Overzicht
Het BW regelt in de artikelen 6:95 t/m 6:110 de wettelijke plicht tot schadevergoeding bij rechtmatige daad, onrechtmatige daad, toerekenbare tekortkoming.
Het te vergoeden nadeel is vermogensschade en daarnaast:
- immateriële schade
- redelijke kosten
- ter voorkoming of beperking van schade
- voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid
- rechtsbijstand ter verkrijging van voldoening buiten rechte
Schadevergoeding wordt voldaan in geld op basis van concrete schadeberekening of abstracte schadeberekening.
Vergoeding in natura is in omstandigheden ook mogelijk, zoals herstel in vorige toestand door de schadeveroorzaker.
Art. 6:107 BW regelt de schadevergoeding bij letsel.
Vorderingsgerechtigd zijn:
- de benadeelde zelf
- een derde die voor de benadeelde kosten heeft gemaakt, die de benadeelde zelf
had kunnen vorderen
Gevorderd kan worden:
- kosten van herstel
- kosten van blijvende invaliditeit
- inkomensschade (verlies van arbeidsvermogen)
- verlies van doe-het-zelf-capaciteit
- niet-vermogensschade: smartegeld
Toekomstige schade kan voldaan worden ineens (kapitalisatie) of als periodieke uitkering.
Werkgevers hebben voor hun loondoorbetalingsverplichting een regresrecht o.g.v. art. 6:107a BW.
Art. 6:108 lid 1 BW regelt de schadevergoeding bij overlijden.
Vorderingsgerechtigd zijn:
- echtgenoot (m/v)
- kinderen
- ouders
- andere bloed- en aanverwanten van overledene en personen met wie de overledene
in gezinsverband samenwoonde
De vordering is beperkt tot derven levensonderhoud en de begrafeniskosten voor
zover die met de omstandigheden van de overledene overeenkomen.
De rechter kan de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke matigen, afhankelijk
van
- de aard van de aansprakelijkheid
- de bestaande rechtsverhouding tussen partijen
- de draagkracht van de partijen
- het bestaan van wa-verzekeringen
Een onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming kan soms ook voordeel opleveren
voor de benadeelde in de vorm van:
- bespaarde kosten
- andere genoten voordelen
Een opgekomen voordeel strekt in mindering op daarmee overeenkomende schade.
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim
is, hetgeen speelt bij o.a.:
- schade uit onrechtmatige daad
- contractuele aansprakelijkheid
Onderwerpen
Vorderingsrecht bij overlijden
Artikel ter illustratie
Art. 6:108 BW. (6.1.9.12)
Schadevergoeding bij overlijden
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem
aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade
door het derven van levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de minderjarige wettige
of onwettige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun
krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten
tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of
daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid
berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud
hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een
en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet
voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
Vorderingsgerechtigden
Vorderingsgerechtigd zijn op grond van art. 6:108 lid l BW:
- de overblijvende echtgenoot (m/v);
- de kinderen;
- de ouders;
- andere bloed- en aanverwanten;
- van de overledene en ook diegene met wie hij (of zij)
samenwoonde in gezinsverband;
mits de overledene in het levensonderhoud voorzag door inkomen uit arbeid, of
door het verzorgen van de huishouding.
De schade moet zijn ontstaan doordat de nabestaanden levensonderhoud derven
door het overlijden.
Daarbij kunt u denken aan het wegvallen van het arbeidsinkomen, maar ook aan
het wegvallen van onderhoud in natura en onderhoud dat bekostigd wordt uit het
vermogen van de overledene.
Voor de echtgenoot en de minderjarige kinderen geboren of ongeboren kinderen
van de overledene geldt de eis dat zij reeds werden onderhouden door de overledene
niet. Het kan bij hen ook gaan om toekomstig onderhoud.
Voor de overige vorderingsgerechtigden geldt dat zij voor het overlijden reeds
feitelijk door de overledene werden onderhouden. In gezinsverband samenwonenden
moeten aannemelijk maken dat het levensonderhoud ook in de toekomst zou zijn
voortgezet.
Behoeftigheidscriterium
De schadevergoeding ex artikel 6: l 08 BW draagt een alimentair karakter. De
schadevergoeding is bedoeld als vervanging van het levensonderhoud verschaft
door de overledene. Echter die vervanging is volgens de jurisprudentie beperkt
tot het bedrag waar de nabestaande behoefte aan heeft. Dat staat niet in de
wettekst zelf, maar is inde wetsgeschiedenis ook als eis gezien.
De nabestaanden kunnen slechts aanspraak maken op vergoeding van het gederfde levensonderhoud als en voor zover zij deze vergoeding nodig hebben. De schadeveroorzaker moet er met andere woorden voor zorgen dat de nabestaanden op dezelfde voet als zonder onrechtmatige daad kunnen doorleven.
Hoogte en duur van de vordering
Men berekent de vordering per nabestaande apart door globaal vast te stellen
wat de overledene zonder zijn overlijden per jaar netto, dus na belastingaftrek
zou hebben verdiend. Daarbij komt het inkomen dat de nabestaande had. Het totale
netto inkomen wordt ook wel het consumptieve inkomen zonder ongeval genoemd.
Op dit inkomen brengt men de besparingen die ontstaan, doordat de overledene
zelf niet meer uit het inkomen hoeft te worden onderhouden in mindering.
Het verschil is het bedrag dat de nabestaande nodig heeft; de behoefte.
Daarna wordt bepaald welke inkomsten de nabestaanden na het overlijden hebben uit arbeid of vermogen eventueel aangevuld met het weduwen- en wezenpensioenen en andere uitkeringen.
Als dit bedrag kleiner is dan de berekende behoefte dan is het verschil de jaarlijkse schade van de nabestaanden: de behoeftigheid.
De berekening gebeurt voor elk jaar apart tot het moment dat er geen onderhoud meer zou zijn.
Bij de berekening wordt rekening gehouden met:
- sterftekansen van de overledene zelf en die van de nabestaanden;
- de datum, tot welke overledene had kunnen werken;
- het tijdstip, waarop de kinderen, zo die er zijn, voor zich zelf kunnen zorgen;
- hertrouwen en samenwonen.
In het algemeen wordt de schade eerst door voorschotten vergoed totdat de berekening kan plaatsvinden. Daarna wordt een bedrag ineens betaald wat berekend wordt door kapitalisatie, de toekomstige schade wordt contant gemaakt met een rekenrente, (rendement over het kapitaal verminderd met inflatie).
Op het gevonden kapitaal worden uitkeringen krachtens een levens- of een ongevallenverzekering
e.d. als opkomend voordeel in mindering gebracht.
De praktijk leert, dat na verdiscontering van die uitkeringen, die vaak niet
onaanzienlijke bedragen betreffen, soms geen of weinig schade resteert.
Een andere wijze van berekening kan worden toegepast, wanneer het niet de kostwinner
uit een gezin is, die wegvalt, maar degene die het huishouden verzorgde. Er
is dan gewoonlijk geen sprake van inkomensschade.
Het gezin heeft dan in meer of mindere mate hulp in de huishouding nodig.
De schade doordat de overledene een toekomstige erfenis is misgelopen komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Primair is van belang hetgeen van de overledene aan levensonderhoud zou zijn
ontvangen indien deze was blijven leven. Hierbij moet rekening worden gehouden
met de wijze waarop de behoeften van de nabestaanden zich na het overlijden
zou hebben ontwikkeld.
Begrafenis- of crematiekosten
De kosten van lijkbezorging dienen volgens lid 2 van artikel 6: 108 BW te worden
vergoed door de aansprakelijke. Deze moeten in overeenstemming zijn met de omstandigheden
van de overledene. Een uitkering uit een begrafenisverzekering wordt daarop
in mindering gebracht.
Artikel 6:108 BW bevat een limitatieve opsomming met betrekking tot welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en wie kan vorderen. Andere schade zoals smartegeld en bedrijfsschade komen niet voor vergoeding in aanmerking. De werkgever heeft geen vorderingsrecht.
De aangesprokene kan ex artikel 6:108 lid 3 BW dezelfde verweermiddelen die
hij jegens de overledene had, ook tegen de nabestaanden hanteren.
Men moet hierbij dan denken aan eigen schuld van het slachtoffer of aan de beperking
van de aansprakelijkheid, door een exoneratiebeding.
Voordeelsverrekening
Artikel ter illustratie
Art. 100. (6.1.9.5)
Voordeelsverrekening
Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel
opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling
van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht
Het komt voor dat een onrechtmatige daad of een wanprestatie voor een benadeelde
niet alleen nadelen maar ook voordelen opleveren. Art. 6:100 BW geeft aan dat
de rechter corrigerend kan optreden bij het wel of niet in aanmerking nemen
van voordelen. Dit wordt gedaan voor zover redelijk.
Het is de bedoeling dat een benadeelde na schadevergoeding in een vergelijkbare
positie komt als zonder onrechtmatigheid.
Bij voordeelsverrekening kan men denken aan:
- bespaarde kosten;
- andere genoten voordelen.
Met bespaarde kosten wordt rekening gehouden bij langere ziekenhuisopname (er
wordt bespaard op eten, drinken, de was e.d.), maar bijv. ook als men van de
garage een vervangende auto krijgt, zolang de eigen auto in reparatie is.
De benadeelde kan ook uitkeringen op grond van ongevallen- of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
ontvangen e.d.
Voor de vraag welke voordelen wel en welke voordelen niet voor verrekening in aanmerking komen wordt wel het begrip "spiegelbeeldschade" gehanteerd. Spiegelbeeldschade wil zeggen: de aard van de bespaarde kosten en/of het genoten voordeel moet overeenstemmen met de aard van de schade. Je kunt geen appels met peren vergelijken. Bespaarde kosten op de eigen auto kunnen op de huurkosten van een vervangende auto in mindering worden gebracht, niet op de reparatiekosten of op de letselschade.
Als het voordeel toevallig is opgetreden en in de persoonlijke levenssfeer
van de benadeelde ligt, de rechter minder snel tot verrekening geneigd.
Stel uw auto is total loss, de expert heeft een hoogste bod van f 2000 op de
restanten gekregen, de schade komt in onderling overleg daardoor uit op f 10000.
U ruilt de auto in tegen een nieuwe auto, de garage geeft f 3000 voor de restanten.
Het verschil van f 1000 komt niet als voordeel op de schade in mindering. Het
is ontstaan door een onafhankelijke factor, uw verkoopkunst.
Uitkeringen uit schadeverzekering kunnen als verrekenbaar voordeel worden aangemerkt, zelfs als de verzekeraar geen verhaalsrecht heeft (vgl. art. 284 K, 6:197 BW).
Uitkeringen uit sommenverzekeringen kunnen niet altijd als voordeel verrekend
worden.
Bij letselschade heeft de Hoge Raad bepaald dat voordelen voor de schuldeiser
niet in mindering worden gebracht als deze de schuldenaar niet aangaan.
De HR stelde: "....dat het bestaan van een sommenverzekering een aangelegenheid
is die de schuldige niet aangaat, immers het afsluiten van een dergelijke verzekering
in de huidige maatschappij is een zuivere individuele persoonlijke beslissing"
De toevoeging "een zuivere individuele persoonlijke beslissing" wekt de indruk dat het voordeel wel kan worden verrekend als de sommenverzekering door de aansprakelijke is gesloten en betaald, terwijl de benadeelde de uitkering ontvangt. Te denken valt aan collectieve ongevallenverzekering als onderdeel van de arbeidsovereenkomst en de ongevallen-inzittendenverzekering.
Het begrip "spiegelbeeldschade" legt, een verband tussen de aard van het voordeel en nadeel. Dat blijkt uit een ander arrest van de Hoge Raad: een benadeelde ontving een uitkering wegens inkomensderving, die hoger was dan de feitelijke inkomensschade. De aansprakelijkheidsverzekeraar wilde dat opkomend voordeel in mindering brengen op het smartegeld. De Hoge Raad oordeelde dat zulks alleen in bepaalde omstandigheden redelijk zou zijn bij de bepaling van de omvang van de vermogensschade (materiële schade).
Bij inkomensvervangende uitkeringen met een periodiek karakter (zoals de AOV) is het gebruikelijk (en door de rechtspraak gesanctioneerd) dat deze met de inkomensschade worden verrekend.
Voordeelsverrekening van uitkeringen uit sommenverzekeringen ligt bij een (overlijden)
meer voor de hand. Voordeelsverrekening en de toepassing van het behoeftigheidscriterium
zijn sterk verwant.
Er is wel rechtspraak dat relatief lage overlijdensuitkeringen niet verrekend
mogen worden, zeker niet als deze in de persoonlijke sfeer van de overledene
en zijn nabestaanden lagen. Zij brachten de premie op en mogen het voordeel
ervan hebben.
Uitkeringen uit sociale verzekeringen en pensioenverzekeringen mogen altijd
op de vordering voor het derven van levensonderhoud in mindering komen.
Matiging
Artikel ter illustratie.
Art. 6:109 BW. (6.1.9.12a)
Matigingsrecht
1. Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden
waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding
en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden,
kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.
Invloed verzekering
2. De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar
zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken.
3. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.
Het matigingsrecht lijkt op een vergelijkbare manier te werken als voordeelsverrekening maar dat is niet het geval. Matiging gebeurt aan het eind van de rit. Als de schadevergoeding volledig vaststaat.
De rechter kan matigen als de betalingsplichtige onevenredig zwaar belast zou worden door de betaling. Hij dient echter zeer terughoudend te zijn met de toepassing van het matigingsrecht.
Bij de matiging wordt rekening gehouden met:
- de aard van de aansprakelijkheid;
- de bestaande rechtsverhouding tussen partijen;
- de draagkracht van de partijen;
- het bestaan van verzekeringen.
Als de aansprakelijkheid is gebaseerd op een risicoaansprakelijkheid of lichte schuld heeft ligt matiging eerder voor de hand dan bij grove nalatigheid of opzet.
Als de aansprakelijke partij vermogend is en de benadeelde partij niet dan is er niet snel een reden voor matiging in tegenstelling tot de omgekeerde situatie.
De schadevergoedingsplicht van de schuldenaar kan niet worden gematigd tot
een lager bedrag dan waarvoor hij verzekerd is of verplicht was zich te verzekeren.