2001-08-01 automobilist linksaf richtingverandering geen schuld voor inhalen motor


Rb Utrecht, 01-08-2001, Rolnr, 117457/HAZA 00-1291


Motorfiets haalt linksafslaande auto in. Achter de auto reed een bestelbus. Omdat de afslaande automobilist de inhalende motor niet kon zien toen hij begon af te slaan draagt deze geen schuld


zaaknr./rolnr. 117457/HAZA 00-1291

RvN

1 augustus 2001


VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:
Frederik van Dijk,
wonende te Amersfoort,
eiser,
procureur: mr. J.J.W. Remme,

- tegen-
1. de naamloze vennootschap AMEV Schadeverzekering N.V.. gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
2. Johannes Gerritse, wonende te Amersfoort, gedaagden,
procureur: mr. A. Gerritsen-Bosselaar.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als "Van Dijk" respectievelijk "Amev c.s."; Amev c.s. ieder afzonderlijk "Amev" en "Gerritse".
1.
Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
conclusie van eis overeenkomstig het exploot van dagvaarding van 7 juli 2000, tevens akte
houdende overlegging producties;
conclusie van antwoord;
conclusie van repliek, tevens akte houdende vermeerdering van eis, alsmede houdende
voorwaardelijk verzoek tot het benoemen van een deskundige;
conclusie van dupliek.
1.2.
Partijen hebben verzocht om vonnis te wijzen.

zaaknr./rolnr. 117457/HAZA 00-1291 RvN l augustus 2001 - 2 -
2.
De feiten
2.1.
Op 18 april 1997 reed Gerritse in een personenauto van het merk Peugeot en met het kenteken TP-53-TJ, in de gemeente Amersfoort komende uit de richting Albert Schweitzersingel over de Zijderupsvlinder in de richting van de Rondweg-Oost. Achter hem reed de heer A. Verzijl (hierna: Verzijl) in een witte bestelbus, met als passagier de heer M.J.A. Slijters (hierna: Slijters).
2.2.
Op enig moment gaf Gerritse richting aan naar links, waarna hij vaart minderde en voorsorteerde door tegen de weg-as te gaan rijden. Vervolgens sloeg Gerritse linksaf in de richting van een inrit, de Purpervlinder. Op de linkerrijbaan kwam hij in botsing met Van Dijk die, rijdende op een motorfiets van het merk Yamaha en voorzien van het kenteken MG-22-YF, bezig was de bestelbus en de auto van Gerritse in te halen.
2.3.
De maximumsnelheid ter plaatse bedraagt 50 kilometer per uur.
2.4.
Ten tijde van vorengenoemde aanrijding was Gerritse verzekerd bij Amev.
2.5.
Van Dijk is ten gevolge van de aanrijding gewond geraakt en uit het ongeval is schade aan zijn
motor en kleding voortgevloeid.
2.6. _
Op verzoek van Amev heeft in deze zaak een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. In het kader van dit voorlopig getuigenverhoor zijn de eerdergenoemde Slijters en Gerritse (gedaagde sub 2) als getuigen gehoord. Hun verklaringen zijn in deze procedure overgelegd.
3.
De vordering en de verweren
3.1.
Van Dijk vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank, bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Amev c.s. hoofdelijk des dat de een betaald hebbende, de ander tot het betalen zal zijn gekweten, althans Amev, althans Gerritse, zal veroordelen om aan Van Dijk te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de som van ƒ 114.345,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 1997, althans (subsidiair) vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening, een en ander met veroordeling van Amev c.s. (hoofdelijk), althans Amev, althans Gerritse, in de kosten van het geding, waaronder de kosten verbonden aan het tweemaal bijwonen van het voorlopig getuigenverhoor.

zaaknr./rolnr. 117457/HAZA 00-1291 RvN l augustus 2001 - 3 -
3.2.
Van Dijk legt aan zijn vordering ten grondslag dat Gerritse hem op grond van artikel 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rw 1990) voorrang had moeten verlenen, nu Gerritse van een weg een inrit wilde oprijden. Voorts had Gerritse op grond van artikel 18 Rw 1990 aan Van Dijk voorrang moeten verlenen, nu Van Dijk inhalend verkeer was en Gerritse linksaf wilde slaan. Door in strijd met deze voorschriften en daarmee ook in strijd met artikel 5 WVW en artikel 6:162 BW linksaf te slaan en Van Dijk geen voorrang te verlenen heeft Gerritse het ongeval veroorzaakt, aldus Van Dijk.
3.3.
Amev c.s. betwisten dat het ongeval door schuld van Gerritse is ontstaan, en wijten de aanrijding aan het rijgedrag van Van Dijk zelf, omdat deze met een veel hogere snelheid dan het ter plaatse toegestane maximum van 50 kilometer per uur reed en zijn inhaalmanoeuvre plotseling vanachter de witte bestelbus inzette op een moment dat Gerritse reeds bezig was met het afslaan naar links, zulks nadat Gerritse zijn voorgenomen linksaf-manoeuvre tijdig had kenbaar gemaakt door inwerkingstelling van de linker richtingaanwijzer en had voorgesorteerd tegen de weg-as. Subsidiair beroepen zij zich op eigen schuld van de te hard rijdende Van Dijk, welke schuld zo groot is dat de eventuele schuld van Gerritse daarbij is te verwaarlozen.
4.
De beoordeling
4.1.
Blijkens de gewisselde processtukken verschillen partijen zowel van mening over het antwoord op de vraag of Amev c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die Van Dijk als gevolg van het ongeval heeft geleden, als -indien dit antwoord bevestigend mocht luiden- over de omvang van de schade en de vergoedingsplicht van Amev c.s. in verband daarmee.
4.2.
Vooropgesteld zij dat op grond van artikel 18 Rw 1990 een bestuurder die afslaat onder meer voorrang dient te geven aan ander verkeer dat op dezelfde weg zich naast dan wel links dicht achter hem bevindt. Echter, als de afslaande bestuurder links is voorgesorteerd en te kennen heeft gegeven -door middel van de richtingaanwijzer- dat hij naar links wil afslaan, dient deze bestuurder op grond van artikel 11 lid 2 Rw 1990 rechts te worden ingehaald. Het voorgaande laat onverlet dat een bestuurder, die bezig is met een bijzondere manoeuvre, te weten van een weg een inrit oprijden, het overige verkeer ingevolge artikel 54 Rw 1990 voor moeten laten gaan. Dit impliceert dat een naar links afslaande bestuurder, die een inrit oprijdt en daarbij een inhalende motorrijder niet heeft zien aankomen, in beginsel in strijd met dit artikel verzuimd heeft aan de motorrijder voorrang te verlenen, zodat hem een verwijt treft met betrekking tot de hierdoor ontstane aanrijding. Dit verwijt wordt evenwel weggenomen, indien vast komt te staan dat de afslaande bestuurder, de motorrijder niet heeft kunnen zien aankomen voordat hij linksaf sloeg.
4.3.
Amev c.s. hebben aangevoerd dat Gerritse alvorens af te slaan richting naar links aangaf, snelheid verminderde, voorsorteerde tegen de weg-as en in zijn zijspiegel keek. Op het moment dat Gerritse zijn linksaf-manoeuvre inzette, was Van Dijk voor Gerritse onzichtbaar; eerst toen Gerritse bezig was met het afslaan naar links, kwam Van Dijk volgens Amev c.s. plotseling (met grote snelheid) achter de bestelbus vandaan. Van Dijk heeft gesteld dat Gerritse hem heeft moeten kunnen zien voordat Gerritse richting aangaf, althans in ieder geval voordat hij ging afslaan, mede gelet op de stelling van Van Dijk dat Gerritse eerst richting naar links heeft aangegeven op het moment dat hij, Van Dijk, halverwege de achter Gerritse rijdende witte bestelbus reed.
4.4.
Gerritse heeft tegenover de politie en tijdens (de voortzetting van) het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij teneinde de Purpervlinder op te rijden richting naar links aangaf, zijn snelheid verminderde en in zijn buitenspiegel keek, waarbij hij alleen het witte bestelbusje zag. Op het moment dat hij was begonnen met draaien, hoorde Gerritse aldus zijn verklaring schakelen en hoge toeren van een motor, waarna hij weer in zijn buitenspiegel keek en toen voor het eerst in een flits
de motorrijder zag.
Van Dijk heeft tegenover de politie verklaard dat hij, op het moment dat hij met zijn motor halverwege de bestelbus was, zag dat Gerritse voor deze bus reed. Hierop zag Van Dijk aldus zijn verklaring dat Gerritse richting naar links gaf. Vervolgens zag Van Dijk dat Gerritse over de linker rijstrook reed, aldus Van Dijk.
De getuige Verzijl heeft tegenover de politie verklaard dat Gerritse voor hem reed tegen de weg-as aan, met de bedoeling de Purpervlinder in te rijden, waarbij de auto van Gerritse duidelijk richting aangaf, dat hij afremde om Gerritse te laten afslaan, dat plotseling een motorfiets hem links passeerde met een aanzienlijke snelheid en dat hij die motorfiets tweemaal achtereen met loeiende motor heeft horen opschakelen.
De getuige Slijters heeft tijdens (de voortzetting van) het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij de motor van Van Dijk hoorde op het moment dat de bestelbus waarin hij en Verzijl zaten aan het afremmen was voor de vaart verminderende Gerritse, dat hij toen het stijgende toerental van de motorfiets en het daaropvolgend schakelen in een hogere versnelling hoorde en dat hij het volledig eens is met de tegenover de politie afgelegde verklaring van Verzijl, met dien verstande dat hij onder meer niet met dezelfde stelligheid als Verzijl durft te bevestigen dat hij Van Dijk tweemaal heeft horen schakelen.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is mede op grond van deze verklaringen aannemelijk geworden dat Van Dijk voor Gerritse onzichtbaar was voordat Gerritse links afsloeg. Als niet (voldoende gemotiveerd) weersproken staat vast dat Gerritse, alvorens linksaf te slaan, richting naar links heeft aangegeven, vaart heeft verminderd, heeft voorgesorteerd door tegen de weg-as te gaan rijden en in zijn buitenspiegel heeft gekeken. Tevens staat vast dat Van Dijk in eerste instantie achter de bestelbus reed en vervolgens zijn inhaalmanoeuvre heeft aangevangen door zijn motor te verplaatsen naar de linkerrijstrook en gas te geven. De verklaring van Gerritse, inhoudende dat hij eerst op het moment dat hij was begonnen met naar links draaien het schakelen en hoge toeren van de motor van Van Dijk hoorde, waarna hij weer in zijn buitenspiegel keek en toen voor het eerst in een flits de motorrijder zag, wordt ondersteund door de verklaringen van Verzijl en Slijters, omdat die beiden hebben verklaard dat zij afremden om Gerritse, die reeds richting naar links had aangegeven en voorgesorteerd had door tegen de weg-as te rijden, te laten afslaan, waarna zij het schakelen en stijgende toerental van de motor van Van Dijk hoorden en hem zagen passeren. Zowel Verzijl als Slijters hebben Van Dijk niet eerder op de Zijderupsvlinder gezien dan op dat moment. Ervan uitgaande dat het hoge toerental van de motor van Van Dijk veroorzaakt werd doordat hij schakelde en zijn snelheid opvoerde teneinde zijn inhaalmanoeuvre te beginnen, en gelet op de op dit punt eensluidende verklaringen van Verzijl en Slijters, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat Van Dijk zich, voordat Gerritse afsloeg, achter de bestelbus heeft bevonden, zodat hij op dat moment voor Gerritse niet zichtbaar was.

4.6.
Aan het bovenstaande doet niet af de stelling van Van Dijk dat Gerritse hem heeft moeten kunnen zien, gelet op het feit dat de Zijderupsvlinder breed en overzichtelijkheid is opgezet en het gedeelte van de weg tot aan de kruising met de Purpervlinder kaarsrecht is. Van Dijk zag aldus zijn verklaring eerst op het moment dat hij met zijn motor halverwege de bestelbus was, dat Gerritse voor deze bus reed. Voordien had Van Dijk kennelijk (de auto van) Gerritse niet waargenomen. In dit licht valt niet in te zien waarom Gerritse Van Dijk wel eerder aan had moeten zien komen. Evenmin hebben Verzijl en Slijters gezien dat Van Dijk achter hen reed, totdat Van Dijk hen passeerde.
4.7.
Nog daargelaten dat in hetgeen hiervoor onder 4.5. is overwogen besloten ligt dat Van Dijk niet heeft kunnen waarnemen dat Gerritse, zoals Van Dijk stelt, niet tijdig richting heeft aangegeven -hij bevond zich op dat moment immers achter de bestelbus- blijkt onder meer uit de verklaringen van Verzijl en Slijters dat Gerritse wel degelijk tijdig kenbaar heeft gemaakt -door middel van de richtingaanwijzer- dat hij naar links wilde afslaan. Daarenboven stond Gerritse links voorgesorteerd en was ook voor Verzijl en Slijters, zo volgt uit hun verklaringen, duidelijk dat Gerritse linksaf, de Purpervlinder zou inslaan.
4.8.
De slotsom is dat Amev c.s. reeds op grond van het voorgaande niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die voor Van Dijk uit het ongeval is voortgekomen. Derhalve kan in het midden blijven hoe hoog de snelheid was waarmee Van Dijk reed op het tijdstip van de aanrijding. De vordering van Van Dijk zal worden afgewezen en hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.
5. Beslissing
De rechtbank:
5.1.
Wijst de vordering af;
5.2.
Veroordeelt Van Dijk in de kosten van de procedure, welke aan de zijde van Amev c.s. worden
begroot op ƒ 5.950,- voor salaris en ƒ 2.510,- voor verschotten;
5.3.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.