IPR

groene serie Onrechtmatige daad

II-IX. Onderwerpsgewijs commentaar
IX. De onrechtmatige daad in het internationaal privaatrecht)

Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). versie 2007 per 1-1-2012 vervangen door boek 10 BW
Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). versie 2003

Zie ook Engeland, Private International law Act 1995

Vorderingsrecht Nederlandse werkgever in België bruto of netto

Jurisprudentie

Rb Rotterdam 3-7-2013 ECLI:NL:RBROT:2013:5991 Het recht van de rechter is van toepassing op het formele bewijsrecht. Het materiële bewijsrecht volgt de lex causae

 

Rb Rotterdam 21 november 2007, LJN BC0213, Engelse subrogatoire vordering

House of Lords Harding v. Wealands De vaststelling van de hoogte van de schade is onderwerp van formeel recht en wordt daarom beheersd door de lex fori.

HR 12-11-2004 AP0965 Gevolgenuitzondering OD bij arbeidsongeval

Benadeelde, woonachtig in Nederland, raakt gewond bij arbeidsongeval met een boortoren in Thailand. Hij stelt zijn Duitse werkgever, die om fiscale redenen in Nederland is gevestigd, aansprakelijk op grond van art 7:658 lid 4 BW. De arbeidsovereenkomst bevat echter een rechtskeuze voor Duits recht. De kantonrechter acht Nederlands recht van toepassing; de rechtbank in hoger beroep Duits recht. De Hoge Raad oordeelt dat de vordering wordt beheerst door Nederlands recht, aangezien er sprake is van een vordering uit onrechtmatige daad en benadeelde in Nederland woont, het bedrijf in Nederland is gevestigd en er volgens het Nederlandse conflictenrecht geen plaats is voor accessoire aanknoping.Partijen hebben niet rechtsgeldig een ander rechtsstelsel als toepasselijk aangewezen.

AG Strikwerda:

11. Een verbintenis uit onrechtmatige daad wordt naar (commuun) Nederlands internationaal privaatrecht, zoals gecodificeerd in de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD), in beginsel beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt, de lex loci delicti. Zie art. 3 lid 1 WCOD en HR 19 november 1993, NJ 1994, 622 nt. JCS en PvS (COVA). Op deze hoofdregel bestaan enige algemene uitzonderingen.

12. Een eerste uitzondering is imperatief geformuleerd en houdt in dat, indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, het recht van deze Staat van toepassing is. De uitzondering staat bekend als de "gevolgenuitzondering" en is aanvaard in het reeds genoemde COVA-arrest van de Hoge Raad en heeft inmiddels een wettelijke basis gekregen in art. 3 lid 3 WCOD. Zie over deze uitzonderingsregel J.A. Pontier, Onrechtmatige daad, Praktijkreeks IPR, deel 16, 2001, nrs. 132-135; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 7e dr., 2002, nr. 181; P. Vlas, De onrechtmatige daad in het ipr, in: Kluwers Onrechtmatige daad, losbl., onder IX, aant. 18.

13. Een tweede uitzondering betreft het geval waarin een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding. In een zodanig geval kan (de uitzondering is facultatief; vgl. Kamerstukken II, 1998/99, 25 608, nr. 3, blz. 8/9) in afwijking van de lex loci delicti-regel en in afwijking van de gevolgenuitzondering het recht worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst. Deze uitzondering is in de lagere rechtspraak tot ontwikkeling gekomen en vindt thans een regeling in art. 5 WCOD. Zie over deze uitzonderingsregel Pontier, a.w., nrs. 136-143; Strikwerda, a.w., nr. 182; Vlas, a.w., aant. 31; L. Strikwerda, De internationale onrechtmatige daad en accessoire aanknoping, in: Dubbink-bundel, 1998, blz. 47-56; K.J. Veenstra, Accessoire aanknoping in het internationale onrechtmatige daadsrecht, J. Kosters-reeks, deel IV, 2001; A.P.M.J. Vonken, Accessoire aanknoping in het licht van artikel 5 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, NIPR 2003, blz. 233 e.v.

14. Een derde uitzondering ligt besloten in de vrijheid van rechtskeuze van partijen. Partijen zijn ingevolge art. 6 WCOD, waarin aansluiting is gezocht bij de in het meergenoemde COVA-arrest aanvaarde partij-autonomie op het gebied van de internationale onrechtmatige daad, bevoegd zelf het toepasselijke recht aan te wijzen. Hebben zij rechtsgeldig van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, dan vervangt het door hen als toepasselijk aangewezen rechtsstelsel het rechtsstelsel dat volgens de objectieve verwijzingsregels van toepassing is. Zie over de rechtskeuzebevoegdheid inzake onrechtmatige daad Pontier, a.w., nrs. 144-155; Strikwerda, a.w. (2002), nr. 183; Vlas, a.w., aant. 32.

15. Het stelsel van objectieve verwijzingsregels inzake de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kent, anders dan bijvoorbeeld het stelsel van objectieve verwijzingsregels inzake overeenkomsten (zie art. 4 lid 1 en 5 EVO), geen "open einde" in die zin dat het verwijzingsresultaat dat op grond van de hoofdregel of een van de uitzonderingsregels is bereikt steeds kan worden gecorrigeerd ten behoeve van een in het concrete geval nauwer bij de onrechtmatige daad betrokken rechtsstelsel. Dit betekent dat voor uitzondering op de hoofdregel geen plaats is indien aan de voorwaarden voor toepassing van de uitzonderingsregels niet is voldaan. Vgl. r.o. 4.2 slot van het COVA-arrest. Zie voorts Pontier, a.w., nr. 156; Strikwerda, Dubbink-bundel, blz. 54; dez., WPNR nr. 6421, 2000, blz. 775.

16. Art. 5 WCOD stelt als voorwaarde voor accessoire aanknoping van de onrechtmatige daad aan een reeds bestaande of gewezen rechtsverhouding, dat dader en benadeelde partij zijn bij die rechtsverhouding. Zie ook HR 12 oktober 2001, NJ 2002, 255 nt. ThMdB, r.o. 3.7. De voorwaarde hangt samen met de ratio van de accessoire aanknoping: zij dient ertoe conflictenrechtelijke aanpassingsproblemen te voorkomen bij mogelijke samenloop van vorderingsrechten uit onrechtmatige daad en uit de andere tussen partijen bestaande of gewezen rechtsverhouding en brengt daartoe de vorderingsrechten conflictenrechtelijk onder één wet. Vgl. Kamerstukken II 2000/01, 26 608, nr. 5, blz. 10. In de literatuur is de door de wetgever gestelde voorwaarde overigens niet onomstreden. Zie bijv. Pontier, a.w., nr. 141, en Vonken, a.w., onder 4, die op dit punt een wetswijziging voorstelt.

VRA 2002/105 Enkele IPR-perikelen bij een internationaal skiongeval Hoge Raad 23 november 2001, VR 2002, 76 mr A.P.M.J. Vonken

HVO niet toepasselijk bij skiongeval, Essen maatgevend

 

HR 23 november 2001, NJ 2002, 281 gevolgenuitzondering en meerdere betrokkenen

m.nt. ThMdB; A.P.M.J. Vonken, VR 2002, p. 105-110:
In cassatie wordt onder meer geklaagd dat de gevolgenuitzondering slechts dan van toepassing is indien alle bij het ongeval betrokken partijen in dezelfde Staat woonachtig zijn. In casu zou de gevolgenuitzondering niet gelden, omdat behalve de in Nederland wonende Cool ook nog andere, in Duitsland wonende slachtoffers bij het ongeval waren betrokken. De HR overweegt op dit punt:
'Voor de toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering is vereist dat dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats hebben, maar niet ook dat zij zelf als procespartij in het geding optreden: voldoende is dat het in de procedure gaat om de aansprakelijkheid van deze dader voor de door deze benadeelde geleden schade. De omstandigheid dat er nog andere - eventuele - daders en/of benadeelden zijn, die in een andere Staat hun gewone verblijfplaats hebben, staat niet aan toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering in de weg, wanneer de procedure geen betrekking heeft op de aansprakelijkheid van deze daders of de aansprakelijkheid jegens deze benadeelden. Anders dan het middel betoogt, noopt noch de rechtszekerheid noch de voorspelbaarheid ertoe ook voor dat geval, met het oog op het belang dat de rechtsverhoudingen tussen alle - mogelijke - daders en alle - mogelijke - benadeelden door hetzelfde recht worden beheerst, af te zien van toepasselijkheid van de gevolgenuitzondering, reeds omdat niet zonder meer ervan kan worden uitgegaan dat een procedure waarin de mededaders en/of medebenadeelden wèl zijn betrokken voor de Nederlandse rechter zal worden gevoerd, en zo dit niet het geval is, de beantwoording van de vraag welk recht zal worden toegepast, afhangt van het voor de buitenlandse rechter geldende internationaal privaatrecht. Evenmin kan de in het middel naar voren gebrachte opvatting worden aanvaard, dat een gerechtvaardigde bescherming van Chantal c.s. meebrengt dat de tegen hen gerichte vordering wordt beoordeeld naar hetzelfde recht als hun eventuele regresvordering tegen de Oostenrijkse liftexploitant - welke vordering reeds zou zijn verjaard - zodat op die grond de gevolgenuitzondering buiten toepassing moet blijven en hun aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar Oostenrijks recht. De gevolgenuitzondering is immers niet gebaseerd op het begunstigingsbeginsel, maar op het beginsel van de nauwste betrokkenheid'

 

HR 17-02-1995 RVDW 1995, 43 c NJ 1995, 423 IPR Subrogatie Koers toepasselijk recht op verzekeringsovereenkomst

Naar Nederlands internationaal privaatrecht moet de vraag, in hoeverre de schadeverzekeraar bij wege van subrogatie treedt in de rechten van haar verzekerde jegens de schadeveroorzaker, worden beantwoord aan de hand van het recht dat van toepassing is op de verplichting die voor de verzekeraar voortvloeit uit haar overeenkomst van schadeverzekering met de verzekerde.
Waar de verzekeraar, die gehouden was de voor die overeenkomst meest kenmerkende prestatie te verrichten, is gevestigd in Nederland, moet worden aangenomen dat die overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht, zijnde dit het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Daaraan doet, nu de verzekeraar in de onderhavige verzekering het grootste aandeel had en de schade uitsluitend door haar is afgewikkeld, niet af dat de kenmerkende prestatie behalve door deze verzekeraar door meer schuldenaren was verschuldigd.
Uit het bepaalde in art. 6:124 BW, in verbinding met art. 6:123, volgt dat wanneer de schuldeiser betaling in Nederlands geld vordert van een geldsom uitgedrukt in buitenlands geld, de omrekening geschiedt naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt. De evengenoemde artikelen van het huidige Burgerlijk Wetboek, alsmede art. 6:125 stemmen overeen met het te dezen ingevolge art. 182 Overgangswet toepasselijke recht zoals dat gold vóór 1 jan. 1992. Ingevolge art. 6:125 kan de schuldeiser, indien hij schade lijdt als gevolg van een inmiddels ingetreden wijziging van de wisselkoers, vergoeding van die schade vorderen.

 

HvJ 26-02-1992 C-333/90 Subrogatie EG ambtenaar op moment schadegebeurtenis


De subrogatie van rechtswege van de Gemeenschappen in het recht van verhaal van een gemeenschapsambtenaar, bedoeld in artikel 73, lid 4, van het Statuut, in de versie van verordening nr. 912/78, en in artikel 85 bis, lid 1, van de thans geldende versie, vindt plaats op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis. Een aansprakelijke derde die met de gemeenschapsambtenaar een dading heeft aangegaan, kan deze evenwel aan de instelling tegenwerpen, tenzij die instelling de aansprakelijke derde vóór de dading met de betrokken ambtenaar in kennis heeft gesteld van het recht van subrogatie en van haar voornemen dit recht uit te oefenen, dan wel aantoont dat de aansprakelijke derde vóór de dading met de ambtenaar wist van het bestaan van het recht van subrogatie.

 

Koers goudfranken omrekening

Wet omrekening in goud uitgedrukte rekeneenheden van 15-5-1981 art. 1 goudfranken van 65,5 mg worden gelijk gesteld met 1/15 SDR
Goudfranken met een gewicht van 10/31 gr met 1/3 SDR
SDR is 0,88867088 gr fijn goud

Splitsing onrechtmatigheid en gevolgen

Mede onder invloed van het Haagse Verkeersongevallenverdrag en het Haagse Produktenaansprakelijkheidsverdrag (zie aant. 2.2) wordt in het commune ipr zoals neergelegd in de WCOD geen splitsing meer gemaakt tussen de wet die de onrechtmatigheid beheerst en de wet die op de gevolgen van toepassing is. Zie J.C. Schultsz in zijn noot onder Rb. 's-Hertogenbosch 8 februari 1980, NJ 1981, 86.
Bij het bepalen van de onrechtmatigheid dient uiteraard rekening te worden gehouden met de ter plaatse van de daad geldende verkeers- en veiligheidsvoorschriften, die van toepassing zijn ongeacht het op de daad toepasselijke recht.
Vergelijk art. 7 van het Verkeersongevallenverdrag en art. 9 van het Produktenaansprakelijkheidsverdrag. Een soortgelijke bepaling is ook te vinden in art. 8 WCOD en in art. 7, lid 5, van de Wet IPR Zee- en Binnenvaartrecht van 8 maart 1993.

Buitenland