Omvergelopen fietser


GCS 118


Op het moment dat de bestuurder C zijn motorrijtuig verliet om in een winkeletalage te kijken was het motorrijtuig nog niet veilig buiten het verkeer tot stilstand gebracht, waardoor het verband tussen het gebruik van die auto en het gedrag als bestuurder, gedurende het tijdsbestek dat deze zijn auto had verlaten, behouden bleef. Een dergelijk verkeersgedrag staat in een zodanig nauw verband met het deelnemen aan het verkeer van, dat de schade valt aan te merken als zijnde veroorzaakt met of door het gebruik van een motorrijtuig in de zin van artikel 3 van de WAM.

Uitspraak no. 118 van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars inzake samenloopgeschil “door chauffeur omvergelopen fietsster”.


Partijen
A (AVP)
en
B (WAM)


A en B hebben zich ter verkrijging van een bindend advies van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars tot deze commissie gewend ter beslechting van een geschil dat tussen hen is gerezen.


Feitelijke gegevens
C heeft op een zondag in 2005 op locatie D zijn motorvoertuig voor een rood uitstralend verkeerslicht tot stilstand gebracht Vervolgens is hij aldaar uit zijn auto gestapt om via de linkervoorzijde van zijn auto naar de rechterzijde van de straat te lopen om in een étalage van een zich aan die kant bevindende winkel te kunnen kijken. Op het moment dat C langs de voorzijde van zijn auto liep zag hij niet dat aan de rechterzijde van zijn auto een fietsster naderde, in de richting van het inmiddels op groen gesprongen stoplicht. Deze fietsster is daarop door hem omver gelopen en ten val gekomen. Deze fietsster heeft C als veroorzaker van het ongeval voor de ontstane schade aansprakelijk gesteld.
Partijen verschillen van mening over de vraag wie dekking dient te verlenen voor de veroorzaakte schade.


Geschil
Partijen hebben elkaar niet kunnen overtuigen van de juistheid van de wederzijds ingenomen standpunten.
A is van mening dat B als WAM-verzekeraar de schade dient te vergoeden. A meent dat, hoewel het motorrijtuig niet direct zelf betrokken is bij het ongeval, er in casu een dermate nauw verband is tussen het deelnemen van het motorrijtuig aan het verkeer en het ontstaan van de schade, dat deze valt aan te merken als te zijn veroorzaakt met het motorrijtuig.
B is van mening dat A als AVP-verzekeraar de schade dient te vergoeden. B geeft aan dat de betrokkenheid van het motorrijtuig een toevallige bijkomstigheid was, die voor het aansprakelijkheidsscheppende handelen van C niet van belang was. Naar de mening van B is in casu niet voldaan aan het vereiste causaal verband in de zin van de WAM.


Overwegingen van de commissie
De commissie heeft kennis genomen van de aan haar overgelegde stukken.
De commissie stelt vast dat op grond van deze stukken en hetgeen over en weer door partijen naar voren is gebracht, C aansprakelijk wordt geacht voor de gevolgen van de aan de fietsster overkomen ongeval. C heeft zijn auto verlaten toen hij voor een rood stoplicht diende te wachten en hij meende die tijd te kunnen benutten om snel een étalage te bekijken. Hij is dus uit zijn auto gestapt op een moment dat het motorvoertuig door hem nog niet veilig en buiten het verkeer tot stilstand was gebracht. Bovendien heeft hij, gezien de wijze waarop de auto tot stilstand werd gebracht, onvoldoende rekening gehouden met mogelijk naderend (fiets)verkeer, waardoor hij na het uitstappen en bij het naderen van de winkelétalage de onderhavige fietsster over het hoofd heeft gezien en tegen die fietsster is opgelopen. De commissie stelt verder vast dat de volgende door partijen gehanteerde polisvoorwaarden van belang zijn:


Artikel 5.4 van de AVP-polisvoorwaarden van A:
5.4. Motorrijtuigen
Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat een verzekerde in eigendom heeft, bezit, houdt, bestuurt of gebruikt.
(…..)
De onder 5.4 a, b, c en d omschreven dekking geldt niet als, zo deze verzekering niet bestond, aanspraak gemaakt zou kunnen worden op een uitkering op grond van enige andere verzekering al dan niet van oudere datum of op grond van enige wet of andere voorziening.
Artikel 2 van de WAM-polisvoorwaarden van B:


2. Omvang van de dekking
2.1 Aansprakelijkheid
Verzekerd is de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade aan personen of zaken, inclusief de daaruit voortvloeiende schade, veroorzaakt door of met het motorrijtuig.
2.6 Secundaire dekking
De dekking voor een object als omschreven onder 1.2.5, de dekking volgens 2.4 en 2.5 is alleen van kracht indien dit risico niet of niet te volle elders verzekerd is, al dan niet bij verzekering van oudere datum, of onder een andere verzekering gedekt zou zijn, als deze verzekering niet bestond.

De commissie is van oordeel dat op het moment dat C zijn motorrijtuig verliet om naar een nabij gelegen winkeletalage te lopen, het motorrijtuig nog niet veilig en buiten het verkeer tot stilstand was gebracht, waardoor het verband tussen het gebruik van die auto en het gedrag van C in diens hoedanigheid als bestuurder daarvan, gedurende het tijdsbestek dat hij zijn auto had verlaten, behouden bleef. Een dergelijk verkeersgedrag als dat van C staat in een zodanig nauw verband met het op de geschetste wijze deelnemen aan het verkeer van dat motorrijtuig, dat de schade valt aan te merken als zijnde veroorzaakt met of door het gebruik van een motorrijtuig in de zin van artikel 3 van de WAM. De aansprakelijkheid van C vloeit derhalve voort uit het gebruik dat C als bestuurder van zijn auto maakte en waartoe dat motorrijtuig in het verkeer aanleiding kon geven.

Conclusie
De commissie concludeert dat de aansprakelijkheid van C als bestuurder van het motorrijtuig is gedekt op de WAM-verzekering van B.

De aansprakelijkheid van C als bestuurder van het motorrijtuig is niet gedekt op de AVP-verzekering van A, aangezien in artikel 5.4 expliciet is uitgesloten de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat een verzekerde in eigendom heeft, bezit, houdt, bestuurt of gebruikt. Nu de AVP-verzekeraar een uitsluiting kent voor schade veroorzaak met of door het motorrijtuig, is er geen sprake van samenloop van verzekeringen.
De commissie stelt derhalve vast dat voor de veroorzaakte schade uitsluitend B als WAM-verzekeraar dekking biedt.

Bindend advies
Partijen hebben zich tot de commissie gewend ter verkrijging van een bindend advies. De commissie geeft als bindend advies dat B, als WAM-verzekeraar, dekking dient te bieden voor de schade.
Aldus beslist op 5 februari 2007 door mr. R.G.L. Gerrits, mr. M.M.C.J.M. de Nerée tot Babberich, mr. P.P. Roerink, mr. A.J. van Rooijen, mr. D.F. Richters en mr. M.J. Tolman, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van mw. mr. R.M.L.A. Martius, secretaris.
voorzitter secretaris


mr. D.F. Richters mw. mr. R.M.L.A. Martius