Obstakels


Rb Zutphen 14-5-2008 BD1351(k.g.) onverlichte auto met pech, geen aansprakelijkheid stilstaande auto

Benadeelde botst buiten bebouwde kom, op een lange rechte weg met maximum snelheid 60 km/uurin het donker zonder straatverlichtingmet auto tegen andere auto die met pech op de weg staat. De stilstaande auto had geen verlichting of alarmlichten. De voorzieningenrechter oordeelt dat benadeelde de stilstaande personenauto, die was voorzien van reflectoren aan de achterzijde, zodanig tijdig had kunnen en moeten waarnemen, dat zij haar voertuig tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien, zelfs als zij enigszins te hard harder heeft gereden. Vordering afgewezen.

Rb Middelburg 14-9-2006 AY8012 : bromfietser botst op onverlicht obstakel; geen reflexwerking 50%-regel


Een bromfietser rijdt tegen een bouwcontainer, die zonder vergunning op een slecht verlichte rijbaan staat op een plaats waar een parkeerverbond geldt. De aangesproken eigenaar van de container stelt dat zij voor niet meer dan 50% van de schade kan worden aangesproken. De rechtbank oordeelt dat de reflexwerking van de 50%-regel (art 185 WVW) toepassing mist. “Vorenbedoelde 50%-regel is immers door de Hoge Raad ontwikkeld ter bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemers – fietsers en voetgangers – tegen het gevaar van letselschade dat andere, gemotoriseerde, verkeersdeelnemers veroorzaken. (…) In onderhavige zaak gaat het echter niet om een aanrijding van een motorvoertuig met een fietser of voetganger, maar met een stilstaande bouwcontainer, waarbij uiteraard (benadeelde) rijdend op haar bromfiets de meest kwetsbare van de twee is. Vorenbedoeld jurisprudentie, noch artikel 185 VWV, is op deze situatie van toepassing.”, aldus de rechtbank. De rechtbank laat de eigenaar toe te bewijzen dat de bromfietser aanzienlijk harder dan 30 km/uur heeft gereden.

RECHTBANK AMSTERDAM 26 februari 1986 VR 1987, 89 geen reden bedacht te zijn op onverlichte brandweerspuit.

Onder de gegeven omstandigheden heeft Sjouken niet te hard of anderszins onvoorzichtig gereden. Op de aanwezigheid aan de rechterzijde van de voor hem bestemde weghelft van het uitstekende gedeelte van een motorspuit, waarvoor op geen enkele wijze werd gewaarschuwd - de brandweerauto met zwaailicht aan de rechterzijde van de weg leidde de aandacht eerder van de motorspuit af -, behoefde hij in redelijkheid niet bedacht te zijn.
Op de aanwezigheid aan de rechterzijde van de voor hem bestemde weghelft van het uitstekende gedeelte van de motorspuit, waarvoor op geen enkele wijze werd gewaarschuwd - de brandweerauto met zwaailicht aan de rechterzijde van de weg leidde de aandacht eerder van de motorspuit af -, behoefde hij in redelijkheid niet bedacht te zijn.
Omtrent de op de broeken van de brandweerlieden en op de rug van een van hen aanwezige reflecterende banden en omtrent de op de brandspuit aanwezige reflectoren is onvoldoende komen vast te staan om daaruit te kunnen afleiden dat Sjouken deze onder de gegeven omstandigheden tijdig heeft kunnen en moeten waarnemen.
Het ongeval is derhalve niet aan de schuld van Sjouken te wijten, zodat de vordering moet worden afgewezen met veroordeling van eiseres in de proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

 

RECHTBANK ZUTPHEN 27-1- 83 VR 1984, 23 Geen eigen schuld; obstakel; smartegeld.

Landbouwtrekker keert met aanhangwagen bij donker op onverlichte weg en blokkeert deze daarbij. Automobiliste die daar tegen opbotst heeft zo weinig eigen schuld dat de aansprakelijkheid van de bestuurder van de landbouwterkker niet wordt verminderd. Smartegeld i.c. f 35.000.
Indien al moet worden aangenomen dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend - te weten het door eigen toedoen te laat opmerken van de combinatie - dan nog dient de aansprakelijkheid geheel te vervallen, (lees: in stand te blijven, Red. VR) aangezien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist.

RECHTBANK LEEUWARDEN 11-5-78 VR 1984/1 Botsing bromfiets tegen onverlicht obstakel; geen eigen schuld minderjarige bromfietser; medeschuld ouders niet relevant.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend vast, dat Marjan Toxopeus, dochter van eiser, toen ruim 15 jaar oud op 28 november 1975 te omstreeks 23.15 uur als bestuurster van een bromfiets in botsing is gekomen met de voorzijde van een op haar rijbaanhelft van het Dwarsnoard te Workum op vier staafpoten van elk ongeveer 1.28 m lengte staande onverlichte container aldaar geplaatst door A. Siemonsma toendertijd in dienstbetrekking werkzaam bij gedaagde; dat op dat tijdstip die container niet stond opgesteld binnen een straal van 30 meter van een ontstoken straatlantaarn en dat gedaagde voor de gevolgen van deze botsing aansprakelijk is.

RECHTBANK AMSTERDAM 1-2-1977 VR 1983/21 onverlichte auto achterlaten onverantwoord

Het is onverantwoord en onzorgvuldig om een onverlichte auto in het donker ten dele, zelfs al is het maar met een klein stuk, op een tweebaansweg achter te laten. Dit klemt temeer nu hiertoe geen noodzaak was, omdat de berm ter plaatse 2.50 meter breed was. Dat mogelijk andere auto's tevoren het obstakel hebben gepasseerd zonder dit te raken, doet daaraan niet af. Het plaatsen van een gevarendriehoek op, zoals gedaagde stelt, 10 meter, gezien de rijrichting, voor het obstakel, is onvoldoende voorzorg.
Gedaagde zal derhalve de schade zoals door eiseres gevorderd, dienen te vergoeden, tenzij er sprake mocht zijn van medeschuld van Schotanus, de chauffeur van de vrachtautocombinatie, doordat deze, zoals gedaagde stelt, onvoldoende oplettend is geweest en bij normale en voldoende oplettendheid de auto van gedaagde gemakkelijk had kunnen ontwijken.

RECHTBANK GRONINGEN VR 1978, 63 7 maart 1975. Onverlicht obstakel Schuldverdeling.

Vrachtauto met aanhangwagen staat bij duisternis stil met verlichte voorzijde geheel in rechterberm maar met achterzijde van trekauto en met aanhangwagen schuins op de weg, daardoor voor tegenliggers onverlicht obstakel op linkerweghelft vormend. Tegenligger, die stilstaande lichten ziet, gaat voorligger over linkerweghelft inhalen en botst tegen zijkant van vrachtauto en aanhangwagen. Hem treft 20% eigen schuld, omdat hij er niet op mocht vertrouwen dat achter de zichtbare stilstaande lichten van de vrachtauto de gehele linkerrijstrook voor hem vrij zou zijn. Smartegeldwaardering. Verkeersslachtoffer heeft belang om naast aansprakelijke partij ook diens WAM-verzekeraar in rechte te betrekken; zie verder het vonnis.

HOGE RAAD 9 januari 1976 VR 1976/59 Aanrijding bij duisternis van bromfietser tegen afgestapte, zijn defecte bromfiets controlerende, onverlichte bestuurder. WAM

Bij nacht buiten de bebouwde kom op een onverlicht fietspad krijgt een bromfiets een lekke band. De bestuurder stapt af, zet zijn bromfiets aan de kant van het fietspad op de verharding en buigt zich, zelf staande in de berm, over de bromfiets om de spijker op te zoeken zo, dat zijn hoofd en bovenlichaam zich boven het fietspad bevinden. Een andere bromfietser merkt hem niet of te laat op, komt met de linkerschouder van de afgestapte bestuurder in aanraking, valt en raakt gewond. De CWRB spreekt voor haar uitkeringen t.b.v. de gewonde rechtstreeks o.g.v. art. 6 lid 1 WAM de WAM-verzekeraar van de stilstaande bromfiets aan.
Rb.: de ingeroepen aansprakelijkheid is er een waartoe het motorrijtuig aanleiding kon geven, ook al is de bromfiets zelf niet geraakt. Afgestapte onverlichte bestuurder draagt prima facie schuld, maar mag medeschuld van gewonde aantonen.
Hof: uit het bewijsmateriaal blijkt, dat gewonde niet met de stilstaande bromfiets maar slechts met de daarover gebogen bestuurder - thans voetganger - in aanraking is geweest. De schade is dan niet door het motorrijtuig veroorzaakt, welke eis de WAM geacht moet worden te stellen.
HR: dergelijk gedrag van een bromfietser staat in zodanig nauw verband met het per bromfiets deelnemen aan het wegverkeer, en met de daaraan verbonden risico's, dat een uit dit gedrag voortvloeiende schade valt aan te merken als te zijn ,,veroorzaakt door de bromfiets'' in de zin van art. 3 lid 4 WAM. De wetgever heeft, met name blijkens de term ,,aanleiding kunnen geven'' in art. 2 lid 1, gestreefd naar een ruime toepasselijkheid van de WAM (verg. reeds in deze zin Ktg. Nijmegen 3 augustus 1973, VR 1974, 58; Red. VR).

HOF ARNHEM 9 juli 1974 VR 1975, 43 geen rekening te hopden met onverlichte obstakels

Van automobilisten, die zich onder de omstandigheden van het onderhavige geval - (a) een vrij druk bereden voorrangsweg buiten de bebouwde kom met onbeperkte maximum snelheid, ter plaatse recht, ongeveer 7.60 m breed, annex oostelijk van de rijbaan gelegen klinkerstrook ter breedte van 25 cm en een daarnaast gelegen fietspad van 1.20 m breed, (b) onbelemmerd uitzicht, (c) duisternis m.n. ter plaatse van het ongeval - over de genoemde weg voortbewegen, kan niet worden gevergd, dat zij bij voortduring rekening houden met de mogelijkheid dat zich op de voor hen bestemde rechterweghelft niet of onvoldoende verlichte obstakels bevinden, en hun rijstijl daarbij aanpassen.
Dit neemt niet weg, dat een autobestuurder die onder genoemde omstandigheden in botsing komt met een obstakel als eerder bedoeld. slechts dan met recht kan betogen, dat hem geen schuld treft, indien hij heeft gereden met een behoorlijke verlichting en niet te hoge snelheid en hij de vereiste oplettendheid heeft betracht.

HOF LEEUWARDEN 21 juni 1972 VR 1973, 69 Onverlicht obstakel, aanhangwagen

Aanhangwagen staat bij duisternis onverlicht stil op onverlichte weg, nadat hij is losgeraakt van het trekkende voertuig. Ook al treft de eigenaar terzake van het losraken geen verwijt, de chauffeur heeft toch schuld omdat hij onder deze omstandigheden verplicht was naar vermogen het achteropkomend verkeer door tekens te waarschuwen en zich eventueel daartoe naar de achterzijde van de aanhangwagen te begeven, waarin hij tekort is geschoten. Schuldverhouding met de schuld van de aanrijdende automobilist 1:1.
O., echter dat ook Janssen niet vrij uitgaat;
dat toch iedere weggebruiker bedacht moet zijn op de mogelijkheid van het zich opdoen van onverlichte obstakels;
dat hij mede met het oog daarop zijn snelheid moet aanpassen aan de afstand, waarover hij zijn rijbaan kan overzien en aan zijn vermogen tot snelheidsvermindering;
dat Janssen, blijkens het verloop der zaken, hierin heeft gefaald, althans onoplettend is geweest of niet tijdig of adequaat heeft gereageerd