1997-00-00 Aansprakelijkheidsreht III, contractuele verbintenissen





Aansprakelijkheidsrecht III

Overzicht

Contractuele aansprakelijkheid ontstaat als één van de contractpartijen zijn verplichting uit overeenkomst niet nakomt, tekortkomt in de nakoming van de verbintenis.

Resultaatsverbintenissen: de overeenkomst omvat een afgesproken resultaat.
Inspanningsverbintenissen: de overeenkomst beoogt een resultaat dat niet wordt gegarandeerd.

Een overeenkomst kan zowel resultaats- als inspanningselementen omsluiten.

Bij een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) ontstaat de verplichting tot schadevergoeding nadat de schuldenaar in verzuim is. Zelfs eerder treden rechtsgevolgen in:
- a. indien vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn;
- b. indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten;
- c. indien de schuldeiser redelijkerwijze mag vermoeden dat de schuldenaar zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een gemotiveerde schriftelijke aanmaning om zich binnen een redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te komen, Art. 6:80. (6.1.8.5).

Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt, art. 6:75 BW. (6.1.8.2) .

Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk, art. 6:76. (6.1.8.3).

De aansprakelijkheid voor gebruik van zaken is hieraan identiek, art.6:77. (6.1.8.3a) .

Verzuim treedt in na ingebrekestelling waarbij de schuldenaar een redelijke termijn moet worden geboden voor nakoming als nakoming na verstrijken van de termijn uitblijft is de schuldenaar in verzuim, art. 82. (6.1.8.7).

Geen ingebrekestelling is vereist als nakoming onmogelijk is of als duidelijk is dat de schuldenaar toch niet zal nakomen (verzuim van rechtswege).

Verzuim treedt van rechtswege ook in als:
- de fatale datum / termijn is verstreken;
- de verbintenis strekt tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad of uit wanprestatie en de schuldenaar de wanprestatie niet onmiddellijk herstelt;
- de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar kan afleiden dat deze tekort zal schieten.

Het gevolg van verzuim kan zijn dat:
- alsnog nakoming wordt gevorderd;
- (naast nakoming aanvullende) schadevergoeding wordt gevorderd;
- de prestatie van de schuldeiser wordt opgeschort;
- de overeenkomst wordt ontbonden.

Bij wederkerige overeenkomsten kan bij niet-nakoming de wederpartij haar verplichting opschorten, de mate van de tekortkoming moet de opschorting rechtvaardigen.

Ontbinding van wederkerige overeenkomsten is mogelijk indien de schuldenaar in verzuim is.
De tekortkoming moet zodanig zijn dat ontbinding gerechtvaardigd is. Ontbinding is zowel bij een toerekenbare als bij een niet toerekenbare tekortkoming mogelijk.

Ontbinding kan door een schriftelijke verklaring en door een rechterlijke uitspraak en heeft geen terugwerkende kracht, wel ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking

In overeenkomsten kunnen exoneratie- of vrijwaringbedingen zijn opgenomen, deze beperken of sluiten aansprakelijkheid uit, of leggen verplichten op, in afwijking van de wet.

Bij contracten met consumenten geldt:
- De exoneratie clausule wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn als deze is opgenomen in de algemene voorwaarden de gebruiker mag bewijzen dat dit niet zo is;
- Het vrijwaringbeding opgenomen in algemene voorwaarden is volgens de wetgever onredelijk bezwarend.

Bij beroepsaansprakelijkheid gaat het om het niet, niet tijdig of niet behoorlijk leveren van diensten.

Er moet naast de andere wettelijke vereisten, sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenis(sen) die uit de overeenkomst voortvloeien.
De vraag of het een resultaats- en / of inspanningsverbintenis betreft kan een rol spelen.

De werkgever is o.g.v. art. 7:658 BW, voorheen art. 7A:I638x BW, aansprakelijk voor schade door onveilige werkomstandigheden.
De werkgever is aansprakelijk voor schade die de werknemer bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden lijdt.
Als de werkgever aantoont dat hij de redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen heeft getroffen en instructies heeft verstrekt voor veilige werkomstandigheden dan is hij niet aansprakelijk.
De werkgever is ook dan niet aansprakelijk als hij aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Een beroep op eigen schuld van de werknemer is niet mogelijk, alleen overmacht en opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer kan de aansprakelijkheid verminderen.

Onderwerpen

Verzuim
Art. 6:81 BW. (6.1.8.6)
Aanvang verzuim
De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

Artikel ter illustratie
Art. 6:82 BW. (6.1.8.7)
Ingebrekestelling
1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.

Art. 6:83 BW.
Verzuim van rechtswege
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
a. wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
c. wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

Artikelen ter illustratie
Art. 6:84 BW. (6.1.8.10)
Toerekening elke onmogelijkheid nakoming aan schuldenaar
Elke onmogelijkheid van nakoming, ontstaan tijdens het verzuim van de schuldenaar en niet toe te rekenen aan de schuldeiser, wordt aan de schuldenaar toegerekend; deze moet de daardoor ontstane schade vergoeden, tenzij de schuldeiser de schade ook bij behoorlijke en tijdige nakoming zou hebben geleden.

Art.6:85 BW. (6.1.8.10a)
Vertragingsschade
Tot vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming is de schuldenaar slechts verplicht over de tijd waarin hij in verzuim is geweest.

Art. 6:86 BW. (6.1.8.10b)
Weigering aangeboden nakoming
De schuldeiser kan een na het intreden van het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten.

Naast tekortkoming en toerekenbaarheid kent de wet voor het ontstaan van een schadevergoedingsplicht uit contractuele aansprakelijkheid een verzuimvereiste. In artikelen 6:81 tot en met 6:83 BW worden regels gegeven over het verzuim (een wettelijke definitie van het begrip is er niet).

Artikel 6:82 BW bepaalt dat verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke gesteld wordt door een schriftelijke aanmaning, waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

Verzuim van rechtswege
Partijen behoren hun afspraken na te komen. Gebeurt dat niet dan is het vaak redelijk de schuldenaar alsnog de gelegenheid te geven om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Het is echter niet altijd redelijk om een termijn voor nakoming te gunnen. In bepaalde gevallen treedt het verzuim dan ook tegelijk met de niet-nakoming in. Een ingebrekestelling is dan niet vereist. Verzuim zonder dat ingebrekestelling nodig is, noem je ook wel verzuim van rechtswege. De artikelen 6:81 en 6:83 BW regelen dit, (zie hierboven).

Als nakoming onmogelijk is treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in. Het heeft dan geen zin de schuldenaar nog een termijn voor nakoming te geven.

Art. 6:83 BW geeft drie andere gevallen waarin verzuim van rechtswege intreedt (zie hierboven).

De onder a. genoemde termijn wordt ook wel aangeduid met de term "fatale termijn". Iedere afgesproken datum levert in beginsel een fatale termijn op. Wel is vereist dat de gestelde termijn voldoende bepaald is.
Het is niet zo dat bij overschrijding van elke, duidelijk aangegeven termijn verzuim intreedt. De inhoud van de overeenkomst of de omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de termijn niet fataal is.

Gevolgen van verzuim
Indien de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten en daarbij in verzuim of is, dan kan de schuldeiser:
a. alsnog nakoming vorderen;
b. schadevergoeding vorderen;
c. zijn eigen prestatie opschorten;
d. de overeenkomst ontbinden.

Een vordering tot nakoming of ontbinding kan gecombineerd worden met opschorting van de tegenprestatie en/of een vordering tot aanvullende schadevergoeding.

Einde van het verzuim
Het verzuim eindigt:
- als de schuldenaar alsnog nakomt. Hij moet dan de vertragingsschade en kosten hebben betaald;
- als de schuldeiser een behoorlijk aanbod tot nakoming weigert. Door de weigering komt de schuldeiser zelf in verzuim en verzuim van de schuldeiser kan een einde maken aan het verzuim van de schuldenaar;
- als de nakoming alsnog blijvend onmogelijk wordt. In dit geval ontstaat terstond een schadevergoedingsverplichting;
- als de schuldeiser zijn recht op nakoming heeft verloren door omzetting, ontbinding van de overeenkomst of door vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, daarbij valt te denken aan ontbinding i.v.m. ontbreken van een bevoegdheid.

Werkgeversaansprakelijkheid.
In Boek 7A: art. 1638x BW was de aansprakelijkheid van de werkgever geregeld voor schade die de werknemer als gevolg van gevaarlijke werkomstandigheden oploopt. Het is per 1-4-1997 vervangen door art. 7:658 BW. Ook het nieuwe artikel bevat dwingend recht. Er kan niet van worden afgeweken.

Art. 7A:1638x. BW
Bescherming tegen gevaar
1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij den arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent het verrichten van den arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te verstrekken, dat de arbeider tegen gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed zover beschermd is, als redelijkerwijze in verband met den aard van den arbeid gevorderd kan worden.
Schadevergoedingsplicht bij niet nakomen
2. Zijn die verplichtingen niet nagekomen, dan is de werkgever gehouden tot vergoeding der schade aan den arbeider dientengevolge in de uitoefening zijner dienstbetrekking overkomen, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die niet-nakoming aan overmacht, of die schade in belangrijke mate mede aan grove schuld van den arbeider is te wijten.
3. Indien de arbeider, ten gevolge van het niet nakomen dier verplichtingen door den werkgever, in de uitoefening zijner dienstbetrekking zodanig letsel heeft bekomen, dat daarvan de dood het gevolg is, is de werkgever overeenkomstig artikel 108 van Boek 6 jegens de daar bedoelde personen aansprakelijk, tenzij door hem het bewijs wordt geleverd, dat die niet-nakoming aan overmacht, of de dood in belangrijke mate mede aan grove schuld van den arbeider is te wijten.
4. Elk beding, waardoor deze verplichtingen des werkgevers zouden worden uitgesloten of beperkt, is nietig.

Art. 7:658 BW
1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
3. Van de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van boek 6 bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.

De werkgever is verplicht de ruimte waar de arbeid wordt verricht en de machines en gereedschappen waarmee gewerkt wordt voldoende veilig te doen zijn, zodat de werknemer geen schade zal lijden.

Aan de werkgever worden op veiligheidsgebied hoge eisen gesteld.
Als de werkgever niet wist dat een machine zo gevaarlijk was als deze bleek te zij is hij toch aansprakelijk. Een werkgever zich over de gevaren van machines laat voorlichten. De werkgever moet ook de werknemer voorlichten.
Al is de schade alleen het gevolg van een fout van de werknemer kan de werkgever toch aansprakelijk zijn.
Dan kan de vraag aan de orde komen of de werkgever had moeten nagaan of de werknemer voor het werk geschikt was en of er wel voldoende toezicht werd gehouden.
Duidelijke veiligheidsvoorschriften moeten gegeven worden en controle op naleving moet gebeuren.

De aansprakelijkheid van de werkgever was een schuldaansprakelijkheid (de werknemer moet bij schade stellen waarom de werkgever zijn verplichtingen niet is nagekomen). De werkgever moest een ontkenning daarvan duidelijk motiveren. Met het nieuwe art. 7:658 BW is de schuld verlaten en een vermoeden van schuld daarvoor in de plaats gekomen. Het is nu de werkgever die moet bewijzen dat de werkomstandigheden in alle opzichten veilig waren of dat de werknemer de schade door opzet of grove roekeloosheid zelf veroorzaakt heeft.

Voorheen kon uit de omstandigheden van het geval of van het letsel vermoedens worden geput
op grond waarvan de bewijslast bij de werkgever kwam te liggen. Dat kwam praktisch gezien overeen met een omkering van de bewijslast. In het algemeen kan worden gesteld dat aan het bewijs door de werkgever zware eisen worden gesteld.

De Hoge Raad heeft in meerdere arresten een uitwerking gegeven van het begrip "bewuste roekeloosheid". Het volstaat niet dat de werknemer weet dat wat hij doet roekeloos is, toen hij de handeling verrichte moet hij er ook daadwerkelijk over nagedacht hebben dat wat hij deed roekeloos was. Bewijs dat iemand op het moment van de handeling zich bewust was van het gevaar is niet eenvoudig te leveren.