28 maart 2000 derde civiele kamer rolnummer 2000/013 VR versneld regime
GERECHTSHOF TE ARNHEM
Arrest
in de zaak van:
Gijsbert van de Klift,
wonende te Eist,
appellant,
procureur: mr P.C. Plochg,
tegen:
de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij
N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
procureur: mr F.J. Boom.
2000/013 l8.oS.Zooo
1 Het geding in eerste aanleg
Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis
van 21 oktober 1999 dat de arrondissementsrechtbank te Arnhem tussen appellant
(hierna ook te noemen: Van de Klift) als eiser en geïntimeerde (hierna
ook te noemen: Nationale-Nederlanden) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis
is een fotocopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Van de Klift heeft bij exploot van 20 december 1 999 aangezegd van dat vonnis
in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Nationale-Nederlanden voor dit
hof.
2.2 Bij memorie van grieven heeft Van de Klift zeven grieven tegen het bestreden
vonnis aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis
zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor recht zal verklaren dat Nationale-Nederlanden
aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 5 februari 1 997 waarbij
Van de Klift gewond is geraakt, en Nationale-Nederlanden deswege gehouden is
tot volledige vergoeding van de door Van de Klift geleden materiële en
immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van
het ongeval c.q. van de opeisbaarheid van de verschillende schadeonderdelen,
tot die der algehele voldoening, met veroorde ling van Nationale-Nederlanden
in de kosten van de procedure in beide instan ties.
2.3 Bij memorie van antwoord heeft Nationale-Nederlande de grieven bestreden,
bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen
en Van de Klift niet-ontvankelijk in het hoger beroep zal verklaren, althans
dat zal afwijzen, met veroordeling van Van de Klift in de kosten van het hoger
beroep.
2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het
hof overgelegd.
2.5 Hierna heeft Van de Klift desverzocht en met instemming van Nationale- Nederlanden
de in de memorie van grieven vermelde producties sub 6 en 7 alsnog overgelegd.
2.6 Tenslotte heeft de griffier van de rechtbank te Arnhem desverzocht een uittreksel
uit het audiëntieblad verstrekt, waaruit blijkt dat het bestreden vonnis
op 21 oktober 1999 is uitgesproken, en voorts een afschrift van de minuut van
dat vonnis verstrekt, waaruit blijkt dat dat vonnis met die datum is gedagtekend.
2000/013
3 De vaststaande feiten
3.1 In hoger beroep wordt uitgegaan van de feiten zoals deze in rov. 2 van
het bestreden vonnis zijn vastgesteld, behoudens de vaststelling in rov. 2.2
van
het vonnis, voor zover daarin als vaststaand is aangenomen dat de Brinker-
steeg aan beide zijkanten niet is belijnd, nu Van de Klift tegen die vaststelling
een grief heeft gericht.
Voorts wordt in hoger beroep uitgegaan van het volgende.
De door Houdijk bestuurde vrachtauto en de door Van de Klift bestuurde
snorfiets zijn vanaf de T-splitsing van de Smalle Zijde met de Groeneveldselaan
tot aan de plaats van het verkeersongeval min of meer gelijk opgereden.
Houdijk heeft Van de Klift waargenomen toen beiden vanuit de Smalle Zijde de
Groeneveldselaan opreden.
Houdijk heeft Van de Klift eerst weer gezien onmiddellijk na het ongeval, toen
Houdijk een klap hoorde, rechts achter van de vrachtauto een hobbel voelde en
via de rechter buitenspiegel van de vrachtauto Van de Klift op het wegdek zag
liggen.
De plaats van het ongeval is ongeveer 10 tot 100 meter na de kruising van de
Groeneveldselaan met de Middellaan en de Verlengde Spoorlaan. De afstand
van de T-splisting van de Smalle Zijde met de Groeneveldselaan tot de juist
vóór de kruising van de Groeneveldselaan met de Middellaan en
de Verlengde
Spoorlaan gelegen spoorwegovergang is ongeveer 35 a 45 meter.
Op het moment van het ongeval reed Van de Klift rechts naast de vrachtauto.
4 De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1 Van de Klift houdt Nationale-Nederlanden in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar
van de door Houdijk bestuurde vrachtauto aansprakelijk voor de aan diens (Van
de Klift} zijde opgetreden schadelijke gevolgen van het verkeersongeval.
Naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis is Nationale-Nederlanden
in dezen niet aansprakelijk op de grond dat niet is komen vast te staan dat
Houdijk jegens Van de Klift een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De grieven
1 tot en met 6 richten zich tegen dat oordeel.
4.2 Grief 1 strekt ten betoge dat het bepaalde in artikel 185 lid 1 van de Wegenverkeerswet
1994 (WVW 1994) (analoog) toepasselijk is, in aanmerking genomen dat die bepaling
ertoe strekt zwakke verkeersdeelnemers te beschermen.
De grief bepleit dat Van de Klift als bestuurder van een snorfiets als een zwakke
verkeersdeelnemer heeft te gelden en dat, gemeten naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid, onaanvaardbaar is om hem de bescherming van artikel 185 lid
1 WVW 1994 te onthouden.
4.3 Een snorfiets heeft te gelden als een motorrijtuig in de zin van artikel
1 lid 1 aanhef en sub c WVW 1994, waar dit voortuig bestemd is om anders dan
langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische
kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig. Dit brengt met zich dat ingevolge
het bepaalde in artikel 1 85 lid 4 WVW 1994 de toepasselijkheid van artikel
185 lid 1 WVW 1994 is uitgesloten, nu immers sprake is van een verkeersongeval
waarbij het door Houdijk bestuurde motorrijtuig - de vrachtauto - betrokken
was en schade is toegebracht aan Van de Klift die met een ander motorrijtuig
in beweging - de snorfiets - werd vervoerd.
4.4 Niet valt in te zien dat, gemeten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid,
het bepaalde in artikel 185 lid 1 WVW zich ook dient uit te strekken tot Van
de Klift als gemotoriseerde verkeersdeelnemer (ook) voor zover deze op zich
zelf als ook in relatie tot het in artikel 185 lid 1 WVW bedoelde motorrijtuig
- de door Houdijk bestuurde vrachtauto - als zwakke(re) verkeers deelnemer heeft
te gelden.
De bewoordingen van die bepaling noch de strekking ervan, namelijk ongemotoriseerd
verkeer (blijkens onder andere het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1992,
NJ 1993, 566: fietsers en voetgangers) zo veel mogelijk te beschermen tegen
de gevaren van gemotoriseerd verkeer, bieden een aanknopingspunt voor een dergelijke
uitbreiding van aansprakelijkheid.
4.5 Hieruit volgt dat de grondslag van de vordering, voor zover gebaseerd op
artikel 185 WVW 1994, ondeugdelijk is. De grief faalt derhalve.
4.6 Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat
op Van de Klift de bewijslast rust dat Houdijk jegens hem een onrechtmatige
daad heeft gepleegd.
4.7 Deze grief kan evenmin slagen.
De vermeende aansprakelijkheid van Nationale-Nederlanden dient te worden beoordeeld
op de voet van artikel 6:162 BW. In de eerste plaats is ter beoordeling of Houdijk
jegens Van de Klift ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen,
voor zover voor de veroorzaking van het verkeersongeval van belang, onrechtmatig
heeft gehandeld. Ingevolge de hoofdregel van artikel 177 Rv draagt Van de Klift
de bewijslast van de door hem als grondslag van zijn vordering gestelde feiten.
De door Van de Klift gestelde feiten en omstandigheden, met name dat hij als
zwakke(re) verkeersdeelnemer heeft te gelden, rechtvaardigen op zich zelf niet
dat naar eisen van redelijkheid en billijkheid de bewijslast niet volgens die
hoofdregel op Van de Klift rust.
4.8 Van de Klift heeft ter onderbouwing van zijn stelling, dat Houdijk onrechtmatig
heeft gehandeld, aangevoerd dat dat Houdijk ten onrechte geen voorrang aan Van
de Klift heeft verleend, en/of zodanig heeft gereden dat Van der Klift onder
de vrachtauto terecht is gekomen en/of niet althans onvoldoende heeft opgelet.
De grieven 3 tot en met 6 bestrijden het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat Van de Klift niet is geslaagd in het bewijs dat Houdijk onrechtmatig heeft gehandeld.
4.9 Alvorens hierover een oordeel te geven, acht het hof het zinvol om een
descente te gelasten en nadere inlichtingen van partijen in te winnen.
De plaatselijke gesteldheid op de plaats van het ongeval zal worden opgenomen
door de in het dictum te noemen raadsheer-commissaris.
Aan deze gerechtelijke plaatsopneming zal een comparitie van partijen worden
verbonden, opdat partijen nadere inlichtingen kunnen verschaffen en kan
worden onderzocht of zij (op bepaalde punten) met elkaar tot overeenstemming
kunnen komen.
Het hof acht het tevens zinvol dat Nationale-Nederlanden de heer Houdijk zal
oproepen om tijdens de descente en comparitie van partijen aanwezig te zijn
voor het geven van inlichtingen.
De advocaten van partijen wordt verzocht een voor hen beiden acceptabele
"neutrale" plaats in de nabijheid van de plaats van het ongeval uit
te zoeken
voor het houden van een comparitie van partijen en deze tevoren aan de
raadsheer-commissaris te berichten.
4.10 Om redenen van proces-economie zal tussentijds beroep in cassatie worden
uitgesloten.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bepaalt dat de raadsheer mr J. Wesseling-Lubberink als raadsheercommissaris,
vergezeld van de griffier, de plaatselijke gesteldheid van de Brinkersteeg te
Veenendaal ter plaatse van het onderhavige ongeval zal opnemen op een nader
door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;
bepaalt dat binnen twee weken na de hiervoor bedoelde plaatsopneming het proces-verbaal
daarvan ter griffie van het hof zal worden gedeponeerd;
bepaalt dat na afloop van de gerechtelijke plaatsopneming partijen - Van de
Klift in persoon en Nationale-Nederlanden vertegenwoordigd door iemand die van
de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens bevoegd is tot het geven van inlichtingen
en het aangaan van een schikking, hetzij tot één en ander schriftelijk
gevolmachtigd is -, op een nader te bepalen (door de advocaten van partijen
aan de raadsheer-commissaris voor te stellen) plaats, vergezeld van hun advocaten,
voor de raadsheercommissaris zullen verschijnen tot het dat Nationale-Nederlanden
de heer R.G.J. Houdijk zal oproepen om tijdens de gerechtelijke plaatsopneming
en comparitie van partijen aanwezig te zijn voor het geven van inlichtingen;
verwijst de zaak naar de rolzitting van de enkelvoudige kamer van dinsdag 18
april 2000 voor het opgeven door partijen van hun dagen van verhindering in
de maanden mei, juni en juli 2000 en stelt hen daartoe ambtshalve peremptoir;
bepaalt dat tegen dit arrest geen beroep in cassatie kan worden ingesteld dan
tegelijk met dat tegen het in deze zaak te wijzen eindarrest;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Van Loo en Wesseling-Lubberink en in
tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 maart 2000.
Voor copie de 'Griffier van het Gerechtshof te Arnhem