Overzicht
Kwalitatieve aansprakelijkheid is de aansprakelijkheid voor handelingen van andere personen of voor zaken.
Ouders of voogden zijn aansprakelijk voor de toerekenbare daden van hun kinderen
onder de 14 jaar.
Het gaat alleen om doe-gedragingen die ook een ouder zouden kunnen worden toegerekend.
Kinderen van 14 jaar en ouder zijn voor hun eigen daden aansprakelijk.
De ouders van kinderen van 14 en 15 jaar zijn voor hen aansprakelijk, tenzij
zij de daad niet konden beletten.
Lichamelijk en geestelijk gehandicapten zijn voor hun eigen daden aansprakelijk.
ledere opdrachtgever / werkgever die t.o.v. een ondergeschikte in een gezagsverhouding
staat is aansprakelijk voor de fouten van die ondergeschikte. Verband met de
werkzaamheden is vereist.
Voor huispersoneel is een strakker causaal verband vereist.
De opdrachtgever en de ondergeschikte zijn hoofdelijk aansprakelijk.
Een door de werkgever opgenomen exoneratiebeding werkt ook in het voordeel van
de ondergeschikte.
De opdrachtgever is voor een niet-ondergeschikte aansprakelijk op grond van
art. 6:171 BW.
Het gaat o.a. om aannemers, onderaannemers en vervoerders, ondervervoerders.
De vertegenwoordigde is voor vertegenwoordigers aansprakelijk o.g.v. art. 6: 172 BW
De artikelen 6:173, 174 en 179 BW scheppen risicoaansprakelijkheid voor de bezitters van gebrekkige roerende zaken, voor opstallen en dieren.
De bezitter van een roerende zaak is aansprakelijk voor de bijzondere gevaren daarvan (art. 6:173 BW) De bezitter hoefde het gevaar niet te kennen om toch aansprakelijk te zijn.
Productaansprakelijkheid
De producent is voor schade door zijn producten aansprakelijk als die niet die
veiligheid bieden die ervan verwacht mag worden.
Producent is ook:
- de EG-importeur
- het grootwinkelbedrijf voor de eigen merken
- de leverancier, als de producent niet bekend is
Regresnemers, verzekeraars en bedrijfsverenigingen, kunnen door art. 6:197 BW geen beroep doen op de nieuwe risicoaansprakelijkheden.
Aansprakelijkheid voor motorrijtuigen
Artikel 185 WVW regelt een bijzondere aansprakelijkheid voor de eigenaar / houder
van een motorrijtuig.
Eisen:
- een verkeersongeval
- tussen een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden en een niet-gemotoriseerde
verkeersdeelnemer
- waarbij schade wordt toegebracht aan niet met het motorrijtuig vervoerde personen
of zaken
Niet van toepassing bij schade aan
- loslopende dieren
- een ander motorrijtuig in beweging
- personen en zaken die met een motorrijtuig in beweging worden vervoerd
Bijzonderheden
- overmacht werkt bevrijdend
- als de benadeelde geen "fout" kan aantonen is de vergoeding van
de zaakschade beperkt
- de beperking geldt niet voor letselschade
- eigen schuld van de benadeelde vermindert de schadevergoedingsplicht van de
automobilist behalve als de benadeelde een kind jonger dan 14 jaar is
- de risicoaansprakelijkheid werkt ook door in de spiegelbeeldsituatie op de
vordering van de automobilist zelf op derden niet-automobilisten
Schadevorderingen uit milieuaansprakelijkheid kunnen worden gebaseerd op art. 6:169 BW
Voor schade door gevaarlijke stoffen. stortplaatsen en boorgaten geldt een risicoaansprakelijkheid voor de beroeps- / bedrijfsmatig beheerder resp. de exploitant (arts 6:175 t/m 177 BW).
Beroep op overmacht is slechts beperkt mogelijk o.g.v. art. 6:178 BW.
Voor de vervoerder van een gevaarlijke stof gelden aanvullende regels en regels die op de regels van art. 6:175 BW zijn gebaseerd.
Onderwerpen
Gebrekkige roerende zaken
Artikel ter illustratie
Art. 6:173 BW. (6.3.2.5)
Aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken
1. De bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, zo zij niet
voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen,
een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar
zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de
vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van
ontstaan daarvan zou hebben gekend.
Uitzonderingen
2. Indien de zaak niet aan de in het vorige lid bedoelde eisen voldoet wegens
een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van titel 3, bestaat geen aansprakelijkheid
op grond van het vorige lid voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. alle omstandigheden in aanmerking genomen, aannemelijk is dat het gebrek
niet bestond op het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht of
dat het gebrek op een later tijdstip is ontstaan; of
b. het betreft zaakschade ter zake waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3
geen recht op vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling geregelde franchise.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing op dieren, motorrijtuigen, schepen
en luchtvaartuigen.
De bezitter van een gebrekkige roerende zaak is aansprakelijk voor schade die
daardoor wordt veroorzaakt o.g.v. art 6:173 BW.
Dat de zaak gebrekkig is hoeft niet vooraf bekend te zijn, wel dat als de zaak
gebrekkig is, deze daardoor een bijzonder gevaar oplevert. Een zaak is volgens
dit artikel gebrekkig als zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven
omstandigheden daaraan mag stellen.
Om de dit ingewikkelde artikel te begrijpen moet men erop bedacht zijn dat de term "bijzonder gevaar" duidt op een buitengewone en onaanvaardbare toestand, die als tegenstelling moet worden gezien van een algemeen of als normaal te beschouwen gevaar.
Hoewel we spreken over gebrekkige zaken is de voorwaarde dat de zaak "niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen”. Een vuurwapen dat geladen is, is gevaarlijk, maar niet gebrekkig. De schade moet in causaal verband staan met het gebrek. Dit betekent dat er alleen aansprakelijkheid is als door het gebrek in de zaak een mens wordt gewond of een andere zaak wordt aangetast.
Art. 6:173 BW is niet van toepassing op dieren, motorrijtuigen, schepen en
luchtvaartuigen. Voor die zaken gelden aparte regelingen, art. 6:179 BW (dieren),
art. 185 WVW (motorrijtuigen).
Als de schade ontstaan is door een zaak die in gebrekkige staat door de producent
is afgeleverd, dan is op grond van het tweede lid niet de bezitter van de zaak
aansprakelijk, maar de producent.
Opstallen
Artikel ter illustratie
Art. 6:174 BW. (6.3.2.7)
Aansprakelijkheid voor opstallen
1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan
in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of
zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij
aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien
hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.
Erfpacht, wegen, leidingen
2. Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het erfpachtrecht.
Bij openbare wegen rust zij op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg
in goede staat verkeert, bij leidingen op de leidingbeheerder, behalve voor
zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of
afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.
Opstal
3. Onder opstal in dit artikel worden verstaan gebouwen en werken, die duurzaam
met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met
andere gebouwen of werken.
Bezitter
4. Degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de
grond staat ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede begrepen
het weglichaam, alsmede de weguitrusting.
Art. 6:174 BW regelt risicoaansprakelijkheid voor de bezitter van een opstal.
Onder opstal wordt verstaan: gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd, inclusief openbare wegen, de weguitrusting en leidingen. Bestanddelen
van een gebouw of werk vallen ook onder de bepaling (dakpan, riool, dakgoot,
schutting, regenpijp e.d.); verplaatsbare of tijdelijke constructies echter
niet.
Het begrip opstal / gebouw moet je ruim uitleggen. Zo bepaalde de Bredase rechtbank
dat ook een grafsteen een gebouw is in de zin van art. 6:174BW.
De schade moet ontstaan omdat de opstal niet voldoet aan te stellen eisen en daardoor gevaar oplevert. Aldus kunnen ook ongelukken met liften en roltrappen leiden tot aansprakelijkheid o.g.v. art.6:174 BW.
Ook als het gevaar is ontstaan door een van buiten komende oorzaak kan er aansprakelijkheid zijn, bijv. bij grondverschuiving, daling van de grondwaterstand of een orkaan. Bij leidingen kan men denken aan beschadiging door een graafmachine, bij lichtmasten aan een aanrijding. Ook art. 6:174 BW kent, de "tenzij-indien-clausule".
Stel: een weg gaat kapot om 9 uur.
Om 15.00 uur valt Piet daardoor. De wegbeheerder hoort dat direct en geeft ook
direct opdracht tot herstel, wat ook zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.
Om 1600 uur is de weg gemaakt. De wegbeheerder is aansprakelijk omdat als hij
het gevaar op het tijdstip van ontstaan had gekend, 1 uur en dan opdracht zou
hebben gegeven dan zou de weg om 10 uur zijn gemaakt en Piet niet zijn gevallen.
Zou Piet om 9.55 uur zijn gevallen dan zou de wegbeheerder niet aansprakelijk
zijn geweest.
De aansprakelijkheid rust op de bezitter. Veelal de eigenaar van de opstal, bij erfpacht de bezitter van het erfpachtrecht
Er zijn twee uitzonderingen, waarin niet de bezitter, maar een ander aansprakelijk
is:
- bij openbare wegen: de wegbeheerder;
- bij leidingen: de leidingbeheerder (bijv. een riool).
Bovendien geldt een uitzondering voor opstallen die in de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt. Dan rust de aansprakelijkheid op degene die het bedrijf uitoefent tenzij de schade niet met de bedrijfsuitoefening in functioneel verband staat.
De aansprakelijkheid van wegbeheerders is belangrijk bij een. De wegbeheerder kan terecht een verwijt worden gemaakt, wanneer hij, zodra hij een verkeersgevaarlijke situatie heeft onderkend, of had moeten onderkennen, het gevaarlijke karakter hiervan niet heeft weggenomen. Extreme eisen mogen aan de wegbeheerder niet gesteld worden.
Voor leidingen geldt dat niet de bezitter maar de leidingbeheerder aansprakelijk is. Zo is bijvoorbeeld de NAM (Nederlandse Aardgas Maatschappij) leidingbeheerder van gasleidingen die door heel Nederland liggen, ook al lopen zij door grond van particulieren. De verantwoordelijkheid van de leidingbeheerder eindigt, waar de aansluiting van de particulier begint (meestal bij de meter). De "tenzij-indien-clausule" van dit artikel is gelijk aan die van art. 6: 173 BW. Ook nu is de bezitter niet aansprakelijk als hij alle maatregelen heeft getroffen om de gevaarlijke toestand te beëindigen, maar het gevaar zich desondanks verwezenlijkt. Evenmin is hij aansprakelijk als de maatregelen niet te treffen waren wegens het korte tijdsverloop tussen het ontstaan van het gevaar en de schade, of indien de benadeelde zelf de gebrekkige toestand in het leven heeft geroepen.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Artikel ter illustratie Art.8:1213 BW.
Aansprakelijkheid exploitant
1. Hij die ten tijde van een gebeurtenis exploitant is van een voertuig aan
boord waarvan zich een gevaarlijke stof bevindt, is aansprakelijk voor de schade
door die stof veroorzaakt ten gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis
uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid
op degene die ten tijde van het eerste feit exploitant was.
Exploitant niet aansprakelijk
2. De exploitant is niet aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog,
opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onweerstaanbare
aard;
b. de schade uitsluitend is veroorzaakt door een handelen of nalaten van een
derde, niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid, onderdeel a, geschied
met het opzet de schade te veroorzaken;
c. de afzender of enig andere persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting
hem in te lichten over de gevaarlijke aard van de stof, en noch de exploitant,
noch de in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde personen wisten of hadden behoren
te weten dat deze gevaarlijk was.
3. Indien de exploitant bewijst dat de schade geheel of gedeeltelijk het gevolg
is van een handelen of nalaten van de persoon die de schade heeft geleden, met
het opzet de schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij
geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid tegenover
die persoon.
4. De exploitant kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan deze afdeling
worden aangesproken in het geval van het tweede lid, onderdeel c, alsmede in
het geval dat hij uit hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
In het geval van het tweede lid, onderdeel c, kan de exploitant deze aansprakelijkheid
beperken als ware hij op grond van deze afdeling aansprakelijk.
5. Behoudens de artikelen 1214 en 1215 zijn voor schade niet aansprakelijk:
a. de ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de exploitant,
b. ieder die ten behoeve van het voertuig werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het
voertuig in hulp verlenen aan het voertuig, de zich aan boord daarvan bevindende
zaken of personen,
d. zij die op aanwijzing van een bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan
het voertuig, de zich aan boord daarvan bevindende zaken of personen,
e. zij die preventieve maatregelen nemen met uitzondering van de exploitant,
f. de ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij
de schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met
het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat
die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. De exploitant heeft, voor zover niet anders is overeengekomen, verhaal op
de in het vijfde lid bedoelde personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge
het slot van dit lid voor de schade kunnen worden aangesproken.
Kwalitatief aansprakelijk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is degene
die een stof onder zich heeft op het moment dat een schade zich voordoet.
Deze persoon wordt aangeduid als de exploitant = de vervoerder (bij schepen
de reder). Het risico begint met laden van de gevaarlijke stof en eindigt na
het lossen.
De definitie van een gevaarlijke stof is beperkter dan bij de algemene regeling van art. 6:175 BW: als een stof op de lijst gevaarlijke stoffen voorkomt is hij gevaarlijk. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor de brandstof van het voertuig zelf.
De disculpatiegronden zijn bijna dezelfde als bij de algemene regeling van art. 6:178 BW: (burger)oorlog en opstand, onweerstaanbaar natuurgeweld en opzet door derden. Daarnaast is er een bijzondere regel voor onbekendheid met de lading.
Als de vervoerder aantoont dat hij foutief is voorgelicht en niet hoefde te
weten dat hij gevaarlijke stoffen vervoerde, dan kan hij zijn aansprakelijkheid
doorschuiven naar degene die hem foutief voorlichtte. Eigen schuld of medeschuld
zijn een grond voor disculpatie.
De vervoerder heeft al slechts weinig disculpatiemogelijkheden. Er is bij deze
vervoerdersaansprakelijkheid dus bijna sprake van zuivere risicoaansprakelijkheid.