Circulaire 1982, bevuilde wegen

Circulaire van de Nederlandse Vereniging van Algemene Aansprakelijkheidsverzekeraars (AAV)
en
Circulaire van de Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren (NVVA)

Aan de leden van:
-           Nederlandse Vereniging van Algemene Aansprakelijkheidsverzekeraars (AAV)
-                       Nederlandse Vereniging van Automobielassuradeuren (NVVA)

Betreft: Samenloopproblematiek bij bevuilde wegen

Den Haag, 9 maart 1982

 

Mijne Heren,

Het komt herhaaldelijk voor dat WAM-plichtige voertuigen klei of zand verliezen op de weg. Deze raakt bevuild, een andere weggebruiker slipt en lijdt schade. In een aantal gevallen stelt de algemene aansprakelijkheidsverzekeraar dat hij geen dekking behoeft te verlenen, aangezien van dekking is uitgesloten schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig. De WAM-verzekeraar is van mening dat niet zozeer het motorrijtuig oorzaak is van de schade als wel het
feit, dat na vervuiling de weg niet tijdig is schoongemaakt.
Voor de gevallen die tot nu toe aan de Verbondscommissie Samenloop werden voorgelegd, was er een eenvoudige oplossing mogelijk. Er was maar één motorrijtuig oorzaak van de bevuiling of
er waren er meer bij betrokken die echter als eigendom van één persoon bij één verzekeraar zijn ondergebracht.

Gewezen kan dan worden op circulaire NVVA L-59/42 en WAV L-59/24 waarbij (onder andere) voor afvallende lading een regeling voor de samenloop van motorrijtuig- en algemene aansprake
lijkheidsverzekering werd gegeven, en op circulaire NVVA L-64/52 en WAV L-64/ 12 waarbij deze regeling aan de WAM werd aangepast. Hierin wordt voor schade door afvallende lading primair een dekkingsplicht gelegd op de WA-motorrijtuigenverzekeraar en een secundaire op de algemene aansprakelijkheidsverzekeraar.'

De complicatie die zich voordoet wanneer de vervuiling niet veroorzaakt wordt door afvallende lading, maar door vuil dat aan de wielen wordt meegenomen en vervolgens verloren, kan in bovengenoemde samenloopgevallen worden opgelost door, waar het gaat om primaire dekkingsplicht van de WAM-verzekeraar, van de wielen afkomstig vuil gelijk te stellen met afvallende lading, verder te noemen afgevallen goed. Algemene aansprakelijkheidsverzekeraars wordt geadviseerd deze uitleg van het begrip „lading" ook op de secundaire dekking van het ladingrisico toe te passen.
Overigens kan men los van het bovenstaande hier op goede gronden verdedigen dat het gaat om schade veroorzaakt door het gebruik van een motorrijtuig, zodat alléén al hierom de motorrijtuigenverzekeraar dekking zal hebben te verlenen.

Een volgende complicatie kan zijn dat klei of zand door een motorrijtuig van een bouwterrein op de weg wordt gebracht en door andere motorrijtuigen aan de wielen wordt meegenomen en verloren.

Het grootste probleem ontstaat eerst als de motorrijtuigen niet bij dezelfde WAM-verzekeraar zijn ondergebracht. Veelal zal de schadelijder niet kunnen aantonen met welk motorrijtuig de vervuiling werd veroorzaakt.

Zou niet worden besloten tot een gezamenlijke aansprakelijkheid voor alle betrokken motorrijtuigen, waarbij de WAM-verzekeraars van al deze motorrijtuigen aansprakelijkheid erkennen, dan is denkbaar dat de algemene aansprakelijkheidsverzekeraar de vordering tot schadevergoeding afhoudt door zijn secundaire dekking van het ladingrisico eng uit te leggen als beperkt tot „echte" lading.
De schadelijder zou tussen wal en schip vallen, als vast komt te staan dat het alleen om vuil van de wielen gaat.

Teneinde dit te voorkomen adviseren de Besturen van AAV, NVVA en Vereeniging van Transportassuradeuren hun leden, in voorkomende gevallen de volgende door de Verbondscommissie Samenloop opgestelde regeling te hanteren.

Ervan uitgaande dat de aansprakelijkheid in principe vaststaat wordt geadviseerd:
A. In geval van schade aan weggebruikers toegebracht tengevolge van een op de weg gevallen goed dat van een motorrijtuig - hieronder mede begrepen de wielen van dat motorrijtuig - afkomstig is, geldt het volgende:

1.         Indien vaststaat van welk motorrijtuig het goed is gevallen dan verleent de verzekeraar van dat motorrijtuig dekking.
2.         Indien het om meer motorrijtuigen gaat die bij één en dezelfde verzekeraar verzekerd zijn en vaststaat dat het goed van één of meer van die motorrijtuigen is gevallen maar onbekend is van welk daarvan, verleent die verzekeraar dekking tot ten hoogste éénmaal het krachtens de WAM voorgeschreven bedrag.
3.         Indien meer motorrijtuigen - waarvan de gegevens bekend zijn bij meer verzekeraars verzekerd zijn, terwijl vaststaat dat het goed van één of meer van die motorrijtuigen is gevallen, maar onbekend is van welk daarvan, verleent die motorrijtuigenverzekeraar primair dekking die de verzekerde of de benadeelde wenst aan te spreken, zulks tot ten hoogste het krachtens de WAM voorgeschreven bedrag, tenzij de NVVA-bedrijfsregeling „Schuldloze derde" niet van toepassing is.

Als toelichting moge het volgende dienen.

Sub 2. Het wordt niet redelijk geacht om in een dergelijk geval van de benadeelde het bewijs te verlangen van welk motorrijtuig het goed is gevallen. Bij een regeling als hier voorgesteld dient echter wel een limiet te worden gegeven aangezien een koppeling tussen de omvang van de aansprakelijkheid en één bepaalde verzekering ontbreekt. Uiteraard zal de regeling een derde nooit tot nadeel kunnen zijn. Indien de benadeelde in een dergelijk geval toch bewijst van welke auto(s) het goed is gevallen geldt de regel sub 1 met dien verstande dat de aansprakelijkheidslimiet dan mede bepaald wordt door het aantal auto's waarvan bewezen wordt dat het goed er vanaf is gevallen.

Sub 3. I. Deze regeling is gebaseerd op de NVVA bedrijfsregeling „Schuldloze Derde". Met betrekking tot eventuele problemen inzake het al dan niet vaststaan van het feit of een motorrijtuig behoort tot de kring van motorrijtuigen waarvan het goed is afgevallen moge verwezen worden naar de uitspraken van de NVVA Commissie van Tuchtrecht en Arbitrage inzake „de betrokken motorrijtuigenverzekeraar".
In het kader van deze regeling kunnen deze uitspraken analoog worden toegepast.
II. Voor de goede orde wordt hier nog opgemerkt dat de regeling uitsluitend van kracht is indien:
a.         alle betrokken motorrijtuigen en dientengevolge alle betrokken motorrijtuigenverzekeraars bekend zijn;

b.         er geen motorrijtuigenverzekeraar bij is betrokken die geen lid is van het Verbond van Verzekeraars in Nederland.
Wordt niet voldaan aan de eisen gesteld onder a en b dan is de benadeelde op het Waarborgfonds motorverkeer aangewezen. Zie het arrest van de Hoge Raad dal. 23 mei 1980.

B. Indien het onzeker is of het goed van een motorrijtuig is gevallen, dan verleent de aansprakelijkheidsverzekeraar voor bedrijven dekking, mits vaststaat dat het goed, bij de uitoefening van het bedrijf op de weg is gekomen.

C. Voor de dekking op de AVB is in principe niet meer nodig dan dat een verzekerde aangesproken wordt voor schade veroorzaakt door op de weg terechtgekomen goed.
De bewijslast terzake van betrokkenheid van motorrijtuigen rust op de AVB-verzekeraar.

Hoogachtend,                                                  Hoogachtend,
Nederlandse Vereniging van                          Nederlandse Vereniging van
Algemene Aansprakelijkheids-                      Automobielassuradeuren
Verzekeraars (AAV)                                        (NVVA)
Mr. E.A. Kleijnenberg,
Algemeen Secretaris                                      P. H. Kremer,
            Algemeen Secretaris