1994-06-02 Subrogatie Sociale Verzekeraars EU HvJ C 428, 92 nl


EU HvJ, 02-06-1994, c, 1992, 428 , zie Art. 93 EU verordening 1408/71


t

Avis juridique important

|
61992J0428
ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 2 JUNI 1994. - DEUTSCHE ANGESTELLTEN-KRANKENKASSE TEGEN LAERERSTANDENS BRANDFORSIKRING G/S. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: OESTRE LANDSRET - DENEMARKEN. - SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - RECHT VAN ORGAAN DAT PRESTATIES VERSCHULDIGD IS, TEN OPZICHTE VAN AANSPRAKELIJKE DERDE - ARTIKEL 93, LID 1, VAN VERORDENING (EEG) NR. 1408/71. - ZAAK C-428/92.

Jurisprudentie 1994 bladzijde I-02259

 

 

Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden

++++

Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Prestaties verschuldigd krachtens wettelijke regeling van Lid-Staat voor schade die op grondgebied van andere Lid-Staat is ontstaan ° Recht van verhaal van orgaan dat prestaties verschuldigd is, op aansprakelijke derde ° Vaststelling volgens nationale recht van orgaan dat prestaties verschuldigd is ° Nationale wettelijke regeling die orgaan dat prestaties verschuldigd is, geen recht geeft op subrogatie en verhaal ° Niet aan organen van andere Lid-Staten tegen te werpen

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 93, lid 1)

Samenvatting

Artikel 93, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat de voorwaarden en de omvang van het verhaalsrecht van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening, ten opzichte van de veroorzaker van schade die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is ontstaan en geleid heeft tot betaling van prestaties van sociale zekerheid ter dekking van kosten als die voor ziekenhuisverblijf en vervoer, worden bepaald volgens het recht van de Lid-Staat waaronder dat orgaan valt. In het bijzonder staan bepalingen van een Lid-Staat, volgens welke het orgaan van sociale zekerheid niet wordt gesubrogeerd in de rechten van degene die de prestaties heeft ontvangen, noch onmiddellijk een rechtsvordering kan instellen tegen de derde die tot schadevergoeding is gehouden, niet in de weg aan het verhaalsrecht van de bevoegde organen van de andere Lid-Staten.

Genoemde bepaling wil het immers mogelijk maken, dat een orgaan van sociale zekerheid, dat na een op het grondgebied van een andere Lid-Staat ontstane schade sociale-zekerheidsuitkeringen heeft betaald, op de voor de schade aansprakelijke derde verhaal zoekt met de middelen die het door dat orgaan toegepaste recht biedt. Dit vormt een logisch en billijk tegenwicht voor de uitbreiding van de verplichtingen van bedoelde organen tot het gehele gebied van de Gemeenschap en moet derhalve worden gezien als een regel van conflictenrecht, die de nationale rechter bij wie tegen de veroorzaker van de schade een vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld, verplicht het recht toe te passen van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, niet slechts om te bepalen of dit orgaan wettig in de rechten van het slachtoffer is gesubrogeerd dan wel een onmiddellijk recht heeft ten opzichte van de aansprakelijke derde, maar ook om de aard en de omvang te bepalen van de vorderingen waarin dit orgaan is gesubrogeerd of die het onmiddellijk tegen die derde kan instellen.

Artikel 93, lid 1, heeft evenwel niet ten doel, wijziging te brengen in de regels volgens welke moet worden vastgesteld, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, wettelijk aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de nationale rechter bij wie het bevoegde orgaan of het slachtoffer de vordering instelt, normaal moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan.

Partijen

In zaak C-428/92,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het OEstre Landsret (Denemarken), in het aldaar aanhangig geding tussen

Deutsche Angestellten Krankenkasse (DAK)

en

Laererstandens Brandforsikring G/S,

om een prejudiciële beslissing over de strekking van artikel 93, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, D. A. O. Edward, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse (rapporteur) en M. Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Rosenmejer, advocaat te Kopenhagen,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,

- de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kondolaimos, adjunct juridisch adviseur bij de Raad van State, en I. Chalkias, gevolmachtigde voor rechtszaken bij de Raad van State, als gemachtigden,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. C. Jessen en M. Patakia, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J. P. Galmond, advocaat te Kopenhagen, verweerder in het hoofdgeding, de Griekse regering en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en A. C. Jessen, als gemachtigden, ter terechtzitting van 3 maart 1994,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 1994,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij beschikking van 17 december 1992, ingekomen ter griffie van het Hof op 23 december daaraanvolgend, heeft het OEstre Landsret het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 93 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening").

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen de Deutsche Angestellten-Krankenkasse (hierna: "DAK"), een Duits sociale-zekerheidsorgaan, en Laererstandens Brandforsikring G/S (hierna: "LB"), een Deense maatschappij voor, onder meer, motorrijtuigenverzekeringen over de vergoeding van bedragen die door DAK waren uitgekeerd in verband met een ongeval dat de dochter van een van haar verzekerden, Leipelt, in Denemarken was overkomen.

3 De dochter van Leipelt was op 5 oktober 1986 betrokken bij een verkeersongeval veroorzaakt door een Deense automobilist, die voor wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij LB. Van 5 tot 8 oktober 1986 was zij opgenomen in een Deens ziekenhuis, waarna zij naar Duitsland werd vervoerd, waar zij nog van 8 oktober tot 9 november 1986 in een ziekenhuis verbleef.

4 DAK vergoedde alle ziekenhuis- en vervoerskosten, te weten 6 600 DKR voor het verblijf in het ziekenhuis in Denemarken, 712,48 DKR voor het vervoer van Denemarken naar Duitsland, en 8 188,95 DM voor het verblijf in het ziekenhuis in Duitsland.

5 DAK stelde bij het Byret te Kopenhagen en vervolgens in hoger beroep bij het OEstre Landsret tegen LB een vordering in tot terugbetaling van alle door haar uitgekeerde bedragen. Zij baseerde haar vordering op de rechten van het slachtoffer, waarin zij, naar zij stelde, was gesubrogeerd krachtens § 116 van boek X van het Duitse Sozialgesetzbuch.

6 Genoemde § 116 luidt:

"Het orgaan van sociale zekerheid of van sociale bijstand wordt gesubrogeerd in de rechten op schadevergoeding die op andere wettelijke bepalingen berusten, tot het bedrag van de wegens de schadebrengende gebeurtenis betaalde sociale uitkeringen, die bedoeld zijn ter vergoeding van schade van dezelfde aard en voor hetzelfde tijdvak als waarop de door de veroorzaker van de schade verschuldigde vergoeding betrekking heeft."

7 Volgens LB stonden de §§ 17, lid 1, eerste alinea, en 22, lid 2, van de Lov om erstatningsansvar nr. 228 van 23 mei 1984, zoals gewijzigd (Deense wet inzake de wettelijke aansprakelijkheid, hierna: "Deense wet"), aan een dergelijke vordering in de weg.

8 § 17, lid 1, eerste alinea, van deze wet luidt als volgt:

"Uitkeringen krachtens de sociale-zekerheidswetgeving, daaronder begrepen dagvergoedingen, bijstand in geval van ziekte, pensioen ingevolge de wettelijke regeling inzake sociale pensioenen, en uitkeringen krachtens de wet op de bedrijfsongevallenverzekering, waarop een gelaedeerde of nabestaande aanspraak kan maken, kunnen geen grondslag vormen voor regresvorderingen op de voor de schade aansprakelijke persoon."

§ 22, lid 2, luidt:

"Bij levensverzekering, ongevallen- of ziekteverzekering dan wel een andere personenverzekering heeft de maatschappij ongeacht het karakter van de verzekering geen vordering op de voor de schade aansprakelijke persoon."

9 DAK bracht hiertegen in, dat de subrogatie waarin de Duitse wet te haren gunste voorzag, ingevolge artikel 93 van de verordening door de Deense rechter moest worden erkend.

10 Het OEstre Landsret zag zich daarop gesteld voor de vraag, wat de draagwijdte van die bepaling was en of de Deense wet in het hoofdgeding kon worden toegepast.

11 In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof zich bij wege van prejudiciële beslissing zal hebben uitgesproken over de volgende vragen:

"1) Moet artikel 93 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat dit enkel de voorwaarden bepaalt voor het recht van het bevoegde orgaan om de vorderingen van de gelaedeerde op een derde over te nemen (subrogatie), of bepaalt dit artikel ook, welke vorderingen het bevoegde orgaan kan overnemen?

2) Indien het laatste het geval is, moet daaromtrent dan worden beslist volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan of volgens die van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan?

3) Moet artikel 93 aldus worden uitgelegd, dat het tevens bepaalt, welke van de vorderingen die het bevoegde orgaan heeft overgenomen, in de Lid-Staat waar de schade is geleden, kunnen worden ingesteld tegen de aansprakelijke derde?

4) Moet artikel 93 aldus worden uitgelegd, dat dit artikel tevens het instellen van een regresvordering door het bevoegde orgaan tegen de aansprakelijke derde toestaat, indien die vordering anders volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan, niet geoorloofd zou zijn, als gevolg van bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet inzake de wettelijke aansprakelijkheid?"

12 Met zijn vier prejudiciële vragen, die gelet op hun nauwe onderlinge samenhang te zamen moeten worden onderzocht, vraagt de nationale rechter in wezen, welk nationale recht krachtens artikel 93 van de verordening moet worden toegepast om de voorwaarden en de omvang te bepalen van het verhaalsrecht dat een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening heeft ten opzichte van de veroorzaker van schade die is ontstaan op het grondgebied van een andere Lid-Staat en geleid heeft tot de betaling van prestaties van sociale zekerheid. Meer in het bijzonder vraagt de nationale rechter, of bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet in de weg staan aan het verhaalsrecht van het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat.

13 De Commissie en de Duitse en de Griekse regering betogen, dat ingevolge artikel 93 van de verordening moet worden toegepast het recht van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, niet slechts ter bepaling van de voorwaarden, maar ook van de omvang van het verhaalsrecht van dat orgaan, wanneer de schade is ontstaan op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Volgens hen staan bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet dus niet in de weg aan het verhaalsrecht van het bevoegde orgaan, wanneer dit verhaalsrecht wordt erkend door het recht van de Lid-Staat waaronder dat orgaan valt.

14 LB daarentegen is van mening, dat ingevolge artikel 93 van de verordening het recht van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan enkel moet worden toegepast om te bepalen of dit orgaan een verhaalsrecht heeft ten opzichte van de aansprakelijke derde, maar dat de omvang van dit recht moet worden bepaald volgens de wetgeving van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan. Volgens haar staan bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet dus in de weg aan het verhaalsrecht van het bevoegde orgaan, zelfs wanneer dit volgens de wetgeving van zijn eigen Lid-Staat dat recht heeft.

15 Ofschoon de prejudiciële vragen naar hun bewoordingen betrekking hebben op artikel 93 in zijn geheel, moet dadelijk worden opgemerkt, dat zij, gelet op de motivering van de verwijzingsbeschikking, in werkelijkheid enkel betrekking hebben op lid 1 van dit artikel, dat luidt als volgt:

"Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een Lid-Staat naar aanleiding van schade welke voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere Lid-Staat voorgevallen gebeurtenis, worden de eventuele rechten welke het orgaan, dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:

a) wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Lid-Staat die subrogatie;

b) wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is een onmiddellijk recht ten opzichte van die derde heeft, erkent elke Lid-Staat dat recht."

16 Evenals artikel 52 van verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, blz. 561), waarvan het de bewoordingen in wezen overneemt, wil artikel 93, lid 1, van de verordening het mogelijk maken, dat een orgaan van sociale zekerheid dat na een op het grondgebied van een andere Lid-Staat ontstane schade sociale-zekerheidsuitkeringen heeft betaald, op de voor de schade aansprakelijke derde verhaal zoekt met de middelen die het door dat orgaan toegepaste recht biedt, zij het subrogatie, zij het een andere rechtsfiguur (zie arrest van 12 november 1969, zaak 27/69, Entr' aide médicale, Jurispr. 1969, blz. 405, r.o. 15). Het aldus aan de nationale organen van sociale zekerheid toegekende recht vormt een logisch en billijk tegenwicht voor de uitbreiding van de verplichtingen van bedoelde organen tot het gehele gebied van de Gemeenschap, welke uit de bepalingen van de verordening voortvloeit (zie arresten van 11 maart 1965, zaak 33/64, Van Dijk, Jurispr. 1965, blz. 127, en 9 december 1965, zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1147).

17 Te dien einde bepaalt artikel 93, lid 1, van de verordening, dat wanneer het bevoegde orgaan in de rechten treedt welke de ontvanger van deze prestaties heeft ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, elke Lid-Staat deze subrogatie dan wel het recht van het bedoeld orgaan om onmiddellijk tegen deze derde op te treden, moet erkennen, wanneer dat orgaan volgens de wetgeving van zijn eigen Lid-Staat een van deze rechtsvorderingen kan instellen.

18 Artikel 93, lid 1, van de verordening moet derhalve worden gezien als een regel van conflictenrecht, die de nationale rechter bij wie tegen de veroorzaker van de schade een vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld, verplicht het recht toe te passen van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, niet slechts om te bepalen of dit orgaan wettig in de rechten van het slachtoffer is gesubrogeerd dan wel een onmiddellijk recht heeft ten opzichte van de aansprakelijke derde, maar ook om de aard en de omvang te bepalen van de vorderingen waarin dit orgaan is gesubrogeerd of die het onmiddellijk tegen die derde kan instellen.

19 Indien immers de nationale rechter, ter bepaling van de omvang van het verhaalsrecht van het bevoegde orgaan, het recht zou toepassen van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, zoals LB voorstelt, zou hij ertoe kunnen komen, aan artikel 93, lid 1, van de verordening geheel of gedeeltelijk het nuttig effect te ontnemen. Dit zou in het bijzonder het geval zijn indien de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan, bepaalt dat de wettelijke subrogatie of de onmiddellijke vordering niet mogelijk is voor bepaalde soorten schuldvorderingen die het bevoegde orgaan in zijn eigen Lid-Staat bij wege van subrogatie of rechtstreeks geldend kan maken.

20 De in artikel 93, lid 1, van de verordening bedoelde vorderingen betreffen volgens de bewoordingen van dit artikel zelf echter enkel de prestaties van sociale zekerheid die verschuldigd zijn wegens schade die is ontstaan op het grondgebied van een andere Lid-Staat (zie arrest van 16 februari 1977, zaak 72/76, Toepfer, Jurispr. 1977, blz. 271, r.o. 13-15). Waar LB in zijn opmerkingen betwijfelt, of die vorderingen betrekking kunnen hebben op prestaties ter dekking van kosten als die voor het verblijf van Leipelts dochter in een Deens ziekenhuis en haar vervoer van Denemarken naar Duitsland, moet worden gepreciseerd, dat tot de prestaties bedoeld in artikel 93, lid 1, van de verordening behoren de prestaties ter dekking van kosten als die voor ziekenhuisverblijf of vervoer, die gemaakt zijn in een andere Lid-Staat dan die waarin het bevoegde orgaan is gevestigd.

21 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat artikel 93, lid 1, van de verordening enkel beoogt te verzekeren, dat het vorderingsrecht dat het bevoegde orgaan krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving heeft, door de andere Lid-Staten wordt erkend. Het brengt geen wijziging in de regels volgens welke moet worden vastgesteld, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, wettelijk aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de nationale rechter bij wie het bevoegde orgaan of het slachtoffer zelf de vordering instelt, normaal moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan (zie hiervoor arrest Hessische Knappschaft, reeds aangehaald, en arrest van 16 mei 1973, zaak 78/72, Ster-Algemeen Syndikaat, Jurispr. 1973, blz. 499, r.o. 6).

22 Uit het voorgaande volgt, dat bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet, die betrekking hebben op de verhaalsrechten van de bevoegde organen van sociale zekerheid tegenover derden die tot vergoeding van de schade zijn gehouden, niet kunnen worden toegepast om te bepalen, of en in hoeverre een bevoegd orgaan van een andere Lid-Staat een verhaalsrecht heeft ten opzichte van de veroorzaker van schade die ontstaan is op het grondgebied van de Lid-Staat waar die bepalingen gelden. Dergelijke bepalingen staan derhalve niet in de weg aan het verhaalsrecht van een bevoegd orgaan van een andere Lid-Staat dan die waar deze bepalingen van toepassing zijn.

23 Mitsdien moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat artikel 93, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat de voorwaarden en de omvang van het verhaalssrecht van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening, ten opzichte van de veroorzaker van schade die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is ontstaan en geleid heeft tot betaling van prestaties van sociale zekerheid, worden bepaald volgens het recht van de Lid-Staat waaronder dat orgaan valt. In het bijzonder staan bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Deense wet, niet in de weg aan het verhaalsrecht van de bevoegde organen van de andere Lid-Staten.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

24 De kosten door de Duitse en de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het OEstre Landsret bij beschikking van 17 december 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 93, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat de voorwaarden en de omvang van het verhaalsrecht van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening, ten opzichte van de veroorzaker van schade die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is ontstaan en geleid heeft tot betaling van prestaties van sociale zekerheid, worden bepaald volgens het recht van de Lid-Staat waaronder dat orgaan valt. In het bijzonder staan bepalingen als de §§ 17, lid 1, en 22, lid 2, van de Lov om erstatningsansvar nr. 228 van 23 mei 1984, zoals gewijzigd, niet in de weg aan het verhaalsrecht van de bevoegde organen van de andere Lid-Staten.