Slippen

Rechtbank Arnhem 16-04-2003 AF8475 Wegbeheerder en politie niet aansprakelijk na gladheid, gladheid is geen gebrek weg, tijdig strooien niet mogelijk

Op de snelweg bij Arnhem tijdens gladheid een eenzijdig ongeval plaaats, waarbij de bestuurder en een inzittende gewond raken. De inzittende stelt de provincie als wegbeheerder en de politie vanwege onvoldoende waarschuwen na een eerder ongeval aansprakelijk. De rechtbank acht ede provincie niet aansprakelijkheid af; gladheid op zich vormt geen gebrek van de weg en bij eerdere wetenschap had de gemeente niet tijdig kunnen strooien. De politie is evenmin aansprakelijk omdat zij overeenkomstig haar taak heeft gehandeld.

Gerechtshof Arnhem, 11-11-2003 AO1758, Gladheid, wegbeheerder en billijkheidscorrectie te snel gereden

Een automobilist slipt als gevolg van gladheid en raakt gewond. Hij stelt de gemeente aansprakelijk, omdat niet is gestrooid. Het hof oordeelt dat de gemeente zich bewust was, althans had moeten zijn, dat de betreffende sluipweg een gevaarlijke situatie opleverde, aangezien zij een melding had binnengekregen en bovendien verderop op dezelfde weg in een andere gemeente wel was gestrooid. De mate van waarschijnlijkheid van een ongeval was zo groot dat de gemeente had moeten strooien of anderszins maatsregelen had moeten treffen. Het hof acht de gemeente aansprakelijk; de automobilist heeft echter eigen schuld wegens rijden met te hoge snelheid. De causale weging van art 6:101 BW leidt tot een verdeling van 40/60 in het voordeel van gemeente. Na toepassing van de billijkheidscorrectie, vanwege het feit dat de automobilist meer te verwijten valt dan de gemeente, komt het hof op een verdeling van 25/75 in het voordeel van gemeente.

RECHTBANK ARNHEM, 7 maart 2002VR 2003/12 Aanrijding tussen twee slippende auto's. geen pot en ketel, maar onvoldoende aanpassing snelheid

art. 185 WVW, art. 6:162, 6:98, 6:101 BW

Eerste auto slipt als gevolg van de combinatie van een spekgladde afrit en een scherpe bocht naar rechts op die oprit. Die auto komt in de rechterberm tot stilstand. De tweede auto rijdt even later door dezelfde bocht over hetzelfde spekgladde wegdek en slipt eveneens. Deze auto komt tegen de eerste auto in de rechterberm tot stilstand. De verzekeraar van de eerste auto spreekt die van de tweede aan.
6. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat Kloet zijn verkeersgedrag in voldoende mate op voornoemde omstandigheden heeft afgestemd. 60 km/u is onder de hiervoor bedoelde omstandigheden veel te snel geweest. In de gegeven omstandighede was zelfs 35 à 40 km/u nog te snel. Een scherpe, door ijzel spekgladde bocht kan men slechts min of meer stapvoets veilig nemen.

HOF ARNHEM 16 januari 1996 VR 1996/165 Slip bij gladheid; verkeersopvattingen; overmacht, geen pot en ketel, maar onvoldoende aanpassing snelheid

Art. 1401 (oud) BW

Voorligger raakt op toerit tankstation bij gladheid in een slip. Achterligger botst nadat voorligger tegen lantaarnpaal tot stilstand is gekomen daartegen op.
Rb.: Achterligger is naar verkeersopvattingen aansprakelijk jegens voorligger.
Hof: Achterligger had zijn snelheid en verder rijgedrag dienen aan te passen aan de voor hem kenbare situatie. Het beroep op de rechtsregel "indien twee voertuigen in dezelfde omstandigheden met geringe snelheid zijn weggegleden, wordt het ervoor gehouden dat beide bestuurders gelijkelijk zijn verrast en kan hen redelijkerwijze geen van beiden worden toegerekend dat zij hun voertuigen niet onder controle hadden" (vgl. Rb. Den Haag 14 februari 1984, VR 1984, 142) faalt in dit geval. De achterligger had, meer dan de voorligger, als gewaarschuwd man te gelden.

BINDEND ADVIES (Mr. van Wassenaer van Catwijck), 23 maart 1987, VR 1988/129, Gecompliceerde botsing, vier betrokken voertuigen, op autosnelweg in verband met gladheid, geen risicoaansprakelijkheid.

art. 13, 49 RVV; 1401 BW

In zijn bewijswaardering is de bindend adviseur in het voordeel boven de rechter; voor hem behoeft een feitencomplex niet bewezen te worden maar mag het aannemelijk zijn. Twee auto's rijden op rechterstrook vrij dicht achter elkaar; voorste (A) slipt naar linkerstrook, nadat hij is ingehaald door smeltwater opwerpende, onbekend gebleven, vrachtauto en ongeveer tezelfdertijd wordt geraakt door achterligger (B). Op linkerstrook kan daar rijdende auto (C) aanrijding met A niet vermijden, komt tot staan en wordt even later door over die strook achteropkomende vrachtauto (D) aangereden. Slippende A krijgt 40%, achteropkomer B 40% en vrachtauto D 20% van de schade te dragen; tussenliggende auto C treft geen schuld. Het als motorrijtuig deelnemen aan het verkeer wordt aan C (nog) niet als "eigen schuld" toegerekend, ofschoon, gelet op 603014 ontwerp BW en HR 6 februari 1987, VR 1987, 35 nt. vWvC, de rechtsontwikkeling wel in die richting tendeert.

HOGE RAAD 10 augustus 1984 NJ 1985/23 auto slipt, plotseling optredende gladheid impliceert geen schuld.

RvdW 1984, 138 VR 1985/56

BW art. 1401; Rv (oud) art. 48, 59 lid 1 onder 3e;
Wet RO art. 99 lid 1 onder 2

[Essentie] Onrechtmatige daad. Verkeersongeval; auto slipt door plotseling optredende gladheid. Schuld. Grondslag van de vordering. Feitelijk oordeel. Motivering.
1. Middel I verwijt het Hof te hebben verzuimd te onderzoeken of onder de gegeven weersomstandigheden rekening gehouden moest worden met het voorkomen van plaatselijke gladheid die voor een automobilist niet tijdig tevoren visueel waarneembaar was, alsmede of - indien zulks het geval was - daaruit niet moet worden afgeleid dat aan Droge viel te verwijten dat hij zich bij die weersomstandigheden op de weg heeft begeven. Die klacht faalt reeds daarom omdat noch uit de bestreden uitspraak noch uit de stukken van het geding blijkt dat Bernhard aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de weersomstandigheden ten tijde van het ongeval zodanig waren dat Droge zich niet met zijn auto op de weg had behoren te begeven. (Rv art. 48, 59 lid 1 onder 3e)
2. Het Hof is ervan uitgegaan dat Droge in het algemeen op plotseling optredende gladheid bedacht moest zijn en ook was; het Hof heeft echter geoordeeld dat het enkele feit dat hij niettemin - op een weggedeelte waar niet in het bijzonder met gladheid rekening moest worden gehouden tengevolge van de plotseling optredende gladheid waarmede hij in feite werd geconfronteerd - te weten: een voor hem niet tijdig tevoren visueel waarneembare, extreme gladheid - in een slip is geraakt, niet de slotsom wettigt dat hem van zijn wijze van rijden een verwijt valt te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat in cassatie voor een verdergaande toetsing op zijn juistheid geen plaats is. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet en tegenover het door Bernhard in zijn memorie van grieven aangevoerde behoefde het geen nadere motivering. (BW art. 1401; Wet RO art. 99 lid 1 onder 2; Rv art. 59 lid 1 onder 3e)

ARR.-RECHTB. 's-HERTOGENBOSCH 3 juni 1983 NJ 1984/301, aan gladheid aangepast verkeersgedrag, geen schuld.

BW art. 1401; RVV art. 49

[Essentie] Verkeer: plaatselijke gladheid. Slippen. Overmacht.
De automobilist die vanwege de weersgesteldheid rekening moet houden met een kans op gladheid en die in verband daarmee een gematigde snelheid aanhoudt en speurt naar tekenen van werkelijke gladheid, neemt een aanvaardbaar risico door niet te rijden alsof hij op een werkelijk gladde weg rijdt, hetgeen teveel zou zijn gevergd en tot ernstige verkeersstagnatie zou leiden. Hem treft geen schuld aan een aanrijding met een tegenligger als de kans op gladheid zich dan toch nog zo plotseling verwezenlijkt dat hij niet meer in de gelegenheid is zijn rijgedrag aan te passen en hij als gevolg van die plotselinge gladheid slipt.

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE 14/2/1984 VR 1984/142 Pot-verwijt-ketel enkel wegglijden impliceert nog geen schuld.

Artt. 1401 BW, 13, 49 RVV

[Essentie] Slippen als gevolg van gladheid overmacht?

Schuld (afwezigheid van )
Bij eiseres verzekerde auto slipt na nemen van bocht met geringe snelheid en komt, naar rechts glijdend, half op trottoir tot stilstand. Even later komt gedaagde, ook met geringe snelheid, door zelfde bocht, en slipt eveneens naar rechts tegen eerste auto en brengt daaraan schade toe. Het enkele feit dat gedaagde is weggegleden betekent nog geen verwijtbaar nalaten zijn snelheid aan te passen aan de gesteldheid van het wegdek. Nu beide auto's in dezelfde omstandigheden met geringe snelheid in dezelfde richting zijn weggegleden, wordt het ervoor gehouden dat beide bestuurders gelijkelijk zijn verrast en dat geen van beiden redelijkerwijs kan worden toegerekend dat zij hun voertuig tijdelijk niet onder kontrole hadden.


RECHTBANK AMSTERDAM (Mrs. Van Imhoff, Hartzuiker, Orobio de Castro), 29 oktober 1980. VR 1981/51Kettingbotsing-slippen-overmacht bij plotseling opgetreden gladheid.

Art. 1401 BW

Kantongerecht: De in het kader van een serie kettingbotsingen ontstane aanrijding is in hoofdzaak aan plotseling opgetreden gladheid te wijten. Het beroep van gedaagde op overmacht gaat derhalve op. De meeste eventuele getuigen laten uitkomen door de gladheid verrast te zijn op het moment dat zij hun rem wilden gebruiken om de opstopping te vermijden. Alleen twee chauffeurs hadden de gladheid door ijzel ondanks de duisternis eerder bemerkt. Het feit dat enkelen wel gladheid bespeuren, is onvoldoende grondslag voor de stelling dat deze gladheid waarneembaar was in die zin dat iedere oplettende chauffeur deze had moeten waarnemen. De rechtbank: Uit het vorenstaande feit dat een groot aantal auto's ter plaatse van het ongeval is geslipt is de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat de weg eerst ter plaatse van het ongeval zeer glad geworden was. De door appellanten overgelegde inlichtingen van het K.N.M.I. (te De Bilt) en het K.M.I. van Belgie zijn naar het oordeel van de Rechtbank niet van dien aard dat de autobestuurder en dus ook Opdam, de bestuurder van de bij geintimeerde verzekerde vrachtauto, op de gladheid bedacht hadden moeten zijn.
De omstandigheid dat de rechterachterband langs de binnenzijde van het dubbelwiel van de door Opdam bestuurde vrachtauto afgesleten was acht de Rechtbank te dezen niet van betekenis, waar dit gebrek op een zo glad wegdek bij het slippen geen invloed zal hebben gehad.
Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

HOF 's-GRAVENHAGE 30 juni 1976 en 20 oktober 1976 VR 1979/30 Gladheid en overmacht; schuldverdeling; subrogatie bij WA-verzekering.

Artt. 13 RVV, 1401 BW, 284 W.v.K.


Autobus slipt dwars op gladde rijksweg. Voor gladheid via radio gewaarschuwd. Achterop komende truck-met-oplegger remt, slipt ook, en rijdt twee eerder achter geslipte bus tot staan gekomen auto's aan. WA-verzekeraar truck-met-oplegger stelt aangeredenen schadeloos en neemt regres op buschauffeur wegens medeschuld.
Rb.: wie slipt is aansprakelijk behoudens door hem te bewijzen overmacht. Hof: wat van deze overweging zij, in casu overmacht voor buschauffeur niet aannemelijk. Buschauffeur en truckchauffeur gelijke schuld.
Zie verder arrest. WAM-verzekeraar die schade aan derde betaalt, niet voor verzekeringnemer, maar voor medeverzekerde die geen partij is bij verzekeringsovereenkomst, subrogeert in regresaanspraken van deze medeverzekerde.

HOF AMSTERDAM (Mrs. De Kanter, Witteman, Walkate), 28 april 1978 VR 1978/90 overmacht wegens onvoorzienbare gladheid.

Artt. 31.1 en 7 WVW

[Essentie] Art. 31 WVW: motorrijtuig in beweging;

Op snelweg geslipte auto, die door zijn bestuurder op de vluchtstrook is gezet en verlaten, wordt enige tijd later door tweede slippende auto aangereden.
Rb.: aan eerste auto komt beroep op art. 31 lid 1 WVW toe want hij nam niet meer deel aan het verkeer.
Rb. en Hof: onder de omstandigheden van dit geval (zie verder vonnis en arrest) is sprake van plotselinge gladheid en kan tweede auto niet worden verweten dat hij is gaan remmen en geslipt.

HOF 's-HERTOGENBOSCH (Mrs. Achterbergh, Woltering, Jansen), 23 juni 1976 VR 1978/64 Onoordeelkundig rijden bij gladheid.

Art. 13 RVV

[Essentie] Slipongeval.
Door ijzel gladde brug in autoweg; waarschuwingen KNMI voor plaatselijk gladde wegen. Onder door Hof vastgestelde weersomstandigheden is van algemene bekendheid dat juist op bruggen, viadukten en op- en afritten eerder gladheid optreedt dan op de wegen zelf. Hof oordeelt rijgedrag en reakties - zie verder arrest - onoordeelkundig en inadekwaat en mitsdien onrechtmatig.


HOF LEEUWARDEN 5 maart 1975.VR 1976/34 slippen , Schuld bij bestuurder onvoldoende gesteld

Artt. 1401 BW, 31 WVW

Automobilist slipt bij zeer glad wegdek tegen gesloten overwegbomen. Schuld bij bestuurder onvoldoende gesteld; overmacht in de zin van art. 31 WVW bij eigenaar aannemelijk.

HOF ARNHEM 1 mei 1973 VR 1974/28 plotseling opgetreden gladheid geen schuld

Art. 1401 BW

[Essentie] Slippen. Overmacht.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel, dat de onderhavige aanrijding is ontstaan als gevolg van slippen en dat dit slippen is veroorzaakt door plaatselijke gladheid, dat wil zeggen een gladheid waarvan elders op de weg geen sprake is geweest, maar alleen op de bewuste plaats. Naar het oordeel van het Hof gaven de meldingen van het KNMI aan de Rijkspolitie te Driebergen en via het telefonisch weerbericht geen aanleiding juist ter plaatse van het ongeval een gladheid van het wegdek te verwachten.
Nu tevens is gebleken, dat omstreeks dezelfde tijd meerdere auto's op dezelfde plaats zijn geslipt, dat de snelheid, waarmede de bestuurder van de geslipte auto ter plaatse reed, normaal kan worden geacht, gezien het feit, dat het ten tijde van het ongeval droog was en dat ten tijde van het vertrek van deze bestuurder op de bewuste winteravond van gladheid van het wegdek geen sprake was, is het slippen met als direct gevolg de aanrijding te wijten aan overmacht.

RECHTBANK ARNHEM 11 juni 1970 VR 1973/102 Afwezigheid van schuld bij slippen, Men reed vrijwel op eigen risico.

Art. 1401 BW

[Essentie] Afwezigheid van schuld bij slippen
Het ongeval vond plaats bij duisternis en grote gladheid onder zeer ongunstige weersomstandigheden. Men reed vrijwel op eigen risico. Gedaagde remde af voor een tegenligger, waarbij zijn aanhangwagen gedeeltelijk op de linkerweghelft gleed. Hem treft terzake geen verwijt.

BINDEND ADVIES (Mr. F. van Heycop ten Ham), 17 april 1972 VR 1973/100 De slip is uitsluitend te wijten aan de uitzonderlijke gladheid van de weg, niet aan een rijfout van de slippende autobestuurder.

Artt. 1401 BW en 19 lid 1 RVV

[Essentie] Slippen: schuld of excuus?
Feiten: Een auto slipt op een door slijk en vooral door schuimaarde zeer glad wegdek en komt als gevolg daarvan terecht tegen een tegemoetkomende auto op de voor de laatste bestemde weghelft.
Recht: Slippen op zichzelf is geen excuus en impliceert - zonder meer - evenmin schuld.
Schuld aan slippen moet worden gesteld en bewezen, om tot aansprakelijkheid van de bestuurder van het slippende voertuig te kunnen besluiten.
De eisen voor het aannemen van slip-schuld zijn niet streng.
Conclusie in casu: De slip is uitsluitend te wijten aan de uitzonderlijke gladheid van de weg, niet aan een rijfout van de slippende autobestuurder.
Degene die de slipgevaarlijke substantie op de weg deed neerkomen en verzuimde op te ruimen is als enige schuldige aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van het slipongeval.
De aanwezige waarschuwingsborden waren onvoldoende in verhouding tot de uitzonderlijke gladheid ter plaatse.

RECHTBANK ALKMAAR 17 april 1969.VR 1972/36, Bij gladheid rekening houden met auto's die rijbaan blokkeren.

artt. 1401 en 1403 BW, 31 WVW

[Essentie] Bij gladheid rekening houden met auto's die rijbaan blokkeren.
Ondergeschikte op weg van huis naar werk rijdt in de auto van werkgever. Art. 31 WVW van toepassing op ongeval, waarbij een rijdende auto (1) een stilstaande auto (2) opduwt tegen iemand, die kort tevoren uit een derde auto is gestapt in verband met aanrijding tussen (2) en (3).