1999-12-16 Hof Amsterdam motor
fietser uitwijken
Hof Amsterdam,
16-12-1999
Rolnr,
1044, 98
De motorbestuurder had het plotseling uitwijken op het fietspad door de fietser voor tegemoetkomende fietser niet behoeven te voorzien
Rolnummer 1044/98 16 december
1999
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST in de zaak van:
Wietske Maria DULLEMANS-WATERLANDER.
wonende te Beverwijk,
APPELLANTE,
procureur: mr. P.V. Eijsvoogel.
tegen
1. Willem HOFMANN. wonende te Heemskerk, en
2. de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ
N.V..
gevestigd te Den Haag,
GEÏNTIMEERDEN,
procureur: mr. A. Volders
l. Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 4 september 1998 is appellante (hierna: Waterlander) in hoger
beroep gekomen van een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 28
juli 1998, in deze zaak onder rolnummer 32425/HA ZA 96-1842 gewezen tussen haar
als eiseres en geintimeerden (hierna ook: Hofmann en Nationale Nederlanden) als
gedaagden.
Waterlander heeft bij memorie drie grieven voorgesteld en daarbij bescheiden in
het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het
hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog voor recht zal verklaren
dat geïntimeerden aansprakelijk zijn voor door haar als gevolg van het litigieuze
ongeval geleden en te lijden schade en hen zal veroordelen tot vergoeding van
haar schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd
met rente, een en ander met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van
beide instanties.
Daarop hebben Hofmann en Nationale Nederlanden geantwoord en bewijs aangeboden,
met conclusie tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, zo nodig onder
verbetering van gronden, met veroordeling van Waterlander in de kosten van, naar
het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.
Ten slotte is recht gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud
als hier ingevoegd wordt beschouwd.
2. Grieven
Voor de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in overweging 2 onder a tot en met
c een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Tegen de juistheid van deze feitenvaststelling
is geen grief gericht. Wel wordt in grief l aangevoerd dat overweging 2 onder
b van het vonnis onvolledig is. Zoals hierna zal blijken, faalt deze grief, zodat
ook het hof de door de rechtbank vastgestelde feiten tot uitgangspunt neemt.
4. Beoordeling
4. l Het gaat in deze zaak om het volgende. Tussen Waterlander als bestuurder
van een fiets en Hofmann als bestuurder van een motorfiets heeft op 25 juni 1994
om 16.33 uur een ongeval plaatsgevonden op de Tolweg te Uitgeest. Deze buiten
de bebouwde kom gelegen weg is ter plaatse van de aanrijding 6 m. breed. Naast
de weg ligt een fietspad dat 2.8 m. breed is en dat door een 1.2 m. brede berm
zonder oversteekplaats van de weg wordt gascheiden. Ter plaatse van het ongeval
bedroeg de maximumsnelheid op de Tolweg 80 km/h.
4.2 Voorafgaand aan het ongeval speelde zich het volgende af. Waterlander fietste
tezamen met vier familieleden op het fiets pad richting Heemskerk. Tijdens een
manoeuvre om een groep fietsers in te halen, is - buiten betrokkenheid van Waterlander
onenigheid ontstaan tussen fietsers uit de groep waartoe Waterlander behoorde
en de groep die ingehaald werd. Tegelijkertijd werd Waterlander geconfronteerd
met enkele haar tegemoetkomende fietsers. Teneinde een botsing met deze tegenliggers
te voorkomen is Waterlander in een schrikreactie uitgeweken naar links en daarbij
in de berm en vervolgens op de rijbaan van de Tolweg beland. Aldaar werd zij aangereden
door Hofmann die op zijn motor met een passagier in dezelfde richting als Waterlander
reed. Zowel Waterlander als Hofmann en diens passagier raakten hierbij gewond.
Op het moment van het ongeval was het druk op het fietspad.
4.3 Inzet van het geding is de vraag of Hofmann en diens WA-verzekeraar Nationale
Nederlanden jegens Waterlander aansprakelijk zijn voor de door haar als gevolg
van het ongeval geleden en te lijden schade. Waterlander heeft haar vordering
ter zake gebaseerd op art. 185 WVW in verbinding met (ten aanzien van Nationale
Nederlanden) art. 6 WAM. Hofmann en Nationale Nederlanden hebben zich tegen deze
vordering verweerd met primair een beroep op overmacht in de zin van art. 185
WVW en subsidiair een beroep op eigen schuld van Waterlander. De rechtbank heeft
het primaire beroep op overmacht van geïntimeerden gehonoreerd en de vordering
van Waterlander afgewezen.
4.4 Zoals hierboven reeds opgemerkt, is in grief l de klacht vervat dat de feitenvaststelling
door de rechtbank onvolledig is. Deze klacht faalt. Geen rechtsregel verplicht
de rechter alle feiten die hij bij zijn beslissing in aanmerking neemt als vaststaande
feiten te vermelden. Daarbij komt dat hetgeen de rechtbank volgens Waterlander
eveneens als vaststaand had moeten aanmerken voor een belangrijk deel door Hofmann
en Nationale Nederlanden is betwist, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
4.5 Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (overweging 5.1 tot
en met 5.7) dat Hofmann zich jegens Waterlander op overmacht kan beroepen ten
aanzien van het ongeval en dat daarom noch hijzelf, noch Nationale Nederlanden
aansprakelijk is voor de uit het ongeval ontstane schade van Waterlander.
4.6 Bij de bespreking van deze klacht dient te worden voorop gesteld dat de rechtbank
terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat Hofmann en Nationale Nederlanden alleen
dan niet jegens Waterlander aansprakelijk zijn indien aannemelijk is dat Hofmann
- als motorfietsbestuurder - rechtens geen enkel verwijt te maken valt ter zake
van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, en dat hierbij eventuele
fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen Waterlander zelf - alleen
van belang zijn indien zij voor Hofmann zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij
het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen
rekening behoefde te houden.
4.7 Waterlander betoogt in de eerste plaats dat Hofmann geen beroep op overmacht
kan doen omdat hem gebrek aan oplettendheid te verwijten valt. Hij had moeten
waarnemen dat op het drukke fietspad onenigheid was ontstaan tussen twee groepen
fietsers, dat een andere fietser (getuige C.J. Jagt) genoodzaakt was door de berm
te fietsen en dat Waterlander uit balans was geraakt en via de berm op de rijbaan
terechtkwam. Indien hij een en ander zou hebben opgemerkt, zou hij nog volop gelegenheid
hebben gehad te anticiperen door hetzij snelheid te minderen, hetzij voldoende
ruimte ter rechterzijde te laten, aldus Waterlander.
4.8 Bij de beoordeling van dit betoog moet ervan worden uitgegaan dat Hofmann
op het moment van het ongeval in ieder geval niet harder reed dan 80 km/h, de
maximumsnelheid ter plaatse. Waterlanders andersluidende stelling is na betwisting
door Hofmann niet nader onderbouwd en moet worden gepasseerd (zie het bestreden
vonnis onder 5.3). Zelf heeft Hofmann gesteld niet harder te hebben gereden dan
60 tot 70 km/h, doch dit kan niet als vaststaand gelden nu Waterlander zulks heeft
betwist en Hofmann op dit punt geen bewijs heeft geleverd of aangeboden. Aangezien
Hofmann erkent ten minste 60 km/h te hebben gereden (memorie van antwoord onder
18) , moet er rechtens van worden uitgegaan dat zijn snelheid gelegen was tussen
60 en 80 km/h.
4.9 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat Hofmann - gezien zijn snelheid
en de hierboven onder 4.1 weergegeven inrichting van de Tolweg - in de enkele
omstandigheid dat het druk was op het fietspad geen aanleiding behoefde te zien
zijn snelheid te minderen en/of naar links uit te wijken.
4.11 4.10 In het midden kan blijven of Hofmann daartoe wel aanlei ding had
moeten zien in het waarnemen van de door Waterlander bedoelde onenigheid. Deze
onenigheid is immers - zo valt af te leiden uit de diverse getuigenverklaringen,
opgenomen in het bij conclusie van antwoord overgelegde proces-verbaal van de
politie- ontstaan achter Waterlander op een moment dat zij zich in verband met
de inhaalmanoeuvre reeds op de linkerhelft van het fietspad bevond. Uit de getuigenverklaring
van Waterlander zelf blijkt dat zij aldaar onverwachts met tegenliggers werd
gecon fronteerd, daarvan schrok en in een flits naar links stuurde, de berm
opreed en door haar snelheid niet kon voorkomen uiteinde lijk op de rijbaan
te belanden, alwaar zij vervolgens van achte ren werd aangereden door Hofmann.
Uit een en ander vloeit nood zakelijkerwijs voort dat tussen het ontstaan van
de onenigheid en het ongeval hooguit een zeer korte tijdspanne heeft gezeten.
Het moet er onder deze omstandigheden voor worden gehouden dat Hofmann een ongeval
niet meer had kunnen voorkomen door te remmen of uit te wijken na het waarnemen
van de onenigheid op het fietspad.Hetzelfde geldt voor het geval dat Hofmann
zou hebben waargenomen dat ook C.J. Jagt gedwongen was met de fiets uit te wijken
over de berm. Uit de getuigenverklaring van Jagt valt immers af te leiden dat
zij zich als gevolg van de op het fietspad ontstane onenigheid gedwongen zag
over de berm uit te wijken. Het ontstaan van de onenigheid moet dus zijn voorafgegaan
aan haar uitwijken. Zoals reeds overwogen moet het ervoor worden gehouden dat
Hofmann op dat moment een ongeval niet meer had kunnen voorkomen.
4.12 Dit ligt niet anders indier.- het uitwijken van Jagt over de berm niet
aan de ontstane onenigheid moet worden toegeschreven, doch - zoals Waterlander
stelt (conclusie van repliek onder 5)
- aan de problemen bij de inhaalmanoeuvre. De inhaalmanoeuvre was immers reeds
in gang gezet op het moment dat de onenigheid uitbrak en op dat moment viel
een ongeval door Hofmann niet meer te voorkomen.
4.13 Waterlander betoogt nog (memorie van grieven blz. 4) dat zij niet abrupt
op de rijweg is beland doch dat enige tijd moet zijn verstreken alvorens zij
daar via de berm terechtkwam. Ter onderbouwing verwijst zij naar de verklaring
van getuige Rodri- gues Lopes, volgens welke zij "met een bocht' de rijbaan
is opgereden. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat Water lander langer
dan enkele ogenblikken over de berm heeft gereden. Hiermee zou ook niet te rijmen
zijn dat Waterlander, zoals reeds opgemerkt, zelf verklaard heeft dat zij na
in de berm te zijn beland door haar snelheid niets meer kon uitrichten.
4.14 Geconcludeerd moet worden dat een eventueel gebrek aan oplettendheid aan
de zijde van Hofmann geen enkele rol kan hebben gespeeld bij het ontstaan van
het ongeval. In het midden kan blijven of Hofmann inderdaad te weinig oplettend
is geweest.
4.15 Waterlander betoogt bij grief 2 voorts dat, anders dan de rechtbank heeft
geoordeeld, geen sprake was van een verkeersfout van haar die voor Hofmann zo
onwaarschijnlijk was dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die
mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.
4.16 Voor zover dit betoog berust op de stelling dat Hofmann bij voldoende oplettendheid
tijdig had kunnen anticiperen op de dreiging van een botsing met Waterlander,
faalt het op de gronden die hierboven reeds zijn weergegeven.
4.17 Voor zover het betoog berust op de stelling dat Hofmann reeds enkel en
alleen vanwege de mogelijkheid dat een fietser op de rijbaan zou belanden gehouden
was zijn snelheid te verminderen en/of naar links uit te wijken, faalt het eveneens.
Vooropgesteld moet worden dat Hofmann de maximumsnelheid in acht nam en hij
op grond van art. 3 lid l Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens verplicht
was zoveel mogelijk rechts te houden. Gezien het ontbreken van oversteekplaatsen,
de breedte van het fietspad en de aanwezigheid van een tussenberm, alsmede de
breedte van deze tussenberm, behoefde Hofmann niet bedacht te zijn op het plotseling
op de rijweg opduiken van fietsers en was hij niet gehouden tot het treffen
van de genoemde anticiperende maatregelen. Ook als met Waterlander wordt aangenomen
dat de tussenberm niet een zodanige breedte heeft dat een uit balans geraakte
en op de tussenberm belande fietser zonder meer in staat is zich te corrigeren,
brengt dit niet mee dat Hofmann extra reden had bedacht te zijn op het opduiken
van fietsers op de rijweg: een dergelijke tussenberm zal fietsers er immers
veelal juist van behoeden buiten het fietspad te rijden.
4.18 Het overwogene brengt mee dat grief 2 faalt.
4-19 Grief 3 bouwt voort op de stelling dat Hofmann en Nationale Nederlanden
geen beroep op overmacht toekomt. Nu bij de bespreking van grief 2 gebleken
is dat het beroep op overmacht moet worden gehonoreerd, kan grief 3 buiten bespreking
blijven.
4.20 Door Waterlander is getuigenbewijs aangeboden, in het bijzonder ten aanzien
van de problemen welke zich op het fietspad hebben voorgedaan en het tijdsverloop
voordat Waterlander op de rijbaan terechtkwam. Bij de beoordeling van de grieven
van Waterlander spelen de reeds in het geding gebrachte getuigenverklaringen
van alle betrokkenen bij het ongeval een doorslaggevende rol. Waterlander laat
na aan te geven op welke getuigen zij het oog heeft en in welk opzicht hun verklaringen
zouden kunnen afwijken van de reeds afgelegde verklaringen van de direct betrokkenen.
Het bewijsaanbod moet dan ook als onvoldoende gespecificeerd worden gepasseerd.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verwijst Waterlander in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden
tot aan deze uitspraak begroot op 2.140,=.
Dit arrest is gewezen door mrs. Rutten-Roos, Thiessen en Salomons en in het
openbaar uitgesproken op 16 december 1999.