wam avb


HR 31-03-2003 NJ 2000, 357


Niet onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de WAM-verzekering het aansprakelijkheidsrisico dekt voor schade die met de lading is veroorzaakt als gevolg van een gebrek van het motorrijtuig of de daarvan deel uitmakende laad- en losinrichting, terwijl de AVB-verzekering dekking geeft ter zake van aansprakelijkheid voor schade die tijdens het laden of lossen met de lading wordt veroorzaakt anders dan ten gevolge van een gebrek als evenbedoeld. 's Hofs oordeel dat - behoudens tegenbewijs - moet worden uitgegaan van vermoeden dat schade is veroorzaakt door defect aan motorrijtuig is bindende eindbeslissing waartegen cassatieberoep openstaat.
In dit geding wordt getwist over de vraag onder welke verzekeringsovereenkomst de aansprakelijkheid is gedekt voor schade die in drie gevallen tijdens het lossen van bulklading uit tankwagens aan derden is toegebracht: onder een verzekering tegen aansprakelijkheid van motorrijtuigen (WAM-verzekering) of onder de verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid (AVB-verzekering). De tankwagens zijn voorzien van een eigen losinrichting. In alle drie gevallen was de tankwagen conform de instructie van de geadresseerde gereed voor lossing (de lossingsslangen waren aangebracht en de compressor was in werking). Het Hof heeft voor de beantwoording van voormelde vraag de oorzaak van de schade beslissend geacht. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat op de WAM-verzekeraar het bewijsrisico rust ten aanzien van zijn standpunt dat "het gebrek van het voertuig" (de tank/laad- en losinrichting) een gevolg is van gemaakte fouten bij de bediening van de tank/laad- en losinrichting.
Het middel bestrijdt tevergeefs de door het Hof gegeven uitleg volgens welke beslissend is wat de oorzaak is van de schade, ook als deze is ontstaan tijdens het laden en lossen. Die uitleg, die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, moet aldus worden begrepen dat het naar 's Hofs oordeel de WAM-verzekering is die het aansprakelijkheidsrisico dekt voor schade die met de lading wordt veroorzaakt als gevolg van een gebrek van het motorrijtuig of de daarvan deel uitmakende laad- en losinrichting, terwijl de AVB-verzekering dekking geeft ter zake van aansprakelijkheid voor schade die tijdens het laden of lossen met de lading wordt veroorzaakt anders dan tengevolge van een gebrek als evenbedoeld.
Nu het oordeel van het Hof inhoudt dat moet worden uitgegaan van het vermoeden dat de schade is veroorzaakt door een defect aan het motorrijtuig en dat de WAM-verzekeraar bewijs zal moeten leveren van door hem nader aan te geven stellingen waaruit het tegendeel kan blijken, is geen sprake van voorlopige oordelen in de zin van art. 399 Rv, zodat tegen 's Hofs oordeel cassatieberoep openstaat.

HOGE RAAD
31 maart 2000, nr. C98/229HR
(Mrs. Roelvink, Jansen, Van der Putt-Lauwers, Fleers, Hammerstein; A-G Spier)
RvdW 2000, 91
JOL 2000, 191

BW art. 3:35, 6:248; Rv (oud) art. 399; WvK art. 246

 

[Tekst] De vennootschap naar Zwitsers recht Alpina Versicherungs AG, te Zürich, Zwitserland, eiseres tot cassatie, adv. mr. J.B.M.M. Wuisman,
tegen
Royal Nederland Verzekering Maatschappij NV, te Rotterdam, verweerster in cassatie, adv. mr. R.S. Meijer.
Hof:
Beoordeling van het Hoger Beroep
1. Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 8 vastgestelde feiten nu deze niet door de grieven of anderszins zijn bestreden.
2. In dit geschil spelen de hierna volgende polisvoorwaarden een rol.
2.1. De (kortweg aan te duiden als) AVB-polis van Royal:
"Artikel 3. Uitsluitingen.

A. Motorrijtuigen (...)

De aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit het houden, gebruiken of besturen van motorrijtuigen (...) is niet verzekerd, met uitzondering van de hierna volgende insluitingen.

Verzekerd is de aansprakelijkheid:

(...)

d. voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen op of gelost van een motorrijtuig. Voor zover niet gedekt op enige polis van motorrijtuigverzekering, al dan niet van oudere datum, is medeverzekerd de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van dan wel nadat deze zijn gevallen van een motorrijtuig; (...)"

2.2. De (kortweg aan te duiden als) WAM-polis van Alpina:
"Par. 12. Gedekt risico

De verzekering dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht aan personen en/of goederen (...)

Par. 14. Ladingrisico

De verzekering heeft ook betrekking op schade veroorzaakt - anders dan bij het laden of lossen - door goederen, die zich bevinden op, dan wel vallen of gevallen zijn van het motorrijtuig."

3. Partijen zijn het erover eens dat de onderhavige, gelijksoortige, schaden exclusief gedekt worden onder slechts één van beide polissen, zodat de ene polis (primair) dekt wat de andere uitsluit. In confesso is voorts dat de onderhavige polisvoorwaarden geënt zijn op de "Regeling inzake de samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a. verzekering" opgesteld door de NVVA (Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren) en de WAV (Nederlandse Vereniging van Wettelijke Aansprakelijkheids-verzekeraars) van september 1964.
Daarvan zijn hier van belang de volgende clausules:
"Clausule 2a (Primaire dekking ladingrisico op motorrijtuigpolis). Onder de verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade - anders dan bij het laden of lossen - aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van, dan wel nadat deze zijn gevallen van het in deze polis genoemde motorrijtuig.

Clausule 2c (Primaire dekking laden en lossen op algemene w.a. polis).

Onder deze verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen en gelost op of van een motorrijtuig."

4.1. De grieven raken de vraag hoe de onder 2 weergegeven polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd, mede in het licht van de onder 3 weergegeven regeling.
4.2. Daarbij is aan de orde de vraag of in casu sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico (gedekt onder de WAM-polis) dan wel van het laad- en los risico (gedekt onder de AVB-polis).
4.3. Voor de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend het feitelijke gegeven dat in casu het evenement zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin het lossen plaatsvond. Het gaat om de vraag onder welke van de twee verzekerde risico's het evenement zich heeft gerealiseerd. En daarvoor is bepalend de oorzaak van de schade.
4.4. In dit verband stelt Alpina dat de oorzaak is gelegen in een gemaakte fout bij de lossing (gedekt onder de AVB-polis) en Royal stelt dat de oorzaak van de schade is gelegen in een defect van het motorrijtuig (gedekt onder de WAM-polis).
4.5. De WAM-polis van Alpina dekt blijkens par. 12 de aansprakelijkheid van de verzekerden voor door of met het motorrijtuig veroorzaakte schade, ongeacht of er sprake is van verwezenlijking van een verkeersrisico.
4.6. In het licht van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat, indien de oorzaak van de onderhavige schaden telkens is gelegen in een defect van het motorrijtuig, deze schaden de verwezenlijking vormen van het door de WAM-polis gedekte risico van aansprakelijkheid wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht. Door dat defect heeft de lading immers kunnen ontsnappen en haar schadelijke effecten kunnen teweegbrengen. De uitzondering van par. 14 - "anders dan bij het laden of lossen" - van de WAM-polis doet zich dan niet voor, ook al zijn deze schaden tijdens de periode van het lossen opgetreden.
4.7. Op grond van de als vaststaand aangenomen feiten - in het bijzonder de in het bestreden vonnis onder 4 vastgestelde feiten - is aannemelijk dat in casu telkens sprake is van een zodanig, als oorzaak van de schade aan te merken, gebrek in het motorvoertuig - i.e. de daarvan onderdeel uitmakende tank/laad en losinrichting - en dat zich hier het ladingrisico heeft verwezenlijkt.
5.1. Alpina stelt evenwel dat de bovenbedoelde mankementen aan de betrokken motorvoertuigen het gevolg zijn van gemaakte fouten bij de bediening van de tank/laad en los-inrichting. Indien zulks het geval mocht blijken, zijn partijen het erover eens dat alsdan sprake is van de verwezenlijking van een laad- en losrisico, hetgeen onder AVB-polis valt.
5.2. Op Alpina rust het bewijsrisico van dit standpunt. Teneinde te bezien of voor een bewijsopdracht plaats is zal Alpina in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag hoe en aan de hand van welke concrete feitelijkheden zij in dit kader bewijs denkt te leveren. Te dien einde zal de zaak naar de rol worden verwezen.
(enz.)
Cassatiemiddel:
I. Schending van het recht en/of verzuim van vormen, die bij niet-inachtneming tot nietigheid leiden, door het Hof door in de rov. 4.1 t/m 4.6 uit het bestreden arrest te overwegen en mede op grond daarvan te beslissen als in dat arrest is weergegeven en wel om de volgende redenen.
Inleiding
In 1987 overkwam de besloten vennootschap Cementbouw BV tot drie maal toe, dat tijdens het lossen van een tankwagen voor het vervoer van bulkladingen te bestemder plaatse de laadtank, nadat hierin met een aparte, op het voertuig aangebrachte compressor de druk was opgevoerd, opensprong - twee maal doordat een mangatdeksel werd weggeblazen en één maal doordat in de tankwand een scheur ontstond - met als gevolg dat in de laadtank aanwezige poederlading eruit stroomde en de omgeving vervuilde. Voor de hieruit voortvloeiende schade was Cementbouw BV tegenover de benadeelden aansprakelijk. Ten tijde van genoemde voorvallen had Cementbouw BV een Motorrijtuigenverzekering bij eiseres tot cassatie - verder Alpina te noemen - en een Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering bij onder meer verweerster in cassatie - verder Royal te noemen. Ieder van hen is de mening toegedaan, dat de schade niet door haar verzekering maar door die van de ander wordt gedekt. Overeenkomstig een daartoe gemaakte afspraak heeft Royal aan de gelaedeerde personen de door hen geleden schade vergoed en heeft Alpina een bedrag van f 206 810,79 aan Royal betaald, maar dit alles onder het beding dat de schade uiteindelijk ten volle door diegene zal worden gedragen ten aanzien van wie in rechte zal worden bepaald, dat de schade onder de dekking van diens verzekering valt. Het Hof komt in rov. 4.6 van het bestreden arrest tot het oordeel: "In het licht van vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat, indien de oorzaak van de onderhavige schaden telkens is gelegen in een defect van het motorrijtuig, deze schaden de verwezenlijking vormen van het door de WAM-polis gedekte risico van aansprakelijkheid wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht".
Klachten
1. In rov. 4.2 merkt het Hof op, dat bij de (in rov. 4.1 genoemde uitleg van de in rov. 2 genoemde polisvoorwaarden aan de orde is de vraag of in casu sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico (gedekt onder de WAM-polis) dan wel van het laad en los-risico (gedekt onder de AVB-polis).
a. Het Hof geeft onvoldoende inzicht in wat het met deze opmerking beoogt aan te geven. In rov. 4.1 stelt het Hof vast, dat de grieven de vraag raken hoe de onder 2 weergegeven polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd mede in het licht van de onder 3 weergegeven regeling. Niet duidelijk is of het Hof in rov. 4.2 wil zeggen dat "de vraag of in casu sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico dan wel van het laad- en los-risico" een andere vraag is dan de uitlegvraag, waarover het Hof in rov. 4.1 heeft. Indien het Hof dat heeft willen zeggen dan maakt het Hof niet duidelijk, in welke zin en met welke gevolgen de eerst bedoelde vraag een andere is dan de tweede.
b. In ieder geval is het - in het licht van het tussen partijen gevoerde debat en van de in appèl onbestreden gebleven vaststelling door de Rechtbank van het geschil tussen partijen in rov. 6 van haar vonnis - onjuist en/of onbegrijpelijk, indien het Hof in rov. 4.2 te kennen geeft dat het in casu om iets meer of anders gaat dan om de vraag of, en zo ja, welke van de twee aansprakelijkheidspolissen ter zake van de schade aan Cementbouw BV dekking zou bieden, en - in dat verband - welke betekenis aan de bepalingen uit die polissen, waarin het gedekte risico wordt omschreven, meer in het bijzonder de bepalingen die het Hof in zijn arrest onder 2 noemt, moet worden toegekend.
2. In rechte staat vast, dat er in casu schade is ontstaan doordat lading uit de tank is gestroomd en het omliggende bedrijfsterrein heeft verontreinigd, terwijl er gelost werd. De lading deed derhalve de verontreiniging, waaruit het te vergoeden financiële nadeel is voortgevloeid, ontstaan en dat bovendien op een moment dat er gelost werd. In rov. 4.3 acht het Hof niet doorslaggevend het feitelijke gegeven dat in casu het evenement zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin het lossen plaatsvond, maar "de oorzaak van de schade". Aangenomen dat het Hof zich hier overeenkomstig rov. 4.1 uiteindelijk toch bezig houdt met de vraag van de uitleg van de polissen en meer in het bijzonder van de in het arrest onder 2 genoemde bepalingen mede in het licht van de in het arrest onder 3 weergegeven regeling, is het in de vorige zin vermelde oordeel van het Hof onjuist en/of onbegrijpelijk.
In par. 14 van de WAM-polis is bepaald:
De verzekering heeft ook betrekking op schade veroorzaakt - anders dan bij het laden of lossen - door goederen, die zich bevinden op, dan wel vallen of gevallen zijn van het motorrijtuig.

Clausule 2a (primaire dekking ladingrisico op motorrijtuigpolis) uit de "Regeling inzake samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a.-verzekering" van september 1964 luidt:
Onder de verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade - anders dan bij het laden of lossen - aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van, dan wel nadat deze zijn gevallen van het in deze polis genoemde motorrijtuig.

Artikel 3 uit de AVB-polis vermeldt met betrekking tot motorrijtuigen sub A onder d. de volgende insluiting:
voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen op of gelost van een motorrijtuig. ...

Clausule 2c (primaire dekking laden en lossen op algemene w.a.-polis) uit de "Regeling inzake samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a.-verzekering" van september 1964 houdt in:
Onder deze verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen en gelost op of van een motorrijtuig.

In de geciteerde bepalingen, die betrekking hebben op het "ladingrisico" resp. het "laad- en los-risico" wordt, zoals uit de onderstreepte zinsneden duidelijk blijkt, voor de dekking van schade met lading van belang geacht of de schade wordt veroorzaakt al dan niet tijdens het laden of lossen, terwijl daarbij het alsdan wel of niet bieden van dekking niet nader afhankelijk wordt gesteld van de oorzaak van het feit dat met lading schade is aangericht. Dit alles maakt zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, onbegrijpelijk waarom het Hof niet het feitelijke gegeven dat in casu het evenement zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin het lossen plaatsvond maar de (verder weg gelegen) "oorzaak van de schade" bepalend acht voor het antwoord op de vraag of, en zo ja, welke van de twee aansprakelijkheidspolissen ter zake van de schade aan Cementbouw BV dekking zou bieden. Het enkele feit dat, zoals het Hof in rov. 4.5 van zijn arrest opmerkt, de WAM-polis van Alpina blijkens par. 12 de aansprakelijkheid van de verzekerden voor de door of met het motorrijtuig veroorzaakte schade dekt ongeacht of er sprake is van verwezenlijking van een verkeersrisico, is daartoe onvoldoende gelet op de toch duidelijke bewoordingen van de hiervoor geciteerde bepalingen.
3. In rov. 4.6 oordeelt het Hof "dat, indien de oorzaak van de onderhavige schaden telkens is gelegen in een defect van het motorrijtuig, die schaden de verwezenlijking vormen van het door de WAM-polis gedekte risico van aansprakelijkheid wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht. Door dat defect heeft de lading immers kunnen ontsnappen en haar schadelijke effecten kunnen teweegbrengen. De uitzondering van par. 14 - "anders dan bij het laden en lossen" - van de WAM-polis doet zich dan niet voor, ook al zijn deze schaden tijdens de periode van het lossen opgetreden".
a. Blijkens de aanhef van rov. 4.6 ("In het licht van het vorenoverwogene") bouwt het Hof in deze overweging voort op onder meer de rov. 4.2 en 4.3. Treffen de bovenstaande tegen deze rechtsoverwegingen gerichte klachten doel dan kan reeds om die reden rov. 4.6 niet in stand blijven.
b. Beziet men paragraaf 12 en de een uitsluiting inhoudende par. 14 uit de WAM-polis in onderling verband dan valt niet, althans niet zonder nadere toelichting, welke echter ontbreekt, in te zien waarom, in geval dat een tijdens het laden of lossen optredend gebrek in het motorrijtuig het mogelijk maakt dat de lading schadelijke effecten teweeg brengt, er niet langer meer sprake zou zijn van "schade door goederen (die zich bevinden op, dan wel vallen of gevallen zijn van het motorrijtuig) bij het laden of lossen" van het motorrijtuig en dus ook niet van de uitzondering van par. 14. Immers, in par. 14 is met betrekking tot "schade door goederen, die zich op het motorrijtuig bevinden etc., bij het laden of lossen" niet de beperking opgenomen, dat het feit dat de goederen schade hebben kunnen teweegbrengen, niet zijn oorzaak in een gebrek in het motorrijtuig mag hebben. Hierbij is ook nog in aanmerking te nemen, dat in de insluiting in de spiegelbeeldbepaling van artikel 3, sub A, onder d., eerste zin ook niet de inperking is opgenomen dat het feit dat tijdens het laden of lossen met of door de lading schade is kunnen worden aangericht, niet zijn oorzaak mag hebben in een gebrek in het motorrijtuig. Eén en ander geldt ook voor de hierboven onder 2 geciteerde clausules 2a en 2c uit de "Regeling inzake samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a.-verzekering" van september 1964, waarop beide polissen voortbouwen.
II. Schending van het recht en/of verzuim van vormen, die bij niet-inachtneming tot nietigheid leiden, door het Hof door in de rov. 4.7 t/m 5.2 van het bestreden arrest te overwegen en mede op grond daarvan te beslissen als in het arrest vermeld en wel om de volgende redenen.
In rov. 4.7 gaat het Hof op grond van de als vaststaand aangenomen feiten er vooralsnog van uit, dat in alle drie schadegevallen sprake is geweest van een zodanig gebrek in het motorvoertuig, dat aangenomen moet worden dat telkens het "ladingrisico" zich heeft verwezenlijkt. Maar het Hof merkt in rov. 5.1 op, dat Alpina heeft gesteld dat de mankementen aan de betrokken motorvoertuigen het gevolg zijn van gemaakte fouten bij de bediening van de tank/laad en losinrichting, en in rov. 5.2, dat het bewijsrisico met betrekking tot deze stelling bij Alpina rust. Bij dit alles miskent het Hof het volgende. In de memorie van grieven, sub 4, heeft Royal uitdrukkelijk erkend dat bij het eerste evenement het uitstromen van de lading het gevolg was van het feit, dat de vleugelmoeren voor het afsluiten van de mangatdeksel los lagen, zodat deze kon wegvliegen na het verhogen van de druk in de tank. In de memorie van antwoord in appèl, sub 5.8, heeft Alpina deze gang van zaken bij het eerste evenement ook tot uitgangspunt genomen, zodat deze als in rechte vaststaand kan worden aangemerkt. Omtrent die gang van zaken merkt Alpina op dezelfde plaats op, dat een chauffeur die een zelflosinstallatie op druk brengt terwijl de vleugelmoeren los liggen, een fout tijdens het lossen maakt.
a. Uit het arrest blijkt niet, althans niet voldoende duidelijk, dat het Hof de hiervoor vermelde, toch onmiskenbaar relevante stellingen omtrent het eerste evenement in aanmerking heeft genomen. Reeds hierdoor is het arrest niet naar de eisen van de wet gemotiveerd.
b. Voor zover het arrest van het Hof aldus moet worden verstaan, dat volgens het Hof ook voor wat het eerste evenement betreft er geen sprake is van een fout in de bediening van de tank/laad en los-inrichting, dan is er evenzeer sprake van een onvoldoende motivering, omdat uit het arrest niet blijkt op welke gronden het Hof tot dit oordeel is gekomen. Een motivering mag worden verwacht, want het ligt in de rede dat bij een lossingsprocedure, waarbij de druk in een tank wordt opgevoerd, vooraf geverifieerd wordt dat beweegbare delen van de tank zoals een deksel vastzitten, zodat het evenzeer in de rede ligt het nalaten van deze voorzorgsmaatregel als een fout bij de bediening aan te merken.
Hoge Raad:
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Alpina - heeft bij exploit van 26 juni 1989 verweerster in cassatie - verder te noemen: Royal - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Royal te veroordelen om aan Alpina te betalen een bedrag van f 206 810,79, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 1989.
Royal heeft de vordering bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat de schade waarvan in de onderhavige procedure sprake is onder de dekking vallen van de door Alpina afgegeven WAM-verzekering.
Alpina heeft tegen de vordering in reconventie verweer gevoerd.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 2 december 1994 in conventie de vordering toegewezen en in reconventie de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Royal zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 19 mei 1998 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door Alpina en iedere verdere beslissing aangehouden.
(...)
2. Het geding in cassatie
(...)
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag onder welke verzekeringsovereenkomst de aansprakelijkheid is gedekt voor schade die in drie gevallen tijdens het lossen van de bulklading uit aan Cementbouw BV toebehorende tankwagens aan derden is toegebracht: onder de bij Alpina gesloten verzekering tegen aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen in het verkeer aanleiding geven (hierna: de WAM-verzekering) of onder de bij Royal gesloten verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid (hierna: de AVB-verzekering).
De betrokken tankwagens zijn voorzien van een eigen losinrichting; hiertoe is op het voertuig een compressor aangebracht, waarmee de laadtank onder druk kan worden gebracht, opdat de bulklading vervolgens via slangen in de ontvangstsilo van de geadresseerde kan worden geblazen.
In alle drie gevallen was de tankwagen ter destinatie aangekomen. Conform de instructie van de geadresseerde was het voertuig ter lossing gereed gesteld. De lossingsslangen waren aangebracht en de compressor was reeds enige tijd in werking teneinde de bulktank op druk te brengen of te houden. In twee gevallen is een bovenop de bulktank aangebrachte mangatdeksel ten gevolge van de verhoogde binnendruk weggeblazen; in het derde geval veroorzaakte de drukverhoging een scheur in de bulktank.
De bijzondere voorwaarden wettelijke aansprakelijkheid van de WAM-verzekering van Alpina houden onder meer in:
"Par. 12. Gedekt risico

De verzekering dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht aan personen en/of goederen (...)

Par. 14. Ladingrisico

De verzekering heeft ook betrekking op schade veroorzaakt - anders dan bij het laden en lossen - door goederen, die zich bevinden op, dan wel vallen of gevallen zijn van het motorrijtuig."

Art. 3 sub A van de Algemene Voorwaarden van toepassing op de AVB-polis van Royal bepaalt onder meer:
"Motorrijtuigen (...)

De aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit het houden, gebruiken of besturen van motorrijtuigen (...) is niet verzekerd, met uitzondering van de hierna volgende insluitingen.

Verzekerd is de aansprakelijkheid:

(...)

d. voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen op of gelost van een motorrijtuig. Voorzover niet gedekt op enige polis van motorrijtuigverzekering, al dan niet van oudere datum, is medeverzekerd de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van dan wel nadat deze zijn gevallen van een motorrijtuig."

Partijen zijn het erover eens dat de schade exclusief gedekt is onder een van beide polissen en dat de voormelde verzekeringsvoorwaarden geënt zijn op de "Regeling inzake de samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a. verzekering", opgesteld door de NVVA en de WAV. Deze regeling houdt onder meer in:
"Clausule 2a (Primaire dekking ladingrisico op motorrijtuigpolis)

Onder de verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade - anders dan bij het laden of lossen - aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van dan wel nadat deze zijn gevallen van het in deze polis genoemde motorrijtuig.

Clausule 2c (Primaire dekking laden en lossen op algemene w.a. polis)

Onder deze verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen en gelost van een motorrijtuig."

3.2. De Rechtbank heeft de bedoelde vraag in laatstgemelde zin beantwoord. Het Hof heeft overwogen dat de grieven "de vraag raken" hoe de onderhavige polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd (rov. 4.1) en dat daarbij aan de orde is de vraag of sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico, gedekt door de WAM-verzekering, of van het laad- en losrisico, gedekt door de AVB-verzekering (rov. 4.2). Voor de beantwoording van de vraag welke van de twee verzekeringen dekking verleende tegen de gevolgen van de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, heeft het Hof de oorzaak van de schade beslissend geacht (rov. 4.3). Indien de oorzaak van de schade gelegen is in een defect van het motorrijtuig, valt de verwezenlijking van het risico naar het oordeel van het Hof (rov. 4.6) onder de door de WAM-verzekering gedekte aansprakelijkheid. Op grond van de als vaststaand aangenomen feiten is het volgens het Hof (rov. 4.7) aannemelijk dat een gebrek van het voertuig (de tank/laad- en losinrichting) als de oorzaak van de schade moet worden aangewezen. Het Hof heeft voorts geoordeeld (rov. 5.2) dat op Alpina het bewijsrisico rust ten aanzien van haar standpunt dat dit gebrek een gevolg is van gemaakte fouten bij de bediening van de tank/laad- en losinrichting en haar in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag hoe zij dat bewijs denkt te kunnen leveren.
3.3. Middel I keert zich tegen de in rov. 4.2 tot en met 4.6 van het bestreden arrest neergelegde oordelen. Onderdeel 1 van dit middel bevat de klacht dat het Hof in rov. 4.2 is uitgegaan van een andere vraag dan die welke partijen verdeeld houdt. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het Hof in de aangevallen overweging slechts een uitwerking geeft aan de - ook volgens Alpina juiste - vraagstelling in rov. 4.1, waarin wordt overwogen dat het geschil gaat over de uitlegging van de voormelde verzekeringsvoorwaarden, mede in het licht van de eveneens vermelde samenloopregeling, waaraan het Hof dit onderscheid kennelijk heeft ontleend.
De onderdelen 2 en 3 bestrijden tevergeefs de door het Hof gegeven uitleg volgens welke beslissend is wat de oorzaak is van de schade, ook als deze is ontstaan tijdens het laden en lossen. Die uitleg, die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, moet aldus worden begrepen dat het naar 's Hofs oordeel de WAM-verzekering is die het aansprakelijkheidsrisico dekt voor schade die met de lading wordt veroorzaakt als gevolg van een gebrek van het motorrijtuig of de daarvan deel uitmakende laad- en losinrichting, terwijl de AVB-verzekering dekking geeft ter zake van aansprakelijkheid voor schade die tijdens het laden of lossen met de lading wordt veroorzaakt anders dan tengevolge van een gebrek als evenbedoeld. In dat oordeel ligt besloten dat het Hof de woorden "anders dan bij het laden of lossen" van par. 14 van de WAM-verzekering, waarin een aanvulling wordt gegeven op par. 12, in dit geval niet als een uitsluiting heeft gezien, omdat de oorzaak van de schade niet in het lossen doch in het motorrijtuig moet worden gezocht. Aldus verstaan is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering. Het middel dat van een andere uitleg uitgaat, treft geen doel.
3.4. Middel II bestrijdt hetgeen het Hof overweegt in rov. 4.7 tot en met 5.2 van zijn arrest. Door Royal wordt betoogd (s.t. 4.2.5) dat dit middel afstuit op het bepaalde in art. 399 Rv., omdat de aangevallen overwegingen nog slechts voorlopige oordelen bevatten. Dit betoog faalt. Het oordeel van het Hof houdt immers in dat moet worden uitgegaan van het vermoeden dat de schade is veroorzaakt door een defect aan het motorrijtuig en dat Alpina bewijs zal moeten leveren van door haar nader aan te geven stellingen waaruit het tegendeel kan blijken.
3.5. Onderdeel a van het middel klaagt dat het Hof geen acht heeft geslagen op de stelling van Alpina dat bij het eerste evenement de schade is veroorzaakt door een bedieningsfout van de chauffeur. Het onderdeel voert aan dat het Hof heeft miskend dat Royal (in de memorie van grieven onder 4) uitdrukkelijk heeft erkend "dat bij het eerste evenement het uitstromen van de lading het gevolg was van het feit dat de vleugelmoeren voor het afsluiten van de mangatdeksel loslagen, zodat deze kon wegvliegen na het verhogen van de druk in de tank". Nu ook Alpina deze gang van zaken tot uitgangspunt heeft genomen, staat deze volgens haar in rechte vast. Onderdeel b klaagt dat, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom het Hof daaruit niet de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van een fout tijdens het lossen. De beide onderdelen zien eraan voorbij dat Royal in hoger beroep uitdrukkelijk haar stelling heeft gehandhaafd dat de uitstroming van de lading in alle gevallen een gevolg was van gebreken in de tankwagen (memorie van grieven onder 17). Ook het Hof heeft blijkbaar het losliggen van de vleugelmoeren niet beschouwd als een fout bij het lossen, doch als een gebrek van het motorrijtuig. Het Hof heeft immers op grond van de vaststaande feiten het vermoeden aangenomen dat de oorzaak van de schade moet worden gezocht in het motorrijtuig en dat Alpina concreet zal moeten stellen en, bewijzen waarom dat vermoeden niet juist is. Daartoe heeft het Hof kennelijk in het desbetreffende geval onvoldoende geacht dat de vleugelmoeren van de mangatdeksel los lagen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Alpina in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Royal begroot op f 5117,20 aan verschotten en f 3000 voor salaris.

[Mening] Conclusie A-G mr. Spier:
1. Feiten
1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals deze zijn vastgesteld in het vonnis van de Rechtbank blz. 2 en 3 en in het arrest van het Hof rov. 1 t/m 3.
1.2. Cementbouw BV exploiteert onder meer een aantal tankwagencombinaties (hierna ook: de voertuigen).
1.3. De voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van "bulkladingen" over de weg en zijn voorzien van een eigen "losinrichting". Op ieder voertuig is een compressor aangebracht waarmee de laadtank onder druk kan worden gebracht. Vervolgens kan de lading, via slangen, in de ontvangstsilo van de geadresseerde worden geblazen.
1.4. In 1987 is drie maal schade ontstaan bij het lossen. De drie schadegevallen vertonen een zekere gelijkenis.
1.5. In alle drie de gevallen was het voertuig op de plaats van bestemming gearriveerd en, conform de instructies van de geadresseerde, in gereedheid gebracht voor het lossen (de slangen waren bevestigd en de compressor was in werking gesteld).
1.6. In twee van de drie gevallen is vervolgens het mangatdeksel door de verhoogde binnendruk weggeblazen. In het derde geval veroorzaakte de drukverhoging een scheur in de bulktank.
1.7. In alle drie de gevallen ontstond schade doordat de poederlading met grote kracht over het bedrijfsterrein van de betrokken geadresseerde werd geblazen.
1.8. Cementbouw beschikte destijds over twee verzekeringen:
- een algemene bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, afgesloten bij Royal (hierna: de AVB-polis) en
- een motorrijtuigverzekering, afgesloten bij Alpina (hierna kortheidshalve: de WAM-polis).
1.9. Cementbouw, Royal en Alpina waren het er over eens dat Cementbouw aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade. Over de omvang van het schadebedrag bestond evenmin verschil van mening. Er kon echter geen overeenstemming worden bereikt over de vraag of, en zo ja onder welke van de verzekeringspolissen, de schade was gedekt.
1.10. Vooruitlopend op een definitieve regeling is op 23 januari 1987 overeengekomen dat Royal vooralsnog zal zorgdragen voor afwikkeling van de schadegevallen en dat Alpina 50% van de betalingen voorshands aan Royal zal restitueren.
1.11. Alpina heeft uit dien hoofde f 206 810,79 aan Royal voldaan. Zij heeft Royal vanaf 14 april 1989 de wettelijke rente aangezegd.
1.12. Art. 3 van de Algemene Voorwaarden GA 81-2, van toepassing op de AVB-polis, houdt onder meer in:
"Artikel 3. Uitsluitingen. A. Motorrijtuigen (...)De aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit het houden, gebruiken of besturen van motorrijtuigen (...) is niet verzekerd, met uitzondering van de hierna volgende insluitingen.Verzekerd is de aansprakelijkheid:(...) d. voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen op of gelost van een motorrijtuig. Voorzover niet gedekt op enige polis van motorrijtuigverzekering, al dan niet van oudere datum, is medeverzekerd de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van dan wel nadat deze zijn gevallen van een motorrijtuig (...)."

1.13. De verzekeringsvoorwaarden van de WAM-polis houden onder meer in:
"Par. 12. Gedekt risico. De verzekering dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht aan personen en/of goederen (...)"."Par. 14. Ladingrisico. De verzekering heeft ook betrekking op schade veroorzaakt - anders dan bij het laden of lossen - door goederen, die zich bevinden op, dan wel vallen of gevallen zijn van het motorrijtuig."

1.14. Partijen zijn het erover eens dat de schade exclusief gedekt is onder één van beide polissen.
1.15. Verder zijn partijen het er over eens dat de respectieve polisvoorwaarden zijn geënt op de "Regeling inzake de samenloop van motorrijtuig- en algemene w.a.verzekering" opgesteld door de NVVA (Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren) en de WAV (Nederlandse Vereniging van Wettelijke Aansprakelijkheids-verzekeraars) van september 1964 (hierna: de Regeling inzake samenloop).
1.16. Deze regeling houdt onder meer in:
"Clausule 2a (Primaire dekking ladingrisico op motorrijtuigpolis).

Onder de verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade - anders dan bij het laden of lossen - aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze zich bevinden op, worden vervoerd met, vallen van, dan wel nadat deze zijn gevallen van het in deze polis genoemde motorrijtuig."

"Clausule 2c (Primaire dekking laden en lossen op algemene w.a.polis).

Onder deze verzekering is mede begrepen de wettelijke aansprakelijkheid van de op deze polis verzekerde personen voor schade aan derden toegebracht met of door de lading of andere goederen, terwijl deze worden geladen en gelost op of van een motorrijtuig."

2. Procedureverloop
2.1. Alpina heeft zich gewend tot de Rechtbank te Rotterdam; zij vorderde veroordeling van Royal tot (terug)betaling van het bedrag van f 206 810,79, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 1989.
2.2. Royal vorderde in voorwaardelijke reconventie NOOT 1 een verklaring voor recht dat de schade onder de dekking valt van de WAM-polis. Opmerking verdient hierbij dat Royal zich in feitelijke aanleg van hetzelfde advocatenkantoor bediende als Alpina, zij het dat het gaat om een andere vestiging.
2.3. Alpina stelde zich kort samengevat op het standpunt dat de schade gedekt was onder de AVB-polis van Royal. Zij wees op art. 3 van de Algemene Voorwaarden behorende bij de AVB-polis: de schade deed zich voor terwijl er werd gelost.
2.4. Royal stelde - voorzover in cassatie nog van belang - dat de schade was veroorzaakt door een gebrek in het motorrijtuig zodat de schade op grond van par. 12 van de WAM-polis voor rekening van Alpina kwam.
2.5. De Rechtbank wees bij vonnis van 2 december 1994 in conventie de vordering van Alpina toe en in reconventie de vordering van Royal af.
2.6. De Rechtbank stelde voorop dat partijen het er over eens zijn dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de schade onder de verzekering van Alpina valt en niet of deze (mede) gedekt is onder de AVB-polis (blz. 4). Zij overwoog vervolgens:
"Gelet op het bepaalde in (...) par. 14 heeft Alpina beoogd dekking voor schade veroorzaakt bij het laden en lossen uit te sluiten. Dat de onderhavige schade bij het lossen - althans nadat de daarvoor noodzakelijke voorbereidingshandelingen waren aangevangen - is ontstaan, staat vast. Dat bij het laden of lossen ontstane schade wel gedekt zou zijn als deze het gevolg is van een gebrek aan het motorrijtuig blijkt niet uit de desbetreffende polisbepaling en vloeit ook niet zonder meer voort uit de aard van de desbetreffende verzekering. Juist indien een schade als de onderhavige in beginsel onder de ruime dekking van de WAM zou vallen, ligt een uitsluiting als de onderhavige voor de hand. In het midden kan mitsdien blijven of de onderhavige schade is ontstaan in verband met het gebruik van een motorvoertuig (...) (blz. 5)."

2.7. Royal heeft appèl ingesteld tegen dit vonnis. Het Hof wees tussenarrest op 19 mei 1998.
2.8. Het Hof overwoog:
4.1. De grieven raken de vraag hoe de (...) polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd, mede in het licht van de onder 3 weergegeven regeling (de Regeling inzake samenloop, JS).
4.2. Daarbij is aan de orde de vraag of in casu sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico (gedekt onder de WAM-polis) dan wel van het laad- en los risico (gedekt onder de AVB-polis).
4.3. Voor de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend het feitelijke gegeven dat in casu het evenement zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin het lossen plaatsvond. Het gaat om de vraag onder welke van de twee verzekerde risico's het evenement zich heeft gerealiseerd. En daarvoor is bepalend de oorzaak van de schade.
4.4. In dit verband stelt Alpina dat de oorzaak is gelegen in een gemaakte fout bij de lossing (gedekt onder de AVB-polis) en Royal stelt dat de oorzaak van de schade is gelegen in een defect van het motorrijtuig (gedekt onder de WAM-polis).
4.5. De WAM-polis van Alpina dekt blijkens par. 12 de aansprakelijkheid van de verzekerden voor door of met het motorrijtuig veroorzaakte schade, ongeacht of er sprake is van verwezenlijking van een verkeersrisico.
4.6. In het licht van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat, indien de oorzaak van de onderhavige schaden telkens is gelegen in een defect van het motorrijtuig, deze schaden de verwezenlijking vormen van het door de WAM-polis gedekte risico van aansprakelijkheid wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht. Door dat defect heeft de lading immers kunnen ontsnappen en haar schadelijke effect kunnen teweegbrengen. De uitzondering van par. 14 - "anders dan bij het laden of lossen" - van de WAM-polis doet zich dan niet voor, ook al zijn deze schaden tijdens de periode van het lossen opgetreden.
4.7. Op grond van de als vaststaand aangenomen feiten - in het bijzonder de in het bestreden vonnis onder 4 vastgestelde feiten (zie hiervoor onder 1.6 en 1.7, JS) - is aannemelijk dat in casu telkens sprake is van een zodanig, als oorzaak van de schade aan te merken, gebrek in het motorvoertuig - i.e. de daarvan onderdeel uitmakende tank/laad en losinrichting - (lees:) dat zich hier het ladingrisico heeft verwezenlijkt.
5.1. Alpina stelt evenwel dat de bovenbedoelde mankementen aan de betrokken motorvoertuigen het gevolg zijn van gemaakte fouten bij de bediening van de tank/laad en losinrichting. Indien zulks het geval mocht blijken, zijn partijen het erover eens dat alsdan sprake is van de verwezenlijking van een laad- en losrisico, hetgeen onder de AVB-polis valt.
5.2. Op Alpina rust het bewijsrisico van dit standpunt. Teneinde te bezien of voor een bewijsopdracht plaats is zal Alpina in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag hoe en aan de hand van welke concrete feitelijkheden zij in dit kader bewijs denkt te leveren. Te dien einde zal de zaak naar de rol worden verwezen.
2.9. Alpina heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld; Royal heeft verweer gevoerd.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel 1
3.1. Middel 1 kant zich tegen 's Hofs uitleg van de dekkingsbepalingen in de WAM-polis. Het bestrijdt niet dat de onderhavige polisvoorwaarden zijn geënt op de hiervoor onder 1.15 genoemde en onder 1.16 geciteerde regeling.
3.2. Onderdeel 1 heeft betrekking op rov. 4.2:
"Daarbij is aan de orde de vraag of in casu sprake is van verwezenlijking van het ladingrisico (gedekt onder de WAM-polis) dan wel van het laad- en los risico (gedekt onder de AVB-polis)."

3.3. Subonderdeel a stelt dat het Hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat het met die "opmerking" bedoelt. Meer in het bijzonder stelt het aan de orde of de in rov. 4.2 aangeroerde kwestie een andere is dan de uitlegvraag. Subonderdeel b klaagt over onbegrijpelijkheid van het arrest van het Hof voor het geval het Hof met rov. 4.2 te kennen heeft willen geven dat het geschil tussen partijen verder strekt dan de strijd om de uitleg van de polisvoorwaarden. De subonderdelen a en b lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.4. Rov. 4.2 volgt op de overweging van het Hof dat de grieven de vraag raken hoe de polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd (rov. 4.1). Het Hof heeft deze vraag in rov. 4.2 onmiskenbaar geconcretiseerd.
3.5. Bij de uitleg van de polisvoorwaarden strekt de Regeling inzake samenloop - mede - tot uitgangspunt, zoals het Hof in rov. 4.1 tot uitdrukking brengt. In die regeling wordt onderscheid gemaakt tussen "ladingrisico" en "laad- en losrisico". Dat volgt reeds uit de - onder 1.16 geciteerde - bewoordingen. Het vindt ook steun in het Bindend Advies van de Verbondscommissie Samenloop. NOOT 2 De Commissie citeert uit de toelichting op deze regeling NOOT 3 (mijn cursiveringen):
"Ladingrisico. "Dit risico zal in het algemeen gezien moeten worden in verband met het gebruik van een motorrijtuig. Uit dien hoofde beval de Commissie (...) aan in het vervolg hiervoor dekking te verlenen in de motorrijtuigpolissen (...)"

Met betrekking tot het laad- en losrisico wordt gesteld:
"De Commissie was van oordeel (...) dat het risico van het laden en het lossen niet primair behoort te zijn gedekt op de motorrijtuigpolis, doch op de WA-bedrijfspolis."

3.6. Tussen partijen is, als gezegd, in confesso dat de respectieve polisvoorwaarden zijn geënt op de Regeling inzake samenloop. Tegen deze achtergrond bezien is rov. 4.2 alleszins begrijpelijk; zij behoefde geen nadere toelichting. Subonderdeel a stuit hierop af.
3.7. Voorzover subonderdeel b in rov. 4.2 iets anders leest dan hiervoor is weergegeven, mist het feitelijke grondslag.
3.8. Onderdeel 2 heeft betrekking op de overweging van het Hof (rov. 4.3):
"Voor de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend het feitelijke gegeven dat in casu het evenement zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin het lossen plaatsvond. Het gaat om de vraag onder welke van de twee verzekerde risico's het evenement zich heeft gerealiseerd. En daarvoor is bepalend de oorzaak van de schade."

3.9. Het onderdeel gaat er terecht van uit dat Hof zich hier - in de bewoordingen van mr Wuisman - bezighoudt met de uitleg van de litigieuze polis(sen). Het onderdeel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat uit de respectieve polisvoorwaarden voortvloeit dat voor het antwoord op de vraag of de WAM-polis danwel de AVB-polis dekking verleent, bepalend is of de schade al dan niet "tijdens het laden of lossen" is veroorzaakt. De dekking wordt niet afhankelijk gesteld van de oorzaak van de schade, zodat onbegrijpelijk is waarom het Hof het feit dat de schade is ontstaan tijdens het lossen, niet bepalend heeft geacht, aldus het onderdeel. Aan een en ander kan, nog steeds volgens het onderdeel, par. 12 van de WAM-verzekering niet afdoen.
3.10. Het onderdeel berust op de gedachte dat beslissend is het temporele aspect ("tijdens"). Deze opvatting vindt in de bewoordingen van de Alpina-polis geen steun. In die polis wordt gesproken van "bij". Dat zal in veel gevallen tot dezelfde uitkomsten leiden, maar dat behoeft zeker niet steeds het geval te zijn. Wanneer een vrachtauto aan de voorzijde wordt gelost, terwijl - geheel onafhankelijk van het lossen - aan de achterzijde een deel van de lading naar beneden valt, dan biedt de litigieuze WAM-polis m.i. dekking. Dan kan immers moeilijk worden gezegd dat de schade is ontstaan bij het lossen (de tekst van de polis). Zij is wel ontstaan tijdens het laden en lossen (de door het onderdeel vertolkte lezing). Het Hof heeft zich dan ook terecht niet bekeerd tot de door het onderdeel gepropageerde lezing van de polis.
3.11. Hiermee behoeft evenwel het doek nog niet over het onderdeel te vallen. Immers behelst het tevens de klacht dat het, anders dan het Hof heeft aangenomen, niet aankomt op de oorzaak van de schade. Ook deze opvatting is, in de algemeenheid waarmee zij wordt verdedigd, m.i. niet plausibel. Laten we aannemen dat bij het laden en lossen door een gebrek in de benzinetank een ontploffing plaatsvindt. Daardoor ontstaat schade. Het schijnt mij toe dat deze wordt gedekt onder de WAM-polis omdat de schade valt onder par. 12. Het motorrijtuig is dan immers de oorzaak van de schade.
3.12. De onderhavige zaak ligt evenwel iets gecompliceerder. In het onder 3.11 besproken voorbeeld heeft de ontploffing niets van doen met het lossen. In casu ligt dat in zoverre anders omdat partijen verdeeld zijn over de oorzaak van de schade.
3.13. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat het hier gaat om schade die valt te herleiden tot een gebrek in het voertuig (rov. 4.7) en dat Alpina dekking verleent (rov. 4.6). Daarbij heeft het kennelijk gemeend dat zonder belang is welk deel van het voertuig gebrekkig is. Het heeft deze opvatting gebaseerd op par. 12 van de polisvoorwaarden van Alpina waarin wordt gesproken van schade door het motorrijtuig (rov. 4.5 en 4.6). Deze opvatting berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de polis. NOOT 4 Onbegrijpelijk is zij niet; nadere motivering behoefde zij evenmin. NOOT 5 Voorzover het onderdeel een tegengestelde opvatting verdedigt, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt niet aangegeven waarom par. 12 anders zou moeten worden gelezen.
3.14. Ten overvloede stip ik nog aan dat het Hof heeft kunnen oordelen dat par. 14 hieraan niet afdoet. Alleen al niet, naar het Hof in rov. 4.6 klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, omdat par. 14 een additionele dekking geeft voor schade door de lading; dit blijkt uit het woordje "ook". Deze aanvullende dekking wordt vervolgens weer begrensd. Dat deze begrenzing tevens bedoelt een ander deel van de dekking (te weten die voor schade door het motorvoertuig) teniet te doen blijkt niet uit de bewoordingen ervan. Daarom staat par. 14 niet in de weg aan de dekking van par. 12. 's Hofs desbetreffende oordeel wordt daarom tevergeefs bestreden. Het onderdeel loopt hierin vast.
3.15. Mede omdat het hier gaat om de uitleg van - naar mag worden aangenomen - veelvuldig gehanteerde polisvoorwaarden lijkt het goed nog nader stil te staan bij de door Alpina opgeworpen vraag of de onder 1.15 en 1.16 genoemde regeling tot een andere uitkomst dwingt.
3.16. Het antwoord luidt m.i. ontkennend. Alpina legt begrijpelijkerwijs de nadruk op de - in het onderdeel onderstreepte - passages "anders dan bij het laden en lossen". Dit betoog gaat evenmin op. Clausule 2a, waaruit wordt geciteerd, heeft evenals par. 14 het oog op de aanvullende dekking voor schade door de lading ("is mede begrepen"). Het Hof heeft aannemelijk geacht dat ten deze geen sprake is van schade door de lading, maar schade die valt terug te voeren op een gebrek in het motorvoertuig. Clausule 2a verdwijnt daarmee uit beeld.
3.17. Resteert nog clausule 2c waarop het onderdeel zich beroept. Erkend kan worden dat daarin sprake is van schade met of door de lading, terwijl deze wordt gelost. Klaarblijkelijk moeten de artikelen 2a en 2c in samenhang worden bezien. Dit strookt met het uitgangspunt van partijen dat één van beide polissen dekking biedt. Zelfs wanneer juist zou zijn dat, op zich bezien, clausule 2c steun biedt voor het standpunt van Alpina, dan is daarmee niet het laatste woord gezegd. Dan zou sprake zijn van een inconsistentie in de clausules 2a en 2c.
3.18. Aannemelijk is m.i. dat clausule 2c bedoelt voort te bouwen op de daaraan voorafgaande clausule 2a. Schade die niet valt onder de dekking van de WAM-polis, wordt in die lezing bestreken door de AVB-polis. Het zwaartepunt in die interpretatie ligt bij clausule 2a. Dekking die onder die clausule buiten de WAM-boot valt, wordt onder de AVB-polis gebracht. Uit hetgeen onder 3.16 is opgemerkt over de betekenis van clausule 2a vloeit voort dat clausule 2c Alpina niet kan baten. In 's Hofs visie is immers aannemelijk dat de oorzaak van de schade gelegen is in een gebrek van het motorvoertuig. Daardoor valt zij onder par. 12 WAM-polis. Clausule 2c komt daarmee niet in beeld, waar deze slechts ziet op de aanvullende dekking. In casu gaat het niet om de aanvullende dekking, maar de om de primaire dekking, te weten: schade door het motorvoertuig. Zie hiervoor onder 3.14.
3.19. Hoewel het Hof er wellicht beter aan had gedaan uit te leggen waarom de clausules 2a en 2c, die in zijn visie van belang zijn (rov. 4.1), niet tot een andere dan de door het Hof bereikte slotsom kunnen leiden, ligt dat zozeer voor de hand dat een klacht daarover faalt bij gemis aan belang. Daarbij verdient nog opmerking dat 's Hofs opvatting steun vindt in zowel de literatuur NOOT 6 als in uitspraken van de Verbondscie. Samenloop NOOT 7 (waaronder een in een nagenoeg identieke zaak). NOOT 8
3.20. Onderdeel 3 heeft betrekking op de overweging van het Hof (rov. 4.6):
"In het licht van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat, indien de oorzaak van de onderhavige schaden telkens is gelegen in een defect van het motorrijtuig, deze schaden de verwezenlijking vormen van het door de WAM-polis gedekte risico van aansprakelijkheid wegens schade met of door het motorrijtuig toegebracht. Door dat defect heeft de lading immers kunnen ontsnappen en haar schadelijke effecten kunnen teweegbrengen. De uitzondering van par. 14 - "anders dan bij het laden of lossen" - van de WAM-polis doet zich dan niet voor, ook al zijn deze schaden tijdens de periode van het lossen opgetreden."

3.21. Subonderdeel a bouwt voort op subonderdeel 2b en bevat geen zelfstandige klacht.
3.22. Subonderdeel b strekt, naar ik begrijp, ten betoge dat onbegrijpelijk is waarom de uitzondering van par. 14 van de WAM-polis zich niet voordoet. Naar luid van het subonderdeel wordt in par. 14 niet als voorwaarde gesteld dat de schade niet is veroorzaakt door een gebrek in het motorvoertuig. Waar het, volgens de klacht, op aankomt is dat de schadelijke effecten zijn teweeg gebracht door de lading.
3.23. Het Hof is er in rov. 4.6 veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat de schade is veroorzaakt door een gebrek in het motorrijtuig ("indien"). In dat geval is art. 12 van de WAM-polis beslissend en komt men, zoals aangegeven bij de bespreking van onderdeel 2, aan art. 14 niet toe. 's Hof desbetreffende oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. Het is toereikend gemotiveerd. Daarin loopt het subonderdeel vast.
Middel 2
3.24. Middel 2 heeft betrekking op de overweging van het Hof (rov. 4.7):
"Op grond van de als vaststaand aangenomen feiten (...) is aannemelijk dat in casu telkens sprake is van een zodanig, als oorzaak van de schade aan te merken, gebrek in het motorvoertuig - i.e. de daarvan onderdeel uitmakende tank/laad en losinrichting - (lees:) dat zich hier het ladingrisico heeft verwezenlijkt."

Daartegen en tegen de daarop voortbouwende rov. 5.1 en 5.2 wordt aangevoerd dat het Hof uit het oog heeft verloren dat Alpina met betrekking tot de eerste schadegebeurtenis heeft gesteld dat wél sprake is van een bedieningsfout. Deze is, aldus Alpina, gelegen in het op druk brengen van de losinstallatie hoewel de vleugelmoeren van de mangatdeksel loszaten. Subonderdeel a verwijt het Hof op deze stelling geen acht te hebben geslagen. Subonderdeel b gaat ervan uit dat het Hof deze stelling wél in zijn beschouwingen heeft betrokken. Voor dat geval wordt het Hof verweten dat het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.25. Royal heeft zich erop beroepen (s.t. mr Meijer onder 4.2.5 e.v.) dat Alpina ten aanzien van middel 2, ingevolge het bepaalde in art. 399 Rv, niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Immers zou van een bindende eindbeslissing geen sprake zijn. Royal licht deze stelling nader toe door er op te wijzen dat Alpina haar stellingen nader mag specificeren en aldus "haar bezwaren tegen 's Hofs arrest (...) kan doen herstellen" (sub 4.2.7).
3.26. Dit verweer komt mij ongegrond voor. Het Hof heeft - geparafraseerd weergegeven - voldoende aannemelijk geacht dat de schade het gevolg is van een defect van het motorrijtuig. Het is derhalve niet overtuigd door het betoog van Alpina dat de oorzaak een menselijke fout is. Uitgaande van dit bewijsvermoeden heeft het Hof Alpina in feite een bewijsopdracht gegeven. In feite, want het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de stellingen van Alpina nog onvoldoende aanknopingspunten boden voor een concrete bewijsopdracht. Daarom heeft het haar in de gelegenheid gesteld nauwkeurig(er) aan te geven welke posita zij wenst te bewijzen. In zoverre is juist dat Alpina de kans krijgt om eventuele processuele tekortkomingen (op het stuk van de stelplicht) te repareren.
3.27. Deze laatste reparatiemogelijkheid laat intussen onverlet dat het Hof zich in zoverre heeft gebonden dat de stellingen van Alpina - zelfs indien deze worden geschraagd met nadere "concrete feitelijkheden" (rov. 5.2) - onaannemelijk zijn geoordeeld en dat Alpina derhalve het bewijsrisico draagt. In zoverre is m.i. sprake van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing, waartegen cassatieberoep openstaat. NOOT 9
3.28. Ik kom dan op de inhoudelijke bespreking van het middel. Voorzover dit ervan uitgaat dat Royal heeft erkend dat ten aanzien van het eerste schadegeval sprake is van een fout tijdens het lossen, berust het op een vergissing. In de passage in de mvg (onder 4) waarop het middel doelt, erkent Royal slechts dat het eerste schadegeval is veroorzaakt door het "afvliegen" van de deksel omdat de vleugelmoeren "los lagen". Royal heeft zich evenwel - ook ten aanzien van dit eerste schadegeval - steeds op het standpunt gesteld dat de schade veroorzaakt is door gebreken in het voertuig (zie bijvoorbeeld de mvg onder 7, 16 en 17).
3.29. Het arrest van het Hof is niet onbegrijpelijk. Het enkele feit dat de vleugelmoeren los lagen, impliceert niet dat onder alle omstandigheden sprake zal zijn van een fout bij het lossen. Het los liggen kan bijvoorbeeld het (rechtstreeks) gevolg zijn van een defect van het motorrijtuig. Bovendien is het begrip "los liggen" niet erg nauwkeurig. Het kan een aanduiding zijn van het niet meer aan de bouten bevestigd zijn van de moeren.NOOT 10 Het kan ook betekenen dat de moeren niet langer goed vastzitten. NOOT 11 In feitelijke aanleg heeft Alpina - op wier weg zulks had gelegen - niet nader uit de doeken gedaan hoe het nauwkeurig met de vleugelmoeren gesteld was. In feite heeft zij slechts steun betuigd aan de summiere passage in de mvg van Royal over de vleugelmoeren; Royal heeft evenwel steeds ontkend dat sprake was van een menselijke fout.
3.30. Het Hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat de stellingen van Alpina onvoldoende aanknopingspunten boden om daaruit af te leiden dat onmiskenbaar sprake is van een menselijke fout in stede van een gebrek van het motorrijtuig. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel geeft (dan ook) niet aan welke stellingen van Alpina voldoende nauwkeurig waren om het Hof tot een ander oordeel te nopen.
3.31. Alleen in het onder 3.30 genoemde geval (onmiskenbaar duidelijk is dat de oorzaak van de schade niet gelegen is in een gebrek van het voertuig), welke situatie het middel kennelijk op het oog heeft, komt bewijslevering niet aan de orde. Onderdeel a loopt op dit een en ander stuk.
3.32. Onderdeel b - hiervoor onder 3.24 weergegeven - verwijt het Hof geen aandacht te hebben besteed aan een stelling die door Alpina niet is betrokken. Er bestond voor het Hof geen reden om uit zich zelf op deze kwestie in te gaan.
3.33. Voorzover het onderdeel het Hof aanwrijft voorbij te zijn gegaan aan de volgende opmerking aan het slot van de mva (sub 5.9).
"De chauffeur die een zelflosinstallatie op druk brengt terwijl de vleugelmoeren los liggen, maakt weldegelijk een fout tijdens het lossen"

wordt uit het oog verloren dat het gaat om een zó vage - en bovendien zo laat geuite - stelling dat daaraan geen aandacht meer behoefde te worden besteed. De vraag of sprake is van een fout van de chauffeur kan moeilijk worden beoordeeld zonder nauwkeurig(er) te weten wat hem wordt verweten. Zo is van belang of hij redelijkerwijs had kunnen/moeten zien dat de vleugelmoeren los zaten. Daaromtrent heeft Alpina - ook in een eerder stadium van de procedure - evenwel niets gesteld. De klacht is daarom ongegrond.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Voetnoot verwijzingen
--------------------------------------------------------------------------------

NOOT 1:
De vordering werd voorwaardelijk ingesteld omdat Royal zich primair op het standpunt stelde dat Alpina niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vordering en inzake de ontvankelijkheid "in beginsel voor Royal hetzelfde geldt als voor Alpina (...)"; cva in conv, tevens voorw cve in reconv onder 2 en 12.

NOOT 2:
18 januari 1980, VR 1983, 1.

NOOT 3:
Of, iets juister gezegd: op de regeling van 1959; deze is in een circulaire in 1964 aan de leden toegezonden en "ook overigens nooit herroepen".

NOOT 4:
Asser-Hartkamp 4 II, 1997 nr. 284.

NOOT 5:
Vgl. HR 16 februari 1996, NJ 1997, 186 MMM rov. 3.6 en Verbondscie. samenloop 19 januari 1987, VR 1990, 141.

NOOT 6:
Zie in het bijzonder J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering (2e dr.) blz. 226/227: het komt aan op de vraag of sprake is van een gebrek van het motorrijtuig; het gaat om de oorzaak (blz. 237). Hij geeft twee voorbeelden die nauwe verwantschap tonen met de onderhavige zaak (blz. 237/238). Een tegengestelde opvatting vindt men, naar wel wordt aangenomen, in een Bindend advies van Clausing, TvA 1982 nr. 25. Omdat het in die zaak, als ik het goed zie (blz. 119 in fine), in feite ging om een menselijke fout kan men van mening verschillen over de vraag of zij hier relevant is.

NOOT 7:
18 oktober 1983, nr. 21 (het komt aan op de oorzaak), 8 maart 1984, VR 1984, 79 (idem); 11 november 1993, VR 1994, 167.

NOOT 8:
29 september 1983 nr. 20. Grote gelijkenis vertoont ook Verbondscie. samenloop 31 mei 1983 nr. 18.

NOOT 9:
Zie onder meer HR 9 maart 1956, NJ 1956, 159; HR 23 maart 1956, NJ 1956, 267; HR 3 februari 1967, NJ 1968, 32 DJV, HR 12 juni 1970, NJ 1970, 388 en HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 195 ARB. Als geen sprake is van een zonder voorbehoud gegeven beslissing dan kan evenmin worden geklaagd over een motiveringsgebrek, zie HR 23 maart 1956, NJ 1956, 267.

NOOT 10:
Van deze mogelijkheid lijkt de mva onder 5.9 uit te gaan.

NOOT 11:
Hierop lijkt de cvr onder 25 te doelen; het wordt evenwel slechts als mogelijkheid vermeld.