Volgen toezegging

In 1998 hebben Teeuwissen en Bouman een bindend advies gegeven in de volgende zaak (VR 1999,14).

De door de verzekeraar ingeschakelde schaderegelaar Verra van Cunningham Boschman en Doetjes van Schadetax bereiken overeenstemming over de definitieve afwikkeling van de claim van het slachtoffer. Over de inhoud van die consensus bestaat geen verschil van mening. Doetjes van Schadetax meldt telefonisch aan de verzekeraar: cliënt is akkoord. Gevraagd wordt om een vaststellingsovereenkomst en een belastinggarantie. Deze worden ook, door de verzekeraar, toegezegd. Schadetax rappelleert vervolgens 5x. Telkens wordt toezending van de stukken beloofd. Vervolgens stuurt de verzekeraar een faxbericht aan Schadetax waarbij de maatschappij de hakken in het zand zet. Enige dagen later volgt een faxbericht van de directie met de motivering waarom de maatschappij het advies van Verra niet wil volgen. Na de bereikte consensus heeft de verzekeraar informatie ingewonnen bij derden, welke informatie de basis is voor haar afwijzend standpunt.


Teeuwissen en Bouman komen tot de conclusie dat voornoemde redengeving ontoereikend is om het advies van Verra te desavoueren. Zij berust niet op wezenlijk andere informatie dan waarover Verra beschikte. Verder constateren de bindend adviseurs dat de verzekeraar geen enkel voorbehoud heeft gemaakt. Zij komen tot de slotsom dat de maatschappij de getroffen regeling dient te honoreren, enerzijds omdat hier niet sprake is van een zodanige minnelijke regeling dat geen redelijk oordelend schaderegelaar daartoe had kunnen adviseren, anderzijds omdat de gang van zaken na het positieve advies van Verra aan de maatschappij bij Schadetax het vertrouwen mocht wekken dat de afwikkeling dienovereenkomstig zou plaatsvinden.

In een inleiding laten de bindend adviseurs weten dat men niet in zijn algemeenheid kan zeggen dat een extern adviesbureau, dat in opdracht van een verzekeraar een schadedossier behandelt, rechtens bevoegd is namens de verzekeraar een schade bindend, dus zonder voorbehoud van diens goedkeuring, te regelen. Dus: in het algemeen kan een schaderegelaar een opdrachtgever niet zonder meer binden. Echter, geheel vrijblijvend is zo'n opdracht niet. Voor de maatstaf of de verzekeraar gehouden is een door zijn schaderegelaar bereikte consensus al dan niet te honoreren zouden zij aansluiting willen zoeken bij het bindend advies. Een positief advies van een externe schaderegelaar zou slechts dan niet gevolgd hoeven worden, indien het uit hoofde van hetzij zijn inhoud, hetzij zijn wijze van totstandkoming zo zeer zou indruisen tegen de redelijkheid en de billijkheid dat het in strijd met de goede trouw zou zijn de verzekeraar daaraan gebonden te achten. Zou een redelijk oordelend professioneel adviseur tot die consensus hebben kunnen komen? Dat is de vraag die gesteld moet worden.

In 2003 heeft de Raad van Toezicht Verzekeringen uitspraak gedaan in het volgende geval (Nr 2003/64 WA).
Tijdens een bespreking tussen de advocaat van benadeelde en de door de verzekeraar ingeschakelde schaderegelaar wordt overeenstemming bereikt over een slotuitkering van NLG 135.000,-. De schaderegelaar zou dit bedrag met een positief advies aan verzekeraar voorleggen en de benadeelde wenst de verzekeraar hier aan te houden. De Raad constateert dat de schaderegelaar na de bespreking aan de advocaat van benadeelde een brief heeft geschreven. De schaderegelaar deelt in deze brief mede dat hij het besproken voorstel tot nabetaling van NLG 135.000,- onder uitdrukkelijk voorbehoud van goedkeuring door verzekeraar aan deze heeft voorgelegd en dat nog discussie zou kunnen ontstaan omtrent de post economische kwetsbaarheid, aangezien er op dat moment nog geen schade was die deze post deed rechtvaardigen. Voorts deelt de schaderegelaar in deze brief mede dat hij met de verzekeraar heeft afgesproken dat eerst intern overleg zou plaatsvinden, waarna op de zaak zou worden teruggekomen. Door na verzending van deze brief niet akkoord te gaan met het voorstel tot nabetaling van NLG 135.000,-- is verzekeraar naar het oordeel van de Raad njet op ongeoorloofde wijze afgeweken van de brief van de door hem aangewezen schaderegelaar.

In een zaak waarin een verzekeraar weigerde het advies van zijn schaderegelaar tot betaalbaarstelling van een voorschot op te volgen heeft de Raad van Toezicht in 1998 geoordeeld dat de verzekeraar het enkele advies van zijn schaderegelaar om aan klaagster vooruitlopend op de uitkomst van een voorlopig deskundigenonderzoek een voorschot te betalen, niet behoefde te volgen (Verkeersrecht 1998, 15).

In 1996 heeft de Raad van Toezicht in een zaak waarin de verzekeraar niet de door de ingeschakelde schaderegelaar verstrekte adviezen opvolgde (betaling van voorschotten), geoordeeld dat het aanstellen van een expertisebureau teneinde namens hem met de schadelijdende partij over de omvang van de door deze geleden en nog te lijden schade te onderhandelen, met zich meebrengt dat bij de schadelijdende partij dan wel diens belangenbehartiger de indruk wordt gewekt dat dit expertisebureau tot op zekere hoogte bevoegd is om met de (belangenbehartiger van) schadelijdende partij afspraken omtrent de schaderegeling te maken en dat hij uit het oogpunt van de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf aan de aldus gemaakte afspraken onverwijld navolging dient te geven. Niet onverdedigbaar is echter het standpunt van verzekeraar dat hij niet in alle opzichten gebonden is aan hetgeen het expertisebureau in het kader van de regeling van klaagster's schade aan hem voorstelt (uitspraak II1-96/8).

7In 1998 hebben Teeuwissen en Bouman een bindend advies gegeven in de volgende zaak (VR 1999,14).
De door de verzekeraar ingeschakelde schaderegelaar Verra van Cunningham Boschman en Doetjes van Schadetax bereiken overeenstemming over de definitieve afwikkeling van de claim van het slachtoffer. Over de inhoud van die consensus bestaat geen verschil van mening. Doetjes van Schadetax meldt telefonisch aan de verzekeraar: cliënt is akkoord. Gevraagd wordt om een vaststellingsovereenkomst en een belastinggarantie. Deze worden ook, door de verzekeraar, toegezegd. Schadetax rappelleert vervolgens 5x. Telkens wordt toezending van de stukken beloofd. Vervolgens stuurt de verzekeraar een faxbericht aan Schadetax waarbij de maatschappij de hakken in het zand zet. Enige dagen later volgt een faxbericht van de directie met de motivering waarom de maatschappij het advies van Verra niet wil volgen. Na de bereikte consensus heeft de verzekeraar informatie ingewonnen bij derden, welke informatie de basis is voor haar afwijzend standpunt.

Teeuwissen en Bouman komen tot de conclusie dat voornoemde redengeving ontoereikend is om het advies van Verra te desavoueren. Zij berust niet op wezenlijk andere informatie dan waarover Verra beschikte. Verder constateren de bindend adviseurs dat de verzekeraar geen enkel voorbehoud heeft gemaakt. Zij komen tot de slotsom dat de maatschappij de getroffen regeling dient te honoreren, enerzijds omdat hier niet sprake is van een zodanige minnelijke regeling dat geen redelijk oordelend schaderegelaar daartoe had kunnen adviseren, anderzijds omdat de gang van zaken na het positieve advies van Verra aan de maatschappij bij Schadetax het vertrouwen mocht wekken dat de afwikkeling dienovereenkomstig zou plaatsvinden.

In een inleiding laten de bindend adviseurs weten dat men niet in zijn algemeenheid kan zeggen dat een extern adviesbureau, dat in opdracht van een verzekeraar een schadedossier behandelt, rechtens bevoegd is namens de verzekeraar een schade bindend, dus zonder voorbehoud van diens goedkeuring, te regelen. Dus: in het algemeen kan een schaderegelaar een opdrachtgever niet zonder meer binden. Echter, geheel vrijblijvend is zo'n opdracht niet. Voor de maatstaf of de verzekeraar gehouden is een door zijn schaderegelaar bereikte consensus al dan niet te honoreren zouden zij aansluiting willen zoeken bij het bindend advies. Een positief advies van een externe schaderegelaar zou slechts dan niet gevolgd hoeven worden, indien het uit hoofde van hetzij zijn inhoud, hetzij zijn wijze van totstandkoming zo zeer zou indruisen tegen de redelijkheid en de billijkheid dat het in strijd met de goede trouw zou zijn de verzekeraar daaraan gebonden te achten. Zou een redelijk oordelend professioneel adviseur tot die consensus hebben kunnen komen? Dat is de vraag die gesteld moet worden.

In 2003 heeft de Raad van Toezicht Verzekeringen uitspraak gedaan in het volgende geval (Nr 2003/64 WA).
Tijdens een bespreking tussen de advocaat van benadeelde en de door de verzekeraar ingeschakelde schaderegelaar wordt overeenstemming bereikt over een slotuitkering van NLG 135.000,-. De schaderegelaar zou dit bedrag met een positief advies aan verzekeraar voorleggen en de benadeelde wenst de verzekeraar hier aan te houden. De Raad constateert dat de schaderegelaar na de bespreking aan de advocaat van benadeelde een brief heeft geschreven. De schaderegelaar deelt in deze brief mede dat hij het besproken voorstel tot nabetaling van NLG 135.000,- onder uitdrukkelijk voorbehoud van goedkeuring door verzekeraar aan deze heeft voorgelegd en dat nog discussie zou kunnen ontstaan omtrent de post economische kwetsbaarheid, aangezien er op dat moment nog geen schade was die deze post deed rechtvaardigen. Voorts deelt de schaderegelaar in deze brief mede dat hij met de verzekeraar heeft afgesproken dat eerst intern overleg zou plaatsvinden, waarna op de zaak zou worden teruggekomen. Door na verzending van deze brief niet akkoord te gaan met het voorstel tot nabetaling van NLG 135.000,-- is verzekeraar naar het oordeel van de Raad njet op ongeoorloofde wijze afgeweken van de brief van de door hem aangewezen schaderegelaar.

In een zaak waarin een verzekeraar weigerde het advies van zijn schaderegelaar tot betaalbaarstelling van een voorschot op te volgen heeft de Raad van Toezicht in 1998 geoordeeld dat de verzekeraar het enkele advies van zijn schaderegelaar om aan klaagster vooruitlopend op de uitkomst van een voorlopig deskundigenonderzoek een voorschot te betalen, niet behoefde te volgen (VR 1998, 15).

In 1996 heeft de Raad van Toezicht in een zaak waarin de verzekeraar niet de door de ingeschakelde schaderegelaar verstrekte adviezen opvolgde (betaling van voorschotten), geoordeeld dat het aanstellen van een expertisebureau teneinde namens hem met de schadelijdende partij over de omvang van de door deze geleden en nog te lijden schade te onderhandelen, met zich meebrengt dat bij de schadelijdende partij dan wel diens belangenbehartiger de indruk wordt gewekt dat dit expertisebureau tot op zekere hoogte bevoegd is om met de (belangenbehartiger van) schadelijdende partij afspraken omtrent de schaderegeling te maken en dat hij uit het oogpunt van de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf aan de aldus gemaakte afspraken onverwijld navolging dient te geven. Niet onverdedigbaar is echter het standpunt van verzekeraar dat hij niet in alle opzichten gebonden is aan hetgeen het expertisebureau in het kader van de regeling van klaagster's schade aan hem voorstelt (uitspraak II1-96/8).