Val van autotransporter


Geschillencommissie 07-05-2010 119


De oorzaak van de val was een gebrekkige valbeveiliging op de autotransporter . De motorrijtuigenverzekering biedt een kale WAM-dekking. De HR heeft in een vergelijkbare zaak op 10 oktober 2003 (NJ 2004/22) het oordeel van het hof  dat een beroep op de motorrijtuiguitsluiting van de AVB-verzekaar dient te worden verworpen omdat de AVB-verzekeraar bekend had behoren te zijn met de beperkte dekking van de WAM-verzekering en dus in diens eigen polisvoorwaarden met voldoende duidelijkheid tot uitdrukking had moeten brengen dat de AVB niet aansloot bij de verplichte WAM-dekking, maar bij een ruimere verzekering dan de beperktere en verplichte WAM-dekking.
Dezelfde argumenten kunnen voor een beperkte WAM-verzekering worden gehanteerd.
De Commissie wijst partijen op circulaire no. MOT-L-97/15/circulaire no. AAA-97/06, die een zogenaamde spiegelbeelddekking beoogt.  Nu beide verzekeraars in dit opzicht tekort zijn geschoten, acht de Commissie het gerechtvaardigd en billijk dat de schade en de redelijke kosten verbonden aan het afwikkelen van deze claim over beide verzekeraars wordt verdeeld.  

Uitspraak no. 119 van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars in zake
samenloopgeschil “Val van autotransporter“.

Betreft: AVB / WA-Motorrijtuigenverzekering vrachtauto’s.

Partijen:

A; AVB-verzekeraar,
en
B; verzekeraar van een vrachtauto, met WA-Motorrijtuigenverzekering voor vrachtauto’s

hebben zich ter verkrijging van een bindend advies van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars tot deze commissie gewend ter beslechting van een geschil dat tussen hen is gerezen.

Feitelijke gegevens

De werknemer van een Transportonderneming is bij het laden van zijn vrachtwagen, een autotransporter, van het bovendek gevallen. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen, aan de gevolgen waarvan hij negen dagen later, overleed.

Na melding van het plaatsgevonden ongeval is door de arbeidsinspectie een proces-verbaal opgesteld. De inspecteur van de Arbeidsinspectie heeft vastgesteld dat de op de autotransporter aangebrachte stalen kabel als leuning en bescherming tegen valgevaar op enkele plaatsen was beschadigd. De plastic mantel was op enkele plaatsen dermate beschadigd dat de stalen kabel niet meer beschermd was tegen weersinvloeden, waardoor er vocht in de kabel kon komen en roestvorming heeft kunnen optreden. Daarmee was de kabel als beveiliging niet meer betrouwbaar.

De vorderingsgerechtigden hebben in 2003 het transportbedrijf aansprakelijk gesteld. Het bedrijf heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar de tussenpersoon, die deze heeft
doorgestuurd naar zowel de AVB verzekeraar als de WA-Motorrijtuigenverzekeraar.

Partij B. heeft de overlijdensschaderegeling aanvankelijk op zich genomen onder de WA-Motorrijtuigenpolis.

Zij concludeerde echter dat haar polis voor deze schade geen dekking bood en heeft de verdere behandeling van deze schadeclaim beëindigd.

Vervolgens heeft A. de overlijdensschaderegeling op zich genomen. Dit heeft geleid tot een uitkering aan de vorderingsgerechtigden van € 122.067,97. Ook heeft A. een bedrag van
€ 25.605,73 aan expertise- en advocaatkosten voor haar rekening genomen. Partij A. heeft bij aangetekende brief aan partij B. aanspraak gemaakt op voldoening van alle bedragen die met de overlijdensschaderegeling gemoeid zijn. Na enige correspondentie is door B. een definitief afwijzend standpunt kenbaar gemaakt.

Partijen zijn het onderling eens over de feitelijke toedracht van dit ongeval.

Geschil

Partijen hebben elkaar niet kunnen overtuigen van de juistheid van de wederzijds ingenomen standpunten.

Partij A. stelt zich op het standpunt dat de onderhavige personenschade uitgesloten is van dekking, omdat het een schade betreft die is veroorzaakt met of door een motorrijtuig als
bedoeld in artikel 3.2 van haar polisvoorwaarden:

3.2 Motorrijtuigen
Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat de verzekerde bezit, houdt, bestuurt of gebruikt.
De uitsluiting geldt evenwel niet voor:

3.2.1
aanhangwagens
De aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door aanhangwagens, die na van een motorrijtuig te zijn losgemaakt of losgeraakt, buiten het verkeer tot stilstand zijn gekomen;

3.2.2
laden/lossen
De aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door lading, bij het laden of lossen van motorrijtuigen;
3.2.3
lading
De aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door lading, die zich bevindt op, dan wel valt of gevallen is van een motorrijtuig;
3.2.4
passagiers
De aansprakelijkheid voor schade toegebracht door de verzekerden als passagiers van een motorrijtuig.[…];
3.2.5
motorrijtuig in gebruik bij ondergeschikten
De aansprakelijkheid van de verzekeringnemer als werkgever voor schade, toegebracht met of door een motorrijtuig waarvan verzekeringnemer geen eigenaar, gebruiker of houder is en dat bij een ondergeschikte in gebruik was.[…]

Ook de in artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.5 genoemde uitzonderingen gaan in dit geval niet op.

Aangezien de personenschade de werknemer niet is veroorzaakt “door lading” missen artikelen 3.2.2. en 3.2.3 toepassing.

B. concludeert op grond van haar polisvoorwaarden dat de verzekering een zogeheten kale WAM-dekking omvat die geen dekking biedt voor het plaatsgevonden ongeval, omdat geen
sprake is geweest van de verwezenlijking van een verkeersrisico.

B. baseert haar stelling op de dekkingsomschrijving in haar polisvoorwaarden.
2.1 Aansprakelijkheidsverzekering
A De verzekering dekt de aansprakelijkheid van verzekerde tot ten hoogste op het polisblad genoemde verzekerde bedrag per gebeurtenis voor alle verzekerden tezamen, en met
voorbijgaan aan hetgeen anders in deze verzekering mocht zijn bepaald volgens de bij of krachtens de WAM gestelde eisen en de dienovereenkomstig geldende wettelijke bepalingen
en wettelijk voorgeschreven bedragen binnen het verzekeringsgebied, wegens toegebrachte personenschade en/of schade aan zaken – met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade – veroorzaakt met of door:
het motorrijtuig;
zaken, anders dan tijdens laden en lossen, die zich op of in het motorrijtuig en de aanhanger bevinden, dan wel daarvan/daaruit vallen of zijn gevallen;
(…)

De gebruikte bewoordingen sluiten volledig aan bij de vanouds bekende WAM strik, aldus B.

Deze strik dient volgens B. om te bereiken dat de dekking voor schade met of door het motorvoertuig niet tekort schiet, en dat de polis voldoet aan de door de WAM gestelde eisen.
A. acht het standpunt van B. dat haar polis een kale WAM-dekking biedt onjuist. Zij meent dat aan die kale WAM-dekking is toegevoegd dat ook verzekerd is de toegebrachte
personenschade en/of schade aan zaken (…) veroorzaakt met of door het motorrijtuig.

Overwegingen van de commissie

Dit geschil is als samenloopgeschil aan de Commissie voorgelegd overeenkomstig artikel 1 van haar reglement en artikel 2 van de samenloopregeling, op grond waarvan de Commissie dit geschil in behandeling neemt.

De Commissie constateert dat partijen het eens zijn over de feitelijke toedracht van het ongeval.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag wie van beide verzekeraars gehouden is op grond van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden dekking te verlenen voor de
onderhavige overlijdensclaim.

De Commissie stelt vast dat uit het onderzoek van de Arbeidsinspectie is gebleken dat de valbeveiliging die op de autotransporter was aangebracht niet voldeed aan de daaraan te
stellen veiligheidseisen ter voorkoming van het omlaag vallen, zodat als oorzaak van de val is aangenomen dat deze valbeveiliging heeft gefaald.

Partijen zijn het er onderling over eens dat de valbeveiliging in de vorm van de dubbele stalen kabel verroest en daardoor ondeugdelijk was. De functie van die stalen kabels is gelegen in het voorkomen van een valpartij als de onderhavige. De bovenste stalen kabel – die zich op heuphoogte bevond – heeft het echter door de roestvorming begeven op het moment dat de chauffeur met zijn lichaam tegen die kabel is gekomen, ten gevolge waarvan de chauffeur naar beneden is gevallen.

Aangezien de falende valbeveiliging onderdeel vormde van de autotransporter, impliceert de gebrekkige valbeveiliging een gebrek van de autotransporter. De oorzaak van het ongeluk is mitsdien gelegen in een gebrek van het motorrijtuig, zodat aangenomen moet worden dat het ongeval is veroorzaakt met of door de autotransporter in kwestie.

Uit de polisvoorwaarden van A. volgt dat op grond van het bepaalde in artikel 3.2 van de AVBdekking is uitgesloten de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door een
motorrijtuig dat de verzekerde bezit, houdt, bestuurt of gebruikt. Bovendien blijkt uit deze voorwaarden dat de in artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.5 vermelde uitzonderingen toepassing
missen.

De Commissie stelt dan ook vast dat de schade door de gebrekkige valbeveiliging is veroorzaakt, deze valbeveiliging ten tijde van het ongeval onderdeel uitmaakte van de
autotransporter, deze autotransporter een motorrijtuig is ter zake waarvan de uitsluiting van artikel 3.2 van de AVB van toepassing is en concludeert dat de AVB voor de onderhavige
schade geen dekking biedt.

Uit artikel 2 van de Motorrijtuigverzekering vrachtauto’s van B. volgt dat de verzekering de aansprakelijkheid dekt van verzekerden tot ten hoogste het op het polisblad vermelde
verzekerde bedrag per verzekerde gebeurtenis volgens de bij of krachtens de WAM gestelde eisen en de dienovereenkomstige geldende wettelijke bepalingen en wettelijk voorgeschreven bedragen binnen het verzekeringsgebied, wegens toegebrachte personenschade en/of schade aan zaken – met inbegrip van daaruit voortvloeiende schade – veroorzaakt met of door het motorrijtuig.

Gezien het bepaalde in artikel 2 van de motorrijtuigenverzekering is de Commissie van mening dat deze dekking een zogenaamde kale WAM-dekking biedt, die uitsluitend is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3 van de WAM. Daarin staat dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid moet dekken waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven, van iedere bezitter, houder en bestuurder van het verzekerde motorrijtuig.

De Commissie stelt vast dat het ongeval zich heeft voorgedaan op een moment dat de autotransporter veilig buiten het verkeer tot stilstand was gekomen om bij een bedrijf
personenauto’s te gaan laden en concludeert dat de Motorrijtuigverzekering op grond van artikel 2 voor het onderhavige ongeval geen dekking biedt.
Op grond van vorenstaande overwegingen stelt de Commissie mitsdien vast dat noch de AVB van A. noch de Motorrijtuigverzekering van B. dekking biedt voor de aansprakelijkheid wegens schade die gevolg is van de onderhavige val van de autotransporter.

De Commissie is er mee bekend dat in een vergelijkbare zaak de Hoge Raad in zijn uitspraak van 10 oktober 2003 (NJ 2004/22) heeft beslist dat bij het bestaan van twee afzonderlijke
verzekeringen, waarbij de AVB een uitsluiting bevat voor schade veroorzaakt door of met een motorrijtuig en de WAM-verzekering uitsluitend dekking biedt voor schade die is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor het verkeer, het niet onbegrijpelijk is dat het Hof het beroep op de motorrijtuiguitsluiting van de AVB-verzekaar heeft verworpen omdat de AVBverzekeraar bekend had behoren te zijn met de beperkte dekking van de WAM-verzekering en dus in diens eigen polisvoorwaarden met voldoende duidelijkheid tot uitdrukking had moeten brengen dat de AVB niet aansloot bij de verplichte WAM-dekking, maar bij een ruimere verzekering dan de beperktere en verplichte WAM-dekking.

De Commissie is van mening dat de door het Hof gebezigde argumenten niet alleen hebben te gelden voor een AVB met een uitsluitingsclausule voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig, maar dat dezelfde argumenten ook in het kader van een beperkte WAMverzekering kunnen worden gehanteerd, waarbij uitsluitend het verkeersrisico is gedekt.
Het Hof stelt zich namelijk op het standpunt dat bij het ontbreken van een sluitende spiegelbeelddekking van een AVB-verzekeraar mag verwachten ook van een WAMverzekeraar mag worden verwacht. Ook voor een WAM-verzekeraar geldt de matschappelijke verplichting om als een zorgvuldig handelende verzekeraar diens verzekerde voor het sluiten van de verzekering er duidelijk op te wijzen dat de geboden motorrijtuigenverzekering een kale WAM-dekking omvat en dus niet aansluit op de gangbare uitsluiting van het motorrijtuigrisico in de AVB.

Dit spreekt te meer nu uit het verweerschrift van partij B. blijkt dat de reden om de dekking van het motorrijtuigrisico te beperken tot een pure WAM-dekking het directe gevolg was van een tweetal uitspraken van de Commissie Samenloop, waarbij de Commissie van oordeel was dat op grond van de polisvoorwaarden de WA-motorrijtuigenverzekeraar dekking diende te bieden omdat in de desbetreffende samenloopgeschillen de schade was toegebracht met of door een motorrijtuig, terwijl de schade zoals die was toegebracht onder de otorrijtuigenuitsluiting van de AVB viel.

Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de onderhavige AVB tot stand is gekomen via de bemiddeling van het intermediair, dat als gevolmachtigde van de WAM-verzekeraar voorts heeft zorggedragen voor de afgifte van het Certificaat van de Bedrijfsautoverzekering, zodat deze tussenpersoon/gevolmachtigde in deze hoedanigheden de verzekeringnemer had kunnen en moeten attenderen op een bestaande en niet naadloos aansluitende dekking in beide verzekeringen.

In dit verband wijst de Commissie partijen nog op de gecombineerde circulaire van de afdeling Motorrijtuigen en de afdeling Algemene Aansprakelijkheid van het Verbond van Verzekeraars van 3 maart 1997 (circulaire no. MOT-L-97/15/circulaire no. AAA-97/06), die beoogt verzekeraars, voor gevallen als waarvan in dit geschil sprake is, te laten komen tot een sluitende, zogenaamde spiegelbeelddekking. Dat wil zeggen dat de aansprakelijkheid voor een schade als de onderhavige in ieder geval onder één verzekering is gedekt met uitsluiting van de andere.

De Commissie is derhalve van oordeel dat zowel de dekking onder de AVB als die onder de WAM-polis zodanig op elkaar dienen aan te sluiten dat in ieder geval wordt voorkomen dat
een verzekerde op geen van beide verzekeringen een beroep kan doen. Dit uitgangspunt wordt kennelijk ook door beide verzekeraars onderschreven nu zij in hun memorie van eis,
respectievelijk memorie van antwoord de Commissie vragen uit te spreken dat de schade volledig voor rekening komt van de andere verzekeraar.

Nu in de polisvoorwaarden niet aan dit uitgangspunt is voldaan en het er voor moet worden gehouden dat beide verzekeraars in dit opzicht tekort zijn geschoten, acht de Commissie het
gerechtvaardigd en billijk dat de schade en de redelijke kosten verbonden aan het afwikkelen van deze claim over beide verzekeraars wordt verdeeld.

Bindend advies

Partijen hebben zich tot de Commissie gewend ter verkrijging van een bindend advies. De Commissie geeft als bindend advies dat de onderhavige schade wordt afgewikkeld op de wijze als voorzien in artikel 7:961 BW opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk had kunnen worden aangesproken.

Aldus beslist op 7 mei 2010 door mr. R.G.L. Gerrits, mr. M.M.C.J.M. de Nerée tot Babberich, mr. P.P. Roerink en mr. M.J. Tolman, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van drs. J.A. Schaffers, secretaris. vice-voorzitter secretaris mr. M.M.C.J.M. de Nerée tot Babberich drs. J.A. Schaffers