RvT aansprakelijkheidsvordering gemeenschap


RvT 19-11-2007 2007/091


Verzekeraar heeft begin mei 2004 van klager de mededeling ontvangen dat diens ex- echtgenote niet door hem gemachtigd was kwijting te verlenen voor haar vordering op verzekeraar. Verzekeraar had derhalve moeten weten dat het hem op grond van artikel 3:170 BW niet vrijstond aan de ex-echtgenote zonder verkregen instemming van klager, bijvoorbeeld blijkend uit het medeondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, een betaling te doen ter zake van de aanrijdingschade voorzover de vordering tot vergoeding van deze schade in de ontbonden huwelijksgemeenschap viel (vgl. protocol?).

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

UITSPRAAK Nr. 2007/091 Mo

in de kl a c h t nr. 2007.0802 (022.07)

ingediend door: hierna te noemen 'klager',
tegen:  hierna te noemen 'verzekeraar'.

De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft kennis genomen van de schriftelijke klacht, alsmede van het daartegen door verzekeraar gevoerde schriftelijke verweer. De Raad heeft aanleiding gevonden, alvorens uitspraak te doen, verzekeraar in een zitting van de Raad te horen.
Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

Inleiding

Klagers toenmalige echtgenote, met wie klager in gemeenschap van goederen was gehuwd, heeft op 5 november 1993 een verkeersongeval gehad, waarbij een bij verzekeraar tegen het aansprakelijkheidsrisico verzekerde auto was betrokken. Op 3 december 2002 is het huwelijk van klager en zijn echtgenote door echtscheiding ontbonden.
Op 8 februari 2006 heeft klagers ex-echtgenote een vaststellingsovereenkomst met verzekeraar gesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat verzekeraar haar tegen finale kwijting een slotuitkering van € 125.000,- betaalt ter zake van de gevolgen van het ongeval.

De klacht

In geschil met verzekeraar was een complex aan schade-elementen. Het ging bijna alleen om materiele schade in de verstreken periode sinds 1993 en in de toekomst.
Tijdens hun huwelijk stond klager zijn echtgenote bij in hun gezamenlijke claim op verzekeraar. Tijdens hun echtscheiding vertrouwde zij klager niet meer en hield zij zaken verborgen. De laatste keer dat zij hem stukken ter inzage gaf was over de periode tot 2004.
Per mei 2004 heeft klager verzekeraar en diens deskundige aangezegd dat zijn ex-echtgenote niet langer door hem gemachtigd was om hun gezamenlijke vordering alleen te beheren.
Verzekeraar had met de enkele mededeling aan klagers ex-echtgenote dat een overeenkomst pas definitief zou kunnen zijn met klagers handtekening, kunnen bereiken dat zij klager zodanig erbij zou betrekken dat klager de slot­overeenkomst kon ondertekenen, maar verzekeraar deed dat niet.

Tijdens de echtscheidingsprocedure deelde zijn ex-echtgenote mee dat de claim op verzekeraar hooguit perspectief bood op een bedrag van € 40.000,-. Klager en zijn ex-echtgenote namen daarom het standpunt in dat de gehele gemeenschap verdeeld kon worden behalve deze claim. De rechter heeft vastgesteld dat deze claim tot de te verdelen gemeenschap behoort. Klagers ex- echtgenote beloofde ter zitting klager volledig te informeren.
Later bleek dat zij inmiddels een slotovereenkomst met verzekeraar had gesloten die inhoudt dat de claim alsnog bepaald moet worden op € 170.000,-. De overeenkomst houdt in dat de slotbetalingen bijna geheel zien op gemist toekomstig inkomen. De overige elementen gaf zij daarbij expliciet prijs. De overeenkomst is op haar verzoek zo geredigeerd dat alles ziet op na-huwelijkse elementen waarop klager geen aanspraak zou hebben. Klager voelt zich benadeeld en is met haar in een juridische strijd gewikkeld over de verdeling van die € 170.000,-.

Het is onzorgvuldig van verzekeraar om in de wetenschap van verstoorde zakelijke verhoudingen tussen de ex-echtelieden na een echtscheiding een overeenkomst te sluiten met een van hen.
Als verzekeraar hem inzage van alle stukken geeft, zou klager kunnen vaststellen hoe de onderhandelingen zijn verlopen en of het een op verzoek geredigeerde overeenkomst is met materieel een andere bedoeling. Ook zou hij dan met enige zekerheid kunnen vaststellen of en waarom de gepresenteerde overeenkomst de volledige afwikkeling van de claim inhoudt.
Volgens verzekeraar was de claim verbonden aan de ex-echtgenote en moet hij haar persoonlijke levenssfeer waarborgen. Dit is geen antwoord op klagers verzoek om een behoorlijke behandeling. Verzekeraar heeft nadien telefonisch te kennen gegeven dat hij wel bereid is tot een telefonisch excuus omdat hij met weinig moeite het belang van klager gewaarborgd had kunnen laten meelopen. Door dat laatste niet te doen heeft klager onevenredig veel nadeel ten opzichte van de kleine moeite zijn ex-echtgenote voor te houden dat zijn handtekening noodzakelijk was voor een finaal karakter van de overeenkomst.

Verzekeraar heeft onzorgvuldig gehandeld door na voldoende waarschuwing door klager een overeenkomst met diens ex-echtgenote te sluiten. Ook is het onzorgvuldig niet adequaat te reageren op de brieven van de advocaat van klager. Verder is het onzorgvuldig van verzekeraar om geen mogelijkheid tot herstel te geven door inzage in diens dossier. Inzage zou ertoe kunnen leiden dat klager berust in de overeenkomst.

Het standpunt van verzekeraar

Klager deelde verzekeraar begin mei 2004 mee dat zijn echtgenote niet door hem gemachtigd was kwijting te verlenen voor haar vordering op verzekeraar. Op 4 mei 2004 heeft verzekeraar klager geantwoord dat artikel 6:107 BW aan een verplichting van hem jegens klager in de weg stond.
Op 27 januari 2006 zond verzekeraar een vaststellingsovereenkomst en een belastinggarantie aan klagers echtgenote. Hij deed klager daarvan geen mededeling.
Over de letselschadeclaim op verzekeraar loopt een procedure tussen de ex- echtelieden.

Ontvankelijkheid

Klager heeft zich met verzekeraar in verbinding gesteld in verband met de verdeling van de gemeenschappelijke boedel met betrekking tot de letselschade. Klager is geen belanghebbende bij de verzekeringsovereenkomst. Verzekeraar wijst op de omschrijving van benadeelde in artikel 1 WAM. De ex-echtgenote leed letselschade. Klager is geen rechtverkrijgende noch anderszins rechthebbende, noch direct noch indirect. Door de combinatie met artikel 6:107 BW, dat een vrijwel exclusief recht bij de gekwetste zelf legt, heeft verzekeraar geen verplichtingen jegens klager. Het belang van klager bij een juiste verdeling van de boedel betreft niet de relatie tussen verzekeraar en consument als bedoeld in artikel 5 lid a van het Reglement Raad van Toezicht Verzekeringen.

De klacht

Klager heeft de wens geuit dat verzekeraar niet zonder zijn toestemming de schade met zijn ex-echtgenote zou regelen. Hij beklaagt zich erover dat verzekeraar dat toch, buiten hem om, heeft gedaan. In het verlengde daarvan beklaagt hij zich erover dat verzekeraar, na daarnaar gevraagd te zijn, hem geen informatie over de schaderegeling heeft verschaft. Daardoor zou verzekeraar onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld. Bovendien zou verzekeraar niet adequaat op de brieven van de advocaat van klager hebben gereageerd.

Standpunt verzekeraar

Verzekeraar heeft zich mede laten leiden door de jurisprudentie, met name HR 18-03-1994 NJ 1995, 410; HR 03-01-1986, X/Y, NJ 1987, 73; HR 24-10-1997, NJ 1998, 693; HR 22-11-2002, LIN AE8474; Hof Arnhem 24-02-2004, LIN A07345; Rb Arnhem 27-09-2005, LJN AU5576; Rb Zwolle 30-03-2005, LIN AV4663, HR 03-11-2006, LJN AX7805. Deze impliceert dat het deel van de letselschade dat betrekking heeft op de huwelijkse periode, voor boedelverdeling tussen de echtelieden vatbaar is. Verzekeraar kent geen uitspraken, ook niet van de Raad van Toezicht, over verplichtingen van de aansprakelijke verzekeraar jegens een ex-echtgenoot.
Verzekeraar heeft dan ook alleen te maken met de benadeelde in de zin van artikel 1 WAM. Artikel 6:107 BW kent degene die door letsel is benadeeld een puur op zijn individu gericht vorderingsrecht toe. In de "familiesfeer" bestaat daarop een uitzondering voor verplaatste schade. Daarvan of van enige andere uitzondering is geen sprake ten gunste van klager. Vanuit procedureel oogpunt is het vorderingsrecht voorbehouden aan de gewonde zelf.

Verzekeraar behoeft dan ook geen informatie te verschaffen of inbreng in de schaderegeling te geven, dit is zelfs niet toegestaan wegens strijd met de persoonlijke levenssfeer van de gewonde zelf. Daarom heeft verzekeraar geen informatie aan klager gegeven.
Dat klager in zijn procedures minder informatie heeft dan zijn ex-echtgenote, is geen grond om zijn belangen zwaar te laten wegen. De wet kent voldoende mogelijkheden voor klager, zonder dat verzekeraar de levenssfeer zou moeten schaden van degene tot wie hij in een aansprakelijkheidsrelatie staat. Maritaal derdenbeslag werd niet bij verzekeraar gelegd.
Verzekeraar heeft de twee brieven van de advocaat van klager adequaat behandeld. Als reactie op de brief van 14 april 2006 wees verzekeraar op artikel 6:107 BW en artikel 1 WAM. De brief van 28 april 2006 vroeg niet om een reactie, maar beoogde slechts een voorbehoud te maken, waarvan nota is genomen.
Telefonisch heeft verzekeraar aan klager, buiten het dossier om, zijn beleid meegedeeld, tot informatieverstrekking in dit soort kwesties bereid te zijn indien de ex-echtgenote een machtiging tot inzage verstrekt.

Inzending dossierstukken

De onderhavige zaak is grotendeels door een extern schaderegelingsbureau behandeld. Bij de terugkeer van het dossier naar verzekeraar zijn stukken zoekgeraakt. Met name ontbreekt het e-mailbericht van 4 mei 2004. Artikel 7 lid c van het Reglement Raad van Toezicht Verzekeringen bepaalt dat de volledige inhoud van het verweerschrift met inbegrip van alle eventuele bijlagen door de Raad ter kennis van klager wordt gebracht. Dat betreft in essentie het onderwerp van de klacht. Het voldoen daaraan zou schending van de levenssfeer van de ex- echtgenote betekenen, hetgeen verzekeraar nu juist probeerde te vermijden. Vooralsnog legt hij dan ook niet alle voorhanden stukken over, zolang toestemming daartoe van klagers ex-echtgenote ontbreekt.

Het commentaar van klager

Klager heeft, kennis genomen hebbend van het verweer van verzekeraar, zijn klacht gehandhaafd. Klager merkt nog op dat zijn klacht uitsluitend de vraag betreft of verzekeraar onbehoorlijk gehandeld heeft door niets te doen met de melding van klager dat zijn ex-echtgenote niet langer alleen bevoegd was de gemeenschappelijke vordering te behartigen. Volgens klager speelt het privacyaspect niet, omdat hij door zijn huwelijk en daarna nog tot in 2004 volledig op de hoogte was van de gevolgen van het ongeval voor zijn ex-echtgenote.

Het overleg met verzekeraar

Ter zitting is de klacht met verzekeraar besproken. Met name is daarbij de werking van artikel 3:170 BW en van HR 18 maart 1994, NJ 1995, 410 aan de orde gekomen.

Het oordeel van de Raad

Verzekeraar heeft begin mei 2004 van klager de mededeling ontvangen dat diens ex- echtgenote niet door hem gemachtigd was kwijting te verlenen voor haar vordering op verzekeraar. Verzekeraar had derhalve moeten weten dat het hem op grond van artikel 3:170 BW niet vrijstond aan de ex-echtgenote zonder verkregen instemming van klager, bijvoorbeeld blijkend uit het medeondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, een betaling te doen ter zake van de aanrijdingschade voorzover de vordering tot vergoeding van deze schade in de ontbonden huwelijksgemeenschap viel. Daaraan doet niet af dat, zoals verzekeraar ter zitting heeft aangevoerd, klager vanaf mei 2004 tot in 2006 niet meer van zich heeft laten horen, omdat verzekeraar daaruit niet kon afleiden dat klager alsnog machtiging aan zijn ex-echtgenote had verleend. Daaraan doet ook niet af dat verzekeraar ertoe kon besluiten de aan het ondertekenen van de vaststellings­overeenkomst en aan de betaling voorafgaande onderhandelingen over de omvang van de schade-uitkering alleen met de ex-echtgenote van klager te voeren. Verzekeraar heeft in zoverre dan ook de goede naam van het verzekeringsbedrijf geschaad.
Klager heeft in zijn klaagschrift en in een brief van 27 september 2006 aan verzekeraar meegedeeld dat de rechter in de echtscheidingsprocedure heeft geoordeeld dat de claim op verzekeraar in de huwelijksgemeenschap viel. De inhoud van een dergelijk vonnis is de Raad echter niet bekend. Evenmin is de Raad bekend in welke mate de door verzekeraar gedane uitkering, ten laste van de huwelijksgemeenschap gekomen schade betreft. Dit een en ander leidt reeds ertoe dat de Raad geen financiële consequenties aan de gegrondverklaring van de klacht kan verbinden.

De beslissing

De Raad verklaart de klacht gegrond.
Aldus is beslist op 19 november 2007 door mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. D.H. Beukenhorst, drs. C.W.L. de Bouter, mr. E.M. Dil-Stork en mr. P.A. Offers, leden van de Raad, in tegenwoordigheid van mr. S.N.W. Karreman, secretaris.
De secretaris:
(mr. S.N.W. Karreman)
(mr. M.M. Mendel)

Protocol?

1. Bij echtscheiding kan de vordering op de aansprakelijke of diens verzekeraar in een onverdeelde gemeenschap vallen. Indien zij geen contraire aanknopingspunten heeft mag de verzekeraar veronderstellen dat de gewonde beheersbevoegd is ten aanzien van de vordering.

2. (Bevoegdheid wordt in ons recht veelal voorondersteld. Dat er sprake is van een echtscheiding is op zich geen reden om aan bevoegdheid van de gewonde te twijfelen. Alleen bij gerede twijfel moet de verzekeraar zich nader laten inlichten over de bevoegdheid. Van gerede twijfel is sprake als een deelgenoot mededeelt dat de bevoegdheid betwist wordt).

3. Indien niet uitgegaan mag worden van beheersbevoegdheid van de gewonde vraagt de verzekeraar via hem om instemming van de (andere) deelgeno(o)t(en) met betalingen en (vaststellings)overeenkomsten, die betrekking hebben op de onverdeelde gemeenschap.

4. Voor betalingen ter zake smartengeld en schade door verlies van arbeidsvermogen, die betrekking hebben op de na-huwelijkse periode vraagt de verzekeraar geen instemming.

5. (Betalingen en aanspraken ter zake verlies aan arbeidsvermogen, hulp in huishouding e.d., die betrekking hebben op de huwelijkse periode vallen in beginsel in de gemeenschap7. Smartengeld en aanspraken met betrekking tot nadelen die zich na de huwelijkse periode voordoen worden geacht buiten de gemeenschap te vallen. De voormalige partner heeft met het laatste niets te maken. Voor zover betalingen tijdens het huwelijk zijn verricht ter zake smartengeld en posten die op de na-huwelijkse periode betrekking hebben mag de verzekeraar op voorhand aannemen dat deze niet in de gemeenschap zijn komen te vallen en dat vermenging niet heeft plaatsgevonden8).

6. De verzekeraar bemoeit zich in beginsel niet met een geschil tussen de deelgenoten en doet zo nodig een beroep op het opschortingsrecht van art. 6:37 BW.

7. (Art. 6:107 BW en de regelgeving rond de levenssfeer verplichten de verzekeraar om zich in beginsel uitsluitend te richten tot de gewonde. Het huwelijksvermogensrecht leidt weliswaar tot verplichtingen jegens een deelgenoot in de onverdeelde gemeenschap, maar de gewonde zelf blijft voorop staan. Bij ruzie tussen de echtelieden past het niet dat een verzekeraar zich daarin mengt. De verzekeraar heeft niet veel meer middelen dan het opschorten van haar verplichtingen op grond van art. 6:37 BW. In beginsel bestaat geen recht op wettelijke rente gedurende de opschorting).

8. In geval van (dreigende) echtscheiding zorgt de verzekeraar er in het bijzonder voor dat zij nauwkeurig haar voorschotten en betalingen registreert.

9. De verzekeraar benoemt in dat geval de voorschotten zo veel mogelijk zodat zij kan motiveren op welke periode deze betrekking hebben.

10. (Het is in belang van alle betrokkenen dat misverstanden en geschillen over betalingen vermeden worden en uitleg kan worden verschaft).

11. Indien een deelgenoot navraag doet over de betalingen of overeenkomsten, vraagt de verzekeraar hem om een machtiging van de gewonde tot het overleggen van documenten en het geven van informatie.

12. De deelgenoot mag van de verzekeraar verlangen dat deze de nodige zakelijke informatie verschaft over de betalingen en overeenkomsten. Zonder instemming van de gewonde verschaft de verzekeraar die zakelijke informatie voor zover dat niet in strijd is met de levenssfeer. Zij stelt en motiveert, maar legt geen stukken over.

13. (Indien een deelgenoot informatie wenst dient vooraf toestemming van de gewonde gevraagd te worden, bij voorkeur door de deelgenoot zelf. Zonder instemming kan informatie die de levenssfeer betreft niet worden gegeven. Voor strikt zakelijke informatie kan dat anders zijn. Een deelgenoot mag immers verlangen dat hij, alvorens hij instemming geeft, weet waarop betalingen en overeenkomsten betrekking hebben. Voor zover dat nodig is motiveert de verzekeraar daarom zonder toestemming op zakelijke wijze zonder dat aspecten die de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene te zeer raken worden belicht. De verzekeraar kan niet volstaan met alleen te stellen dat een betaling buiten de gemeenschap valt).