoren, niet over een hydrofoorinstallatie die de brand (sneller) had kunnen blussen. Voorts was de brandmelder bij de koffiebrander niet in te slaan, waardoor Moelker anderen niet van de brand op de hoogte kon stellen en is de brandweer pas een kwartier na het uitbreken van de brand gewaarschuwd. Evenmin heeft Nestlé voldoende maatregelen getroffen om bij de regelmatig voorkomende branden lichamelijk letsel te voorkomen. Zo waren er geen zuurstofmaskers voorhanden. Aldus Moelker.

13. Nestlé heft de aansprakelijkheid voor het ongeval ontkend. Zij beroept zich op overmacht, stellende dat haar niet kan worden aangerekend dat op de dag van de brand in de gemeentelijke hoofdwaterleiding een lek was ontstaan. Door het lek was de druk op de waterleiding in de fabriek weggevallen en kon de brand niet op de gebruikelijke wijze geblust worden. Verder betwist zij - kort gezegd - dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen zou hebben getroffen.

14. Vooropgesteld wordt dat, gelet op de datum van het bedrijfsongeval, een eventuele aansprakelijkheid van Nestlé slechts gegrond kan worden op artikel 1638x (oud) BW. Voor anticipatie op artikel 7:658 (huidig) BW is geen aanleiding.

15. Vaststaat dat zich in de koffiebrander regelmatig brandjes voordeden, hetgeen inherent was aan de wijze van koffiebranden. Dat Nestlé zich daarbij van een zeker risico voor Moelker bewust moet zijn geweest blijkt uit de functieomschrijving van Moelker die onder het kopje 'Inconveniënten' vermeldt: "Kan letsel oplopen bij werkzaamheden aan diverse apparaten en installaties".

Nestlé was als werkgever gehouden voor het blussen van deze brandjes afdoende maatregelen te treffen. Aan de koffiebrander was daartoe een alarminstallatie verbonden die in geval van brand automatisch in werking trad, waarna bluswater werd toegevoegd. Deze automatische blusinstallatie werkte op de dag van het ongeval echter niet in verband met het wegvallen van de druk op de hoofdwaterleiding. Eerst door uit een naastliggende ruimte water te betrekken van een interne waterleiding (daarin werd koelwater hergebruikt om vloeren schoon te maken) heeft Moelker met behulp van een brandslang de brand kunnen blussen.

Daarmee staat vast dat Nestlé tekort is geschoten in haar veiligheidsverplichting jegens Moelker. De getroffen maatregel bleek immers onvoldoende om de veiligheid van Moelker te garanderen. Doordat de brand niet meteen geblust is heeft zich rookontwikkeling voorgedaan die volgens Moelker bij hem ernstig letsel tot gevolg heeft gehad. Nestlé heeft ervoor gekozen het water voor de automatische blusinstallatie van de gemeentelijke waterleiding te betrekken en geen voorzieningen te treffen voor het geval deze waterleiding geen water zou toevoeren. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen dient het falen van de blusinstallatie in de verhouding werkgever/werknemer voor rekening van de werkgever, Nestlé, te komen. Nestlé kan zich dan ook niet met succes op overmacht beroepen.

16. Uit het vorenstaande volgt dat Nestlé aansprakelijk is te achten voor de als gevolg van het bedrijfsongeval door Moelker geleden en nog te lijden schade. Volgens Moelker bestaat deze schade onder andere uit materiële en immateriële schade, verloren gegaan verdienvermogen en kosten van medische en juridische bijstand. Moelker stelt dat hij als gevolg van de bij de brand ingeademde rook ernstig letsel heeft bekomen. Een gedeelte van een long is verwijderd, daarnaast heeft hij een blijvende longbeschadiging (longemfyseem) opgelopen en heeft hij zeer veel klachten van kortademigheid. Door de bedrijfsvereniging is hij 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft hij zijn medisch dossier overgelegd.

17. Nestlé heeft ontkend dat Moelker het door hem gestelde letsel heeft opgelopen als gevolg van het bedrijfsongeval. Zij heeft erop gewezen dat Moelker ook vóór het ongeval longproblemen had. Volgens haar ligt het voor de hand dat zijn klachten daardoor zijn veroorzaakt. Voor zover Moelker al klachten ten gevolge van het ongeval heeft ondervonden waren deze van tijdelijke aard. Zijn huidige klachten zou hij, aldus Nestlé, ook zonder het ongeval hebben gehad. Verder meent Nestlé dat in dit stadium van geen enkele schadepost het causaal verband met het bedrijfsongeval is aangetoond.

18. De vordering van Moelker strekt tot vergoeding van zijn schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voor toewijzing van die vordering is voldoende dat aannemelijk wordt dat Moelker schade heeft geleden.

Uit de medische stukken komt naar voren dat de klachten van Moelker direct na het ongeval zijn toegenomen. In verband daarmee is hij van 14 tot 20 juni 1985 in het ziekenhuis opgenomen geweest. Uit een verslag van de verzekeringsgeneeskundige van het GAK van 13 december 1985 blijkt dat er inmiddels een zekere verbetering van de longfunctie was opgetreden, maar dat de normale waarden van voor het ongeval bij lange na nog niet bereikt waren. Verder herstel zou moeten worden afgewacht.

Gelet op vorenstaande is voldoende aannemelijk dat Moelker in elk geval enige schade ten gevolge van het bedrijfsongeval heeft geleden en is de vordering van Moelker in zoverre toewijsbaar. In hoeverre zijn huidige klachten op het bedrijfsongeval zijn terug te voeren kan daarbij in het midden blijven. De overige schadeposten heeft Moelker niet gespecificeerd, maar voldoende aannemelijk is dat hij ook ten aanzien van deze posten in elk geval enige schade heeft geleden. De omvang van deze schadeposten hangt af van het antwoord op de vraag in hoeverre zijn huidige medische toestand op het ongeval is terug te voeren, welke vraag in het kader van de schadestaatprocedure zal moeten worden beantwoord.

19. Tot slot heeft Nestlé betwist dat Moelker aanspraak kan maken op de wettelijke rente vanaf 17 juni 1987. Moelker baseert zijn vordering op dit punt op een brief van 3 juni 1987 van Bureau Pals BV aan Expertisebureau Takkenberg Groot BV, welk bureau door Zürich was ingeschakeld om een onderzoek naar het ongeval te doen. In deze brief wordt Nestlé de wettelijke rente met ingang van 17 juni 1987 aangezegd.

Expertisebureau Takkenberg Groot BV is in deze aangelegenheid niet als een vertegenwoordiger van Nestlé te beschouwen. Zij is immers door Zürich ingeschakeld en bovendien slechts met een beperkte opdracht belast. De aan haar gerichte brief kan dan ook niet het beoogde rechtsgevolg ten aanzien van Nestlé inroepen. Evenmin kan op basis van de hiervoor onder r.o. 9 vermelde brief van 27 december 1988 - hoewel wel rechtstreeks aan Nestlé gericht - aanspraak gemaakt worden op de wettelijke rente. In deze brief deelt de toenmalige raadsman van Moelker mee dat zijns inziens Nestlé op grond van zaakwaarneming, in het bijzonder artikel 1393 (oud) BW, gehouden is de door Moelker geleden schade te vergoeden, welk standpunt nog niet eerder zijdens Moelker was ingenomen. De raadsman vervolgt deze opmerking met een uitnodiging tot het alsnog erkennen van aansprakelijkheid op korte termijn. Aldus kan de brief niet worden beschouwd als een - voor Nestlé voldoende duidelijke - aanmaning tot betaling. De gevorderde wettelijke rente is dan ook eerst toewijsbaar met ingang van de datum van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg.

20. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De oorspronkelijke vordering zal alsnog worden toegewezen, zij het dat de gevorderde rente met ingang van een later tijdstip toewijsbaar is. Nestlé zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

(enz.;red. VR)