C-397/96

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 21 september 1999. - Caisse de pension des employés privés tegen Dieter Kordel, Rainer Kordel en Frankfurter Allianz Versicherungs AG. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Landgericht Trier - Duitsland. - Sociale zekerheid - Orgaan dat prestaties verschuldigd is - Verhaal op aansprakelijke derde - Subrogatie. - Zaak C-397/96.

Jurisprudentie 1999 bladzijde I-05959

 

 

Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden

Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Prestaties krachtens wettelijke regeling van lidstaat verschuldigd voor schade die op grondgebied van andere lidstaat is ontstaan - Recht van verhaal van organen die prestaties verschuldigd zijn, op aansprakelijke derde - Rechten van slachtoffer - Vaststelling volgens rechtsorde van lidstaat waar schade is ingetreden - Subrogatie van orgaan dat prestaties verschuldigd is, en omvang van rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd - Bepaling volgens rechtsorde van orgaan dat prestaties verschuldigd is - Grenzen

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 93, § 1, sub a)

Samenvatting

$$Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van op het grondgebied van een lidstaat ingetreden schade die tot de toekenning van prestaties van sociale zekerheid aan het slachtoffer of zijn rechthebbenden door een onder een andere lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening heeft geleid, de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben en waarin bedoeld orgaan kan worden gesubrogeerd, alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, kan worden ingesteld, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen.

Die bepaling moet met betrekking tot een eventuele subrogatie van het socialezekerheidsorgaan in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden aldus worden uitgelegd, dat de subrogatie, alsmede de omvang van de rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd, worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dat orgaan valt, mits in het kader van de door dat recht voorziene subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben krachtens het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden.

Het staat aan de aangezochte rechter om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken.

Partijen

In zaak C-397/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landgericht Trier (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Caisse de Pension des Employés Privés

en

D. Kordel,

R. Kordel,

Frankfurter Allianz Versicherungs AG,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, P. Jann, D. A. O. Edward (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,

advocaat-generaal: A. Saggio

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- de Caisse de Pension des Employés Privés, vertegenwoordigd door F. Peter, advocaat te Trier,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,

- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door C. Ewen, Inspecteur de 1re classe, Inspection générale de la sécurité sociale, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, juridisch adviseur, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Caisse de Pension des Employés Privés en de Commissie ter terechtzitting van 18 maart 1999,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 1999,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij beschikking van 29 november 1996, aangevuld bij beschikking van 24 oktober 1997, ingekomen ter griffie van het Hof op 12 december 1996 respectievelijk 30 oktober 1997, heeft het Landgericht Trier het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6; hierna: "verordening").

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Caisse de Pension des Employés Privés (hierna: "Caisse de pension"), een Luxemburgs orgaan, en D. en R. Kordel alsmede de Duitse maatschappij voor motorvoertuigenverzekeringen Frankfurter Allianz Versicherungs AG, over de vergoeding van de bedragen die door de Caisse de pension zijn uitgekeerd in verband met het overlijden bij een ongeval van een van haar verzekerden.

Wettelijk kader

3 Artikel 93 van de verordening, getiteld "Recht van de organen welke prestaties verschuldigd zijn ten opzichte van de aansprakelijke derden", bepaalt in lid 1, sub a:

"1. Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een lidstaat naar aanleiding van schade welke voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis, worden de eventuele rechten welke het orgaan, dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:

a) wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat die subrogatie;

(...)"

4 Artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales (Loi du 27 juillet 1987 concernant l'assurance pension en cas de vieillesse, d'invalidité et de survie, Mémorial nr. 60 van 28 juli 1987, blz. 1102) luidt:

"Indien degene die krachtens dit boek een pensioen ontvangt, jegens derden een wettelijke aanspraak heeft op vergoeding van de schade die voor hem voortvloeit uit de invaliditeit of het overlijden waaraan hij recht op pensioen ontleent, gaat de aanspraak op vergoeding van de schade van dezelfde aard als die welke door het pensioen wordt gedekt, op de pensioenkas over ten belope van haar uitkeringen. In geval van een periodiek pensioen omvat het verhaal het opgebouwde kapitaal, verminderd met de verworven verwachtingen. De uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld bij groothertogelijk reglement."

5 De artikelen 3 en 4 van het groothertogelijk reglement van 18 november 1992 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake het verhaal op de aansprakelijke derde bedoeld in artikel 232 van de Code des assurances sociales (Mémorial nr. 89 van 3 december 1992, blz. 2545; hierna: "groothertogelijk reglement") luiden als volgt:

"Artikel 3. In geval van overlijden van een verzekerde die geen pensioen ontvangt, omvat het verhaal het brutobedrag van de overlevingspensioenen die in de zesendertig maanden na de datum van overlijden van de verzekerde worden betaald; het wordt jaarlijks op basis van een door de Caisse de pension op te maken afrekening uitgeoefend.

(...)

Artikel 4. In geval van overlijden van een ontvanger van een pensioen, wordt geen verhaal tegen de aansprakelijke derde uitgeoefend."

Het hoofdgeding

6 A. Ginsbach, verzekerd bij de Caisse de pension, overleed nadat hij op 27 december 1991 bij Trier, in Duitsland, was aangereden door een motorvoertuig, dat werd bestuurd door D. Kordel en waarvan de eigenaar (Halter) R. Kordel was.

7 De Caisse de pension keerde aan de weduwe en de dochter van Ginsbach uitkeringen aan nagelaten betrekkingen in de vorm van een weduwe- en een wezenrente uit, in het kader van een opgebouwd kapitaal van 4 003 236 LFR.

8 Met een beroep op haar subrogatie in de rechten van de rechthebbenden krachtens artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales, stelde de Caisse de pension beroep in bij het Landgericht Trier, teneinde D. en R. Kordel alsmede de Frankfurter Allianz Versicherungs AG, waarbij R. Kordel voor zijn wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd, te doen veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van de helft van het opgebouwde kapitaal.

9 De Caisse stelt, dat het Landgericht, wat betreft het bedrag van de door haar aangevoerde rechten, gebonden is aan artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales. Het recht waarin de Caisse de pension is gesubrogeerd, moet immers door de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening worden erkend.

10 Daar het twijfelt aan de strekking van artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening, alsmede aan de toepasbaarheid van de Luxemburgse wet in het hoofdgeding, heeft het Landgericht Trier de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

"Hoe moet artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 worden uitgelegd? Strekt de erkenning door de lidstaten zich uit tot de inhoud van het overgegane recht volgens de wetgeving van een andere lidstaat (in casu: artikel 232, tweede volzin, van de Luxemburgse Code des assurances sociales juncto het bijbehorende groothertogelijk reglement, volgens welke het recht waarin de Caisse de pension is gesubrogeerd, het opgebouwde kapitaal, verminderd met de wettelijke verwachtingen, omvat) of enkel tot de subrogatie als zodanig?"

11 Bij brief van 24 juli 1997 heeft het Hof het Landgericht het arrest van 2 juni 1994, DAK (C-428/92, Jurispr. blz. I-2259), toegezonden met de vraag, of het gezien dit arrest zijn prejudiciële vraag wenste te handhaven of te herformuleren.

12 Het Landgericht Trier heeft daarop de vraag aan het Hof aangevuld als volgt:

"Staan aan het verhaalsrecht dat een tot uitkering verplicht orgaan van een lidstaat in de zin van artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 jegens de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade heeft, bepalingen die de overgang van de schadevordering van de ontvanger van de prestaties tegen de derde op het tot uitkering verplicht orgaan, respectievelijk het geldend maken daarvan door dit orgaan uitsluiten, ook dan niet in de weg, wanneer het gaat om bepalingen van de lidstaat waartoe het tot uitkering verplichte orgaan zelf behoort (in casu: artikel 4 van het uitvoeringsreglement bij artikel 232 van de Luxemburgse Code des assurances sociales, volgens hetwelk in geval van overlijden van een ontvanger van een pensioen, geen verhaal op de aansprakelijke derde plaatsvindt)?"

De prejudiciële vragen

13 Met deze vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter het Hof zakelijk weergegeven om uitlegging van artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening, teneinde te vernemen, of en in hoeverre de subrogatie van een orgaan van sociale zekerheid in de zin van de verordening in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade die heeft geleid tot betaling van prestaties van sociale zekerheid door dat orgaan, alsmede de omvang van de aldus overgegane rechten, moeten worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dit orgaan valt. De nationale rechter vraagt meer in het bijzonder, of bepalingen van het recht van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, die, zoals artikel 4 van het groothertogelijk reglement, tot gevolg hebben dat de subrogatie van dat orgaan in de rechten van de ontvanger van de prestaties of de uitoefening van deze rechten door het in die rechten gesubrogeerde orgaan voor de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, wordt uitgesloten of beperkt, moeten worden toegepast.

14 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verschaffen, moet achtereenvolgens worden onderzocht, welke rechten het slachtoffer van het ongeval of zijn rechthebbenden hebben, of en in hoeverre die rechten zijn overgegaan op het orgaan dat de prestaties verschuldigd is en, ten slotte, welke beperkingen de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is eventueel verbindt aan de uitoefening van de rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd.

15 Wat om te beginnen de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade betreft, beoogt artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening enkel te verzekeren, dat het vorderingsrecht dat het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, kan toekomen krachtens de door hem toegepaste wetgeving, door de andere lidstaten wordt erkend. Het brengt geen wijziging in de regels volgens welke moet worden bepaald, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, wettelijk aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de door het slachtoffer of zijn rechthebbenden aangezochte nationale rechter normaal moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden (zie dienaangaande arresten van 9 december 1965, Singer, 44/65, Jurispr. blz. 1191, en 16 mei 1973, Ster-Algemeen Syndikaat, 78/72, Jurispr. blz. 499, punt 6, en arrest DAK, reeds aangehaald, punt 21).

16 Hieruit volgt, dat de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, aanhangig kan worden gemaakt, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen.

17 Het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, kan enkel in de aldus vastgestelde rechten worden gesubrogeerd. Immers, een subrogatie als die voorzien in artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening kan niet tot gevolg hebben, dat de ontvanger van de prestaties additionele rechten ten opzichte van een derde verkrijgt.

18 Vervolgens verklaart de verwijzende rechter met betrekking tot de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten van de rechthebbenden van het slachtoffer, dat naar Duits recht het socialezekerheidsorgaan slechts wordt gesubrogeerd in de rechten die de rechthebbenden ten opzichte van de aansprakelijke derde hebben, voor zover de rechthebbenden van de overledene alimentatie hadden kunnen vorderen. De verwijzende rechter maakt evenwel niet duidelijk, of naar Duits recht de nagelaten betrekkingen van het slachtoffer van een dodelijk ongeval slechts een verhaalsrecht tegen de aansprakelijke derde hebben, indien zij van het slachtoffer alimentatie hadden kunnen vorderen, dan wel of bedoelde regel enkel geldt voor de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is.

19 Zo naar Duits recht ieder verhaal van de nagelaten betrekkingen van het slachtoffer op de aansprakelijke derde afhankelijk is van de voorwaarde dat het slachtoffer, indien in leven, jegens hen thans of in de toekomst onderhoudsplichtig zou zijn, zou zulks, als voorwaarde voor het ontstaan van een aanspraak van de nagelaten betrekkingen, volgens de in de punten 15 tot en met 17 van dit arrest genoemde beginselen tot gevolg hebben, dat de nagelaten betrekkingen, voor zover zij geen alimentatie hadden kunnen vorderen, geen rechten hebben waarin het orgaan dat de prestaties verschuldigd is kan worden gesubrogeerd.

20 De verwijzende rechter preciseert evenmin, of het Duitse recht verlangt dat het slachtoffer onmiddellijk vóór zijn overlijden alimentatie betaalde aan degenen die een aanspraak geldend maken, dan wel of het volstaat dat zij in de toekomst alimentatie hadden kunnen eisen. Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat de aard en de omvang van de alimentatieverplichtingen van het slachtoffer jegens de nagelaten betrekkingen niet noodzakelijkerwijs door het nationale recht van de aangezochte rechter worden bepaald. De regels van internationaal privaatrecht kunnen immers naar een andere rechtsorde verwijzen.

21 Voor het geval de door de verwijzende rechter vermelde regel van Duits recht enkel mocht gelden voor de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten van de ontvanger van de prestaties, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening iedere lidstaat de subrogatie van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is in de rechten die de ontvanger van deze prestaties heeft ten opzichte van de derde die verplicht is de schade te vergoeden, moet erkennen, indien in deze overgang ten behoeve van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is wordt voorzien in de wetgeving van de lidstaat waartoe het behoort (zie arrest DAK, reeds aangehaald, punt 17).

22 Deze bepaling moet derhalve worden gezien als een conflictenregel, die de nationale rechter bij wie een schadevordering tegen de veroorzaker van de schade aanhangig wordt gemaakt, verplicht het recht van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is toe te passen, niet alleen om te bepalen of dat orgaan wettig in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden is gesubrogeerd, maar ook ter bepaling van de aard en de omvang van de vorderingen waarin het orgaan is gesubrogeerd (zie arrest DAK, reeds aangehaald, punt 18).

23 Hieruit volgt, dat het orgaan dat de prestaties verschuldigd is en dat in de aanspraken is gesubrogeerd, alsmede de nationale rechterlijke instanties van elke lidstaat gebonden zijn aan de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, mits in het kader van de in die wetgeving voorziene subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben.

24 Wat ten slotte de vraag betreft, of de rechten van de Caisse de pension moeten worden bepaald op basis van artikel 4 van het groothertogelijk reglement, betwist de Caisse, dat de toepassing van deze bepaling in het hoofdgeding relevant is.

25 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak het Hof in het kader van de procedure van artikel 177 van het Verdrag noch het nationale recht heeft uit te leggen, noch zich over de gevolgen daarvan heeft uit te spreken (zie, onder meer, arrest van 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, Jurispr. blz. 163, punt 25).

26 Het staat aan de aangezochte rechter om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken.

27 Mitsdien moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat:

- artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat in geval van op het grondgebied van een lidstaat ingetreden schade die tot de toekenning van prestaties van sociale zekerheid aan het slachtoffer of zijn rechthebbenden door een onder een andere lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening heeft geleid, de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben en waarin bedoeld orgaan kan worden gesubrogeerd, alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, aanhangig kan worden gemaakt, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen;

- artikel 93, lid 1, sub a, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat de subrogatie van een onder het recht van een lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade die heeft geleid tot toekenning van prestaties van sociale zekerheid door dat orgaan, alsmede de omvang van de rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd, worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dat orgaan valt, mits in het kader van de door dat recht voorziene subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben krachtens het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden;

- het aan de aangezochte rechter staat om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

28 De kosten door de Duitse en de Luxemburgse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Landgericht Trier bij beschikking van 29 november 1996, aangevuld bij beschikking van 24 oktober 1997, gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat in geval van op het grondgebied van een lidstaat ingetreden schade die tot de toekenning van prestaties van sociale zekerheid aan het slachtoffer of zijn rechthebbenden door een onder een andere lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening heeft geleid, de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben en waarin bedoeld orgaan kan worden gesubrogeerd, alsmede de voorwaarden waaronder de schadevordering bij de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden, aanhangig kan worden gemaakt, worden bepaald volgens het recht van die staat, de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht daaronder begrepen.

2) Artikel 93, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, moet aldus worden uitgelegd, dat de subrogatie van een onder het recht van een lidstaat vallend orgaan van sociale zekerheid in de zin van deze verordening in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hebben ten opzichte van de veroorzaker van op het grondgebied van een andere lidstaat ingetreden schade die heeft geleid tot toekenning van prestaties van sociale zekerheid door dat orgaan, alsmede de omvang van de rechten waarin dat orgaan is gesubrogeerd, worden bepaald volgens het recht van de lidstaat waaronder dat orgaan valt, mits in het kader van de door dat recht voorziene subrogatie niet meer rechten geldend worden gemaakt dan het slachtoffer of zijn rechthebbenden ten opzichte van de veroorzaker van de schade hebben krachtens het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ingetreden.

3) Het staat aan de aangezochte rechter om de relevante bepalingen van de wetgeving van de lidstaat van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, aan te wijzen en toe te passen, ook indien die bepalingen de subrogatie van dat orgaan in de rechten die de ontvanger van de prestaties ten opzichte van de veroorzaker van de schade heeft, of de uitoefening van die rechten door het gesubrogeerde orgaan, uitsluiten of beperken.