Uitkering auto-inzittendenverzekering belastbare bedrijfswinst


07-03-1996


Belastingdienst

Grote ondernemingen
Amsterdam



1040 EK Amsterdam
> Postbus 58988
Nieuw Rotterdam Schade N.V. T.a.v. mevrouw P.R. Parker Blaak 16 3011 TA ROTTERDAM

Telefoon (020) 687 70 00 Telefax (020)-6876810 Verzekeringsgroep Doorkiesnummer (020)-6876835
Datum
7 maart 1996
Uw kenmerk

Kenmerk JS96-26
Betreft
Uitkering ingevolge een ongevallen-
inzittendenverzekering
Geachte mevrouw Parker,
Naar aanleiding van uw fax van 26 februari 1996 heb ik u telefonisch ingelicht. Bij deze een bevestiging van dit telefonisch onderhoud.
Een in Nederland gevestigd bedrijf heeft bij Nieuw Rotterdam Schade N.V. een ongevallen-inzittendenverzekering gesloten. Het bedrijf is verzekeringnemer en tevens premisbetalerT" Verzekerd zijn alie inzittenden, die zich bevinden op de daartoe bestemde zitplaatsen van alle motorrijtuigen, waarvan verzekeringnemer eigenaar of houder is, alsmede van de motorrijtuigen die hij in huur of in lease heeft.
Een werkneemster van dit bedrijf, met een lease-auto permanent tot haar beschikking, liep ten gevolge van een aanrijding blijvend letsel op.
Op de ongevallenuitkering, die zij rechtstreeks krijgt van Nieuw Rotterdam Schade N.V., dient loonheffing te worden ingehouden door Nieuw Rotterdam Schade N.V..
Indien een werkgever besluit op enig moment een ongevallenverzekering af te sluiten voor haar
werknemers, waarbij de werkgever optreedt als verzekeringnemer en de werknemers worden
aangewezen als verzekerde/begunstigde, is er sprake van een recht op een of meer uitkeringen of
verstrekkingen.
Dit recht wordt in fiscale termen aangeduid als een aanspraak en de waarde van deze aanspraak
behoort op grond van artikel 10, lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Hierna:Wet LB) tot het
loon.

In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermelden

Bezoekadres Kingsfordweg 1 Amsterdam

Belast/'ngd/enst

Kenmerk JS96-26

Omdat in casu sprake is van een recht op een uitkering wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge
van een ongeval geldt het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter f van de Wet LB.
In dit artikel is bepaald dat een dergelijke aanspraak niet tot het loon behoort. Niet de waarde van de
aanspraak doch de eventueel uit te keren bedragen dienen te worden belast.
Inhoudingsplichtige is hier degene die uitkeert, dus Nieuw Rotterdam Schade N.V., op grond van
artikel 6, lid 1, letter c van de Wet LB. De inhouding dient te worden bepaald overeenkomstig het
bepaalde in artikel 26, lid 6 van de Wet LB.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam, de inspecteur


J.J.


71

-*-> -l
VVP7 JAN. 1981



UITKERING VAN EEN AUTO-INZITTENDENVERZEKERING
behoeft fiscaal bij een bedrijfspolis geen belastbare bedrijfswinst te zijn
door H. G. Hagelen te Hitizen-NH.



Hierboven koos ik als titel de strekking van de uitspraak d.d. 31 oktober 1979, nr. 2255/78, van de Tweede Meervoudige Belastingkamer van het Gerechtshof te Den Haag, te vinden in Vakstudie Nieuws van 6 december 1980 onder punt 10.
De uitspraak was nauw betrokken op de specifieke feiten en gegevens rondom het berechte geval. Dat moet men vooral in 't oog houden, daar onder andere omstandigheden zo'n uitkering misschien wél als bedrijfswinst belastbaar zou kunnen blijken.
Hoewel de conclusie van onbelastbaarheid geheel overeenkomt met een arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd onder BNB 1974/75, acht de redactie van Vakstudie Nieuws de opvatting van het Haagse Hof, dat de verzekeringspremie in het onderhavige geval terecht ten laste van de bedrijfswinst werd gebracht, niet juist. Het gold namelijk een bedrijfsauto die ook voor privé-doeleinden werd gebruikt. Ik ben het met het Haagse Hof niet eens, want dat stelde er als m.i. sterk

argument tegenover, dat juist door dat privé-gebruik voor de inkomstenbelasting het autokostenforfait geldt: 20% van de cataloguswaarde van de auto komt fiscaal op de autokosten in mindering voor de inkomstenbelasting.
Tot mijn genoegen heeft het Haagse Hof ook de naar derden gerichte sociale strekking van de auto-inzittenden-ongevallen-verzekering in het licht gesteld. Onder die verzekering is niet alleen het ongevalsrisico van de inzittende autoeigenaar gedekt maar ook dat van zakelijke en privé mede-inzittenden. In het berechte geval overleed de eigenaar zélf door een ongeval met zijn auto, klaarblijkelijk bij een privé-rit. Overigens maakt het volgens het Hof ook helemaal niet uit of dat zou gebeuren tijdens een zakelijke danwei tijdens een privé-rit.
De weduwe van de ondernemer-autoeigenaar ontving uit hoofde van de verzekering ƒ 30.000, welk bedrag de Inspecteur als bedrijfswinst had willen belasten. Het Haagse Hof sprak de onbe-

lastbaarheid ervan uit voor de inkomstenbelasting.
Voor het successierecht en voor de vermogensbelasting is dat natuurlijk geheel anders. De ondernemer was zelf de verzekeringnemer, zodat zijn weduwe over die 30 mille in principe (behoudens de vrijstelling die voor een weduwe geldt) successierecht zal moeten betalen. Wat de vermogensbelasting betreft is het eender: die 30 mille zal, ook alweer behoudens de daarbij geldende vrijstellingen, voor haar onder het belastbare vermogen moeten worden gerekend.
Adviseurs van cliënten, ongeacht of dat verzekerings- danwei belastingadviseurs zijn, kunnen uit deze uitspraak van geval tot geval zeker geen eensluidende ' belastingvrijdom in het vooruitzicht stellen. Dat is dunkt mij wel duidelijk. De toenmalige Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Haagse Hof geen cassatieberoep bij de Hoge Raad aangetekend, en koesterde dus kennelijk dezelfde opvatting waarvan ikzelf nu óók blijk geef.