1997-00-00 Schadevergoedingsrecht





SCHADEVERGOEDINGSRECHT

Overzicht

Het BW regelt in de artikelen 6:95 t/m 6:110 de wettelijke plicht tot schadevergoeding bij rechtmatige daad, onrechtmatige daad, toerekenbare tekortkoming.

Het te vergoeden nadeel is vermogensschade en daarnaast:
- immateriële schade
- redelijke kosten
- ter voorkoming of beperking van schade
- voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid
- rechtsbijstand ter verkrijging van voldoening buiten rechte

Schadevergoeding wordt voldaan in geld op basis van concrete schadeberekening of abstracte schadeberekening.

Vergoeding in natura is in omstandigheden ook mogelijk, zoals herstel in vorige toestand door de schadeveroorzaker.

Art. 6:107 BW regelt de schadevergoeding bij letsel.
Vorderingsgerechtigd zijn:
- de benadeelde zelf
- een derde die voor de benadeelde kosten heeft gemaakt, die de benadeelde zelf had kunnen vorderen

Gevorderd kan worden:
- kosten van herstel
- kosten van blijvende invaliditeit
- inkomensschade (verlies van arbeidsvermogen)
- verlies van doe-het-zelf-capaciteit
- niet-vermogensschade: smartegeld

Toekomstige schade kan voldaan worden ineens (kapitalisatie) of als periodieke uitkering.

Werkgevers hebben voor hun loondoorbetalingsverplichting een regresrecht o.g.v. art. 6:107a BW.

Art. 6:108 lid 1 BW regelt de schadevergoeding bij overlijden.
Vorderingsgerechtigd zijn:
- echtgenoot (m/v)
- kinderen
- ouders
- andere bloed- en aanverwanten van overledene en personen met wie de overledene in gezinsverband samenwoonde

De vordering is beperkt tot derven levensonderhoud en de begrafeniskosten voor zover die met de omstandigheden van de overledene overeenkomen.

De rechter kan de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke matigen, afhankelijk van
- de aard van de aansprakelijkheid
- de bestaande rechtsverhouding tussen partijen
- de draagkracht van de partijen
- het bestaan van wa-verzekeringen

Een onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming kan soms ook voordeel opleveren voor de benadeelde in de vorm van:
- bespaarde kosten
- andere genoten voordelen

Een opgekomen voordeel strekt in mindering op daarmee overeenkomende schade.

Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is, hetgeen speelt bij o.a.:
- schade uit onrechtmatige daad
- contractuele aansprakelijkheid

Onderwerpen

Vorderingsrecht bij overlijden
Artikel ter illustratie
Art. 6:108 BW. (6.1.9.12)
Schadevergoeding bij overlijden
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de minderjarige wettige of onwettige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

Vorderingsgerechtigden
Vorderingsgerechtigd zijn op grond van art. 6:108 lid l BW:
- de overblijvende echtgenoot (m/v);
- de kinderen;
- de ouders;
- andere bloed- en aanverwanten;
- van de overledene en ook diegene met wie hij (of zij)
samenwoonde in gezinsverband;
mits de overledene in het levensonderhoud voorzag door inkomen uit arbeid, of door het verzorgen van de huishouding.

De schade moet zijn ontstaan doordat de nabestaanden levensonderhoud derven door het overlijden.
Daarbij kunt u denken aan het wegvallen van het arbeidsinkomen, maar ook aan het wegvallen van onderhoud in natura en onderhoud dat bekostigd wordt uit het vermogen van de overledene.

Voor de echtgenoot en de minderjarige kinderen geboren of ongeboren kinderen van de overledene geldt de eis dat zij reeds werden onderhouden door de overledene niet. Het kan bij hen ook gaan om toekomstig onderhoud.

Voor de overige vorderingsgerechtigden geldt dat zij voor het overlijden reeds feitelijk door de overledene werden onderhouden. In gezinsverband samenwonenden moeten aannemelijk maken dat het levensonderhoud ook in de toekomst zou zijn voortgezet.

Behoeftigheidscriterium
De schadevergoeding ex artikel 6: l 08 BW draagt een alimentair karakter. De schadevergoeding is bedoeld als vervanging van het levensonderhoud verschaft door de overledene. Echter die vervanging is volgens de jurisprudentie beperkt tot het bedrag waar de nabestaande behoefte aan heeft. Dat staat niet in de wettekst zelf, maar is inde wetsgeschiedenis ook als eis gezien.

De nabestaanden kunnen slechts aanspraak maken op vergoeding van het gederfde levensonderhoud als en voor zover zij deze vergoeding nodig hebben. De schadeveroorzaker moet er met andere woorden voor zorgen dat de nabestaanden op dezelfde voet als zonder onrechtmatige daad kunnen doorleven.

Hoogte en duur van de vordering
Men berekent de vordering per nabestaande apart door globaal vast te stellen wat de overledene zonder zijn overlijden per jaar netto, dus na belastingaftrek zou hebben verdiend. Daarbij komt het inkomen dat de nabestaande had. Het totale netto inkomen wordt ook wel het consumptieve inkomen zonder ongeval genoemd.

Op dit inkomen brengt men de besparingen die ontstaan, doordat de overledene zelf niet meer uit het inkomen hoeft te worden onderhouden in mindering.
Het verschil is het bedrag dat de nabestaande nodig heeft; de behoefte.

Daarna wordt bepaald welke inkomsten de nabestaanden na het overlijden hebben uit arbeid of vermogen eventueel aangevuld met het weduwen- en wezenpensioenen en andere uitkeringen.

Als dit bedrag kleiner is dan de berekende behoefte dan is het verschil de jaarlijkse schade van de nabestaanden: de behoeftigheid.

De berekening gebeurt voor elk jaar apart tot het moment dat er geen onderhoud meer zou zijn.

Bij de berekening wordt rekening gehouden met:
- sterftekansen van de overledene zelf en die van de nabestaanden;
- de datum, tot welke overledene had kunnen werken;
- het tijdstip, waarop de kinderen, zo die er zijn, voor zich zelf kunnen zorgen;
- hertrouwen en samenwonen.

In het algemeen wordt de schade eerst door voorschotten vergoed totdat de berekening kan plaatsvinden. Daarna wordt een bedrag ineens betaald wat berekend wordt door kapitalisatie, de toekomstige schade wordt contant gemaakt met een rekenrente, (rendement over het kapitaal verminderd met inflatie).

Op het gevonden kapitaal worden uitkeringen krachtens een levens- of een ongevallenverzekering e.d. als opkomend voordeel in mindering gebracht.
De praktijk leert, dat na verdiscontering van die uitkeringen, die vaak niet onaanzienlijke bedragen betreffen, soms geen of weinig schade resteert.

Een andere wijze van berekening kan worden toegepast, wanneer het niet de kostwinner uit een gezin is, die wegvalt, maar degene die het huishouden verzorgde. Er is dan gewoonlijk geen sprake van inkomensschade.
Het gezin heeft dan in meer of mindere mate hulp in de huishouding nodig.

De schade doordat de overledene een toekomstige erfenis is misgelopen komt niet voor vergoeding in aanmerking.


Primair is van belang hetgeen van de overledene aan levensonderhoud zou zijn ontvangen indien deze was blijven leven. Hierbij moet rekening worden gehouden met de wijze waarop de behoeften van de nabestaanden zich na het overlijden zou hebben ontwikkeld.

Begrafenis- of crematiekosten
De kosten van lijkbezorging dienen volgens lid 2 van artikel 6: 108 BW te worden vergoed door de aansprakelijke. Deze moeten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Een uitkering uit een begrafenisverzekering wordt daarop in mindering gebracht.

Artikel 6:108 BW bevat een limitatieve opsomming met betrekking tot welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en wie kan vorderen. Andere schade zoals smartegeld en bedrijfsschade komen niet voor vergoeding in aanmerking. De werkgever heeft geen vorderingsrecht.

De aangesprokene kan ex artikel 6:108 lid 3 BW dezelfde verweermiddelen die hij jegens de overledene had, ook tegen de nabestaanden hanteren.
Men moet hierbij dan denken aan eigen schuld van het slachtoffer of aan de beperking van de aansprakelijkheid, door een exoneratiebeding.

Voordeelsverrekening
Artikel ter illustratie
Art. 100. (6.1.9.5)
Voordeelsverrekening
Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht

Het komt voor dat een onrechtmatige daad of een wanprestatie voor een benadeelde niet alleen nadelen maar ook voordelen opleveren. Art. 6:100 BW geeft aan dat de rechter corrigerend kan optreden bij het wel of niet in aanmerking nemen van voordelen. Dit wordt gedaan voor zover redelijk.

Het is de bedoeling dat een benadeelde na schadevergoeding in een vergelijkbare positie komt als zonder onrechtmatigheid.

Bij voordeelsverrekening kan men denken aan:
- bespaarde kosten;
- andere genoten voordelen.

Met bespaarde kosten wordt rekening gehouden bij langere ziekenhuisopname (er wordt bespaard op eten, drinken, de was e.d.), maar bijv. ook als men van de garage een vervangende auto krijgt, zolang de eigen auto in reparatie is.
De benadeelde kan ook uitkeringen op grond van ongevallen- of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen ontvangen e.d.

Voor de vraag welke voordelen wel en welke voordelen niet voor verrekening in aanmerking komen wordt wel het begrip "spiegelbeeldschade" gehanteerd. Spiegelbeeldschade wil zeggen: de aard van de bespaarde kosten en/of het genoten voordeel moet overeenstemmen met de aard van de schade. Je kunt geen appels met peren vergelijken. Bespaarde kosten op de eigen auto kunnen op de huurkosten van een vervangende auto in mindering worden gebracht, niet op de reparatiekosten of op de letselschade.

Als het voordeel toevallig is opgetreden en in de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde ligt, de rechter minder snel tot verrekening geneigd.
Stel uw auto is total loss, de expert heeft een hoogste bod van f 2000 op de restanten gekregen, de schade komt in onderling overleg daardoor uit op f 10000. U ruilt de auto in tegen een nieuwe auto, de garage geeft f 3000 voor de restanten. Het verschil van f 1000 komt niet als voordeel op de schade in mindering. Het is ontstaan door een onafhankelijke factor, uw verkoopkunst.

Uitkeringen uit schadeverzekering kunnen als verrekenbaar voordeel worden aangemerkt, zelfs als de verzekeraar geen verhaalsrecht heeft (vgl. art. 284 K, 6:197 BW).

Uitkeringen uit sommenverzekeringen kunnen niet altijd als voordeel verrekend worden.
Bij letselschade heeft de Hoge Raad bepaald dat voordelen voor de schuldeiser niet in mindering worden gebracht als deze de schuldenaar niet aangaan.
De HR stelde: "....dat het bestaan van een sommenverzekering een aangelegenheid is die de schuldige niet aangaat, immers het afsluiten van een dergelijke verzekering in de huidige maatschappij is een zuivere individuele persoonlijke beslissing"

De toevoeging "een zuivere individuele persoonlijke beslissing" wekt de indruk dat het voordeel wel kan worden verrekend als de sommenverzekering door de aansprakelijke is gesloten en betaald, terwijl de benadeelde de uitkering ontvangt. Te denken valt aan collectieve ongevallenverzekering als onderdeel van de arbeidsovereenkomst en de ongevallen-inzittendenverzekering.

Het begrip "spiegelbeeldschade" legt, een verband tussen de aard van het voordeel en nadeel. Dat blijkt uit een ander arrest van de Hoge Raad: een benadeelde ontving een uitkering wegens inkomensderving, die hoger was dan de feitelijke inkomensschade. De aansprakelijkheidsverzekeraar wilde dat opkomend voordeel in mindering brengen op het smartegeld. De Hoge Raad oordeelde dat zulks alleen in bepaalde omstandigheden redelijk zou zijn bij de bepaling van de omvang van de vermogensschade (materiële schade).

Bij inkomensvervangende uitkeringen met een periodiek karakter (zoals de AOV) is het gebruikelijk (en door de rechtspraak gesanctioneerd) dat deze met de inkomensschade worden verrekend.

Voordeelsverrekening van uitkeringen uit sommenverzekeringen ligt bij een (overlijden) meer voor de hand. Voordeelsverrekening en de toepassing van het behoeftigheidscriterium zijn sterk verwant.
Er is wel rechtspraak dat relatief lage overlijdensuitkeringen niet verrekend mogen worden, zeker niet als deze in de persoonlijke sfeer van de overledene en zijn nabestaanden lagen. Zij brachten de premie op en mogen het voordeel ervan hebben.
Uitkeringen uit sociale verzekeringen en pensioenverzekeringen mogen altijd op de vordering voor het derven van levensonderhoud in mindering komen.

Matiging
Artikel ter illustratie.
Art. 6:109 BW. (6.1.9.12a)
Matigingsrecht
1. Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.
Invloed verzekering
2. De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken.
3. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.

Het matigingsrecht lijkt op een vergelijkbare manier te werken als voordeelsverrekening maar dat is niet het geval. Matiging gebeurt aan het eind van de rit. Als de schadevergoeding volledig vaststaat.

De rechter kan matigen als de betalingsplichtige onevenredig zwaar belast zou worden door de betaling. Hij dient echter zeer terughoudend te zijn met de toepassing van het matigingsrecht.

Bij de matiging wordt rekening gehouden met:
- de aard van de aansprakelijkheid;
- de bestaande rechtsverhouding tussen partijen;
- de draagkracht van de partijen;
- het bestaan van verzekeringen.

Als de aansprakelijkheid is gebaseerd op een risicoaansprakelijkheid of lichte schuld heeft ligt matiging eerder voor de hand dan bij grove nalatigheid of opzet.

Als de aansprakelijke partij vermogend is en de benadeelde partij niet dan is er niet snel een reden voor matiging in tegenstelling tot de omgekeerde situatie.

De schadevergoedingsplicht van de schuldenaar kan niet worden gematigd tot een lager bedrag dan waarvoor hij verzekerd is of verplicht was zich te verzekeren.