Bij schrijven van 13 september 1977 heeft appellante beroep op grond van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State tegen een schrijven van 15 augustus 1977 van de Staatssecretaris van Financiën, te dezen optredend namens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds te Heerlen, betreffende de uitoefening van verhaal, op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren, op appellante van aan P.H.A. Klasing ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet uitgekeerd invaliditeitspensioen.
Bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 31 maart 1978 is appellante
met toepassing van artikel 78, eerste lid, van de Wet op de Raad van State in
dit beroep nietontvankelijk verklaard op grond van de volgende overwegingen:
Artikel 2, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen
verstaat onder een beschikking waartegen overeenkomstig artikel 7 van die wet
een bezwaarschrift kan worden ingediend of beroep kan worden ingesteld, het
schriftelijk besluit van een administratief orgaan, gericht op enig rechtsgevolg.
Blijkens het tweede lid, aanhef en onder b, van
behoeve van een ambtenaar krachtens diens rechtspositieregeling uitkeringen
of verstrekkingen verleent ter zake van een aan deze overkomen ongeval, voor
de kosten van deze voorzieningen verhaal op degene die, bij ontbreken van die
voorzieningen, in verband met het veroorzaken van het ongeval jegens de ambtenaar
naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn voor de alsdan door deze geleden
schade.
Blijkens het bepaalde in artikel 3 van de wet is de reikwijdte van het in artikel
2 omschreven verhaalsrecht beperkt tot datgene, wat de ambtenaar, bij ontbreken
van de bedoelde rechtspositionele voorzieningen, zelf op grond van de desbetreffende
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek op de veroorzaker van het ongeval zou
hebben kunnen verhalen.
Onder deze omstandigheden is naar ons oordeel de uitoefening van bedoeld verhaalsrecht
zozeer gebonden aan bepalingen van privaatrechtelijke aard, dat deze is aan
te merken als een rechtshandeling naar burgerlijk recht in de zin van artikel
2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.
Uit het vorenstaande volgt dat appellante in haar beroep niet kan worden ontvangen.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij schrijven van 21 april 1978, ingekomen
bij de Raad van State op 24 april 1978, op grond van artikel 79, eerste lid,
van de wet op de Raad van State verzet gedaan bij de Afdeling rechtspraak van
recht, deels dat van een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van
de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen;
dat de uitoefening van het verhaalsrecht, bedoeld in artikel 2, van de Verhaalswet
ongevallen ambtenaren een rechtshandeling is naar burgerlijk recht;
dat de wijze waarop dit recht door een overheidsorgaan wordt uitgeoefend - in
dit geval door het verhaal van de verschenen termijnen in plaats van de gekapitaliseerde
waarde daarvan - is voorbehouden aan het orgaan, dat
dit recht uitoefent;
dat naar het oordeel van appellante de burgerlijke rechter de bevoegdheid mist
om te treden in de vrijheid van beleid, die het orgaan in deze bezit;
dat de toetsing van dit beleid aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
is voorbehouden aan uw Raad.
Ingevolge artikel 79, derde lid, van de Wet op de Raad van State is appellante op 11 juli 1978 in raadkamer gehoord.
In rechte:
Blijkens het verzetschrift betwist appellante niet, dat de uitoefening van het
verhaalsrecht, bedoeld in artikel 2 van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren,
geen beschikking is in de zin van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.
Voor zover het verhalend lichaam de keuze toekomt tussen verhaal van de termijnen
al naar deze verschijnen en de gekapitaliseerde waarde daarvan, is er geen reden
aan deze keuze een ander rechtskarakter toe te kennen dan wanneer het
_,_L_-_ i_-__ __.....,. i--.a- -1 _.-,.+--rr-- ---
dan ook niet worden gezien als een beschikking in de zin van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen.
Gezien het vorenstaande is appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard in
haar beroep.
Het verzet is derhalve ongegrond.
Uitspraak:
De Raad van State, Afdeling rechtspraak;
Gezien de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen en de Wet op
de Raad van State;
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven te 's-Gravenhage op 26 januari 1979,
door mr. J. van der Hoeven, voorzitter, mr. K. van Rijckevorsel, lid en mr.
H. Drion, lid i.b.d., in tegenwoordigheid van mr. W. van den Brink, ambtenaar
van Staat.
ambtenaar van Staat. voorzitter.
Uitgesproken in het openbaar, overeenkomstig artikel 74, eerste lid, van de
Wet op de Raad van State.