vordering Duitse sociale verzekeraar stuit af op civiel plafond


Rechtbank Den Haag 30-05-2007 HA ZA 04-25


De Duitse sociale verzekeringsinstantie BFF vordert (toekomstige) arbeidsongeschiktheidsrente en ziektekosten. Nederlands recht is van toepassing. De rechtbank wijst de vordering af. De Duitse verzekeraar kan zich niet beroepen op Nederlandse convenanten, omdat zij hierbij geen partij is. De rechtbank oordeelt dat BFF niet heeft aangegeven in hoeverre haar vorderingen binnen het civiele plafond vallen. De rechtbank overweegt: “ Hoewel BFF op zich kan worden toegegeven dat het wringt dat zij uitkeringen die zij krachtens het voor haar toepasselijke Duitse regime aan haar verzekerde heeft moeten voldoen niet op de veroorzaker (…) kan verhalen, zou doorbreking van het indemniteitsbeginsel in deze ten nadele strekken van de veroorzaker/diens verzekeraar die alsdan niet alleen heeft in te staan voor door het slachtoffer geleden schade doch ook de gevolgen van buitenlandse wetgeving dient te dragen.”

226202 / HA ZA 04-2598 (DH)

datum vonnis: 30 mei 2007

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

VONNIS in de zaak van:

de rechtspersoon naar Duits recht

BERUFSGENOSSENSCHAFT FUR FAHRZEUGHALTUNGEN, gevestigd en kantoor houdende te Hamburg, BDR,

eiseres,

procureur: aanvankelijk mr, W. Taekema thans mr. H.J.A. Knijff,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid NEDERLANDS BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS,

gevestigd en kantoor houdende te Rijswijk,

gedaagde,

procureur: mr. R.E. Troost.

Partijen worden hierna wederom aangeduid als "BFF" respectievelijk "het Bureau".

Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het door deze kamer van de rechtbank tussen partijen gewezen en op 25 januari 2006 uitgesproken vonnis met de in dat vonnis genoemde gedingstukken

- de akte uitlating na tussenvonnis van BFF met producties

- de antwoordakte van het Bureau met één productie.

De inhoud van voormelde stukken geldt als hier overgenomen en, voor zover nodig, gedraagt de rechtbank zich naar hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

Rechtsoverwegingen

1. In deze zaak zoekt het BFF als sociale verzekeraar verhaal voor de schade die zij als gevolg van een verkeersongeval heeft geleden. Zij heeft naar stellen haar verzekerde (X) uitkeringen gedaan en verwacht voor de toekomst nog verdere schade.

2. in voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het Bureau de door BFF uitgekeerde schade dient te vergoeden voor zover deze naar Nederlands recht voor vergoeding in aanmerking komt. Zij heeft in dat verband nadere onderbouwing verzocht van de diverse door BFF opgevoerde schadeposten, gevraagd toe te lichten op welke grond een (toekomstige) arbeidsongeschiktheidsrente voor vergoeding in aanmerking komt en waarom BFF meent toekomstige schade terzake van ziektekosten, vroegpensioen en reïntegratie te kunnen vorderen nu een medische eindtoestand is bereikt en integratie heeft plaats gevonden. Ook diende BFF de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten nader te specificeren en de betaling daarvan te bewijzen.

3. Ter voldoening aan een en ander heeft BFF bij de hiervoor gememoreerde akte uitlating nadere gegevens verstrekt. Deze gegevens zijn, het Bureau wijst daar terecht op, echter niet genoegzaam om de ingestelde vordering geheel of gedeeltelijk te kunnen toewijzen. In de eerste plaats laat BFF na aan te geven dat en in hoeverre haar vorderingen vallen binnen het civiele plafond. Dit plafond speelt in casu een rol nu naar het toepasselijke Nederlandse recht een sociale verzekeringsinstantie als BFF geen hogere vordering mag instellen dan haar verzekerde, de verstrekte uitkeringen weggedacht, had kunnen doen. BFF laat na aan te geven waarom dat civiele plafond voor haar niet zou gelden. De enkele verwijzing naar het gestelde in een noot onder een arrest van de Hoge Raad is daartoe onvoldoende. Hoewel BFF op zich kan worden toegegeven dat het wringt dat zij uitkeringen die zij krachtens het voor haar toepasselijke Duitse regime aan haar verzekerde heeft moeten voldoen niet op de veroorzaker van het ongeval c.q. diens verzekeraar kan verhalen, zou doorbreking van het indemniteitsbeginsel in deze ten nadele strekken van de veroorzaker/diens verzekeraar die alsdan niet alleen heeft in te staan voor door het slachtoffer geleden schade doch ook de gevolgen van buitenlandse wetgeving dient te dragen.

4. In de tweede plaats geeft BFF niet (duidelijk) aangegeven in hoeverre er tussen de door haar geclaimde schadeposten en het ongeval het vereiste causale verband bestaat. Dit betreft in ieder geval de post invaliditeitsrente. Het ontgaat de rechtbank waarom het slachtoffer (X) voor 50% arbeidsongeschikt moet worden beoordeeld, temeer waar (X) na deze beoordeling, zo wil het de rechtbank voorkomen, nog geruime tijd voor 100% heeft gewerkt. Ook blijkt uit niets dat (X) als gevolg van het ongeval voor 50% niet meer in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Het als productie 14 bij akte daartoe overgelegde rapport geeft dat inzicht niet.

5. Gelet op de wijze waarop BFF haar vordering heeft gepresenteerd is niet duidelijk in hoeverre het bij akte uitlating genoemde bedrag van € 39.368,80 voor medische aanpassingen etc. een eisvermeerdering is dan wel een onderdeel van de oorspronkelijke vordering. In dat laatste geval wordt evenmin uitgelegd in hoeverre met het betalen door Delta Lloyd van een schadevergoeding (punt 1.6. van het tussenvonnis) deze post reeds is voldaan. De rechtbank iaat dan nog daar dat niet duidelijk is of hier ten aanzien van alle hier geclaimde posten sprake is van ongevalsgevolg noch dat op juiste wijze is gekapitaliseerd.

6. BFF heeft nog opmerkingen gemaakt over de autokosten die zij ten behoeve van (X) heeft moeten maken. Het feit dat het Duitse recht haar tot het maken van die kosten noopt, indien al juist, betekent echter niet dat deze kosten zonder meer voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst op hetgeen dienaangaande reeds in het tussenvonnis is overwogen. Hetgeen BFF nog aanvoert geeft geen aanleiding om op dit bindend gegeven eindoordeel terug te komen. Bovendien geldt hetgeen hierboven sub 3. is overwogen.

7. Wat betreft de buitengerechtelijke kosten vermag de rechtbank uit hetgeen BFF onder punt 19 van haar akte uitlaten stelt niet anders dan op te maken dan dat deze kosten door haar wederpartij, vertegenwoordigd door Delta Lloyd, zijn gedragen. Reeds om die reden komen die kosten niet voor toewijzing in aanmerking. Het feit dat de tenaamstelling van de factuur niet juist zou zijn geweest is in het licht hiervan niet meer ter zake.

8. Gezien het voorgaande zal de ingestelde vordering moet worden afgewezen met verwijzing van BFF, als de in het ongelijk te stellen partij, in de gedingkosten.

 

De beslissing

De rechtbank wijst het gevorderde af.

Zij verwijst BFF in de gedingkosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Bureau begroot op € 4.535,- aan verschotten en € 5.000,- aan salaris voor de procureur.

Deze proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Westenberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

-----------------------------------------------------------------------------

226202 / HA ZA 04-2598 (DH)

datum vonnis: 25 januari 2006

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

VONNIS in de zaak van:

de rechtspersoon naar Duits recht BERUFSGENOSSENSCHAFT FUR FAIIRZEUGHALTUNGEN,

gevestigd en kantoor houdende te Hamburg, BDR,

eiseres.

procureur, mr, W. Taekema,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid NEDERLANBS BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZERERAARS,

gevestigd en kantoor houdende te Rijswijk, gedaagde,

- procureur: mr. R.E. Troost.

-

Partijen worden hierna aangeduid als "BFF" respectievelijk "het Bureau”.

Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding ±d. 22 juli 2004;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties.

1. De vaststaande feiten

1.1. Op 10 november 1999 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de A67 bij Eindhoven, waarbij de heer (X), wonende ie Duitsland, hierna te noemen (X), gewond is geraakt.

1.2. (X), toentertijd werkzaam als begeleider van zware transporten, reed op de avond van het ongeval in een bestelauto ter begeleiding van een zware vrachtwagencombinatie, een zogenaamde dieplader, komende uit de richting van België en gaande in de richting van de gemeente Venlo. Omstreeks 20.20 uur heeft de chauffeur van de dieplader als gevolg van een technische storing het voertuig op de vluchtstrook tot stilstand gebracht en de alarmlichten ingeschakeld. (X) heeft zijn bestelauto voor de dieplader op de vluchtstrook geparkeerd. Omstreeks 21.31 uur is een trekker-oplegger uit Oostenrijk, bestuurd door de heer (Y), wonende te Oostenrijk, hierna te noemen (Y), in botsing gekomen met de dieplader en vervolgens mei de door (X) bestuurde bestelauto. (X) bevond zich ten tijde van de aanrijding tussen de vangrail en de bestelauto. Als gevolg van de aanrijding is (X) gewond geraakt en is zijn rechteronderbeen geamputeerd.

1.3. De Oostenrijkse trekker-oplegger was verzekerd bij Donau Algemeine Versicherungs-aktien gesellschaft te Wenen, hierna te noemen Donau Versicherungen. Deze heeft aansprakelijkheid voor her ongeval erkend.

 

1.4. BFF is de sociale verzekeraar van (X). Zij heeft (X) een schadevergoeding uitgekeerd met inachtneming van een percentage eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW van 25%,

1.5. Donau Versicherungen heeft Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. te Amsterdam, hierna te noemen Delta Lloyd, opdracht gegeven de regresvordering van BFF af te wikkelen. BFF heeft Schadetax te Hoogeveen opdrachr gegeven als haar vertegenwoordiger op te treden,

1.6. Delta Lloyd heeft een bedrag van € 79.194,10 betaald aan BFF.

1.7. BFF heeft op grond van artikel 2 lid 6 WAM de onderhavige procedure legen het Bureau aanhangig gemaakt.

2, Het geschil

2.1 BFF vordert - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het Bureau te

veroordelen tot betaling van de bedragen van € 203.084,50 terzake van hoofdsom en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente, € 60.000,- terzake van autokosten alsmede schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met verwijzing van het Bureau in de kosten van het geding.

2.2. BFF legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, ten grondslag dat het Bureau de volledige aan (X) uitgekeerde en nog aan hem uit te keren schade terzake toekomstige ziekte- en reïntegratiekosten dient te vergoeden aan BFF als regresnemer aangezien (X) geen eigen schuld kan worden verweten.

2.3. Het Bureau voert gemotiveerd verweer.

3. He beoordeling

3.1. De rechtbank is op grond van artikel 2 EEX-verordening bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen nu het Bureau gevestigd is in Nederland.

3.2. Partijen zijn het erover eens dat volgens de regels van het internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing is op de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waar het verkeersongeval in Nederland heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal hen hierin volgen.

3.3. BFF vordert volledige schadevergoeding van het Bureau aangezien de schade geheel veroorzaakt is door de door (Y) gemaakte verkeersfouten. Het Bureau heeft het standpunt ingenomen dat aan BFF een percentage eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW van 30% moet worden toegerekend. Door betaling van het hierboven onder 1,6. genoemde bedrag is aan de schadevergoedingsvcrplichting voldaan. Het Bureau betwist voorts het causaal verband en de omvang van de gevorderde schade.

3.4. Ter toelichting op haar verweer dat er sprake is van eigen schuld voert het Bureau aan dat de dieplader onvoldoende was verlicht, (X) zonder geldige noodzaak zijn bestelauto op de vluchtstrook beeft gezel en de auto gedurende 77 minuten heeft verlaten en tenslotte dat (X) zijn bestelauto niet achter maar vóór de dieplader heeft geplaatst. Door aldus te handelen hebben (X) en de chauffeur van de dieplader een gevaarlijke situatie gecreëerd, BFF heeft een en ander gemotiveerd betwist.

 

3.5. Dit verweer faalt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de alarmverlichting van de dieplader was ingeschakeld en dat een gevarendriehoek was geplaatst. Ook (Y) heeft verklaard dal hij na het ongeval heeft gezien dat de dieplader was verlicht. In dat licht bezien moet het verweer, dat de stroomvoorziening mogelijk niet goed meer functioneerde, worden verworpen. Bovendien was ter plaatse van hei ongeval de weg geheel verlicht door openbare verlichting, naar blijkt uit het overgelegde en in zoverre niet bestreden proces-verbaal van politie. Onder deze omstandigheden kan (X) niet worden verweten dat hij zijn auto vóór de dieplader had geparkeerd in plaats van er achter teneinde naderend verkeer te attenderen op de aanwezigheid van de beide voertuigen op de vluchtstrook. Voor zover het Bureau nog heeft aangevoerd dat het achterste deel van de oplegger zich boven de rechterrijstrook heeft bevonden, waardoor een gevaarlijke situatie is ontstaan, treft deze stelling geen doel waar uit het proces-verbaal blijkt dat (Y) zich buiten de rechterrijstrook heeft begeven. Voorts staat vast dat (X) zijn auto op de vluchtstrook heeft geparkeerd om hulp te verlenen aan de chauffeur van de dieplader die hij beroepsmatig begeleidde. In zoverre kan hem evenmin worden verweten dat hij zich zonder geldige noodzaak gedurende langere tijd op de vluchtstrook heeft bevonden. De omstandigheid dat (X) zich op de vluchtstrook bevond, kan dan ook niet worden aangemerkt als een hem toe te rekenen omstandigheid die heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Hij heeft door aldus te handelen niet een -kenbare - gevaarssituatie in het leven geroepen en niet de door hem tengevolge van het ongeval geleden schade (mede) veroorzaakt. Andere feiten of omstandigheden welke leiden tot de conclusie dat een deel van de schade op de voet van artikel 6:101 BW voor rekening van BFF moet blijven, zijn niet gesteld of gebleken.

3.6. Het voorgaande brengt mee dat het Bureau de schade, welke door BFF aan (X) is

uitgekeerd, dient te vergoeden voor zover deze schade daarvoor naar Nederlands recht als het recht van de staat waar de schade is opgekomen, in aanmerking komt. Voor zover BFF bedoelt zich te beroepen op de tussen Nederlandse sociale verzekeraars en aansprakelijkheidsverzekeraars gesloten convenanten faalt dit beroep, reeds om reden dat BFF geen partij is bij die convenanten. Het Bureau heeft met juistheid betoogd dat BFF haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank aal haar dan ook in de gelegenheid stellen bij akte de gevorderde schadeposten nader te specificeren en roe te lichten en bewijsstukken daarvan over te leggen. Met betrekking tot de gevorderde (toekomstige) arbeidsongeschiktheidsrente dient BFF nader toe te lichten op grond van welke Nederlandse wettelijke bepaling deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, waar als niet, althans onvoldoende, weersproken vast staat dar er geen sprake is van verlies van verdiencapaciteit van (X). Ook dient BFF aan te geven op grond waarvan zij meent toekomstige schade terzake ziektekosten, vroegpensioen en reïntegratie te kunnen vorderen, waar het Bureau heeft aangevoerd dat er sprake is van een medische eindtoestand en (X) reeds is gereïntegreerd. Indien zou komen vast te staan dat het Bureau terzake nog enig bedrag verschuldigd zou zijn, dient de schade in deze procedure te worden begroot en vastgesteld, nu het ongeval zich reeds vijfjaar geleden heeft voorgedaan en BFF derhalve over meer gegevens moet kunnen beschikken, BFF heeft geen feiten en of omstandigheden gesteld op grond waarvan verwijzing naar een schadestaatprocedure gerechtvaardigd is. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde autokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Naar Nederlands recht dient de benadeelde in de positie te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd in de hypothetische situatie zonder het ongeval. Waar vast staat dat (X) voor het ongeval geen personenauto tot zijn beschikking had, bestaat geen grond om de kosten voor het ter beschikking stellen van een auto na het ongeval te vergoeden. Voor een andersluidend oordeel heeft BFF geen feiten gesteld, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat (X) afhankelijk is van een auto om zich ie kunnen verplaatsen. De zaak zal naar de rol worden verwezen. Hét Bureau kan vervolgens desgewenst reageren op de door BFF te nemen akte.

 

3.7. BFF vordert tevens vergoeding van buitengerechtelijke kosten, bestaande uit de door

Schadetax in rekening gebrachte kosten van behandeling ad € 2,211,62. BFF stelt dat deze nota van het schaderegelingsbureau ziet op de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Waar het Bureau heeft de verschuldigdheid van deze kosten heeft bestreden, zal BFF in de gelegenheid worden gesteld deze kosten nader te specificeren en betaling daarvan te bewijzen, mede in hel licht van de tenaamstelling van Delta Lloyd op de nota.

4. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 22 februari 2006 voor het nemen van een akte als bedoeld in rechtsoverwegingen 3.6. en 3.7. door BFF, direct ambtshalve peremptoir;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Westenberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.