Werkmateriaal


HR 16-02-1996 RvdW 1996, 60


NJ 1997, 186

WAM art. 3; K art. 256; Rv art. 48, 56

Aansprakelijkheidsverzekering. Uitleg werkmateriaalpolis. "Houder" van het voertuig (graafmachine) in de zin van de polis. Kwalificatie overeenkomst en grenzen van de rechtsstrijd. Strekking van deze verzekering. Proceskosten.
Het hof kon bij de uitleg van de polis tot uitgangspunt nemen dat de aard van de onderhavige verzekering noopt tot aansluiting bij het begrip houder in de zin van de WAM en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd.
Aansluitend bij de door Ben.GH 22 dec. 1981, NJ 1983, 755, aan het begrip houder in het kader van de verplichte motorrijtuigenverzekering gegeven uitleg, mocht het hof oordelen dat voor houderschap in elk geval vereist is dat men zelf of door middel van een ander de feitelijke heerschappij over het motorvoertuig heeft. In verband daarmee mocht het hof de polisvoorwaarde zo uitleggen dat de term houder daar wordt gebezigd in de civielrechtelijke betekenis en dat voor de vraag of verweerster in cassatie verzekerde is, doorslaggevend is of verweerster tijdens de graafwerkzaamheden de feitelijke heerschappij heeft gehad over de graafmachine.
Nu beide partijen in de feitelijke instanties het standpunt hadden ingenomen dat sprake was van een huurovereenkomst m.b.t. de machine en de ten processe vaststaande feiten geen grond gaven voor een op een zuiver rechtsoordeel berustende andere kwalificatie, zou het hof buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, indien het een andere overeenkomst zou hebben aangenomen.
Ingevolge de polisvoorwaarden dekt de verzekering de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade toegebracht met of door de graafmachine. Daaronder valt ook aansprakelijkheid voor schade, die met of door de graafmachine wordt toegebracht, wanneer die aansprakelijkheid het gevolg is van een onrechtmatig handelen of nalaten van een houder. De strekking van de polis is onmiskenbaar aansprakelijkheid te dekken die kan voortvloeien uit het gebruik van de machine, ongeacht of die schade is veroorzaakt door een gebrek van de machine of een fout van de bestuurder dan wel van iemand op wiens aanwijzingen de machine gebruikt werd.
Volgens art. 56 Rv kan de rechter de nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten laten voor rekening van de partij die ze aanwendde of veroorzaakte, doch de wet verplicht hem niet zulks te doen. NOOT 1

[Tekst] De vennootschap naar Zwitsers recht Zürich Versicherungsgesellschaft, te Zürich (Zwitserland), in Nederland handelend onder de naam Zürich verzekeringen, te Leidschendam, eiseres tot cassatie, adv. mr. J. Streefkerk,
tegen
Aannemersbedrijf Siemen BV, te Tricht (gemeente Geldermalsen), verweerster in cassatie, adv. mr. R.V. Kist.
Rechtbank (tussenvonnis):
De beoordeling van het geschil
4. De grondslag van haar voorwaardelijke vordering in reconventie is ook het meest verstrekkende verweer van Siemen in conventie. Omdat de aansprakelijkheid voor de door de graafmachine toegebrachte schade is gedekt onder de verzekering die Rijsdijk bij de Zürich had afgesloten, is verhaal op haar niet mogelijk. Zij beroept zich daarvoor op artikel 5D van de verzekeringsvoorwaarden. In haar opvatting is zij te beschouwen als de houder van de graafmachine, zodat behalve Rijsdijk als eigenaar en Kooiman als bestuurder ook zij zelf als verzekerde moet worden aangemerkt. Daarnaast meent Siemen dat zij er ook op mocht vertrouwen dat de onderhavige schade door de Zürich was verzekerd, omdat de Zürich in een soortgelijk geval met schade op 18 maart, 25 maart en 17 juni 1991 de schade volledig aan haar verzekeraar de Nationale-Nederlanden heeft vergoed.
5. Over het andere schadegeval is gecorrespondeerd tussen de Zürich en de Nationale-Nederlanden, die op verzoek van Siemen tegen overdracht van haar rechten de schade had vergoed. In de daarvan overgelegde stukken kan niet een ondubbelzinnige erkenning van de aansprakelijkheid daarvoor door de Zürich worden gevonden, nu zij haar betaling "sans préjudice" heeft gedaan.
Nog daargelaten dat de onderhavige briefwisseling niet door Siemen zelf is gevoerd, kan zij aan de gedane betaling en de brief waarin deze wordt aangekondigd in redelijkheid niet het vertrouwen ontlenen dat de Zürich de juistheid van haar opvatting tegenover haar in dit schadegeval zou aanvaarden. Overigens valt niet in te zien dat de Zürich in deze niet zou mogen terugkomen op een eerder ingenomen standpunt. Het verschil in omvang van de schade kan daarvoor een aanleiding zijn, de gelijksoortigheid van de gevallen staat er niet aan in de weg.
6. Bij de beantwoording van de vraag of Siemen door het huren van de graafmachine met chauffeur de houder in de zin van de polis is geworden, komt het aan op de feitelijke heerschappij over de machine. Anders dan Siemen meent brengt het kunnen geven van dwingende aanwijzingen aan de chauffeur niet mee dat zij als houder over het gehuurde beschikt. De gebondenheid van de chauffeur gegeven aanwijzingen op te volgen vloeit weliswaar voort uit de huurovereenkomst, maar maakt Siemen daarmee niet tot de meester van de machine, nu zij de opgedragen werkzaamheden niet zelf heeft verricht. Het voorgaande verdraagt zich in het gegeven geval ook beter met een redelijke uitleg van het begrip houder in artikel 5D van de polisvoorwaarden.
7. Siemen betwist dat beschadiging van de kabel aan haar kan worden toegerekend, omdat zij over tekeningen beschikte en alle zorgvuldigheid betrachtte, waarbij zij verwijst naar de overgelegde verklaringen van M. Kooiman, J. van Someren en S. van Woerkum, waarin valt te lezen dat de bewuste kabel plotseling afboog en ± 15 cm steeg en het verloop steeds werd opgezocht.
Dat de gemaakte fout volgens de in het verkeer geldende opvattingen niet voor haar rekening mag worden gebracht zal in beginsel door Siemen moeten worden bewezen. De tussen haar en Rijsdijk geldende standaardvoorwaarden, op grond waarvan de aansprakelijkheid in die verhouding bij Siemen zou liggen staat daaraan niet in de weg. Om na te gaan of er voldoende aanleiding is een bewijsopdracht te geven zijn inlichtingen nodig. Daartoe zal een comparitie van partijen worden bepaald, die ook zal worden gebruikt om na te gaan of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
Gesproken zal dan worden over de door Siemen ter plaatse gevolgde werkwijze en de precieze toedracht van het voorval. Ook zal de vraag naar de beschikbaarheid van de desbetreffende kabeltekening(-en) en de juistheid daarvan aan de orde worden gesteld.
Tenslotte zal onderwerp van gesprek zijn de betwiste buitengerechtelijke kosten van de Zürich, die zij zal moeten aantonen.
Van Siemen wordt verwacht dat zij uiterlijk twee weken voor de comparitie de kabeltekening(-en) waarom het hier gaat door toezending of zonodig door depôt ter griffie met een afschrift respectievelijk bericht daarvan aan de rechtbank en de wederpartij ter beschikking stelt. De Zürich dient hetzelfde te doen met de nog niet overgelegde bijlagen van het expertiserapport, terwijl zij ook dient toe te zenden een gespecificeerde opgave van haar buitengerechtelijke kosten. Mochten de partijen nog andere tot op heden niet in het geding gebrachte stukken ter sprake willen brengen, dan wordt de tijdige toezending ervan aan de rechtbank en aan elkaar eveneens verlangd.
8. De vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering van de Zürich wordt toegewezen. Bij repliek in reconventie is daaraan toegevoegd dat de reconventie (ook?) een subsidiair karakter heeft wat het afwijzen van de vordering in conventie betreft. Voorshands valt dit niet goed te begrijpen. Bij de comparitie zal Siemen de gelegenheid worden gegeven zich hierover en over het door haar gestelde evenmin opgehelderde belang bij haar vordering uit te laten.
(enz.)
Hof:
Beoordeling van het geschil in hoger beroep:
3. In hoger beroep staat de vraag centraal of Siemen beschouwd moet worden als "houder" in de zin van art. 5D van de algemene polisvoorwaarden in welk geval de vordering van Zürich moet stranden, omdat Siemen dan verzekerde is krachtens de tussen Rijsdijk en Zürich gesloten werkmaterieelverzekeringsovereenkomst. De op deze vraag toegespitste grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. Beide partijen zijn het erover eens dat de aard van de verzekering, dekking tegen aansprakelijkheid voor met of door de graafmachine toegebrachte schade, noopt tot een uitleg van het begrip houder conform de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd, al komen zij tot een verschillende conclusie: Siemen meent dat zijzelf ten tijde van het schadetoebrengend voorval (middellijk) houder van de graafmachine was terwijl Zürich meent dat Rijsdijk toen houder was.
5. Het hof acht voormeld gemeenschappelijk uitgangspunt juist en dat leidt ertoe dat moet worden aangesloten bij de uitleg die het Benelux Gerechtshof (Ben.GH 22 december 1981, NJ 1983, 755) aan het begrip houder in het kader van de verplichte motorrijtuigenverzekering heeft gegeven. Dat hof heeft geoordeeld dat voor het houderschap in elk geval vereist is dat men zelf of door middel van een ander de feitelijke heerschappij over het motorvoertuig heeft.
6. Anders dan Zürich aanvoert kan in het licht van voormelde uitspraak niet worden aangenomen dat onder houder verstaan moet worden: kentekenhouder, of dat anderszins volledig moet worden aangesloten bij de verkeersrechtelijke betekenis van het houderschap. Daarmee zou immers worden afgeweken van de hiervoor geciteerde uitleg van het Benelux Gerechtshof. Het verkeersrechtelijke begrip houder is bovendien beperkter van omvang dan het civielrechtelijke houderschap welk laatste iedere situatie omvat waarin men een zaak krachtens een rechtsverhouding tot de rechthebbende onder zich heeft.
7. Het hof legt de polisvoorwaarde 5D in verband met het voorgaande zo uit dat daaronder de civielrechtelijke betekenis van houderschap moet worden verstaan en dat voor de vraag of Siemen verzekerde is doorslaggevend is of Siemen tijdens de graafwerkzaamheden op 21 maart 1991 de feitelijke heerschappij heeft gehad over de graafmachine.
8. Zoals onder de vaststaande feiten vermeld diende de machinist van de graafmachine gelet op de huurovereenkomst tussen Siemen en Rijsdijk volledig de aanwijzingen van (werknemers van) Siemen op te volgen, hetgeen hij ook heeft gedaan. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat Siemen de feitelijke heerschappij heeft gehad over de graafmachine. Siemen had immers volledige zeggenschap over de aard van de uit te voeren werkzaamheden, te weten het graaftracé èn de diepte van de te graven sleuf, ook al werd de bediening van de graafmachine uitgevoerd door een werknemer van Rijsdijk. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de machinist de graafwerkzaamheden zelfstandig verrichtte. Dit betekent dat Zürich geen vorderingsrecht jegens Siemen toekomt en dat de vraag of Siemen aansprakelijk is voor de schade niet meer aan de orde komt. In verband daarmee is voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank geen plaats.
9. Dit leidt tot de slotsom dat de grieven slagen en dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. De vordering van Zürich in conventie moet worden afgewezen, terwijl daarmee tevens het lot van de in hoger beroep niet relevante voorwaardelijke reconventionele vordering is bezegeld. Zürich zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
(enz.)
Cassatiemiddelen:
Algemeen
1. De onderhavige procedure heeft betrekking op een schadeveroorzaking, die op 22 maart 1991 heeft plaatsgevonden. Verweerster in cassatie - verder ook te noemen: Siemen - heeft op genoemde datum aannemingswerkzaamheden uitgevoerd te Hendrik Ido Ambacht. In het kader daarvan heeft Siemen voor de duur van enkele uren tegen betaling gebruik gemaakt van een graafmachine inclusief machinist van Rijsdijk, verzekerde van eiseres in cassatie (verder ook te noemen: Zürich). Bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden is een elektriciteitskabel beschadigd, doordat het personeel van Siemen aan machinist Kooiman onjuiste aanwijzingen heeft gegeven met betrekking tot het te volgen tracé.
2. Hoewel Zürich van mening was en is dat haar verzekerden Rijsdijk alsmede machinist Kooiman niet aansprakelijk waren jegens de schadelijdende partijen, heeft zij deze schadelijdende partijen niet in de kou laten staan en heeft zij de schade tegen cessie vergoed. Zürich oefent derhalve de (oorspronkelijke) rechten van de schadelijdende partijen jegens Siemen uit.
3. In de procedure is het centrale discussiepunt gelegen in de vraag of Siemen aangemerkt moet worden als houder in de zin van de polis van Zürich en daarmee als verzekerde. Siemen en haar AVB-verzekeraar Nationale-Nederlanden menen dat dit zo is. Zürich meent echter dat Siemen geen houder en dus geen verzekerde in de zin van haar polis is.
Behalve dit discussiepunt waarop de middelen I, II en III betrekking hebben, is nog de grondslag van de vordering van Zürich relevant. Zürich zal daarop in middel IV terugkomen. In middel V tenslotte wordt de veroordeling in de kosten in reconventie aan de orde gesteld.
Middel I
4. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof het begrip houder in artikel 5D van de polisvoorwaarden van Zürich uitlegt in de algemene civielrechtelijke betekenis en doordat het Hof voorts in concreto een onjuiste invulling aan die civielrechtelijke betekenis geeft, zulks ten onrechte om de navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Toelichting
5. De crux van de onderhavige procedure is gelegen in het begrip houder zoals vermeld in artikel 5D in de polisvoorwaarden van Zürich. Van de kant van Zürich is betoogd dat dit polisbegrip moet worden opgevat in de verkeersrechtelijke betekenis als bedoeld in artikel 1 lid 1 aanhef en sub b ten 7e Wegenverkeerswet (WVW) (oud). Zürich volstaat met te verwijzen naar haar memorie van antwoord alinea 4 en naar middel II in de cassatiedagvaarding. De definitie in genoemde wetsbepaling stemt overigens overeen met artikel 1 lid 1 aanhef en sub n WVW 1994. Het is evident dat Siemen niet valt aan te merken als houder in deze verkeersrechtelijke betekenis.
Tevens heeft Zürich - in de allereerste plaats - uitgebreid betoogd dat Siemen evenmin valt aan te merken als houder in de civielrechtelijke betekenis. Het Gerechtshof te Arnhem is blijkens het bestreden arrest een andere mening toegedaan. De rechtsopvatting van het Hof is echter onjuist.
6. Bij de beoordeling van de rechtsopvatting ten aanzien van dit aspect (al dan niet de kwalificatie houder) moet de specifieke aard van de overeenkomst tussen Rijsdijk en Siemen worden vooropgesteld. In de gedingstukken over en weer is weliswaar veelal gesproken over een "huurovereenkomst" maar die betiteling is volstrekt onjuist. Zoals in artikel 7A:1585 BW wordt bepaald, wordt bij de overeenkomst van huur en verhuur "het genot van een zaak" verschaft. Deze wetsbepaling wordt in Asser, Bijzondere Overeenkomsten II (huur en pacht) Zwolle zevende druk 1990 pagina 7 als volgt gespecificeerd:
"Deze definitie slaat alleen op huur van zaken, omdat huur van diensten en aanneming van werk niet meer onder het wettelijk begrip huurovereenkomst vallen."
In de onderwerpelijke rechtsbetrekking tussen Rijsdijk en Siemen wordt het onderwerp van de overeenkomst bepaald niet alleen gevormd door de graafmachine maar tevens door de machinist. Machine en machinist kunnen niet losgemaakt worden van elkaar in het kader van de overeenkomst. Dit maakt reeds duidelijk dat hier geen sprake kàn zijn van een huurovereenkomst, daar meer dan alleen een zaak onder de overeenkomst valt. Het betreft hier een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, genoemd in artikel 7A:1637 BW en sedert 1 september 1993 vallend onder het bereik van de opdracht (artikelen 7:400 e.v. BW).
Met juistheid is in een volstrekt vergelijkbare zaak geoordeeld door het Hof te 's-Gravenhage bij arrest van 16 maart 1984 NJ 1985/583 dat de overeenkomst waarbij voor één à twee dagen een laadschop met machinist ter beschikking werd gesteld tegen ƒ 48 per uur, geen huurovereenkomst maar een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten betrof. Welnu, precies hetzelfde geldt in de onderhavige rechtsbetrekking tussen Rijsdijk en Siemen.
7. Zürich heeft zich zelf schuldig gemaakt aan het verwarrend taalgebruik in eerdere instanties. Om deze reden trekt zij het boetekleed aan. Verzachtende omstandigheid mag zijn dat in het (zelfs juridisch) spraakgebruik juist de kwalificatie huur vaker ten onrechte wordt gebezigd. Aldus wordt gesignaleerd in Asser, Bijzondere Overeenkomsten II, t.a.p. pagina 13. Illustratief is het daar genoemde voorbeeld van het "huren" van een taxi. Die kwalificatie is niet juist, hoewel het vaak zo wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor de overeenkomst tussen Rijsdijk en Siemen; zie conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie alinea 10.
8. De enkele omstandigheid dat door partijen in de gedingstukken de specifieke overeenkomst tussen Rijsdijk en Siemen ten onrechte is betiteld als huurovereenkomst, is juridisch niet relevant. Een dergelijke kwalificatie is immers niet aan partijen voorbehouden maar aan de rechter. Krachtens artikel 48 Rechtsvordering is de rechter zelfs verplicht om - in afwijking van eventuele door partijen gebruikte benamingen - de juiste kwalificatie te hanteren en daarop het rechterlijk oordeel te baseren.
Het Gerechtshof te Arnhem had daartoe eens te meer aanleiding moeten vinden, waar Zürich steeds heeft betoogd dat de onderwerpelijke overeenkomst tussen haar verzekerde Rijsdijk en Siemen in ieder geval géén houderschap van Siemen opleverde. In dit betoog van Zürich is de uiteindelijke kwalificatie van het type overeenkomst minder belangrijk.
9. Bij de concrete invulling van en toetsing aan het civielrechtelijk houderschap heeft het Gerechtshof te Arnhem dan ook miskend, dat Siemen geen houder is geweest van de graafmachine. Siemen is niet eens "huurder" geworden. Principiëler nog is de vaststelling dat de feitelijke heerschappij over de graafmachine in handen is gebleven van de machinist, in loondienst van de eigenaar/opdrachtnemer. Die machinist bepaalde hoe de machine werd bediend. Sterker nog, het was aan (het personeel van) Siemen niet toegestaan om op enigerlei wijze zelf de graafmachine te bedienen. Wanneer bijvoorbeeld machinist Kooiman ziek zou zijn geworden, dan zou Siemen niet een eigen werknemer hebben mogen inschakelen als bestuurder van de graafmachine; in zo'n situatie zou Rijsdijk één van haar andere werknemers ter vervanging hebben ingezet.
Dat de machinist bij het verrichten van de graafwerkzaamheden de aanwijzingen van het personeel van Siemen omtrent het te volgen tracé heeft opgevolgd, brengt daarin geen verandering. Een dergelijke nuance - meer is het niet - is geenszins bepalend voor het civielrechtelijk houderschap. Ook een "huurder" van een taxi kan aan de taxibestuurder aanwijzingen geven omtrent de te volgen route. Dat maakt de gebruiker van de taxi nog niet tot een civielrechtelijk houder.
10. Zürich verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar haar conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie, alinea 10. Vastgesteld moet worden dat in een situatie als de onderhavige het de machinist is, die de feitelijke heerschappij over de graafmachine uitoefent en die in zijn hoedanigheid van werknemer de graafmachine "houdt" in civielrechtelijke zin ten behoeve van zijn werkgever tevens eigenaar van de graafmachine. De graafmachine is in de onderwerpelijke situatie een gereedschap, dat bediend wordt door en gebruikt wordt door de machinist. Machinist en machine vormen tezamen het onderwerp van de eigenaardige huurovereenkomst en in juridisch opzicht kunnen deze samenstellende delen niet losgemaakt worden van elkaar.
Ter vergelijk kan gedacht worden aan het bedrijf of de particulier dat/die in de verwilderde tuin van het eigen pand bomen laat rooien met behulp van apparaten bediend door de hovenier. Het zal in het algemeen de eigenaar zijn die aanwijst, waar gerooid moet worden. Dat maakt die eigenaar nog niet tot houder van het rooi-apparaat. Hetzelfde geldt voor degene die - bedrijfsmatig of particulier handelend - een bepaalde klus niet zelf kan uitvoeren bij gebreke van de benodigde (veelal zware) apparatuur en daartoe een specifieke deskundige inclusief apparatuur "inhuurt". Of het nu een timmerman met hamer danwel een medewerker van de Gamma met bijzonder zware boor is, de opdrachtgever wordt daarmee nog geen houder van de hamer of boormachine. In de terminologie van het oud BW (zoals van kracht tot 1 september 1993) betreft het hier steeds een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten. Zie in deze zin voorts Hoge Raad 6 maart 1991 NJ 1991/415.
11. Het bestreden arrest van het Hof strookt evenmin met het arrest van het Benelux Gerechtshof d.d. 22 december 1981, NJ 1983/755. Het arrest van het Ben.GH moet worden bezien tegen de achtergrond van het gegeven, dat in die procedure een bijzonder ruime uitleg van het begrip houder was bepleit namelijk zo ruim dat daaronder zelfs zou vallen de passagier van een motorrijtuig. De beslissing van het Ben.GH op dit punt houdt in dat voor een dergelijke ruimere uitleg onvoldoende grond is te vinden in het verdrag, dat op zijn beurt de basis voor de WAM heeft gevormd.
In dit verband overweegt het Ben.GH onder meer "dat het niet genoegzaam is dat iemand nut heeft van de zaak, om hem als houder daarvan te kunnen aanmerken". Welnu, dat geldt in casu voor Siemen. De enkele omstandigheid dat Siemen nut had van de graafmachine, is onvoldoende om haar als houder aan te merken.
Met juistheid is in het bestreden arrest (r.o. 5) door het Hof te Arnhem gememoreerd, dat het Ben.GH als vereiste voor het houderschap in elk geval de feitelijke heerschappij over het motorvoertuig heeft vooropgesteld. Zoals Zürich hierboven en in de eerdere gedingstukken heeft uiteengezet, is zelfs aan het criterium van die feitelijke heerschappij niet voldaan. Daar komt bij dat - zo aangenomen moet worden dat Siemen wel de feitelijke heerschappij heeft uitgeoefend - dat op zichzelf beschouwd nog niet ertoe leidt dat Siemen "dus" houder in civielrechtelijke zin was. In de benadering van het Ben.GH is de feitelijke heerschappij immers slechts een minimum-vereiste. En hoe Siemen het ook wendt of keert, verder dan een door haar (kunstmatig) geconstrueerd middellijk houderschap kan zij in geen geval komen.
12. Doorslaggevend voor de interpretatie van het arrest van het Ben.GH inzake Rita van Hootegem is de volgende passage in de conclusie van A-G Dumon (onder punt 2 van zijn conclusie, te vinden in de NJ op pagina 2398 r.k.):
""Houder" zijn tevens diegene die een wagen zonder chauffeur huurt - hij heeft het meesterschap - en de garagehouder die het hem toevertrouwde rijtuig repareert en een proefrit ermee maakt."
Expliciet wordt melding gemaakt van het huren van een wagen zonder chauffeur. Dat levert houderschap op. A contrario volgt daaruit dat in de ogen van A-G Dumon géén sprake is van houderschap, wanneer krachtens overeenkomst een motorrijtuig met chauffeur wordt gebruikt. Zoals ook A-G Dumon kennelijk meent, betreft dit (naar Nederlands recht) "het verrichten van enkele diensten" c.q. "opdracht", wat géén civiel houderschap oplevert.
13. Het gebruik van de onderhavige graafmachine kan niet los gezien worden van de inzet van de machinist. Daarin onderscheidt zich deze situatie van het eveneens door A-G Dumon genoemde geval, waarin de civielrechtelijke houder die het rijtuig tot zijn beschikking heeft gekregen, vervolgens aan een derde toestaat om het te besturen; in dat geval blijft de hoedanigheid van houder onverminderd bestaan. Doch in casu kan niet worden volgehouden dat Siemen als het ware eerst de beschikking kreeg over de graafmachine door deze te "huren" en vervolgens de graafmachine "liet" bedienen door de machinist. Dat bedienen is niet iets dat Siemen zelf bepaalde laat staan kon beïnvloeden. Siemen viel niet aan te merken als houder van de machinist. Omgekeerd "hield" de machinist niet ten behoeve van Siemen maar daarentegen ten behoeve van zijn werkgever tevens eigenaar van de graafmachine.
14. Op grond van al het vorenstaande moet de conclusie luiden dat het Hof te Arnhem in zijn bestreden arrest het begrip houder in de polis van Zürich juridisch beschouwd onjuist heeft geïnterpreteerd. Daarmee is de onjuistheid van de rechtsopvatting van het Hof gegeven.
Middel II
15. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in r.o. 4 heeft overwogen dat volgens beide partijen de aard van de verzekering zou nopen tot een uitleg van het begrip houder conform de WAM (en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd), zulks ten onrechte om de navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Toelichting
16. In de gedingstukken valt nergens als mening van Zürich te ontdekken, dat de uitleg van het polisbegrip houder zou moeten geschieden overeenkomstig de WAM. Integendeel, bij conclusie van dupliek in reconventie heeft Zürich in alinea 7 uitdrukkelijk betoogd dat met dit polisbegrip is gedoeld op de "(kenteken-)houder, bijvoorbeeld de werknemer die het kenteken op zijn naam heeft staan terwijl de auto in eigendom aan de werkgever toebehoort".
En in hoger beroep heeft Zürich nog nadrukkelijker uiteengezet (alinea 4 van haar memorie van antwoord) dat het polisbegrip houder is bedoeld en moet worden opgevat als het gelijkluidende begrip in artikel 1 lid 1 aanhef en sub ten 7e WVW. In deze wetsbepaling is een expliciete definitie van de term houder opgenomen. Aannemende dat deze definitie niet overeenstemt met de civielrechtelijke betekenis van het algemene begrip houder, meent Zürich juist dat de bepaling in haar polis niet conform de WAM maar conform de (toen geldende tekst van de) WVW moet worden geïnterpreteerd.
17. De opvatting van het Hof dat "beide" partijen een uitleg conform de WAM zouden voorstaan, laat zich trouwens niet verdragen met r.o. 6 van zijn arrest, waarin het Hof memoreert dat volgens Zürich met haar polisbepaling de kentekenhouder (in de verkeersrechtelijke betekenis van de WVW) bedoeld is. De rechtsoverwegingen 4 en 6 zijn derhalve in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig. Alleen reeds om deze reden kan het arrest niet in stand blijven.
18. Overigens blijft Zürich van mening dat Siemen evenmin als houder kan worden beschouwd in de algemene, civielrechtelijke betekenis. De omstandigheid dat Zürich ook dáárover het nodige naar voren heeft gebracht, doet vanzelfsprekend niets af aan haar visie die in dit cassatiemiddel aan de orde is.
Middel III
19. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in r.o. 2.2 en 8 heeft geoordeeld dat Kooiman als bestuurder van de graafmachine de aanwijzingen van het personeel van Siemen volledig diende op te volgen, zulks ten onrechte om de navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Toelichting
20. Zürich heeft nimmer erkend dat machinist Kooiman, in loondienst bij haar verzekerde Rijsdijk, verplicht zou zijn geweest om de aanwijzingen van Siemen volledig en in alle opzichten op te volgen. In de specifieke rechtsrelatie die bestond tussen enerzijds Rijsdijk en haar werknemer Kooiman en anderzijds Siemen, was dat namelijk niet zo. Natuurlijk zal er in de regel voor de machinist geen concrete aanleiding bestaan om het door de aannemer/opdrachtgever aangewezen tracé niet te willen volgen (uitgezonderd bijvoorbeeld wanneer een concrete dreiging op schade waarneembaar is). Maar daarmee houdt de zeggenschap van die aannemer/opdrachtgever op.
Waar het bijvoorbeeld aankomt op de wijze van bedienen van de graafmachine, bezit de aannemer/opdrachtgever geen enkele zeggenschap. Wel kan in dat opzicht de eigenaar/opdrachtgever van de graafmachine aan haar eigen machinist (Kooiman) de nodige instrukties geven en die aanwijzingen zal de werknemer hebben op te volgen op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst. Op de machinist in loondienst van de eigenaar/opdrachtgever van de graafmachine rust mitsdien een veel minder vergaande plicht om de aanwijzingen van de aannemer/opdrachtgever op te volgen dan het geval zou zijn wanneer die aannemer/opdrachtgever de graafmachine zelf bestuurt (of doet besturen door een werknemer in haar loondienst), hetgeen echter juist niet tot de bevoegdheid van de aannemer/opdrachtgever behoort!
21. Hoewel de mate van zeggenschap over de machinist in de ogen van Zürich niet bepalend is (zie middel I), is het in de gedachtengang van het Hof wel mede redengevend. Het Hof meent immers dat Siemen beschouwd moet worden als houder in de algemene civielrechtelijke betekenis, mede omdat Siemen de volledige zeggenschap over machinist Kooiman zou hebben gehad. Aangezien deze laatste premisse feitelijk en juridisch onjuist is, getuigt bedoelde rechtsoverweging van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de gedingstukken waarin geen concrete mededelingen over de mate van zeggenschap van Siemen over Kooiman zijn gedaan, is de overweging van het Hof bovendien onduidelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Zowel vanwege het één als vanwege het ander kan het arrest niet in stand blijven.
Middel IV
22. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof de subsidiaire grondslag van de vordering van Zürich als verwoord in alinea 11 van de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie buiten beschouwing heeft gelaten, zulks ten onrechte om de navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Toelichting
23. Zürich heeft haar stelling dat Siemen niet valt aan te merken als verzekerde onder haar polis, subsidiair erop gebaseerd dat de grondslag van de oorspronkelijke vordering van de schadelijdende partijen niet gelegen is in enig gebruik van een motorrijtuig maar in het op onzorgvuldige wijze (nalaten van het) verstrekken van aanwijzingen omtrent de ligging van kabels. De uit die onzorgvuldigheid voortvloeiende onrechtmatige daad in de zin van art. 1401 BW (oud) valt in het geheel niet onder het bereik van de verzekeringsovereenkomst tussen Zürich en haar verzekeringnemer Rijsdijk. Bedoelde onzorgvuldigheid levert in de eerste plaats geen aansprakelijkheid op, welke krachtens de WAM verplicht verzekerd zou moeten zijn.
En in de tweede plaats valt dit type aansprakelijkheid niet onder de litigieuze polisvoorwaarden. In artikel 10 van de polisvoorwaarden is vooropgesteld dat de verzekering geacht wordt te voldoen aan de eisen van de WAM. Waar de WAM niet als eis stelt dat de aansprakelijkheid op grond van een dergelijke onzorgvuldigheid verzekerd moet zijn, is deze mitsdien niet gedekt onder de aanhef van artikel 10. Evenmin bestaat dekking voor zo'n aansprakelijkheid krachtens artikel 10 onder A, waar de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door het motorrijtuig is verzekerd. De aansprakelijkheid vloeit immers niet voort uit het gebruik van of met het motorrijtuig doch uit het onzorgvuldige (nalaten van het) verstrekken van aanwijzingen.
24. Daar komt nog bij dat voor de werkmaterieelpolis weliswaar gebruik is gemaakt van een model motorrijtuigverzekering, maar dat hier geen sprake is van een "aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven". Kenmerkend voor de onderhavige schadeveroorzaking is immers niet de deelname aan het verkeer noch het voortbewegen op wielen. Daarentegen is de schade het typische gevolg van het gebruik als werktuig. Zürich verwijst naar de arresten van het Ben.GH d.d. 23 oktober 1984 VR 1985/1 en van de Hoge Raad d.d. 7 februari 1986 VR 1986/115.
De onrechtmatige daad van Siemen en haar personeel valt mitsdien niet onder het bereik van de WAM en evenmin onder het bereik van de toepasselijke polisvoorwaarden, omdat déze onrechtmatigheid noch een verkeersaansprakelijkheid noch een werktuigaansprakelijkheid oplevert. De vordering van Zürich (lees: van de schadelijdende partijen) jegens Siemen kan door deze dus niet onder de verzekering bij Zürich worden geschoven.
25. Het Hof te Arnhem had niet aan deze stellingname van Zürich voorbij mogen gaan. Hoewel op basis van de memorie van grieven namens Siemen dit aspect niet expliciet onder de aandacht van het Hof was gebracht (en Zürich daarop niet heeft hoeven reageren), had het Hof juist bij verwerping van het primaire onderdeel van het betoog van Zürich alsnog moeten ingaan op het subsidiaire deel. Zie in deze zin onder meer Hoge Raad 4 mei 1984 NJ 1985/22.
Middel V
26. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in r.o. 9 (en het dictum) Zürich heeft veroordeeld in de proceskosten zonder onderscheid te maken tussen de conventie en de reconventie, zulks ten onrechte om de navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Toelichting
27. Zürich heeft van meet af aan betoogd dat de namens Siemen ingestelde reconventionele vordering zinledig was. Zuiver beschouwd vormt die vordering niets anders dan een herhaling van het principiële verweer van Siemen in conventie. In geval van honoreren van dat verweer in conventie bezat Siemen geen enkel belang meer bij haar reconventionele vordering.
Inhoudelijk neemt het Hof in het bestreden arrest dit betoog over van Zürich. Zo wordt in r.o. 9 immers aan het oordeel in conventie door het Hof zelf automatisch het oordeel in reconventie gekoppeld.
28. Aldus moet worden vastgesteld dat - ook in de visie van het Hof waarin de vordering van Zürich in conventie zou moeten worden afgewezen - door Siemen onnodig het geding in reconventie aanhangig is gemaakt. In deze situatie behoort de eisende partij in reconventie te worden veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde partij in reconventie.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij exploit van 19 december 1992 heeft eiseres tot cassatie - hierna te noemen Zürich - verweerster in cassatie - verder te noemen: Siemen - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd Siemen te veroordelen om aan Zürich te betalen een bedrag van ƒ 45 519,02 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede een bedrag van ƒ 2500 wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente.
Siemen heeft tegen de vordering verweer gevoerd en, voor het geval de vordering van Zürich in conventie toewijsbaar geoordeeld mocht worden, in reconventie gevorderd Zürich te veroordelen om aan Siemen te betalen het bedrag tot betaling waarvan zij in conventie veroordeeld mocht worden met de wettelijke rente.
Zürich heeft tegen de (voorwaardelijke) reconventionele vordering verweer gevoerd.
Bij tussenvonnis van 17 februari 1994 heeft de Rechtbank zowel in conventie als in reconventie een comparitie van partijen gelast.
Tegen dit tussenvonnis heeft Siemen hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 20 december 1994 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vordering van Zürich afgewezen.
(...)
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 22 maart 1991 is tijdens graafwerkzaamheden te Hendrik Ido Ambacht de elektriciteitskabel van het daar gelegen zogenaamd KLM-gebouw beschadigd geraakt. Voor de huurders in dat gebouw is daardoor een schade ontstaan van in totaal ƒ 45 519,02.
(ii) Het graafwerk werd uitgevoerd met behulp van een graafmachine die door Siemen mondeling van Rijsdijk BV was gehuurd, inclusief de bestuurder M. Kooiman. Rijsdijk was ten tijde van het voorval verzekerd bij Zürich krachtens een werkmateriaalpolis, waarvan de algemene voorwaarden motorrijtuigenverzekering model 433 deel uitmaken. Daarvan geeft art. 5 een aantal begripsomschrijvingen, waaronder:
"De verzekerde
Onder verzekerde wordt verstaan de verzekeringnemer, de eigenaar en de houder, alsmede de gemachtigde bestuurder van het motorrijtuig en de personen die daarmee worden vervoerd.
(...)"
(iii) Art. 10 aansprakelijkheid (WA) aanhef en onder A van de "bijzondere voorwaarden aansprakelijkheid" van de werkmateriaalverzekering luidt als volgt:
"Met voorbijgaan aan hetgeen anders in de polisvoorwaarden mocht zijn bepaald, wordt deze verzekering geacht aan de door of krachtens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) gestelde eisen te voldoen.
A. Zürich verzekert de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade, veroorzaakt met of door het motorrijtuig, tot betaling waarvan hij op grond van wettelijke bepalingen gehouden is, hetzij ter zake van letsel of dood van personen en/of dieren, hetzij ter zake van beschadiging, verlies of vernietiging van goederen van derden. De verzekering omvat niet alleen de voldoening van gegronde, maar ook het verweer tegen ongegronde aanspraken."
(iv) Zürich heeft tegen cessie de schade tot het genoemde bedrag aan de benadeelden vergoed, waardoor zij in hun rechten jegens Siemen is getreden.
3.2. Siemen heeft tegen de vordering ten verwere aangevoerd dat zij als houder van de graafmachine onder de hiervoor genoemde polis verzekerde was van Zürich.
Nadat de Rechtbank in haar tussenvonnis (voor zover thans van belang) had beslist dat Siemen geen houder van de graafmachine was geworden, heeft het Hof geoordeeld dat Siemen als houder in de zin van de polisvoorwaarden moest worden aangemerkt en op grond daarvan de vordering van Zürich afgewezen.
Tegen dit oordeel richten zich de middelen.
3.3. Middel II, dat eerst zal worden behandeld, klaagt kennelijk over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof in rov. 4 dat beide partijen het erover eens zijn dat de aard van de onderhavige verzekering noopt tot een uitleg van het begrip houder in de zin van art. 5D van de algemene polisvoorwaarden conform de WAM en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd. Zürich wijst erop dat zij zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat bedoelde bepaling conform de toen geldende tekst van de WVW moet worden geïnterpreteerd.
Deze klacht is gegrond, maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft in zijn rov. 5 immers zelfstandig geoordeeld dat het door het Hof aan partijen toegeschreven gemeenschappelijk standpunt juist is. Tegen die rechtsoverweging richt het middel geen klacht. Opmerking verdient voorts dat het aan het Hof vrijstond de bewuste polisbepaling zelfstandig uit te leggen.
3.4. Middel III komt op tegen het oordeel van het Hof in de rov. 2.2 en 8 dat Kooiman als bestuurder van de graafmachine de aanwijzingen van het personeel van Siemen volledig diende op te volgen. Daartoe wordt aangevoerd dat met betrekking tot de wijze van bedienen van de graafmachine Siemen als aannemer/opdrachtgever geen enkele zeggenschap had.
Het Hof heeft in rov. 2.2 als vaststaand aangemerkt dat Kooiman bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden de aanwijzingen van personeel van Siemen diende op te volgen en werknemers van Siemen het verloop van de kabels in de grond hebben gevolgd en de graafroute alsmede de graafdiepte hebben aangegeven.
De in voormelde rechtsoverweging vervatte vaststellingen van het Hof zijn, mede gelet op de eigen stellingen ter zake van Zürich in de feitelijke instanties, niet onbegrijpelijk. Uit rov. 8, waarin het Hof overweegt dat Siemen de volledige zeggenschap had over de aard van de uit te voeren werkzaamheden, "te weten het graaftracé èn de diepte van de te graven sleuf, ook al werd de bediening van de graafmachine uitgevoerd door een werknemer van Rijsdijk", blijkt dat het Hof daarbij niet uit het oog heeft verloren dat de aanwijzingen van Siemen geen betrekking hadden op de bediening van de machine, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist.
Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.5. Middel I bevat de klacht dat het Hof het begrip houder in art. 5D van de polisvoorwaarden ten onrechte heeft uitgelegd "in de algemeen civielrechtelijke betekenis" en aan die betekenis "een onjuiste invulling" heeft gegeven.
Zoals bij de behandeling van middel II reeds aan de orde kwam, heeft het Hof bij de voormelde uitleg tot uitgangspunt genomen dat de aard van de onderhavige verzekering noopt tot aansluiting bij het begrip houder in de zin van de WAM en het verdrag waarop de WAM is gebaseerd. De keuze van dit uitgangspunt - die een kwestie van feitelijke waardering is - is niet onbegrijpelijk, nu het hier ging om een verzekering die volgens de polisvoorwaarden geacht werd aan de eisen van de WAM te voldoen. Dit uitgangspunt heeft het Hof ertoe geleid zich in zijn rov. 5 aan te sluiten bij de door het Benelux-Gerechtshof in zijn arrest van 22 december 1981, NJ 1983, 755, aan het begrip houder in het kader van de verplichte motorrijtuigenverzekering gegeven uitleg; dat het Hof oordeelde dat voor houderschap in elk geval vereist is dat men zelf of door middel van een ander de feitelijke heerschappij over het motorvoertuig heeft.
In verband daarmee heeft het Hof de polisvoorwaarde 5D zo uitgelegd dat de term houder daar wordt gebezigd in de civielrechtelijke betekenis en dat voor de vraag of Siemen verzekerde is, doorslaggevend is of Siemen tijdens de graafwerkzaamheden de feitelijke heerschappij heeft gehad over de graafmachine (rov. 7).
Anders dan het middel betoogt, geeft dit oordeel, bezien tegen de achtergrond van genoemde uitspraak van het Benelux-Gerechtshof, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Vervolgens heeft het Hof in rov. 8 overwogen dat de machinist van de graafmachine, gelet op de huurovereenkomst tussen Siemen en Rijsdijk, volledig de aanwijzingen van werknemers van Siemen diende op te volgen, waarbij het Hof heeft verwezen naar de hiervoor bij de behandeling van middel II reeds ter sprake gekomen, in rov. 2 vastgestelde feiten en heeft het Hof geoordeeld dat onder die omstandigheden Siemen de feitelijke heerschappij heeft gehad over de graafmachine.
Ook dit, met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft zijn beslissing met de in rov. 8 vermelde omstandigheden genoegzaam gemotiveerd. Niet onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de omstandigheid dat een in loondienst van Rijsdijk werkzame machinist de graafmachine bediende, er niet aan in de weg stond aan te nemen dat Siemen de feitelijke heerschappij had over de machine, nu de bestuurder zijn graafwerkzaamheden niet zelfstandig verrichtte.
In beginsel stuiten hierop de overige in middel I vervatte klachten af. Ter zake van die klachten wordt nog het volgende opgemerkt.
De klacht dat het Hof ten onrechte de overeenkomst tussen Siemen en Rijsdijk heeft aangemerkt als een huurovereenkomst, aangezien het hier een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten betrof, faalt. Nu niet alleen Zürich maar ook Siemen in de feitelijke instanties het standpunt had ingenomen dat sprake was van een huurovereenkomst en de ten processe vaststaande feiten geen grond gaven voor een op een zuiver rechtsoordeel berustende andere kwalificatie, zou het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, indien het een andere overeenkomst zou hebben aangenomen.
Zulks brengt mee dat de klachten, voor zover gebaseerd op het in aanmerking nemen door het Hof van het huurderschap van Siemen van de graafmachine bij de beoordeling van de vraag of Siemen de feitelijke heerschappij had over de graafmachine, feitelijke grondslag missen.
3.6. Middel IV strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte de subsidiaire grondslag van de vordering van Zürich als verwoord in alinea 11 van de conclusie van repliek/antwoord buiten beschouwing heeft gelaten.
In haar toelichting op dit middel wijst Zürich erop dat zij haar stelling dat Siemen niet als verzekerde onder de polis valt aan te merken, subsidiair heeft gebaseerd op de stelling dat de oorspronkelijke vordering van de schadelijdende partijen niet was gelegen in enig gebruik van een motorrijtuig maar in het op onzorgvuldige wijze verstrekken van aanwijzingen door Siemen omtrent de ligging van de kabels; volgens het middel valt de uit deze onrechtmatige daad voortvloeiende aansprakelijkheid niet onder de verzekeringsovereenkomst tussen Zürich en Rijsdijk.
Terecht klaagt het middel erover dat het Hof deze subsidiaire grondslag van de vordering onbesproken heeft gelaten, nu uit de stukken niet ondubbelzinnig blijkt dat Zürich deze grondslag voor haar vordering had prijsgegeven.
Het middel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
Ingevolge het hiervoor in 3.1 onder (iii) weergegeven art. 10 van de polisvoorwaarden dekt de verzekering de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade toegebracht met of door de graafmachine. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, laat zulks geen andere conclusie toe dan dat daaronder ook aansprakelijkheid valt voor schade, die met of door de graafmachine wordt toegebracht, wanneer die aansprakelijkheid het gevolg is van een onrechtmatig handelen of nalaten van een houder als Siemen en derhalve op die houder, hier Siemen, rust. De strekking van de polis is onmiskenbaar aansprakelijkheid te dekken die kan voortvloeien uit het gebruik van de machine, ongeacht of die schade is veroorzaakt door een gebrek van de machine of door een fout van de bestuurder dan wel van iemand op wiens aanwijzingen de machine gebruikt werd.
3.7. Middel V verwijt het Hof Zürich in de proceskosten te hebben veroordeeld zonder onderscheid te maken tussen de conventie en de reconventie. Zürich stelt dat de door Siemen in reconventie ingestelde vordering zinloos was omdat deze in wezen een herhaling vormde van het verweer in conventie en dat Siemen derhalve in de kosten in reconventie had moeten worden veroordeeld.
Het middel faalt reeds omdat weliswaar volgens art. 56 Rv. de rechter de nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten kan laten voor rekening van de partij die ze aanwendde of veroorzaakte, doch de wet hem niet verplicht zulks te doen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Zürich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Siemen begroot op ƒ 1307,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor salaris.


Voetnoot verwijzingen
NOOT 1:
Zie ook VR 1996, 116; red.