Onrechtmatig jegens onderneming en aandeelhouder


HR 15-06-2001 RVDW 2001, 113


Onrechtmatig handelen jegens een onderneming impliceert in beginsel geen onrechtmatig handelen jegens een aandeelhouder

RVDW 2001/113


HOGE RAAD
15 juni 2001, nr. C99/301HR
(Mrs. F.H.J. Mijnssen, W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A. Hammerstein; A-G Hartkamp)
JOL 2001, 380
NJ 2001, 573

BW art. 2:3, 5, 64, 175, 6:162, 163; Rv 407

[Essentie] Waardevermindering aandelen door onrechtmatige daad/tekortkoming jegens vennootschap: vordering schadevergoeding aandeelhouder? Separate behandeling procedures. Aan cassatiemiddel te stellen eisen.
Juist is 's Hofs oordeel dat niet kan worden volstaan met een verzoek aan de rechter om hetgeen in de ene procedure is gesteld in andere procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. In beginsel komt aan aandeelhouder vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding schade bestaande in waardevermindering aandeel die gevolg is van tekortkoming of onrechtmatige gedraging van derde jegens vennootschap; op deze regel kan uitzondering worden aanvaard indien sprake is van gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. Niet is juist de opvatting dat aan aandeelhouders wel een recht op schadevergoeding toekomt indien de vennootschap buiten staat is vergoeding van schade te vorderen zodat de aandeelhouders de schade definitief hebben geleden. Cassatiemiddel voldoet ten dele niet aan daaraan te stellen eisen.
In deze procedure stellen aandeelhouders van een vennootschap dat (voormalige) accountants van deze vennootschap en hun (voormalige) maatschap op diverse manieren onrechtmatig tegenover hen - aandeelhouders van de vennootschap - hebben gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden ter zake van koersdaling van aandelen, gemiste koerswinst en koersverliezen. Zij houden o.a. de accountants aansprakelijk voor deze schade. Onder andere heeft een van de accountants een goedkeurende verklaring voor de jaarrekening van de vennootschap afgegeven, nadat zijn maatschap van deze vennootschap had bedongen dat zij zou afzien van claims tegen de maatschap.
Het oordeel van het Hof dat niet kan worden volstaan met een verzoek aan de rechter om hetgeen in de ene procedure is gesteld in de andere procedure als herhaald en ingelast te beschouwen is juist.
Uitgangspunt is, dat indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt door een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap uit dien hoofde een vordering heeft tot vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade. In beginsel komt aan één of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde tekortkoming of onrechtmatige gedraging van een derde jegens de vennootschap. Op deze regel zal een uitzondering kunnen worden aanvaard indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder (HR 2 december 1994, NJ 1995, 288, m.nt. Ma).
De opvatting dat aan aandeelhouders wel een recht op schadevergoeding toekomt indien de vennootschap buiten staat is of zichzelf buiten staat heeft gesteld vergoeding van schade van de aansprakelijke derde te vorderen zodat de aandeelhouders de schade definitief hebben geleden, kan niet worden aanvaard. De enkele omstandigheid dat de vennootschap de derde niet tot vergoeding van de door haar geleden schade aanspreekt, brengt immers niet mee dat de gedraging van de derde als onrechtmatig jegens de aandeelhouder(s) van de vennootschap moet worden aangemerkt.
Het middelonderdeel dat kennelijk ten betoge strekt dat sprake is van schending van een "extra bijzondere zorgvuldigheidsplicht" van de accountant jegens de aandeelhouders kan niet tot cassatie leiden, omdat het niet voldoet aan de daaraan ingevolge het bepaalde in art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen. Het onderdeel maakt immers niet duidelijk waartegen de klacht zich richt, terwijl evenmin wordt aangegeven door welke feitelijke gedragingen van de maatschap en de accountant de beweerdelijke zorgvuldigheidsnorm zou zijn geschonden.

[Tekst] 1. Chipsol BV, te Haarlemmermeer,
2. Pentalaria BV, te Utrecht,
3. Unihome BV, te Wassenaar,
eiseressen tot cassatie, adv. aanvankelijk mr. R.F. Foortse, thans mr. E. van Staden ten Brink.
tegen
1. X. NV, te A.,
2. L., te W.,
Verweerders in cassatie, adv. mr. M.J. Schenck.
Hof:
3. Waarvan het hof uitgaat
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder 1 sub a tot en met f een aantal in dit geding vaststaande feiten opgesomd. Daartegen richten de grieven zich niet, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
4. De vordering
Blijkens de inhoud van de appeldagvaarding en de naar dat stuk verwijzende memorie van grieven vorderen appellanten in dit geding, zakelijk weergegeven:
A. te verklaren voor recht dat de in de toelichting op grief I opgesomde handelingen van geïntimeerden jegens appellanten (notoir) onrechtmatig zijn, en dat alle feiten als opgesomd onder 6 van de memorie van grieven vaststaan;
B. de geïntimeerden te veroordelen om aan appellanten te betalen, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, bedragen terzake koersdaling, koersverlies, en misgelopen koerswinst als nader in de appeldagvaarding aangegeven, zulks tot een totaalbedrag van f 224 993 020;
subsidiair
deskundigen te benoemen teneinde advies uit te brengen over de omvang van de schade en geïntimeerden te veroordelen de aldus vast te stellen schade, op te maken bij staat, aan appellanten te vergoeden, een en ander
C. met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.
5. Beoordeling
Enkele opmerkingen vooraf
5.1. De vorderingen als thans tegen geïntimeerden geldend gemaakt waren ook reeds in eerste aanleg aan de orde. Bij het vonnis waarvan beroep werden die vorderingen afgewezen. Tegen die beslissing en de gronden waarop zij rust, wordt door middel van de grieven opgekomen. In de stukken en hierna wordt de onderhavige procedure (ook) aangeduid als: X. II.
5.2. Bij vonnis van 15 juli 1998 heeft de rechtbank tevens uitspraak gedaan in de procedure met rolnummer H 97.1776. In die procedure traden als eisers op drs P.J. Poot (verder ook: Poot jr te noemen) en Landvision BV (verder ook: Landvision te noemen), en als gedaagden X. NV en L. voornoemd (in zijn onder 1.1 voormelde hoedanigheid) alsmede D. Deze procedure draagt in hoger beroep het rolnummer 1183/98 en wordt in de stukken en hierna (ook) aangeduid als: X. I.
5.3. Bij vonnis van 15 juli 1998 heeft de rechtbank voorts uitspraak gedaan in de zaak met rolnummer H 98.0239. In die procedure traden als eisers op Poot jr, Landvision, alsmede de drie eiseressen die ook in de onderhavige zaak X. II als eiseressen optreden, en als gedaagden Fabromski BV en 223 andere (rechts)personen alsmede Holding X. Nederland NV als gedaagden. Deze procedure draagt in hoger beroep het rolnummer 1103.98 en wordt in de stukken en hierna (ook) aangeduid als: X. III.
Bespreking van de grieven
5.4. In het hierna volgende gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat de in het vonnis van de rechtbank onder 3.a tot en met c vermelde verweren van geïntimeerden niet opgaan en laat het die verweren - evenals de rechtbank - dus voorshands onbesproken. Deze verweren zijn in hoger beroep gehandhaafd, met dien verstande dat - zoals onder 1.1. reeds werd vermeld - geïntimeerden er geen bezwaar tegen hebben gemaakt dat C. - anders dan in eerste aanleg - in hoger beroep in privé in rechte is betrokken.
5.5. Het hof vindt aanleiding om eerst de grieven III en IV te behandelen. Die grieven houden zakelijk in dat de rechtbank ten onrechte de procedures X. I en II separaat heeft behandeld en ten onrechte hetgeen in die procedures was gesteld niet als één complex van onderling samenhangende feiten heeft bezien.
Deze grieven moeten worden verworpen. De procedures X. I en II zijn als afzonderlijke gedingen aangebracht, de gedingvoerende partijen in die procedures zijn niet identiek, en hetgeen gevorderd wordt verschilt ook. Een en ander neemt uiteraard niet weg dat bepaalde feiten en omstandigheden in beide procedures van belang kunnen blijken. Het ligt evenwel op de weg van appellanten om dergelijke feiten en omstandigheden in elke desbetreffende procedure te stellen, opdat de wederpartij weet waarop zij haar verweer heeft te richten en de rechter waaromtrent beslist dient te worden. Een goede procesorde brengt dat mee. Anders dan appellanten menen kan niet worden volstaan met een verzoek aan de rechter om hetgeen in de ene procedure is gesteld, in de andere procedure als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.6. Grief V houdt in dat de rechtbank ten onrechte in het vonnis waarvan beroep de feiten en omstandigheden die in de memorie van grieven sub 6. achter de vetgedrukte data zijn opgesomd, onvermeld heeft gelaten. Het gaat hier om een door appellanten opgesteld overzicht van de volgens hen relevante feiten en omstandigheden, dat de bladzijden 7 tot en met 25 van de memorie van grieven beslaat.
De grief faalt. Geen rechtsregel brengt mee dat de rechtbank (al) deze feiten in haar vonnis diende te vermelden. Voorzover nodig zal in het hierna volgende op die feiten en omstandigheden worden ingegaan.
5.7. De vorderingen van appellanten dienen te worden bezien tegen de achtergrond van (in elk geval) de door de rechtbank onder 1 sub a tot en met f vastgestelde feiten, waaraan het navolgende wordt ontleend:
a. Drs. J. Poot heeft het plan bedacht om bij Schiphol landbouwgrond te verwerven en daar na verwijzing van de bestemming bedrijvenparken te stichten. Tot de ontwikkeling en uitvoering van dat plan zijn eind jaren '80 vennootschappen, waaronder Chipshol Forward NV (verder: Chipshol Forward) en de vennootschap Landvison voornoemd, opgericht, die werden gecontroleerd door de familie Poot. Appellanten in de onderhavige procedure X. II houden aandelen in Chipshol Forward;
b. in 1991 is de nauw met genoemde vennootschappen verweven vennootschap NV Landinvest (verder: Landinvest) opgericht. Eind 1992 zijn geschillen gerezen tussen de meerderheid van de aandeelhouders van Landinvest (de groep Wyler) en de familie Poot, en daarmee tussen Landinvest en Chipshol Forward. Dat heeft geleid tot het ontslag van Landvision als directeur van Landinvest, waarvan Poot jr voornoemd directeur was. Dat ontslag is gegeven op 15 december 1992 en opnieuw, voorzover vereist, op 8 april 1993;
c. de accountant van Chipshol Forward en Landinvest was sedert de oprichting van die vennootschappen B., verbonden aan de accountantsmaatschap (na enige wijzigingen) X. Nederland, verder aan te duiden als: de Maatschap. Aan die maatschap waren toen ook verbonden - via hun praktijkvennootschappen - L. (geïntimeerde sub 2) alsmede D. voornoemd. Voor de positie van geïntimeerde sub 1 wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen daaromtrent in het vonnis van de rechtbank onder 1 sub b. staat vermeld;
d. bij fax van 14 mei 1993 heeft de Maatschap, die dezelfde dag een fax met gelijke inhoud aan Landinvest heeft gezonden, aan Chipshol Forward bericht hetgeen in het vonnis onder 1 sub c. wordt geciteerd;
e. op 8 juni 1993 heeft B. voornoemd een goedkeurende verklaring voor de jaarrekening over 1992 van Chipshol Forward afgegeven, nadat de Maatschap van Chipshol Forward had bedongen dat zij zou afzien van claims tegen de Maatschap. Daarna heeft de Maatschap haar relatie met Chipshol Forward beëindigd, zoals zij (enige tijd later, doordat de werkzaamheden voor Landinvest niet aanstonds konden worden afgerond) ook haar dienstverlening aan Landinvest heeft gestaakt.
5.8. Appellanten stellen dat de Maatschap en L. alsmede D. voornoemd op diverse manieren onrechtmatig tegenover hen - aandeelhouders van Chipshol Forward - hebben gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden terzake van koersdaling van aandelen, gemiste koerswinst en koersverliezen, voor welke schade zij geïntimeerden aansprakelijk houden. Voor de desbetreffende stellingen van appellanten wordt hier kortheidshalve verwezen naar hetgeen daaromtrent in het vonnis waarvan beroep onder 2.1.1. tot en met 2.3. wordt vermeld.
De rechtbank heeft de desbetreffende vorderingen afgewezen. Daarop hebben - in het bijzonder - de grieven XXIII tot en met XXXVI betrekking.
5.9. Gelet op de aard van de schade waarvan appellanten de vergoeding vorderen (koersdaling van hun aandelen in Chipshol Forward, koersverliezen en gemiste koerswinst, zie terzake onder meer het petitum van de appeldagvaarding), dient - in het voetspoor van HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 - het navolgende tot uitgangspunt te worden genomen.
Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. De vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde instellen. Het ligt op de weg van de vennootschap om van de derde schadevergoeding te vorderen.
Met dit uitgangspunt voor ogen kan een vordering tot vergoeding van schade als waarvan in dit geding sprake is (waarbij het aankomt op de aard van de schade en niet terzake doet dat appellanten die schade in hoger beroep niet meer - geheel - als "afgeleide schade" betitelen), slechts slagen indien appellanten voldoende feiten stellen waaruit - indien die feiten komen vast te staan - volgt dat degenen die door hen van onrechtmatig handelen worden beticht, niet alleen ten opzichte van Chipshol Forward onrechtmatig hebben gehandeld, maar daarbij tevens een specifieke, jegens hen, appellanten (ook los van hun aandeelhouderschap in Chipshol Forward), geldende zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden, als gevolg waarvan zij de schade waarvan zij vergoeding vorderen hebben geleden.
Gelet op hetgeen de rechtbank in het vonnis waarvan beroep onder 5.1 tot en met 5.5. heeft overwogen, moet worden aangenomen dat ook zij hiervan is uitgegaan. Op die overwegingen hebben de grieven XXXII tot en met XXXVI betrekking. Zij komen hierna aan de orde.
5.10. De in het vonnis van de rechtbank onder 2.1.1. onder a. tot en met c. vermelde gedragingen betreffen handelingen van de Maatschap ten opzichte van Chipshol Forward.
De in het vonnis van de rechtbank onder 2.1.2 onder a. en b. vermelde gedragingen betreffen handelingen van de Maatschap en L. ten opzichte van Chipshol Forward.
De in het vonnis van de rechtbank onder 2.2. onder a. en b. vermelde gedragingen betreffen handelingen van de Maatschap, L. en D. ten opzichte van Landinvest en Landvision.
Voorzover het bij die gedragingen om onrechtmatige handelingen gaat waardoor aan Chipshol Forward respectievelijk Landinvest of Landvision schade werd toegebracht, ligt het op de weg van die respectievelijke vennootschappen om - ter bescherming van de belangen van allen die bij het instandhouden van het vermogen van die respectievelijke vennootschappen belang hebben - desgeraden de veroorzakers van die schade tot vergoeding daarvan aan te spreken.
5.11. In hun toelichting op grief XXXII geven appellanten aan dat de door hen gevorderde schade geen, althans niet alleen maar "afgeleide schade" is, zoals de rechtbank - onder 5.1. - (kennelijk mede in aansluiting op wat appellanten zelf hadden gesteld) had aangenomen. Blijkens die toelichting houden de stellingen van appellanten klaarblijkelijk in dat een hierboven bedoelde specifieke, jegens hen in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm is geschonden doordat L. en de Maatschap, in strijd met hun verantwoordelijkheid als accountant van Chipshol Forward, in de in Chipshol Forward woedende machtsstrijd tussen enerzijds de aandeelhoudersgroep Van Andel cs en anderzijds appellanten, partij hebben gekozen voor eerstgenoemden en aldus (ook) de eigen belangen van appellanten hebben geschaad.
5.12. Voor de juistheid van die, door geïntimeerden gemotiveerd betwiste, stelling is in de stukken geen aanknopingspunt te vinden, en appellanten hebben die stelling ook niet voldoende concreet toegelicht. Evenmin is gebleken dat de Maatschap en/of L. de opzet zouden hebben gehad om anderszins bij hun handelingen appellanten te benadelen. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in dat verband onder 5.3.3. en 11. heeft overwogen. Daar komt nog bij dat appellanten ook niet hebben duidelijk gemaakt welk verband er zou bestaan tussen het gestelde "partij kiezen" en de schade waarvan zij in dit geding van geïntimeerden de vergoeding vorderen.
5.13. Appellanten stellen zich klaarblijkelijk tevens op het standpunt - mede gelet op hun toelichting bij grief XXXIII - dat de Maatschap en L. ook daardoor een specifiek jegens hen in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden door de accountant B. - die tevens de accountant van Chipshol Forward was - te ontheffen van zijn werkzaamheden als accountant van Landinvest en hem te vervangen door de accountant D. Appellanten hebben daarbij klaarblijkelijk het oog op het feit dat in januari 1993 niet aan B. - die tot dan toe bij de Maatschap de "vaste" accountant voor Landinvest was - maar aan D. de opdracht is gegeven om onderzoek te doen naar de stand van zaken bij Landinvest. Daargelaten dat vaststaat dat die opdracht niet door de Maatschap of L. maar door de Raad van Commissarissen van Landinvest aan D. is gegeven en dat evenmin is gebleken dat B. toen van zijn taak als accountant voor Landinvest zou zijn ontheven, valt evenwel niet in te zien wat de gestelde "vervanging" van B. door D. uitstaande zou hebben met een door de Maatschap en L. jegens appellanten (ook los van hun aandeelhouderschap in Chipshol Forward) in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in dat verband onder 5.3.2. heeft overwogen. De feiten en omstandigheden die in de toelichting op de grief naar voren worden gebracht leiden niet tot een ander oordeel, terwijl ook hier geldt dat appellanten niet duidelijk hebben gemaakt welk verband er zou bestaan tussen de gestelde "vervanging" van B. en de schade waarvan in dit geding de vergoeding wordt gevorderd.
5.14. Ook overigens hebben appellanten geen, althans onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat appellanten anders dan in hun hoedanigheid van aandeelhouders van Chipshol Forward betrokken zijn geweest bij de aan de Maatschap, L. en D. verweten gedragingen waarvan hiervoor onder 5.10 sprake was. Ook is niet gebleken dat de Maatschap, L. en D. in het kader van die gedragingen handelingen ten opzichte van appellanten zouden hebben verricht waarvan zij zich - ook los van het aandeelhouderschap van laatstgenoemden in Chipshol Forward - uit een oogpunt van de in het maatschappelijk verkeer jegens appellanten betamende zorgvuldigheid hadden behoren te onthouden.
5.15. Appellanten hebben voorts nog gesteld dat Chipshol Forward zelf niet (langer) in staat is vergoeding van de door voormelde, volgens hen onrechtmatige, gedragingen veroorzaakte schade van geïntimeerden te vorderen, omdat Chipshol Forward daarvan heeft afgezien nadat appellanten in die vennootschap de macht hadden verloren. In het vonnis waarvan beroep - onder 5.4. - heeft de rechtbank geoordeeld dat dat betoog niet opgaat. Daarop hebben de grieven XXXV en XXXVI betrekking.
5.16. Uit de stellingen van partijen over en weer kan worden afgeleid dat Chipshol Forward X. NV in juni 1996 wel terzake van schadevergoeding voor de rechter heeft gedaagd, doch dat de directie van Chipshol Forward nadien om haar moverende redenen aanleiding heeft gevonden om de betrokken dagvaarding weer in te trekken. Dat appellanten het daarmee niet eens zijn - hetgeen voor hen aanleiding is geweest om directie en commissarissen van Chipshol Forward in rechte te betrekken - brengt niet mee dat zij in afwijking van het hiervoor onder 5.9. geformuleerde uitgangspunt in hun vordering tot vergoeding van schade als waarvan in dit geding sprake is zouden kunnen worden ontvangen.
5.17. Uit het voorgaande volgt dat de grieven XXXII tot en met XXXVI niet kunnen slagen.
5.18. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank - onder 6 en volgende - ten overvloede nog vastgesteld dat en waarom naar haar oordeel de aan geïntimeerden verweten gedragingen niet onrechtmatig waren, althans dat die gedragingen niet tot de gestelde schade hebben geleid. De tegen die overwegingen gerichte grieven - het gaat hier om de grieven XXIII tot en met XXXI - behoeven geen bespreking, nu hetgeen hiervoor onder 5.7. tot en met 5.17. werd overwogen de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding van appellanten - hiervoor onder 4. sub B genoemd - reeds zelfstandig draagt. Voor benoeming van een of meer deskundigen teneinde omtrent de omvang van bedoelde schade te adviseren (zoals subsidiair is gevorderd) is - hierop gelet - geen aanleiding.
5.19. Grief I houdt voor wat betreft de onderhavige procedure Coopers II in dat de dagvaarding ten onrechte de in de inleidende dagvaarding van 23 mei 1997 onder 7, 8, 10, 11 en 12 sub a tot en met n aan geïntimeerden verweten gedragingen niet onrechtmatig en onzorgvuldig heeft geoordeeld. In aansluiting daarop wordt met grief II betoogd dat de rechtbank terzake ten onrechte geen declaratoire uitspraak als gevorderd heeft gegeven.
5.20. Deze grieven moeten worden verworpen. De in de genoemde punten van de inleidende dagvaarding vermelde feiten en omstandigheden bevatten een zeer groot aantal stellingen van appellanten waaronder verwijten aan een of meer van de geïntimeerden. Daargelaten dat die veelheid van feiten en omstandigheden door de geïntimeerden (deels) wordt betwist en/of in een ander daglicht wordt geplaatst, leent een en ander zich niet voor een verklaring voor recht als door appellanten gevorderd. Voor zover de desbetreffende vordering zich al (onder meer wegens gebrek aan voldoende concretisering van de desbetreffende rechtstoestand of rechtsverhouding ten aanzien waarvan telkens de verklaring voor recht wordt gevraagd) met een goede procesorde verdraagt, hebben appellanten ook niet genoegzaam toegelicht om welke reden zij bij een dergelijke verklaring voor recht voldoende belang hebben.
5.21. Grief VI behoeft gelet op hetgeen hiervoor, in het bijzonder onder 5.13, werd overwogen geen verdere bespreking en slaagt niet. Hetzelfde geldt voor Grief VII, in het bijzonder gelet op hetgeen onder 5.12 werd overwogen. De grieven VIII en IX hebben betrekking op hetgeen de rechtbank ten overvloede heeft overwogen en behoeven - gelet op hetgeen onder 5.18 werd overwogen - geen behandeling. Grief X tenslotte mist naast de overige grieven zelfstandige betekenis.
6. Slotsom
6.1. Geen van de grieven slaagt.
6.2. Hetgeen door appellanten in hoger beroep te bewijzen is aangeboden, is in het licht van hetgeen in dit arrest werd overwogen niet of onvoldoende gespecificeerd dan wel niet of onvoldoende terzake doende.
6.3. Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.
6.4. Appellanten dienen als in het ongelijk gesteld in de kosten van het hoger beroep te worden verwezen.
(enz.)
Cassatiemiddel:
I Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, doordat het Hof heeft overwogen gelijk het deed in rechtsoverweging 5.5 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende in hun onderling verband te beschouwen redenen:
1. Eisers klaagden in appèl dat de Rechtbank ten onrechte de procedures door het Hof aangeduid als X. I en II separaat heeft behandeld en ten onrechte hetgeen in die procedures was gesteld niet als één complex van onderling samenhangende feiten heeft bezien.
2. Het gaat in casu echter om één complex van onderling samenhangende feiten, waardoor - naar eisers gesteld hebben - diverse personen benadeeld zijn. Bovendien zijn de verwerende partijen onderling nauw aan elkaar gelieerd en zijn zij in beide feitelijke instanties door dezelfde procureur vertegenwoordigd, zodat elk der wederpartijen wist waarop deze haar verweer te richten had, zulks temeer nu eisers steeds in de ene procedure naar de andere verwezen hebben.
3. Hier komt bij dat de verwerende partijen op geen enkele wijze hebben gesteld of aannemelijk gemaakt welke benadeling hen in hun vorderingen door deze aanpak van eisers heeft getroffen, althans het Hof geen inzicht heeft gegeven van hetgeen daarbij het Hof in deze uitspraak voor ogen heeft gestaan.
4. Het Hof heeft dan ook ten onrechte de in de ene procedure aangevoerde feiten niet betrokken in zijn oordeelsvorming in de andere procedure en is ten onrechte van oordeel geweest dat de Rechtbank zulks niet had moeten doen.
II Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, doordat het Hof heeft overwogen gelijk het deed in rechtsoverweging 5.9 en volgende van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende in hun onderling verband te beschouwen redenen:
1. Het Hof heeft overwogen in het voetspoor van HR 2 december 1994, NJ 1995 no. 288 - dat, indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap uit dien hoofde het recht heeft de vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen.
2. Het Hof heeft aldus miskend, dat rechtstreeks aan de aandeelhouders in een dergelijk geval wel een recht op schadevergoeding toekomt, indien de vennootschap buiten staat is of zichzelf buiten staat heeft gesteld de schade van de derde te vorderen, zodat de (door de waardevermindering van de aandelen ontstane, maar ook anderszins ontstane) schade van eisers definitief ten laste van hun vermogen is gekomen en niet meer kan worden opgeheven door een af te dwingen vergoeding van de derde aan de vennootschap, zulks temeer indien - zoals eisers gesteld hebben - die derde (in casu de verwerende partijen) onrechtmatige druk in haar eigen belang op de vennootschap heeft uitgeoefend (voor welke handelingen in casu die derde tuchtrechtelijk is berispt) en aldus heeft bewerkstelligd, dat de vennootschap buiten staat geraakte vergoeding van de schade van de derde te vorderen.
3. Het bovenstaande klemt temeer nu het Hof in rechtsoverweging 5.10 ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat het "desgerade" op de weg van de respectievelijke vennootschappen ligt om ter bescherming van de belangen van allen die bij het instandhouden van hun respectievelijke vermogens belang hebben, onder wie eisers, van de derde schadevergoeding te vorderen, welke "desgerade" ten onrechte miskent dat de vennootschappen in hun belangenbehartiging van de aandeelhouders een ruime mate van verplichting hebben om die schade op de derde te verhalen, wil er sprake kunnen zijn dat om het bestaan van die verplichting de aandeelhouders rechtens verhinderd zijn om zelf die schade op de derde te kunnen verhalen.
4. Mitsdien is ook onjuist de overweging van het Hof, die - zakelijk samengevat - luidt, dat de vordering tot schadevergoeding slechts kan slagen, indien eisers voldoende feiten stellen, waaruit - indien die feiten komen vast te staan - volgt dat degenen die door hen van onrechtmatig handelen worden beticht, niet alleen ten opzichte van de vennootschap onrechtmatig hebben gehandeld, maar tevens een specifieke jegens eisers (ook los van hun aandeelhouderschap in de vennootschap) geldende zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden. Te meer nu de door eisers geleden schade niet persé los behoeft te staan van de schade geleden als aandeelhouder (in de zin van rechtsoverweging 5.14).
5. Het bovenstaande wordt onderstreept door het feit dat er tussen aandeelhouders, zoals eisers, en de accountant van de respectievelijke vennootschappen, een bijzondere relatie bestaat waardoor die accountant zich meer in het bijzonder de belangen van die aandeelhouders moet aantrekken. Tevens was in casu de accountant ook de accountant van die aandeelhouders, waardoor op de accountant een extra bijzondere zorgvuldigheidsplicht lag. Het door de verwerende partijen als accountant van de respectievelijke vennootschappen en van eisers gevolgde beleid, had immers terzake rechtstreekse gevolgen voor de financiële positie van die aandeelhouders, voor welke positie de accountant dus (mede) verantwoordelijkheid had. De accountant dient met zijn beleid rekening te houden met de financiële belangen van die aandeelhouders en heeft dat - zoals blijkt uit hetgeen door eisers terzake is aangevoerd - niet of niet voldoende gedaan, hetgeen door het Hof aldus werd miskend.
6. Op grond van het vorenstaande is ook rechtsoverweging 5.16 onjuist en/of onbegrijpelijk.
7. Tevens is op diezelfde gronden de bespreking van de grieven VI, VII tot en met X, XXIII tot en met XXIV door het Hof - ten onrechte - achterwege gebleven en zijn rechtsoverwegingen 5.18 en 5.21 terzake onjuist en/of onbegrijpelijk.
III Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, doordat het Hof heeft overwogen gelijk het in rechtsoverweging 5.11 tot en met 5.15 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende in hun onderling verband te beschouwen redenen:
1. Het Hof heeft slechts een aantal van de door eisers aan verweerders verweten gedragingen getoetst op hun onrechtmatigheid.
2. Het Hof had echter alle aan verweerders verweten gedragingen in onderling verband moeten wegen en afzetten tegen de vraag of jegens eisers al dan niet als aandeelhouders onrechtmatig is gehandeld (HR 2 mei 1997, NJ 1997 no. 662) en, voorzover die gedragingen betwist waren, behoren te onderzoeken of de stellingen van eisers terzake juist waren.
IV Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, doordat het Hof heeft overwogen gelijk het in rechtsoverwegingen 5.19 en 5.20 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende in hun onderling verband te beschouwen redenen:
1. In rechtsoverweging 5.20 worden alleen argumenten gehanteerd ter verwerping van grief II, zodat geen enkel inzicht wordt verkregen op welke gronden grief I wordt verworpen, zodat de uitspraak van het Hof terzake onvoldoende is gemotiveerd.
2. De door het Hof gehanteerde argumenten om grief II te verwerpen, te weten - samengevat - de veelheid van de gestelde feiten en omstandigheden, gebrek aan concretisering en gebrek aan voldoende belang, zijn rechtens geen grondslag voor de verwerping van het verzoek om de verklaring voor recht, althans het oordeel dat de aan de orde gestelde gedragingen van verweerders niet onrechtmatig zouden zijn, temeer nu in de gedingstukken zijdens eisers een adequate uitsplitsing van feiten en omstandigheden enerzijds en de daardoor geschonden normen anderzijds met het geschonden belang van eisers heeft plaatsgevonden.
V Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich medebrengt, doordat het Hof heeft overwogen gelijk het deed in rechtsoverweging 6.2 van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende in hun onderling verband te beschouwen redenen:
1. In deze overweging oordeelt het Hof, dat het bewijsaanbod in het licht van hetgeen in het arrest is overwogen niet of onvoldoende gespecificeerd is dan wel niet of onvoldoende terzake doende.
2. Indien echter één of meer der cassatiemiddelen gegrond mocht worden bevonden, kan deze overweging niet in stand blijven, nu deze overweging (mede) gegrond is op het door die cassatiemiddelen bestreden opvattingen van het Hof.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Chipshol Holding, Pentalaria en Unihome - hebben bij exploiten van 23 mei 1997 verweerders in cassatie - verder te noemen: X. NV en L. - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam (rolnummer H 97.1775) en gevorderd, - zakelijk weergegeven -:
I. een verklaring voor recht dat alle in de inleidende dagvaarding in de punten 7,8,10,11 en 12 sub a t/m n genoemde handelingen van X. NV en L. onrechtmatig zijn jegens Chipshol Holding, Pentalaria en Unihome;
II. de hoofdelijke veroordeling van X. NV en L. aan hen in totaal een bedrag van f 224 993 020 vermeerderd met rente te voldoen als gevolg van koersdaling, koersverlies en misgelopen koerswinst.
X. NV en L. hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 1998 het gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben Chipshol Holding, Pentalaria en Unihome hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 10 juni 1999 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
(...)
2. Het geding in cassatie
(...)
De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van Chipshol Holding, Pentalaria en Unihome heeft bij brief van 13 april 2001 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de door de Rechtbank in rov. 1 van haar vonnis vermelde feiten. Deze feiten komen, samengevat, neer op het volgende.
(i) Drs. J. Poot heeft het plan bedacht om bij Schiphol landbouwgrond te verwerven en daar na wijziging van de bestemming bedrijvenparken te stichten. Tot de ontwikkeling en de uitvoering van dit plan zijn eind jaren '80 vennootschappen, waaronder Chipshol Forward en Landvision opgericht. Deze vennootschappen werden beheerst door de familie Poot. Chipshol c.s. houden aandelen in Chipshol Forward. In 1991 is NV Landinvest (verder: Landinvest) opgericht. Enig directeur van Landinvest was Landvision, waarvan Poot jr. directeur was.
(ii) Medio 1992 is tussen een aantal aandeelhouders van Landinvest, aangeduid als de groep Wyler, enerzijds en de familie Poot anderzijds onenigheid ontstaan, hetgeen heeft geleid tot ontslag, door besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Landinvest van 15 december 1992, van Landvision als directeur van Landinvest.
(iii) De accountant van Chipshol Forward en Landinvest was sedert de oprichting van deze vennootschappen B., verbonden aan (uiteindelijk) de maatschap X. (Nederland), verder aan te duiden als de maatschap. Daaraan waren ook verbonden - via hun praktijkvennootschappen - L. en D. In 1996 hebben de vennoten van de maatschap de rechten en plichten uit hun positie als vennoot - behoudens schulden wegens beroepsaansprakelijkheid welke aan de inbrengers op het tijdstip van de inbreng niet zijn opgekomen ingebracht in Holding X. Nederland NV die vervolgens X. heeft opgericht en daarbij haar activa en passiva in X. heeft ingebracht.
(iv) Op 14 mei 1993 heeft de maatschap zowel aan Landinvest als aan Chipshol Forward een fax gestuurd, inhoudende dat de accountant zijn opdracht zou teruggeven indien het verschil van mening tussen Landinvest en Chipshol Forward niet vóór 30 juni 1993 zou zijn opgelost.
(v) Op 8 juni 1993 heeft B. een goedkeurende verklaring voor de jaarrekening over 1992 van Chipshol Forward afgegeven, nadat de maatschap van Chipshol Forward had bedongen dat zij zou afzien van claims tegen de maatschap. Daarna heeft de maatschap haar relatie met Chipshol Forward beëindigd, zoals zij (enige tijd later, doordat de werkzaamheden niet aanstonds konden worden afgerond) ook haar dienstverlening aan Landinvest heeft gestaakt.
(vi) De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (verder: de Raad van Tucht) heeft bij uitspraak van 7 december 1994 overwogen en beslist dat L. de in het faxbericht van 14 mei 1993 vervatte mededelingen ontijdig heeft gedaan. De Raad van Tucht heeft daarbij overwogen dat de ontijdige mededelingen onzorgvuldig zijn jegens Chipshol Forward en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bovendien heeft L. door bij fax van 14 mei 1993 niet alleen Chipshol Forward maar ook Landinvest op de hoogte te stellen van de mening van de maatschap dat de tussen de beide vennootschappen bestaande geschillen een te grote onzekerheid meebrachten om tot een goedkeurende verklaring van haar jaarrekening 1992 te komen, zijn plicht tot geheimhouding geschonden. In hoger beroep heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven daaraan toegevoegd dat L. door het afgeven van een goedkeurende verklaring afhankelijk te maken van door cliënten te nemen stappen, een ongeoorloofd drukmiddel heeft gebruikt om Chipshol Forward ertoe te bewegen af te zien van aansprakelijkheidstelling.
3.2. De stellingen van Chipshol c.s. komen erop neer, zoals het Hof in rov. 5.8 van zijn arrest heeft overwogen, dat de maatschap, L. en D. op diverse manieren (zoals weergegeven in het vonnis van de Rechtbank onder 2.1.1 en 2.1.2 tot en met 2.3) onrechtmatig tegenover hen - aandeelhouders van Chipshol Forward - hebben gehandeld en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden ter zake van koersdaling van aandelen, gemiste koerswinst en koersverliezen, voor welke schade zij X. c.s. aansprakelijk houden. De Rechtbank heeft de vorderingen van Chipshol c.s. afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
3.3. Middel I keert zich tegen rov. 5.5 van het bestreden arrest. Daarin verwerpt het Hof de grieven die klaagden dat de Rechtbank ten onrechte de onderhavige procedure en de procedure van Poot jr. c.s. tegen X. c.s. separaat heeft behandeld en ten onrechte hetgeen in deze procedures was gesteld niet als één complex van onderling samenhangende feiten heeft gezien. Het Hof heeft daarbij overwogen dat niet kan worden volstaan met een verzoek aan de rechter om hetgeen in de ene procedure is gesteld in de andere procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Dit oordeel is juist, zodat het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt.
3.4.1. Middel II keert zich tegen rov. 5.9 tot en met 5.17 van het bestreden arrest waarin het Hof de vraag bespreekt of voldoende feiten zijn gesteld waaruit kan volgen dat degenen aan wie onrechtmatig handelen wordt verweten, niet alleen ten opzichte van Chipshol onrechtmatig hebben gehandeld, "maar daarbij tevens een specifieke jegens hen, appellanten (ook los van hun aandeelhouderschap in Chipshol Forward), geldende zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden als gevolg waarvan zij de schade waarvan zij vergoeding vorderen hebben geleden". Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De onderdelen 2 tot en met 6 - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - bestrijden dit oordeel van het Hof, terwijl onderdeel 7 betrekking heeft op de in rov. 5.18 en 5.21 daaraan door het Hof verbonden conclusies.
3.4.2. Bij de beoordeling van het middel moet tot uitgangspunt worden genomen dat indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt door een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap uit dien hoofde een vordering heeft tot vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade. In beginsel komt aan één of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde tekortkoming of onrechtmatige gedraging van een derde jegens de vennootschap. Op deze regel zal een uitzondering kunnen worden aanvaard indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder (HR 2 december 1994, nr. 15 511, NJ 1995, 288).
3.4.3. Het Hof heeft dit een en ander tot uitgangspunt genomen in zijn rov. 5.9. Het heeft vervolgens geoordeeld dat niet is gebleken van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens Chipshol c.s.
3.4.4. De onderdelen 2 en 3 strekken ten betoge dat, in afwijking van het hiervóór in 3.4.2 vermelde uitgangspunt, aan aandeelhouders wel een recht op schadevergoeding toekomt indien de vennootschap buiten staat is of zichzelf buiten staat heeft gesteld vergoeding van schade van de aansprakelijke derde te vorderen zodat de aandeelhouders de schade definitief hebben geleden.
De onderdelen falen omdat de opvatting waarvan zij uitgaan niet kan worden aanvaard. De enkele omstandigheid dat de vennootschap de derde niet tot vergoeding van de door haar geleden schade aanspreekt, brengt immers niet mee dat de gedraging van de derde als onrechtmatig jegens de aandeelhouder(s) van de vennootschap moet worden aangemerkt.
3.4.5. Op grond van het vorenoverwogene faalt ook onderdeel 4 voor zover het op de onderdelen 2 en 3 voortbouwt. Voor zover het onderdeel de klacht bevat dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd is deze klacht ongegrond. Het Hof heeft immers het hiervoor in 3.4.2 vermelde uitgangspunt uitdrukkelijk aanvaard, zodat niet aangenomen kan worden dat het Hof met de zinsnede "ook los van hun aandeelhouderschap in Chipshol Forward", bedoeld heeft daarvan af te wijken. Deze zinsnede moet kennelijk aldus worden begrepen dat van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder(s) sprake moet zijn en dat het enkele feit dat de aandeelhouder benadeeld is door de aan de vennootschap toegebrachte schade, onvoldoende is om zulks aan te nemen.
3.4.6. Onderdeel 5 strekt kennelijk ten betoge dat sprake is van schending van een "extra bijzondere zorgvuldigheidsplicht" van de accountant jegens de aandeelhouders. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat het niet voldoet aan de daaraan ingevolge het bepaalde in art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen. Het onderdeel maakt immers niet duidelijk waartegen de klacht zich richt, terwijl evenmin wordt aangegeven door welke feitelijke gedragingen van de maatschap en L. de beweerdelijke zorgvuldigheidsnorm zou zijn geschonden.
3.4.7. De onderdelen 6 en 7 bouwen voort op de daaraan voorafgaande en moeten het lot daarvan delen.
3.5.1. Onderdeel III keert zich tegen rov. 5.11 tot en met 5.15 van het bestreden arrest. Daarin heeft het Hof, kort samengevat, het volgende overwogen.
(a) Voor de stelling dat L. en de maatschap in strijd met hun verantwoordelijkheid als accountant van Chipshol Forward partij hebben gekozen voor een van de aandeelhoudersgroepen, is in de stukken geen aanknopingspunt te vinden, terwijl die stelling ook niet voldoende concreet is toegelicht.
(b) Evenmin is gebleken dat de maatschap en L. de opzet zouden hebben gehad anderszins bij hun handelingen Chipshol c.s. te benadelen.
(c) Bovendien is niet duidelijk gemaakt welk verband er zou bestaan tussen het gestelde "partij kiezen" en de schade waarvan in dit geding vergoeding wordt gevorderd.
(d) Ook valt niet in te zien wat de gestelde "vervanging" van de accountant B. door de accountant D. te maken zou hebben met een door de maatschap en L. in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting.
(e) Uit de door Chipshol c.s. gestelde feiten kan niet volgen dat B. (en met hem de maatschap) jegens de aandeelhouders in een bijzondere betrekking is komen te staan.
(f) Ook hier geldt dat niet duidelijk is gemaakt welk verband bestaat tussen de gestelde "vervanging" van B. en de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd.
(g) Chipshol c.s. hebben ook overigens onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat zij anders dan in hun hoedanigheid van aandeelhouders van Chipshol Forward betrokken zijn geweest bij de gewraakte gedragingen. Ook is niet gebleken dat de maatschap, L. en D. in het kader van deze gedragingen handelingen hebben verricht waarvan zij zich uit een oogpunt van de in het maatschappelijke verkeer jegens Chipshol c.s. betamende zorgvuldigheid hadden behoren te onthouden.
3.5.2. Het onderdeel klaagt dat het Hof aldus slechts een aantal van de verweten gedragingen op onrechtmatigheid heeft getoetst in plaats van alle verweten gedragingen op juistheid en gegrondheid te onderzoeken. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden reeds omdat de hiervoor in 3.5.1 onder (c) en (f) vermelde aan het oordeel van het Hof ten grondslag liggende overwegingen, die dat oordeel zelfstandig kunnen dragen, in cassatie niet zijn bestreden.
Uit de bestreden overwegingen van het Hof blijkt overigens dat het Hof alle stellingen van Chipshol c.s. in zijn oordeel heeft betrokken en, ontoereikend heeft bevonden, zodat het middel ook in zoverre geen doel kan treffen. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
3.6. Middel IV bestrijdt rov. 5.19 en 5.20 van 's Hofs arrest. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, nu het niet aangeeft waarom het bestreden oordeel van het Hof, dat erop neerkomt dat Chipshol c.s. onvoldoende belang hebben bij de gevraagde verklaring voor recht, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, zodat het niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen.
3.7. Middel V komt niet aan de orde, nu de in onderdeel 2 van dit middel vermelde voorwaarde dat een van de andere middelen slaagt, niet is vervuld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Chipshol c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van X. c.s. begroot op f 9507,20 aan verschotten en f 3000 voor salaris.