Bulletin 2006, 3

 

Bulletin 2006, 3 Samenloop en uitleg van voorwaarden Zwartepietenspel met WAM-verzekeraars
HR 13 januari 2006, LJN-Nr. AU3715 (Garageverzekeraar/WAM-verzekeraar), RvdW 2006, 81
Mr. O. P. van Tricht, Bosselaar & Strengers Advocaten
Inleiding
De Hoge Raad komt over het algemeen niet toe aan inhoudelijke toetsing van de uitleg van een verzekeringsovereenkomst, omdat uitleg dikwijls zeer verweven is met de feiten en omstandigheden van de zaak die voorligt en daarom is voorbehouden aan de rechtbank en het hof. In de onderhavige zaak twistten twee verzekeraars over de vraag wie uiteindelijk dekking zou moeten bieden voor een WAM-schade, waarbij de uitleg van een uitsluitingsclausule en een samenloopclausule aan bod komt. De Hoge Raad ziet in deze zaak een mogelijkheid zich inhoudelijk uit te laten over de uitleg van de clausules en geeft daarbij nog meer duidelijkheid voor kwesties van samenloop.
 
De feiten
X bood op 8 mei 1999 zijn auto ter reparatie aan bij een garagebedrijf. Voor de duur van de reparatie kreeg hij de beschikking over een leenauto van het garagebedrijf, waarmee hij diezelfde dag een aanrijding veroorzaakte. Of de aanrijding geheel aan de schuld van X was te wijten is niet uit de uitspraak af te leiden, maar dit ligt voor de hand. Op het moment van de aanrijding had X meer dan drie keer de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed. Y, bestuurder van de andere bij de aanrijding betrokken auto, raakte gewond en leed schade. De leenauto was WA verzekerd bij Garageverzekeraar onder een zogenoemde garageverzekering. De garageverzekering bevat de volgende samenloopclausule: [uitgesloten van dekking is] “schade waarvoor de aansprakelijkheid onder enige andere verzekering verzekerd is of daaronder verzekerd zou zijn indien onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan”.
De ter reparatie aangeboden auto was overeenkomstig de WAM verzekerd bij WAM-verzekeraar. WAM-verzekeraar zal in het hiernavolgende ook als ‘WAM-verzekeraar’ worden aangeduid. De WAM-verzekering bood tevens dekking voor aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door een vervangend motorrijtuig, echter met de volgende restrictie: “voor zover daarvoor geen andere verzekering van kracht is”.
De WAM-verzekering sloot bovendien van dekking uit: [schade] “veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder niet wettelijk bevoegd is het motorrijtuig te besturen”. Deze restrictie werd in de procedure gezien als een ‘na-u-clausule’.
De garageverzekeraar heeft een bedrag ad NLG 58.549 uitgekeerd aan Y voor de door hem geleden schade, maar meent dat de WAM-verzekeraar uiteindelijk gehouden zal zijn dekking te verlenen. WAM-verzekeraar dacht daar wezenlijk anders over en werd vervolgens door de Garageverzekeraar in rechte betrokken.
Garageverzekeraar dagvaardde WAM-verzekeraar voor de rechtbank en vorderde – kort gezegd – voor recht te verklaren dat WAM-verzekeraar gehouden is dekking te verlenen voor de door Y geleden en nog te lijden schade, dat WAM-verzekeraar daarom gehouden is de (verdere) afwikkeling van de schade ter hand te nemen evenals het bedrag dat door Garageverzekeraar is voldaan aan Garageverzekeraar te betalen, vermeerderd met rente. WAM-verzekeraar verweert zich tegen de vordering.
 
Het geschil nader in kaart gebracht
Vanzelfsprekend overweegt de Hoge Raad (r.o. 3.2) dat aan de orde is de vraag wie van de partijen gehouden is dekking te verlenen. Tegen de tijd dat de zaak ter beoordeling aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, hebben zich daarbij volgens de raad drie verdere vragen afgetekend:
(a) is WAM-verzekeraar gehouden aan een vermeende (haar toe te rekenen) toezegging dat zij dekking zou bieden – deze vraag blijft in deze bijdrage buiten beschouwing;
(b) is dekking door WAM-verzekeraar uitgesloten op grond van het feit dat X een hoger bloedalcoholpromillage had ten tijde van het ongeval dan wettelijk is toegestaan; en
(c) is de samenloopclausule die Garageverzekeraar hanteert harder dan die WAM-verzekeraar hanteert en – zo ja – brengt dit mee dat Garageverzekeraar niet gehouden is de schade voor haar rekening te nemen.
De rechtbank beantwoordde in haar tussenvonnis vraag (b) ontkennend, vraag (c) bevestigend en liet vraag (a) onbeantwoord. Het hof volgde de rechtbank door vraag (c) bevestigend te beantwoorden, maar anders dan de rechtbank beantwoordde het hof ook vraag (b) bevestigend, vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van Garageverzekeraar af. (Daarbij overigens net als de rechtbank het antwoord op vraag (a) onbeantwoord latende.)
Hierna wordt allereerst het aspect van de uitsluitingsclausule met betrekking tot de ‘wettelijke bevoegdheid tot besturen’ in relatie tot het alcoholgebruik behandeld – vraag (b) – en vervolgens het aspect van de samenloopclausules – vraag (c).
 
Ad b: is sprake van een alcoholclausule?
WAM-verzekeraar meende dat zij niet gehouden was tot het verlenen van dekking, aangezien X ten gevolge van de vergaande overschrijding van het wettelijk toegestane bloedalcoholpromillage ‘niet wettelijk bevoegd was het motorrijtuig te besturen’. In deze procedure stond de uitleg van het in de clausule gehanteerde begrip ‘wettelijk bevoegd te besturen’ ter discussie. De uitsluitingsclausule van WAM-verzekeraar repte niet letterlijk over (ontoelaatbaar) alcoholgebruik, waardoor de vraag kon rijzen of de onderhavige situatie van alcoholmisbruik onder de clausule viel. De rechtbank oordeelde dat de clausule niet tevens de situatie van teveel alcoholgebruik omvatte. Het hof heeft de clausule echter ruimer uitgelegd en overwoog dat X op grond van art. 8 lid 2 WVW 1994 niet bevoegd was een voertuig te besturen en dat dit niet anders was door de enkele omstandigheid dat hem ten tijde van het ongeval niet de rijbevoegdheid was ontzegd. Het hof sloot bij de uitleg van het in de clausule gehanteerde begrip ‘wettelijk bevoegd’ aan bij de betekenis die dat begrip heeft in de WVW 1994. En daar gaat het volgens de Hoge Raad nu juist mis, zoals blijkt uit r.o. 4.2.2 van het arrest: “Op grond van wat het hof hier overweegt moet worden aangenomen dat het hof de desbetreffende polisbepaling zo heeft opgevat dat het begrip ‘wettelijk bevoegd’ daarin wordt gebezigd in de betekenis die daaraan door de Wegenverkeerswet 1994 wordt gegeven. Bij dit, klaarblijkelijk ook door het onderdeel gekozen, uitgangspunt klaagt onderdeel II.4 terecht dat het hof met zijn hierboven weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van genoemd begrip. Degene die op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegd is een motorrijtuig te besturen, (...) verliest die bevoegdheid niet reeds van rechtswege doordat hij het verbod van art. 8 van die wet overtreedt. Dat blijkt uit het stelsel van de wet. (...).”
De overwegingen van het hof dat X de clausule redelijkerwijs niet anders had kunnen opvatten dan dat daaronder ook was begrepen het besturen van een auto in strijd met het verbod van art. 8 WVW 1994, omdat dit – kort gezegd – een feit van algemene bekendheid is, kunnen volgens de Hoge Raad niet in stand blijven. De Hoge Raad overweegt in dat licht in r.o. 4.2.3: “Het hof heeft de reikwijdte van het begrip ‘feit van algemene bekendheid’ in art. 149 lid 2 Rv. miskend nu in het licht van wat opgemerkt in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 22, geenszins gezegd kan worden dat het algemene publiek dat een WAM-verzekering afsluit, geacht kan worden te weten of uit voor ieder toegankelijke bronnen te weten kan komen dat veelal in WAM-verzekeringen dekking is uitgesloten voor schade die is toegebracht door de verzekerde auto terwijl de bestuurder daarvan meer alcohol in zijn bloed had dan het wettelijk toegestane promillage”.
 
Ad c: samenloopclausules
Y heeft ervoor gekozen Garageverzekeraar aan te spreken voor zijn schade. Dit ligt ook voor de hand, omdat voor hem niet zonder meer zichtbaar zal zijn dat wellicht ook de verzekeraar van de ter reparatie aangeboden auto dekking zou kunnen verlenen. Op grond van de onderlinge afspraken van de leden van het Verbond van Verzekeraars diende Garageverzekeraar als eerst aangesproken partij de schade af te wikkelen, een verplichting die overigens voor het huidige verzekeringsrecht is opgenomen in art. 7:961 lid 1 BW. Tegenover Y kon Garageverzekeraar met andere woorden geen beroep doen op haar samenloopclausule, maar de clausule zou wel mee kunnen brengen dat de draagplicht wordt afgewenteld op een andere verzekeraar. Omdat WAM-verzekeraar eveneens een samenloopclausule hanteerde, was de vraag aan de orde wat hiervan voor de onderlinge draagplicht het gevolg zou kunnen zijn. In de verzekeringspraktijk wordt onderscheid gemaakt naar zogenoemde ‘harde’ en ‘zachte’ samenloopclausules – ook wel na-u-clausules genoemd. Deze terminologie is overgenomen in de jurisprudentie en in zijn arresten van 10 maart 1995 – NJ 1995, 580 – en 27 februari 1998 – NJ 1998, 764 – heeft de Hoge Raad hieraan uitvoerig aandacht besteed. Een zachte samenloopclausule sluit van dekking uit aansprakelijkheid die tevens onder een andere verzekering is gedekt. Een harde samenloopclausule sluit dekking reeds uit indien en voor zover er enige verzekering is die dekking zou bieden als de onderhavige verzekering er niet was – de zogenoemde ‘wegdenktournure’.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad was reeds een aantal concrete regels af te leiden met betrekking tot de samenloopproblematiek, die als volgt kunnen worden samengevat:
(1) Indien sprake is van samenloop van verzekeringen met gelijkluidende samenloopclausules – dus beide zacht of beide hard – zullen deze clausules telkens uitwerking missen. In die gevallen zal de verzekeraar die door de benadeelde wordt aangesproken een verhaalsrecht hebben op de andere verzekeraar, die zal moeten bijdragen naar evenredigheid van het bedrag waartoe de verzekeraars ieder afzonderlijk zouden kunnen worden aangesproken. Dit volgt voor het huidige verzekeringsrecht uit art. 961 lid 3 BW en gold ook reeds als uitgangspunt voordat dit artikel op 1 januari 2006 in werking trad.
(2) Staan een harde en een zachte samenloopclausule tegenover elkaar, dan heeft slechts de verzekering met de zachte samenloopclausule dekking te verlenen. Als de verzekeraar met de harde clausule als eerste is aangesproken, heeft deze een verhaalsrecht jegens de andere verzekeraar.
(3) Staan een harde en een zachte samenloopclausule tegenover elkaar maar staat voor de verzekeraar met de zachte samenloopclausule een beroep op een geldige en toepasselijke uitsluitingsclausule open, dan hoeft zij geen dekking te verlenen en zal de verzekeraar met de harde samenloopclausule geen verhaal kunnen nemen op de verzekeraar met de zachte samenloopclausule.
In de onderhavige zaak stelde WAM-verzekeraar zich op het standpunt dat de door haar gehanteerde clausule hard was, ondanks het feit dat die niet de zogenoemde ‘wegdenktournure’ bevatte. De Hoge Raad volgt op dit punt echter de rechtbank en het hof door te overwegen dat van een harde samenloopclausule geen sprake is, indien die clausule niet bepaalt dat de verzekering waarvan de clausule deel uitmaakt moet worden weggedacht indien een andere verzekering mogelijk dekking biedt. De Hoge Raad motiveert deze overweging met een beroep op het belang van rechtszekerheid in r.o. 5.2.2 van zijn arrest: “Ter wille van de rechtszekerheid kan niet worden aanvaard dat, zoals het onderdeel verdedigt, van een ‘harde’ samenloopclausule ook sprake zou kunnen zijn indien zij niet tevens zou inhouden dat de verzekering in het geval van samenloop met een andere verzekering geheel moet worden weggedacht (de – in de woorden van het middel – ‘wegdenktournure’). Daarmee zou immers het meest kenmerkende element dat de ‘harde’ samenloopclausule van de ‘zachte’ onderscheidt, vervallen, hetgeen zou leiden tot onduidelijkheid die met het oog op de niet zelden gecompliceerde problematiek van de samenloop van verzekeringen, ongewenst is.”
 
Commentaar
De uitleg van een verzekeringsvoorwaarde wordt door de Hoge Raad doorgaans als feitelijk van aard beschouwd, zodat die uitleg in cassatie in beginsel niet kan worden getoetst, tenzij het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of sprake is van een motiveringsgebrek. De feitelijke uitleg van de verzekeringsovereenkomst volgt uit de Haviltex-maatstaf die daarbij geldt. Volgens deze maatstaf dient de uitleg plaats te vinden overeenkomstig de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze voorwaarden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Aangezien overeenkomstig deze maatstaf sprake is van een weging van feiten en omstandigheden, is uitleg vanzelfsprekend een feitelijke kwestie.
De onderhavige zaak gaf de Hoge Raad echter de gelegenheid om zich inhoudelijk uit te laten over de uitleg van zowel de uitsluitings- als de samenloopclausule in de WAM-verzekering. Deze tamelijk uitzonderlijke situatie is ingegeven door de omstandigheid dat het hof voor de uitleg van het begrip ‘wettelijk bevoegd’ in de uitsluitingsclausule kennelijk daaraan de betekenis heeft willen toekennen die wordt gebezigd in de WVW 1994. Indien die uitleg zich vervolgens niet laat rijmen met het systeem van die wet, is sprake van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitleg van de polisbepaling, die in cassatie kan worden getoetst. Ten aanzien van de uitleg van de samenloopclausule, die door het hof als ‘zacht’ was gekwalificeerd, kon de Hoge Raad ook – min of meer – inhoudelijk toetsen. Dit was ingegeven door de algemene overweging van het hof, dat van een ‘harde’ samenloopclausule slechts sprake kan zijn indien een zogenoemde ‘wegdenktournure’ daarvan deel uitmaakt. Deze overweging die onderdeel uitmaakte van de motivering was immers geen feitelijke beslissing en leende zich voor toetsing in cassatie. De Hoge Raad vond, mede gelet op deze overweging, de kwalificatie van de clausule van de WAM-verzekeraar als ‘zacht’ in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk.
 
Conclusie
Op grond van het arrest van de Hoge Raad staat vast dat WAM-verzekeraars zich niet op een uitsluitingsclausule kunnen beroepen die dekking uitsluit voor schade, veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder wettelijk niet bevoegd was tot het besturen, op de enkele grond dat sprake was van een te hoog bloedalcoholpromillage bij de bestuurder. Verzekeraars doen er daarom verstandig aan om het risico van schade veroorzaakt door een dronken bestuurder specifiek en in duidelijke bewoordingen uit te sluiten van dekking. Zij kunnen er in elk geval niet op vertrouwen dat de rechter bij de uitleg van minder specifieke uitsluitingsclausules zal aannemen dat de specifieke situatie van ‘dronken rijden’ daardoor de uitsluitingsclausule wordt bestreken.
Bovendien staat op grond van het onderhavige arrest vast dat een samenloopclausule slechts als ‘hard’ kan worden gekwalificeerd, indien in de clausule tenminste expliciet is opgenomen dat die verzekering in geval van samenloop geheel moet worden weggedacht – de ‘wegdenktournure’.
Daarmee is een mogelijk discussiepunt in samenloopkwesties geëlimineerd.