Statistische kansen

Hof Amsterdam 24 januari 2008 BC9815 mislukte sterilisatie  80% vergoeding omdat 20% spijtoptant is

Het hof oordeelt dat de omstandigheden dat 25-jarige vrouw zwanger is geraakt en dat bij onderzoeken nadien geen staafje (Implanon) in haar arm is aangetroffen, onvoldoende zijn, zoals de rechtbank heeft gedaan, aan te nemen dat de huisarts het staafje niet (deugdelijk) heeft ingebracht. Bewijslast ligt bij vrouw. Het hof draagt ambtshalve de vrouw op te bewijzen dat de arts niet de vereiste controles heeft uitgevoerd. De arts mag echter het door hem aangeboden bewijs leveren dat het staafje na de insertie ongemerkt is verloren. Indien kunstfout komt vast te staan is de arts gehouden 80% van de materiële schade vergoeden, vanwege de kans dat de vrouw toch kinderen had gewild (20% heeft later spijt van sterilisatie).

Rechtbank 's-Hertogenbosch 11 oktober 2006 AZ0113 Ingang pensioen gebaseerd op redelijke verwachtingen

2.33.  De rechtbank overweegt dat het ook hier gaat om de redelijke verwachtingen voor de toekomst. De rechtbank pleegt er vanuit te gaan dat slachtoffers zonder ongeval gebruik zouden hebben gemaakt van de bij hun werkgever bestaande rechten terzake VUT- of vervroegd pensioen op het moment dat het daaraan verbonden inkomen minimaal 70% van het laatst verdiende loon zou bedragen, tenzij de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer reden geven om van een andere leeftijd uit te gaan. Dat is een redelijke verwachting voor de toekomst, omdat een zeer grote meerderheid van de Nederlandse beroepsbevolking kiest voor vervroegd pensioen zodra dat financieel verantwoord is. De rechtbank leidt uit de door [eiser] overgelegde nadere informatie van ENCI af dat hij, toen hij werkzaam was bij ENCI, rechten opbouwde voor vroegpensioen vanaf 62 jaar (75% van het laatst verdiende salaris). Dit zou het geval zijn geweest vanaf zijn indiensttreding op 1 september 1997 tot 1 januari 2006, toen de levensloopregeling werd ingevoerd. Voorts zijn bij ENCI vanaf 1 januari 2006 voorzieningen getroffen in de pensioenregeling die het werknemers mogelijk maakt om op een leeftijd van 62 jaar en 9 maanden een zelfde niveau van pensioen te realiseren als voorheen. Gelet op deze informatie brengt een redelijke verwachting mee dat [eiser] zou hebben doorgewerkt totdat hij de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden had bereikt. [eiser] heeft erop gewezen dat hij de keuze zou hebben gehad: stoppen met 62 jaar en 9 maanden of doorwerken tot 65 jaar en dan van een hoger pensioen genieten. Hij heeft echter niet concreet aangegeven waarom aannemelijk is dat hij voor het laatste zou hebben gekozen, anders dan het wijzen op algemene tendensen van vergrijzing en langer doorwerken. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] er niet voor zou hebben gekozen om te stoppen met werken wanneer hij de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden had bereikt. Concluderend heeft bij de nieuwe schadeberekening als uitgangspunt te gelden dat [eiser] met pensioen zou zijn gegaan op de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden.

Rechtbank 's-Hertogenbosch 8 maart 2006 AX9125 Statistische kans moet bewezen worden

Nu [gedaagde] volstaat met een veronderstelling en met name geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat iemand met diabetes en een dergelijke hartafwijking een aanzienlijk lagere levensverwachting heeft dan de gemiddelde man, ziet de rechtbank geen reden om de op statistische gegevens gebaseerde sterftekanscorrectie voor [D] aan te passen.

Rechtbank 's-Hertogenbosch 1 maart 2006, NJF 2006/266 Matiging hertrouwkans shockschade diabetes hartafwijking verhoogde sterftekans (AX9125?)

BW art. 6:108, 109

Matiging van de schadevergoeding vindt plaats tot ten hoogste het vermogen van gedaagde, bestaande uit spaartegoeden en de overwaarde van zijn woning (rov. 2.46-2.48).
De kans op hertrouwen of samenwonen mag alleen in de schadebegroting worden betrokken, indien dat zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan bij de berekening moet worden uitgegaan; bij het vaststellen van de redelijke verwachtingen op dit punt moet een zekere mate van terughoudendheid in acht worden genomen (zie HR 29 april 1994, NJ 1995, 609).
Eiseres betwist dat de hartafwijking en de diabetes een lagere levensverwachting opleverden. Nu gedaagde volstaat met een veronderstelling en met name geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat iemand met diabetes en een dergelijke hartafwijking een aanzienlijk lagere levensverwachting heeft dan de gemiddelde man, ziet de rechtbank geen reden om de op statistische gegevens gebaseerde sterftekanscorrectie voor de echtgenoot aan te passen.

HOGE RAAD 28 januari 2005 RVDW 2005/19 schadevergoeding rally, < 50% kans eind halen

JOL 2005, 51 BW art. 6:74, 98

Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat een huurder die teneinde het overeengekomen gebruik van een gehuurde motor te kunnen maken - het deelnemen aan de rally Dakar - naast het betalen van de huurprijs (aanzienlijke) kosten heeft moeten maken en dat deze kosten hun doel hebben gemist doordat hij ten gevolge van een aan de verhuurder toe te rekenen oorzaak - een gebrek van de gehuurde motor - zijn deelneming aan de rally heeft moeten staken. Dergelijke kosten vormen schade die, tenzij dit onredelijk zou zijn, op de voet van art. 6:74 en 6:98 BW volledig moet worden vergoed. Aan toerekening van de schade aan verweerster op de voet van art. 6:98 BW staat niet in de weg de enkele kans dat eiser ten gevolge van enige andere oorzaak de rally niet zou hebben uitgereden. Een statistisch gegeven als door het hof gehanteerd, dat de helft van de deelnemers deze rally niet uitrijdt, is daartoe onvoldoende, reeds omdat daarbij geen onderscheid is gemaakt door welke oorzaak de rally niet is uitgereden.

Rechtbank Zwolle-Lelystad 20-7-2005 AV5225 (NJF 2006/232) overlijdensschade: bewijs toekomst, onderhoud kinderen, sommenverzekering, vaste lasten

4.5. Ook wat het eigen inkomen van [eiseres] betreft verschillen partijen van mening omtrent de ontwikkeling die zich daarin zonder het ongeval zou hebben voorgedaan. Univé heeft gesteld dat er vanuit moet worden gegaan dat zij na verloop van tijd in toenemende mate in haar eigen levensonderhoud zal voorzien. Univé onderbouwt dit evenwel onvoldoende. Het enkele gegeven dat veel (en steeds meer) vrouwen hun werkzaamheden bij het ouder worden van hun kinderen uitbreiden, brengt nog niet mee dat dit ook voor [eiseres] geldt; in het bijzonder is niet duidelijk of de algemene statistische gegevens in dit opzicht een juiste afspiegeling zijn van de groep waartoe [eiseres] behoort c.q. van de situatie waarin zij zich bevindt.
Overigens laat Univé op dit punt na inzichtelijk te maken hoe de situatie mèt het ongeval zich tot die zonder het ongeval verhoudt.
De rechtbank zal [eiseres] dan ook volgen in haar stelling dat zij haar werkzaamheden zonder het ongeval niet zou hebben uitgebreid en dat zulks ook thans niet in de rede ligt.Hof Arnhem 12 augustus 2003, VR 2004, 84. klachten uit het verleden geen zekerheid voor toekomst eindleeftijd niet 55 jaar
In een recent arrest van het Hof Arnhem bijvoorbeeld wordt de rechtbank teruggefloten die gegeven in het verleden bestaande rug- en knieklachten van een 31-jarige vrachtwagenchauffeur aanneemt dat deze gelet op de hoge uitval onder chauffeurs wegen rug- en knieklachten ook ‘zonder ongeval’ niet langer dan tot zijn 55e zou hebben gewerkt. Het Hof meent dat de voorspellende waarde van klachten uit het verleden die zich al jaren, ondanks zwaar werk, niet meer hadden geuit, beperkt is.

2005 Rb: kans op herstel iets verminderd door fout, huisarts niet aansprakelijk Rechtbank Maastricht 13-7-2005 97050/HA ZA 044109 Ongepubliceerd .

Een man loopt een posttraumatische dystrofie op na een hondenbeet. De AVP-verzekeraar van de hondenbezitter vergoedt tegen cessie de schade en neemt regres op de huisarts,omdat deze de wonden zou hebben dichtgeplakt en niet verbonden, hetgeen een niet-correcte medische handelswijze is. De rechtbank oordeelt dat indien de huisarts de beweerdelijke fout niet zou hebben gemaakt, benadeelde –blijkens een expertiserapport- een kans zou hebben gehad op herstel van 98 a 99%, in plaats van nu 96 a 98%. De kans op herstel is dus gedaald van 99% naar 96%. De rechtbank oordeelt dat dit een zo geringe daling van de kans, dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van causaal verband tussen de beweerdelijke tekortkoming en de ontstane dystrofie. De vordering wordt afgewezen.

Rechtbank Haarlem 1 december 2004 90157/HA ZA Nieuwsbrief Personenschade statistische gegevens vrouwen niet bruikbaar

Met name heeft verzekeraar niet nader toegelicht waarom de statistische gegevens over vrouwen in de leeftijdsca­tegorie 50 tot 64 jaar, waarop verzekeraar zich beroept, van doorslaggevende bete­kenis zouden kunnen zijn bij de inschat­ting van goede en kwade kansen omtrent de vrouw. Dit had wel op de weg van verzekeraar gelegen omdat de vrouw in het jaar 2000 niet in die leeftijdscategorie valt en de vrouw persoonlijke omstandig­heden en maatschappelijke ontwikkelin­gen heeft aangevoerd welke aannemelijk maken dat voor haar een andere inschat­ting moet gelden. Derhalve is directe toe­pasbaarheid van de door verzekeraar aan­gevoerde statistische gegevens op de situatie van de vrouw niet aannemelijk.

Rechtbank Arnhem 22-9-2004 AR3507 redelijke verwachting dat huisvrouw weer gaat werken

Benadeelde, een 36-jarige huisvrouw met twee kinderen, loopt als gevolg van een ongeval whiplashachtige klachten op. Zij stelt dat zij zonder ongeval, als haar kinderen naar de middelbare school zouden gaan, weer zou zijn gaan werken als kapster of zweminstructrice,. De verzekeraar heeft de vordering afgewezen, nu benadeelde tegenover een schaderegelaar heeft verklaard dat zij geen plannen had om te gaan werken. De rechtbank overweegt dat het gaat om en redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. De rechtbank gaat er vanuit dat inmiddels maatschappelijk gebruikelijk is dat een gehuwde vrouw, die een ruime werkervaring heeft, weer gaat werken als de kinderen naar de middelbare school gaan. De rechtbank gelast vervolgens een deskundigenbericht door 1. een verzekeringsgeneeskundige, die een belastbaarheidspatroon moet opstellen, en 2. een arbeidsdeskundige, die onder meer op basis van het belastbaarheidspatroon moet beoordelen in welke mate benadeelde arbeidsongeschikt is.

HOF DEN HAAG 10 oktober 2002 VR 2003/155 vingeramputatie; verlies van een kans op 60% geschat

art. 7:462, 6:162 BW

Door het missen van de diagnose (een ernstig progressief ontstekingsproces) moet patiënte linker wijsvinger missen. Het stellen van een onjuiste diagnose is niet te kwalificeren als een schending van een veiligheidsnorm zodat er geen reden is voor verruiming van toerekening. De aan de gemaakte fout toe te rekenen schade komt neer op het verlies van een kans op volledig herstel. Het hof stelt deze kans vast op 60%.

RECHTBANK DEN HAAG 5 september 2001 VR 2002/179

Gulden is bij zijn schadeberekening ervan uitgegaan dat hij - het ongeval weggedacht - tot 65-jarige leeftijd zou hebben gewerkt. NN heeft dit betwist en stelt - overigens ongemotiveerd - dat bij de berekening van de arbeidsvermogenschade moet worden uitgegaan van een eindleeftijd van 52,5 jaar. Rekening houdend met de goede en kwade kansen, acht de rechtbank het aannemelijk dat Gulden tot 62-jarige leeftijd zou werken.

Rb. Arnhem 1 maart 2001, VR 2002, 34 (personenschade 34e jarige vrouw, verdiencapaciteit tot 60e, full time of halftime?. 

Personenschade 19-jarige vrouw. Blijvende arbeidsongeschiktheid wegens whiplash. Verlies van verdiencapaciteit tot 55 of 60 jaar?
De rechtbank heeft in vorengenoemde r.o. 4.5 van haar vonnis van 6-11-1997 gemotiveerd, waarom zij het gezien alle omstandigheden aannemelijk acht, dat Graffelman tot haar 60e jaar (halftime) gewerkt zou hebben. De rechtbank vindt - ook als gelet wordt op genoemde uitspraken van de Hoge Raad van respectievelijk 15 mei 1998, NJ 1998, 624 en 14 januari 2000, VR 2000, 58 en de twee overgelegde producties - geen aanleiding om haar zonder voorbehoud gegeven oordeel omtrent de eindleeftijd van deelname aan het arbeidsproces door Graffelman te herzien.

HOGE RAAD 5 januari 2001, NJ 2001/391 bewuste roekeloosheid; waarschijnlijkheidsbewustzijn opzet

RvdW 2001, 18
JOL 2001, 13

BW art. 8:1102, 1105, 1108; CMR art. 23, 29 t
Onder schuld die volgens Nederlands recht met opzet gelijk gesteld wordt moet, gezien art. 1108 lid 1 BW, worden verstaan een gedrag dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien; daarvan is slechts sprake wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden.

L.H. Pals VRA 2000/394 Na Hoge Raad 16 juni 2000 VR 2000, 189 : proportionele causaliteit? Nee dus!

[Essentie] De vraag of bij meerdere causaliteitsmogelijkheden in de vestigingsfase van de aansprakelijkheid deze proportioneel zouden moeten worden toegerekend, heeft na het proefschrift van Akkermans NOOT 1 over deze materie de gemoederen van de voor- en tegenstanders van deze methode van kanswaardering danig beziggehouden. Met het arrest van 16 juni 2000 heeft de Hoge Raad thans in alle duidelijkheid beslist dat van een dergelijke proportionele toerekening geen sprake kan zijn.

HOF 's-GRAVENHAGE, SES 2000/94 19 mei 1998 vermoedens kunnen aan statische gegevens worden ontleend

Art. K 294

Ingevolge art. 294 K moet de verzekeraar bewijzen dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde zelf is veroorzaakt: dit bewijs valt uiteen in het bewijs van de oorzaak en het bewijs van betrokkenheid van de verzekerde. Dit bewijs kan door vermoedens worden geleverd, en wel aldus dat brandstichting als schadeoorzaak van de brand als logische gevolgtrekking naar waarschijnlijkheidsberekening uit anderszins bewezen feiten en/of omstandigheden gevoeglijk kan worden aangenomen. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat bij de bewijswaardering dergelijke vermoedens ook aan cijfermatige, statistische gegevens en/of vergelijkingen worden ontleend.
Aan de opvatting van de gerechtsdeskundige dat de conclusies van SOB statistisch en waarschijnlijk juist zijn en dat de kans dat in concreto een andere gebeurtenis heeft plaatsgevonden dan door SOB is aangenomen van theoretische aard is, staan de rapporten van ISP en de technische recherche niet in de weg: die rapporten sluiten slechts in theorie een andere oorzaak dan brandstichting niet uit. Dat laatste geldt ook voor het standpunt van het Openbaar Ministerie in verband met de klacht ex art. 12 Sv tegen Verzekerde, in aanmerking genomen dat in het strafrecht aan het bewijs van brandstichting als strafbaar feit uiteraard zwaardere eisen worden gesteld dan aan het - ook door vermoedens te leveren - bewijs van brandstichting in het burgerlijk procesrecht.

HOGE RAAD 14 januari 2000, NJ 2000/437 RVDW 2000/19 c Sas / Interpolis WhiplashSchadeberekening bij verlies van arbeidsvermogen; schatten van goede en kwade kansen

JOL 2000, 22 BW art. 6:97, 105

Whiplash. .
Bij het begroten van de schade bestaande in het verlies aan arbeidsvermogen moet rekening worden gehouden met een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen; de rechter kan met het verlies van keuzemogelijkheden weliswaar zo veel mogelijk in het voordeel van het slachtoffer rekening houden doch zulks brengt niet mee dat moet worden uitgegaan van de mogelijkheid van het slachtoffer (lerares) om tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te blijven werken. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om goede en kwade kansen m.b.t. de loopbaan te schatten.

VRA 1999/193 Proportionele schadevergoeding bij longkanker door asbest en/of door roken Naar aanleiding van Schaier/De Schelde, Ktg. Middelburg 1 februari 1999, VR 1999, 117 (in deze aflevering van Verkeersrecht) mr A.J. Akkermans

 

VRA 1999/65 Proportionele schadevergoeding: onbekend maakt onbemind? Een reactie op D. Peeperkorn, 'Het oordeel van Paris' mr A.J. Akkermans

VRA 1998/321 Het oordeel van Paris Over medische kunst fouten en kansen op schade mr D. Peeperkorn

HOGE RAAD 16 oktober 1998 RVDW 1998/184 c eenvoudig is de helft van het statistische gemiddelde
NJ 1999, 196

BW art. 6:95; 6:96; Rv art. 56

Administratiekosten ter verkrijging van schadevergoeding, zijn kosten als thans omschreven in art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c BW; zij komen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk. Schade dient begroot te worden op wijze die meest met de aard ervan in overeenstemming is; rechter is bij begroting niet gebonden aan gewone regels van stelplicht en bewijslast; het staat rechter vrij niet nauwkeurig vast te stellen omvang schade te schatten.

HOGE RAAD 15 mei 1998, NJ 1998/624 redelijke verwachting toekomstige ontwikkelingen Vehof / Helvetia redelijke verwachtingen

RvdW 1998, 110 BW art. 6:95, 96, 162; Rv (oud) art.59, 177

De vraag of gelaedeerde als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Daarbij komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen; aan de benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen mogen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs.

HOF ARNHEM 7 mei 1996 VR 1996/209 eindleeftijd 60

art. 6:97, 105, 106, 107 BW

Meisje van 17 jaar met hersenletsel; hoofdpijnen, verminderde geheugenfunctie en afgenomen energie; ziet af van opleiding tot verpleegkundige. Nog 50% geschikt voor werk op lager niveau. Deskundigenbericht: welke inkomsten als halve kracht haalbaar (later tussenarrest: dat benadeelde ook halve werkkring is kwijtgeraakt in redelijkheid aan ongeval toe te rekenen), redelijke eindleeftijd, onderbreking beroepsarbeid door kinderen krijgen, verschil huidige inkomsten en te verwachten carrière verpleegkundige.
Hof: Eindleeftijd 60 i.p.v. 57½ jaar, mede gelet op mogelijke afschaffing VUT-regeling. Vrouwelijke verpleegkundigen werken van 28e tot 45e 'door de bank' part-time, maar nu benadeelde geen partner zal hebben, wiens inkomen mede haar relatieve welstand bepaalt, moet ervan worden uitgegaan dat zij tot 60e volledig arbeidsinkomen zal derven. Wat zij uit ABW heeft ontvangen wordt niet verdisconteerd als terugvorderingsaanspraak is verjaard. Koopsom lijfrente, met belastinggarantie, meest in overeenstemming met aard schade (vgl. L.H. Pals, Toekomstige schade wegens verlies van arbeidsvermogen, Verkeersrecht 1996, p. 281 e.v.). Bij wijziging WAO/AAW moet laedens netto-nadeel aanvullen. Smartegeld ƒ 75.000 (zie noot onder VR 1996, 208)


Rb. Arnhem 15 februari 1996, VR 1996, 208 (aannemelijk tot 65e gewerkt),

COMMISSIE GELIJKE BEHANDELING 5 november 1996 VR 1998/93 statistische gegevens bij toekomstverwachting arbeidsleven vrouwen

Art. 6:97, 6:107 BW, 7 lid 1 AWGB

Verzekeringsbedrijf is aanbieden diensten. Nu dat hier in kader uitvoering overeenkomst met arts geschiedde, staat ook vast dat handelen verzekeraar jegens vrouw aan, ruim uit te leggen, art. 7 AWGB is te toetsen, waaraan niet afdoet dat vrouw geen contractspartij van verzekeraar is. (ii) Vragen naar kinderwens op gespannen voet met wetgeving gelijke behandeling. Nu vraag naar kinderen werd gesteld met oog op voor vrouw lager (dan voor man) uitkomende schadebegroting, sprake van - verboden - direct onderscheid naar geslacht ex art. 7, lid 1 AWGB. (iii) Door gebruik van algemene sekse-specifieke statistische gegevens, waaruit van geringere arbeidsparticipatie van vrouwen blijkt, zullen vooral vrouwen benadeeld worden. Dit mag alleen als het objectief gerechtvaardigd is (art. 2, lid 1 AWGB). Aannemelijk moet zijn dat individueel geval niet zal afwijken van statistiek, die niet in die zin als uitgangspunt mag worden genomen dat vrouw (verwachte) afwijkende concrete omstandigheden bewijst. Aldus sprake van - verboden - indirect onderscheid naar geslacht ex art. 1 jo 7, lid 1 AWGB.

HOGE RAAD 29 april 1994, NJ 1995/609 hertrouwkansen VOA stiefkinderen

RvdW 1994, 105 VOA art. 2, 3; BW (oud) art. 1406

Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA). Ontvankelijkheid in cassatie; subjectieve cumulatie. Uitgangspunten bij berekening van verhaal van pensioen- en overlijdensuitkeringen. Buitengerechtelijke kosten. Hertrouwkansen weduwe. Ook stiefkinderen zijn kinderen in de zin van art. 1406 BW (oud).

HOGE RAAD 29 april 1994, RvdW 1994, 105 NJ 1995/609 Uitgangspunten bij berekening van verhaal van pensioen- en overlijdensuitkeringen. Buitengerechtelijke kosten. Hertrouwkansen weduwe.VUT

VOA art. 2, 3; BW (oud) art. 1406

Door te oordelen dat, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval, een redelijke verwachting bestond dat de nedergeslagene, ware hij in leven gebleven, te zijner tijd waarschijnlijk "met VUT" zou zijn gegaan, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (HR 19 nov. 1943, NJ 1944, 21).
Het Hof heeft niet miskend dat, nu de aansprakelijkheid op grond van art. 1406 (oud) BW eindigt op het tijdstip waarop de weduwe hertrouwt (HR 13 december 1985, NJ 1986, 246 onder 3.4), in een geval als het onderhavige in het kader van de berekening van het civiele plafond de vraag moet worden beantwoord of zodanig hertrouwen, naar een redelijke verwachting, zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan voor die berekening valt uit te gaan. Het heeft echter geoordeeld dat deze vraag in het gegeven geval ontkennend moet worden beantwoord, waarbij het terecht een zekere mate van terughoudendheid in acht heeft genomen.

Doordat de ambtenaar als gevolg van het ongeval voortijdig is overleden, heeft zijn weduwe de aanspraak op weduwenpensioen verloren, die zij zou hebben gehad wanneer de ambtenaar na zijn 65e jaar zou zijn overleden. Indien en voor zover laatstgenoemd weduwenpensioen meer bedraagt dan het weduwenpensioen dat de weduwe door en vanaf het tijdstip van het ongeval ontvangt, lijdt zij wel degelijk schade in de zin van artikel 1406 BW.

De strekking van art. 1406 BW (oud) in verband met de reeds vóór 1 jan. 1992 bestaande rechtsopvattingen brengt mee aan te nemen dat ook onder het toen geldende recht stiefkinderen die tot het gezin van de "nedergeslagene" behoorden en door hem plachten te worden onderhouden, deel uitmaakten van de "nauwe kring van nabestaanden" die - ingevolge genoemde wetsbepaling - gerechtigd was tot schadevergoeding jegens degene die wegens de dood van de "nedergeslagene" aansprakelijk is.

HOGE RAAD 18 februari 1994 VR 1994/148 Civiel plafond. 'Statistische eindleeftijd' evenmin van invloed op het verhaal.

Voor de beantwoording van de vraag welke uitkering kan gelden als uitkering "terzake van het ongeval" is de statistische eindleeftijd van Bakker niet beslissend; de aard van het weduwenpensioen dat het ABP krachtens de rechtspositieregeling van Bakker gehouden is aan Van der Wal uit te keren, ondergaat op het moment van de statistische eindleeftijd van Bakker geen verandering, zodat het verband met het ongeval alsdan niet wordt verbroken (vgl. HR 22 juni 1990, NJ 1991, 760).

Rb. Amsterdam 15 december 1993, VR 1994, 206 (beenamputatie, geen dienstverband na 60e),

RECHTBANK AMSTERDAM 17 maart 1993 VR 1994/206 Beenamputatie. Diverse schadeposten statistische eindleeftijd

Art. 6:106 en 107 BW

Nu tussen partijen als onbetwist vaststaat dat Spek schade lijdt tengevolge van extra kleding- en schoeiselslijtage wordt deze schadepost, alle omstandigheden in aanmerking genomen, naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag van ƒ 500 per jaar worden, te berekenen tot 1 april 2027, wanneer Spek de voor hem geldende statistische leeftijd van 74 jaar zal hebben bereikt.

Rb. Amsterdam 3 februari 1993, VR 1993, 157 (whiplash 21 jarige vrouw, gewerkt tot 55e of 60e?, statistische gegevens; onderbreking van 8 jaar wegens krijgen kinderen niet aannemelijk)

Schadeopstelling volgens Audalet-systeem. Statistisch gegeven dat vrouwen gemiddeld niet langer dan tot 55e doorwerken maakt redelijk hier 60e als eindleeftijd aan te houden, maar onderbreking arbeidsleven van 8 jaar wegens kinderen krijgen in dit geval - zie vonnis - niet aannemelijk. Evenmin dat eiseres vrij zware opleiding tot notarisklerk, waarvoor vooropleiding nauwelijks toereikend was, zou hebben gerealiseerd. Aan toekomstverwachting wordt recht gedaan door begroting op basis van stijging tot bepaalde CAO-klasse: zie vonnis. Verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en extra vervoer vraagt voorlichting door deskundige. Koopsom lijfrente is, gegeven som-ineens als uitgangspunt van partijen, niet van eiseres te vergen. Dat belastingschade bij aankoop lijfrente vermoedelijk lager uitvalt, prevaleert niet boven die keuzevrijheid. Geen wettelijke rente over niet opeisbare schade. Gegeven voorschotten, die geacht kunnen worden schade over verleden te dekken, rente vanaf bij einduitspraak vast te stellen bedrag.

HOGE RAAD 9 oktober 1992 VR 1993/19 DES-zaak

Art. 1401 BW (oud), 6:99, 102, 166 BW en 6.3.3 ONBW

Hoofdelijke aansprakelijkheid bij putatieve causaliteit. Slechts één gedaagde dagvaarden is genoeg. Anticiperende gelding van art. 6:99 (en 102) BW. Richtlijn produktenaansprakelijkheid niet van toepassing. Stelplicht en bewijslast. Tegenbewijs. Geval dat een/meer der producenten geen fout zou(den) hebben begaan; invloed redelijkheid en billijkheid in dat geval. Geen marktaandeel-aansprakelijkheid. (statistisch kan aangenomen kan worden dat elk bedrijf een aantal schadegevallen heeft veroorzaakt)

Rb. Utrecht 21 maart 1990, VR 1991, 147 (hersenletsel 17 jarige vrouw; tot 60e gewerkt,  statistische gegevens; goede en kwade kansen),

Voldoende aannemelijk dat benadeelde normale carriere als ziekenverzorgster tot haar 60e zou hebben gevolgd. Goede en kwade kansen op juiste wijze verdisconteerd. Zie verder vonnis. Benadeelde is in beginsel vrij te kiezen voor som ineens of periodieke afwikkeling, maar die vrijheid gaat niet zo ver dat geen rekening kan worden gehouden met redelijke belangen van aansprakelijke. Als er op punt van fiscale gevolgen groot verschil zit tussen door benadeelde gekozen berekeningswijze - contante som met belastingschade - en het bedrag dat bij overigens gelijke uitgangspunten nodig is als koopsom lijfrente volgens saldo-methode, is er onvoldoende grond dit verschil ten laste van aansprakelijke te laten. Aan wens tot eindafrekening te komen wordt voldoende recht gedaan nu benadeelde niet verplicht is einduitkering voor lijfrente aan te wenden. Betoog dat de statistische eindleeftijd van vrouwen in het arbeidsproces niet hoger ligt dan 55 jaar gepasseerd.

HR 22 juni 1990, NJ 1991, 760 eindleeeftijd VOA

Voor de beantwoording van de vraag welke uitkering kan gelden als uitkering "terzake van het ongeval" in de zin van art. 2, is de statistische leeftijd van de ambtenaar niet beslissend

HOF 's-HERTOGENBOSCH 17 augustus 1988 VR 1989/162 Waardering van kansen

Art. 1407 BW

De door NOG overgelegde statistische gegevens betreffende het arbeidsongeschiktheidsrisico van de mannelijke beroepsbevolking geven geen aanleiding aan te nemen dat juist Bukkems tot het percentage mannen zou horen dat niet meer werkt.

HOF ARNHEM 26 april 1988 VR 1990/152 civiel plafond; demografisch-statistische gegevens.

Art. 1407 BW en 3 VOA

Het moet de rechter vrijstaan onzekerheid over hoelang het slachtoffer, het ongeval weggedacht, zou hebben gewerkt op te lossen door de werkelijkheid zoveel mogelijk te benaderen - mede - met aan ervaringsregelen en statistieken ontleende gegevens. Bij de onvermijdelijke onzekerheid over al dan niet en hoeveel kinderen, en over de vraag hoe de werksituatie van het slachtoffer zou zijn geregeld, onderbroken, hervat en/of beeindigd in verband met het gezin, zal de rechter er niet aan ontkomen gebruik te maken van bijvoorbeeld statistieken om de kansen zo goed mogelijk in te schatten. De gegevens moeten zo goed mogelijk worden geselecteerd en toegesneden op het slachtoffer, d.w.z. zijn persoonlijke plannen en de beroepsgroep waartoe hij en zijn gezin behoort.

HOF DEN HAAG 10 januari 1986 VR 1987/123 hertrouwkans niet verwaarloosbaar

Weliswaar kan worden toegegeven dat deze kansen, voor 65-jarige leeftijd wegens arbeidsongeschiktheid werk moeten staken, vervroegd uittreden, een verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd en de zogenaamde hertrouwkans niet aan de hand van statistische gegevens kunnen worden gekwantificeerd maar dat is op zich nog geen reden deze mogelijkheden geheel te verwaarlozen.
In plaats van de door Pals gehanteerde 94 jaar zal de Rechtbank, op grond van de algemeen toegankelijke gegevens betreffende de levensverwachtingen van gezonde mannen van 29 jaar, een eindleeftijd van 72 jaar hanteren.
Bruikbare statistische gegevens voor het maken van een schatting ontbreken kennelijk (promotie- en hertrouwkansen).

RECHTBANK ZUTPHEN 19-12-85 VR 1986/138 hypothetische arbeidsduur, kinderen

art. 1407 BW; 3 VOA

Rechtbank doet een schatting van de hypothethische levensloop van slachtoffer ware het ongeval haar niet overkomen. ,,Daarbij zal de Rechtbank niet, gelijk ABP voorstaat, de kans dat slachtoffer kinderen zou hebben gekregen, als te onzeker terzijde laten en evenmin, gelijk Centraal Beheer wil, er uitsluitend van uitgaan, dat slachtoffer juist wel kinderen zou hebben gekregen.
Bij de vaststelling van de hypothetische arbeidsduur zal de Rechtbank beide kansen verdisconteren, in de verhouding van hun onderlinge - statistisch gemeten - waarschijnlijkheid. Zij wil dat daarbij rekening wordt gehouden dat slachtoffer reeds 28 jaar was, toen zij in het huwelijk trad, dat er geen duidelijke gezinsplanning was, dat het krijgen van kinderen in ieder geval de eerste jaren van het huwelijk niet werd beoogd en eerst vanaf het 30e jaar van slachtoffer niet werd uitgesloten.
Gelet op deze persoonlijke gegevens en verwachtingen van slachtoffer houdt de Rechtbank rekening met haar leeftijdsfase van afnemende vruchtbaarheid.
De Rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door deskundigen of en in hoeverre voor slachtoffer, gelet op voormelde persoonlijke gegevens en inzichten, de kans op kinderloosheid groter zou zijn geweest dan gemiddeld voor gehuwde vrouwen in Nederland''.

HOGE RAAD 13 december 1985, NJ 1986/246 Invloed van concubinaat op behoefte van weduwe aan schadevergoeding
RvdW 1986, 11

De rechter kan met concubinaat rekening houden, zo hij met voldoende zekerheid meent te kunnen aannemen dat een concubinaat de behoefte van de weduwe zal verminderen. Een concubinaat kan voor de vaststelling van de schade vooral van belang zijn, indien het concubinaat reeds bestaat op het tijdstip dat de kapitalisatie wordt vastgesteld.

RECHTBANK ROTTERDAM 17-8-84 VR 1986/37 eindleeftijd

Uitgaande van een levensverwachting voor Mr. Evart tot omstreeks 74 jaar en voor eiseres tot omstreeks 79 jaar stelt eiseres het pensioenverlies op...

HOF ARNHEM 1-10-85 VR 1986/91 vrouw werken kinderen toekomstverwachtingen

art. 1407 BW

Het Hof laat, evenals de Rechtbank, buiten aanmerking de onzekere omstandigheden van de invloed van een evt. huwelijk met een kostwinner en de geboorte van kinderen daaruit op de mate waarin de vrouw, L., inkomsten uit arbeid zou hebben verworven. Geen enkele concrete omstandigheden is aangedragen die de conclusie zou wettigen dat L. niet zou behoren tot de steeds groeiende groep van jonge vrouwen die ernaar streven om - ongeacht een eventueel huwelijk en de geboorte van kinderen - een normale carriere te volgen en daarin ook slagen.

Rb. Amsterdam 10 november 1982, VR 1984, 81 Een voorbeeld van het in aanmerking nemen van een lichamelijke kwetsbaarheid biedt

waarin een ongeval van een trampassagiere van 57 centraal staat. In rechte wordt geoordeeld dat er voldoende aanknopingspunten zijn om bij schadebegroting rekening te houden met de lichamelijke afwijking: gelaedeerde zou vanwege knieklachten anders ook eerder zijn uitgevallen.

Hof Den Bosch 10 juli 1979, VR 1980, 1 (onvoldoende grond voor prognose dat gelaedeerde niet tot 65e zou zijn blijven werken, geen indicaties in gezondheid, eerder contra-indicaties),

HOGE RAAD 4 maart 1977 VR 1978/16 VOA verhoogde sterftekans niet in aanmerking

Art. 2 lid 1 en art. 3 VOA

Er is evenmin reden om een ,,voordeel'' voor ABP, bestaande in een verhoogde sterftekans van het slachtoffer, in aanmerking te nemen. De wet kent verhaal toe voor al hetgeen krachtens een rechtspositieregeling is uitgekeerd of verstrekt en de omvang van dit verhaal wordt alleen door de in art. 3 gestelde grens beperkt. Het vorenstaande vloeit niet alleen voort uit de strekking en het systeem van de wet, maar komt ook aan de hanteerbaarheid van de wet ten goede, immers aldus wordt de toepassing van de wet in de praktijk zo eenvoudig mogelijk gehouden. (Zie noot).

HOF 's-HERTOGENBOSCH 29 maart 1977 VR 1978/93 helm eigen schuld niet op basis statistiek

Art. 1407 BW

Hoger beroep van Rb. Roermond, 29 april 1976, VR 1978, 22. Ten tijde van het ongeval was het dragen van een valhelm door bromfietsers niet alleen niet wettelijk voorgeschreven doch ook allerminst algemeen gebruikelijk. Er bestonden toen nog geen wettelijk goed gekeurde valhelmen, zodat toen nog geen valhelmen te verkrijgen waren waarvan voldoende vaststond dat zij, indien zij al de kans op een ernstig hoofdletsel bij een ongeval verminderden, niet het gevaar voor het oplopen van een ander ernstig letsel aan bijvoorbeeld de nekwervels in het leven riepen.
dat, zeker nu appellant door in voege als voormeld met een voor een bromfietser zeer matige snelheid te rijden het risico van het oplopen van ernstig hoofdletsel bij een eventuele botsing reeds aanmerkelijk had beperkt, niet van hem kon worden verlangd een valhelm te dragen en daardoor zich aan het gevaar bloot te stellen dat hij bij een eventuele botsing als gevolg van het dragen van zo een helm een ander ernstig letsel dan een hoofdletsel zou oplopen;
dat mitsdien niet kan worden geoordeeld, dat appellant door ten tijde van het plaatsvinden van het onderwerpelijke ongeval geen valhelm te dragen de door hem als gevolg van dit ongeval ondervonden schade mede aan eigen onvoorzichtigheid - laat staan voor een louter op een statistisch gegeven gegrond aandeel van 30% - te wijten heeft;

ARR.-RECHTB. DORDRECHT, 28 november 1973. SES 1974/49 schade en statistische factoren

Artt. K. 938; Vaarr. 25,29

Voor de vaststelling van de bedrijfsschade vormt de gemiddelde netto-opbrengst per normale vaardag een goed uitgangspunt, waarbij echter rekening moet worden gehouden met statistisch te verwachten factoren die het behalen van het normale gemiddelde dagresultaat verhinderen, zoals gebrek aan ladingaanbod of onderhoudsbeurten of reparatie van niet op derden verhaalbare schade.