Uitspraak nr. 109 van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars inzake samenloopgeschil "van laadklep gevallen platenwagen"
Betreft: AVB-verzekering / WA-motorrijtuigverzekering
Partijen: Verzekeraar A
en
Verzekeraar B
Verzekeraar A en Verzekeraar B hebben zich ter verkrijging van een uitspraak van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars tot deze commissie gewend ter beslechting van een geschil dat tussen partijen is gerezen.
Feitelijke gegevens
Mevrouw X, een werkneemster van bakkersbedrijf Y (hierna te noemen "de bakkerij"), hielp op
verzoek van^de chauffeur bij het laden en lossen van diverse platenwagens, gevuld met
ingevroren croissants, uit de bestelauto van de bakkerij, nabij de deuropening van de
opslagruimte aan de achterzijde van de winkel van de bakkerij. De hulp van de werkneemster
bestond in het tegenhouden van de karren op wielen zodra de chauffeur een kar vanuit de
laadruimte op de laadklep had gezet.
Bij het aldus verrijden van één van die platenwagens uit de laadruimte door de chauffeur, reed
echter de ongeremde kar van de enigszins schuin aflopende laadklep vanzelf door. De
werkneemster noch de chauffeur bleek in staat te zijn de kar nog tijdig tot stilstand te brengen,
waardoor deze van de laadklep kantelde en de werkneemster met haar handen onder die kar
bekneld raakte.
Mevrouw X liep door dit ongeval letsel op.
De bakker heeft een AVB-verzekering gesloten bij Verzekeraar A.
Voor de vrachtauto is een W.A.-motorrijtuigverzekering gesloten bij Verzekeraar B.
Partijen verschillen van mening over de vraag wie dekking dient te verlenen voor de veroorzaakte schade.
Het geschil
In zijn memorie van eis stelt Verzekeraar A (onder meer):
"In bovengenoemde schade treden wij op als bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van de bakker. Thans is er een geschil gerezen met de WAM-verzekeraar van de desbetreffende vrachtwagen, Verzekeraar B, omtrent de vraag welke verzekering dekking moet verlenen. Als eerst aangesproken verzekeraar hebben wij de schade in behandeling genomen. Met Verzekeraar B is de afspraak gemaakt dat wij ter beslechtiging van het gerezen geschil de zaak zouden voorleggen aan de Verbondscommissie Samenloop met een voor beide partijen bindende uitspraak.
Met betrekking tot de toedracht kunnen wij u het navolgende berichten. Een werkneemster van verzekerde is door de chauffeur van de vrachtwagen gevraagd om te assisteren bij het uitladen van diverse platenwagens met brood. De chauffeur duwde vanaf de vrachtwagen een kar naar voren de laadklep op. Omdat de laadklep ten gevolge van slecht onderhoud niet horizontaal stond, is de kar van de laadklep afgevallen met letsel aan de hand van de werkneemster tot gevolg. Daarnaast was de laadklep niet voorzien van een blokkeerinrichting. Het ongevallenrapport meldt dat de directe oorzaak het schuin aflopen van de laadklep door slecht onderhoud is geweest".
In zijn memorie van antwoord stelt Verzekeraar B onder meer:
"In de onderhavige kwestie zijn Verzekeraar A (als AVB-verzekeraar) en wij (als motorrijtuigverzekeraar) het erover eens dat de toedracht in de onderhavige schadezaak voldoet aan het criterium 'schade veroorzaakt door de lading tijdens tijden laad/loswerkzaamheden'. Dit is relevant omdat daarmee de toepasselijkheid is gegeven van de sinds 1979 bestaande afbakening die motorrijtuig- en aansprakelijkheidsverzekeraars zijn overeengekomen inzake dergelijke schadesituaties. Zoals u weet omhelst die regeling dat schade veroorzaakt door zaken die gelost worden van of geladen worden op een motorijtuig primair op een AVB- (onder omstandigheden op een AVP-) verzekering zijn gedekt. De polisvoorwaarden'zijn op deze regeling afgestemd. Wij verwijzen u naar artikel a van de dekkingsomschrijving in onze polisvoorwaarden W.A.-motorrijtuigverzekering.
De strekking van de regeling is duidelijk: ondanks de betrokkenheid van een motorrijtuig bij de schadetoedracht, moet worden uitgegaan van een primaire AVB/AVP-dekking, wanneer is voldaan aan het criterium 'schadeveroorzaakt door de lading tijdens laad/loswerkzaamheden'. In een aantal uitspraken heeft uw commissie volgens deze strekking in een samenloopgeschil beslist. Wij noemen in dit verband uw uitspraken onder nummer 10, 54, 65, 70.
Dat er desondanks een geschil tussen Verzekeraar A en onze maatschappij is gerezen vloeit voort uit een recente uitspraak van de Hoge Raad (HR 31 maart 2000, RvdW 2000/91, NJ 2000/357). In die zaak kreeg de rechter een overeenkomstig 'samenloopgeschil' te beoordelen. De uitspraak heeft geleid tot een verfijning in de toerekening van 'laad/losschaden' aan resp. de betrokken motorrijtuig- en AVB/AVP-verzekeraar in die zin dat, indien de schadeveroorzaking het gevolg is van een gebrek van het betrokken motorrijtuig, is uit te gaan van dekking op de motorrijtuigpolis. (Eigenlijk niet eens veel nieuws onder de zon, want uw commissie heeft in de uitspraken onder nummer 18 en 20 reeds soortgelijke zin beslist.)
Verzekeraar A heeft zich in de correspondentie met ons over deze zaak op de aangehaalde rechtspraak beroepen ter motivering van haar standpunt. De vraag is aldus of de omstandigheden van deze zaak, of heel concreet: de betrokkenheid van het motorrijtuig in kwestie, zodanig is dat in casu naar criteria van de aangehaalde uitspraak, en/of naar de criteria die voor uw commissie ten grondslag lagen aan uw beslissing in de zaken bekend van uitspraak 18 en 20, sprake is van 'een gebrek van het motorrijtuig' als directe oorzaak van de schade die door een gelost of geladen wordende zaak is veroorzaakt.
Wij menen dat pas als er sprake is van een 'gebrek van een motorrijtuig' als er iets 'stuk' is of
iets niet naar behoren werkt. In casu is daarvan naar onze mening geen sprake. Een aantal
factoren heeft in onderlinge samenhang ertoe bijgedragen dat een tot de lading behorende
zaak (een 'platenwagen' op wieltjes) van een - via elektrokracht bedienbare - laadklep af is
gereden.
De meest belangrijke factoren zijn:
het feit dat de platenwagen ongeremde wieltjes had;
het feit dat de laadklep t.o.v. de laadvloer van de bestelauto in kwestie enkele graden
achterover helde.
In het Ongevallen/Boete rapport wordt met name dit laatste aspect vermeld als 'te wijten aan gebrekkig onderhoud'. Want, zo begrijpen wij, het mechanisme van de laadklep is voorzien van een mogelijkheid om periodiek de stand van de laadklep bij te stellen. Wij leiden daar voorts uit af dat er niets 'stuk' is geweest aan het desbetreffende motorrijtuig.
Onze conclusie is dan ook dat een bepaald eigenschap (de niet optimaal afgestelde laadklep) van het motorrijtuig in casu weliswaar heeft bijgedragen tot het ongeval, maar dat dit aspect onvoldoende aanleiding vormt om de primaire AVB-dekking inzake het laad/losrisico niet van toepassing te achten. Wij wijzen u er wat dat betreft graag op dat bij een licht achterover hellende staiTd van het motorrijtuig (bijvoorbeeld bepaald door de plaats waar de auto geparkeerd stond, al dan niet in combinatie met de wijze van belading) hetzelfde ongeval had kunnen gebeuren, simpelweg omdat ook dan de broodwagen als gevolg van dat object, namenlijk het beschikken over ongeremde wieltjes, van of uit de bestelauto had kunnen rijden".
De commissie legt vervolgens aan Verzekeraar A de vraag voor of hij met de redactie van zijn polisvoorwaarden beoogd heeft aan te sluiten bij de bestaande samenloopregeling, waarnaar Verzekeraar B verwijst, die motorrijtuig- en aansprakeiijkheidsverzekeraars zijn overeengekomen. Verzekeraar A antwoordt onder meer:
"Ingevolge uw verzoek bevestig ik u hierbij dat wij bij de redactie van de polisvoorwaarden hebben beoogd aansluiting te zoeken bij de samenloopregeling ook al is de door het Verbond geadviseerde polistekst niet letterlijk in de polisvoorwaarden opgenomen.
Ik heb wel reden om de grondslag van het beroep op de commissie in die zin te wijzigen dat hierop onzerzijds een aanvulling wordt gegeven.
Het motorrijtuig was, naast het door ons opgegeven defect, bovendien niet veilig geparkeerd doordat het motorvoertuig onder een hellinghoek van 8% geparkeerd stond. Deze wijze van parkeren was niet veilig doordat hierdoor het wagentje, d.w.z. de lading spontaan in beweging kon komen en van / uit het motorrijtuig kon vallen. Het niet veilig parkeren als in deze situatie is een verkeersrisico en dient primair op de WAM polis verzekerd te zijn".
Verzekeraar B geeft op de aanvulling van de memorie van eis van Verzekeraar A als reactie:
"In de desbetreffende aanvulling voert Verzekeraar A een extra argument aan ter adstructie van zijn stelling dat de onderhavige schadesituatie onder de dekking van de WAM-polis hoort te vallen.
Het argument (het motorrijtuig stond onder een kleine hellingshoek geparkeerd waardoor de onderhavige 'platenwagen - zijnde de lading in kwestie - spontaan in beweging is gekomen) is naar onze mening niet relevant voor de vraag naar de toepasselijkheid van de vigerende
samenloopregeling inzake 'schade veroorzaakt door de lading tijdens laad-/loswerk-zaamheden'.
Ons betoog (zie de memorie van antwoord) is erop gericht dat de desbetreffende samenloopregeling van toepassing moet worden geacht wanneer de schadesituatie voldoet aan het criterium 'schade veroorzaakt door de lading tijdens laden en lossen'. Er is naar de huidige stand van zaken slecht één uitzondering op deze regel, en die betreft de situatie dat de directe aanleiding tot de schadeveroorzaker is gelegen in een gebrek van het motorrijtuig. Vervolgens hebben wij betoogd dat de omstandigheden waardoor in casu de 'platenwagen' (de lading) in beweging is gekomen, niet te beschouwen is als een gebrek van het motorrijtuig, met als conclusie dat de eerder aangehaalde amenloopregeling van toepassing is en aldus de schade onder de dekking van de AVB-polis valt.
Thans komt Verzekeraar A met een nieuw argument dat, als het zou worden gehonoreerd, leidt tot een nog verdergaande uitholling van de oorspronkelijke regeling, een regeling die juist bedoeld is om een (indertijd) steeds terugkerende discussie tussen motorrijtuig- en AVB-verzekeraars te voorkomen. Immers, vanwege de (noodzakelijke) betrokkenheid van een motorrijtuig is bij dergelijke schadesituaties altijd wel een meer of minder relevante omstandigheid te vinden in de sfeer van dat motorrijtuig. Maar daarmee is allerminst gezegd dat de schade thuishoort onder de dekking van de motorrijtuigpoiis. De zienswijze waarvan Verzekeraar A met zijn aanvulling blijk geeft, maakt toepassing van de samenloopregeling in de meeste gevallen illusior.
Ten overvloede voegen wij hier nog aan toe dat in veel laad-/lossituaties niet eens sprake is
van schadeveroorzaking die valt binnen het toepassingsgebied van de WAM. Dit alles laat
onverlet dat, wanneer in casu geen sprake was geweest van 'laad-/loswerkzaamheden', de
onderhavige schade ook naar onze mening ten laste van de motorrijtuigpolis zou moeten
komen.
Gelukkig zijn Verzekeraar A en wij het er volledig over eens dat in casu wél sprake is van laad/loswerkzaamheden, én dat de schade is veroorzaakt door de lading.
Daarmee achten wij toepassing van de desbetreffende samenloopregeling gegeven, met als
gevolg dat er dekking is onder de AVB-polis, tenzij uw commissie van mening is dat in casu de
aanleiding tot de schadeveroorzaking is gelegen in een gebrek van het motorrijtuig".
Overwegingen van de commissie
Dit geschil is als samenloopgeschil aan de commissie voorgelegd overeenkomstig artikel 1 van haar reglement en artikel 2 van de samenloopregeling, op grond waarvan de commissie dit geschil in behandeling neemt.
De commissie stelt vast dat partijen erkennen dat de bakkerij als werkgever van mevrouw X aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval van mevrouw X.
Voor de beoordeling van het onderhavige geschil zijn de volgende polisvoorwaarden van belang:
I Met betrekking tot de AVB-verzekering van A de uitsluiting voor de aansprakelijkheid in:
"Artikel p Motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen
Voor schade verband houdende met een motorrijtuig, vaartuig of luchtvaartuig, dat verzekerde bezit, houdt, bestuurt of als werkgever doet of laat gebruiken of dat door een niet-ondergeschikte wordt gebruikt in het kader van de uitoefening 'van het bedrijf van verzekerde.
Deze uitsluiting geldt niet voor: a.....
b. laden/lossen
schade veroorzaakt door lading, bij het laden of lossen van een motorrijtuig, aanhangwagen of oplegger, tenzij de aanspraak betrekking heeft op de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen op grond van afdeling 1 van titel 14 van Boek 8 BW waarvoor ingevolge de WAM een verplichte verzekeringsdekking geldt;
c. Lading
schade door lading die zich bevindt op, dan wel valt of gevallen is van een motorrijtuig, aanhangwagen of oplegger."
II met betrekking tot de W.A.-motorrijtuigverzekering van Verzekeraar B:
"Artikel a Aansprakelijkheid
De verzekering dekt de aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade aan personen en zaken - met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade - die met of door het motorrijtuig is veroorzaakt. In de dekking is mede begrepen de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door zaken die zich bevinden op, vallen van of gevallen zijn van het motorrijtuig, tenzij de schade is ontstaan tijdens laad- en loswerkzaamheden."
De commissie leidt uit de geponeerde stellingen en aanvullende informatie van partijen af dat zij met de hiervoor geciteerde polisvoorwaarden aansluiting hebben willen zoeken bij de "Regeling inzake de Samenloop van motorrijtuig- en algemene W.A.-verzekering" als aanbevolen in de gecombineerde circulaire van de toenmalige Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren (N.V.V.A.) en de Nederlandse Vereniging van Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekeraars (W.A.V.) van 25 juli 1959, zoals laatstelijk gewijzigd conform de gecombineerde circulaire van de afdeling Motorrijtuigen en de afdeling Algemene Aansprakelijkheid van het Verbond van Verzekeraars van 3 maart 1997 (circulaire no. MOT-L-97/15/circulaire no. AAA-97/06).
De commissie wijst erop dat de Regeling inzake Samenloop van motorrijtuig- en algemene W.A.-verzekering beoogt verzekeraars voor gevallen als de onderhavige te laten komen tot een sluitende, zogenaamde spiegelbeelddekking, dat wil zeggen dat de aansprakelijkheid voor een schade als de onderhavige, gedekt is onder één verzekering met uitsluiting van de andere.
Uit het door de Arbeidsinspectie ingestelde onderzoek is gebleken dat de laadklep door slecht
onderhoud niet voldeed aan de wettelijk gestelde eisen en dat de laadklep in de bovenste
stand, dus op laadruimhoogte, ongeveer 7 a 8 graden schuin naar beneden afliep.
Verder bleek het hefplateau niet voorzien te zijn van enige blokkeerinrichting om
afglijden/afrijden van een op de laadklep geplaatst voorwerp te verhinderen.
Derhalve dient naar de mening van de commissie als directe en rechtens relevante oorzaak
van het ongeval de gebrekkige en schuin aflopende laadklep te worden aangemerkt.
Aangezien deze laadklep onderdeel van het motorrijtuig vormt is het ongeval derhalve
veroorzaakt doordat van een gebrekkig motorrijtuig gebruik werd gemaakt.
De commissie stelt vast dat er op grond van het bepaalde in artikel a dekking bestaat voor
deze schade onder de WA-motorijtuigverzekering van Verzekeraar B.
De commissie stelt voorts vast dat ingevolge het bepaalde in artikel p lid c van de AVB-polisvoorwaarden van Verzekeraar A, schade door lading die zich bevindt op, dan wel valt of gevallen is van een motorrijtuig, onder de dekking valt, zodat de polis van Verzekeraar A op grond van dit artikel in beginsel eveneens dekking biedt voor de onderhavige door de platenwagen toegebrachte schade.
Vanwege de in artikel q van de polisvoorwaarden opgenomen "harde" samenloopbepaling biedt de AVB-verzekering ten opzichte van andere verzekeringen echter geen dekking, indien blijkt dat de aansprakelijkheid onder een andere verzekering is gedekt of zou zijn gedekt bij het niet bestaan van de AVB-verzekering.
Conclusie
De commissie concludeert dat de door de lading toegebrachte schade is veroorzaakt met of door het motorrijtuig en dat uitsluitend de WA-motorrijtuigverzekering van Verzekeraar B hiervoor dekking biedt vanwege de in de AVB-voorwaarden opgenomen samenloopbepaling.
Bindend advies
Partijen hebben zich tot de commissie gewend ter verkrijging van een bindend advies. De commissie geeft als bindend advies dat Verzekeraar B dekking zal dienen te verlenen. Aldus is beslist op 7 maart 2003 door mr. S.A.M. Brugman, mr. M.M.C.J.M, de Nerée tot Babberich, rfTr. D.F. Richters en mr. P.P. Roerink, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van mw. mr. W.H. Quaedvlieg-Meijer, secretaris.
De voorzitter De secretaris
mr D.F. Richters mevr. mr. W.H. Quaedvlieg-Meijer