Uitspraak 15-04-04 no. 112 van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars inzake “Aardappelkist op vorkheftruck”
Betreft: AVB-verzekering / Landmateriaalverzekering
Partijen: Verzekeraar A en Verzekeraar B
A en B hebben zich ter verkrijging van een bindende uitspraak van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars tot deze commissie gewend ter beslechting van een geschil dat tussen partijen is gerezen.
Feitelijke gegevens
Op 28 juni 2001 heeft de heer X, werknemer van Y, een bedrijfsongeval gehad. Kort daarop is de heer X aan de gevolgen van dit ongeval overleden.
Enkele werknemers van Y, waaronder wijlen de heer X, hadden opdracht gekregen schoonmaakwerkzaamheden aan opstallen, waaronder een opslagloods, uit te voeren. Vanwege de hoogte van de inrijdeuren van de opslagloods werd voor het schoonmaken van deze deuren een vorkheftruck gebruikt, met daarop een zogenaamde aardappelkist. De heer X heeft plaatsgenomen op deze aardappelkist en is vervolgens omhoog getild om de bovenkant van de inrijdeuren te reinigen. Tijdens deze werkzaamheden is de heer X om onverklaarbare redenen uit de aardappelkist gevallen, en is vervolgens aan de verwondingen van deze val overleden.
Y heeft een AVB-verzekering afgesloten bij A. Tevens heeft Y voor de bewuste vorkheftruck een landmateriaalverzekering afgesloten bij B.
Partijen verschillen over de vraag welke verzekeraar dekking dient te verlenen voor de veroorzaakte schade.
Het geschil
In zijn memorie van eis stelt A onder meer:
“Er heeft zich tijdens de in behandeling name van deze schade een vrij moeizame maar bijna ook eindeloze discussie voorgedaan omtrent de vraag of wij ons überhaupt met de behandeling van deze schade zouden moeten inlaten. Wij hebben getracht via Z, zijnde de makelaar op de aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij ons en tevens optredend als makelaar van de werkmaterieelpolis van Y, tot een zekere consensus te komen in die zin, dat de werkmaterieelverzekeraar zich met de verdere behandeling van deze schade zou inlaten. Helaas hebben wij de werkmaterieelverzekeraar niet kunnen overtuigen van het feit, dat zij de meest gerede partij is om de schade met de nabestaanden van de heer X te regelen en louter en alleen op grond van humanitaire overwegingen hebben wij vervolgens besloten toch de schaderegeling verder ter hand te nemen en daarna nog eens een poging te ondernemen de werkmaterieelverzekeraar te overtuigen van het feit, dat deze schade ten hare laste dient te komen. Helaas hebben onze inspanningen, die blijkbaar niet overtuigend genoeg waren, niet tot het door ons gewenste resultaat geleid en wij zijn en blijven van mening, dat niet wij in hoedanigheid van AVB-verzekeraar voor deze schade [zullen] hebben op te komen maar de werkmaterieelverzekeraar van de desbetreffende vorkheftruck”.
“Gezien de meest recente door u gedane uitspraken in kwesties als de onderhavige zijn wij van mening, dat de werkmaterieelverzekeraar de enige verzekeraar is die zich met de behandeling en regeling van deze schade zal hebben in te laten en hebben wij gemeend deze zaak aan u ter beoordeling te moeten voorleggen”.
In zijn memorie van antwoord stelt B onder meer:
“Y heeft voor het landmateriaal, derhalve ook voor de in casu betreffende heftruck, een Landmateriaalpolis afgesloten met een toepasselijkheidsverklaring van clausule p. Deze uit rubrieken bestaande polis geeft in artikel 3 een regeling aan betreffende de omvang van de dekking. De inhoud van dit artikel wordt door artikel 4 van clausule p doorgehaald.
Dit artikel 4 luidt:
De inhoud van artikel q en artikel r wordt doorgehaald en vervangen door:
De verzekeraars betalen de schadevergoeding, die:
1. de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder, of de bestuurder van het verzekerde object;
2. degene, die door het verzekerde object wordt vervoerd;
3. de werkgever van de onder 1. en 2. genoemde personen, indien deze in die hoedanigheid aansprakelijk is,
op grond van wettelijke bepalingen krachtens rechterlijke uitspraak in het hoogste ressort of ingevolge transactie met toestemming van de verzekeraars aangegaan, hetzij op grond van enige overeenkomst, gehouden is aan derden te geven terzake van:
a. het verzekerde object of enig onderdeel daarvan;
b. de door het verzekerde object vervoerd wordende lading en/of last;
c. aanhangwagens of andere objecten zonder eigen voortbewegingskracht, die
aan het verzekerde object zijn gekoppeld of na koppeling daarvan zijn
losgemaakt of losgeraakt, zolang zij nog niet buiten het verkeer tot stilstand
zijn gekomen;
d. enige werkzaamheid en/of handeling met en/of door het verzekerde object of
enig onderdeel daarvan;
e. enige werkzaamheid en/of handeling met en/of door het verzekerde object
vervoerd worden lading en/of last.
De verzekerden worden ten opzichte van elkaar en onderling als derden beschouwd.
Gelet op de van toepassing zijnde polisvoorwaarden menen wij dat wij voor onderhavige schade geen dekking hoeven te verlenen onder de Landmateriaalpolis. Blijkens art. r sub d van de geciteerde polisvoorwaarden dekt de landmateriaalverzekering de aansprakelijkheid van Y als werkgever terzake van enige werkzaamheid en/of handeling met en/of door het verzekerde object of enig onderdeel daarvan. Opmerking verdient nog dat in het kader van de standaardvoorwaarden van de werkmaterieelpolis de schade veroorzaakt moet zijn “met of door” het verzekerde object (artikel r sub a.a.). De woorden “met of door” zoals genoemd in voornoemd artikel zijn in de bovengenoemde clausule vervangen door de woorden “ter zake van”. Deze wijziging leidt tot een beperktere dekking. Zie in dit verband o.a. het bindend advies van mr G. de Groot (SES 1976/66), waarin De Groot in die zin aangeeft dat het verzekerde voorwerp oorzaak van de schade moet zijn geweest.
In de onderhavige zaak is hiervan echter geen sprake. Wij zijn van mening dat het ongeval te wijten is aan een onveilige manier van werken en niet is terug te voeren op het houden, gebruiken of besturen van de vorkheftruck. Het staat vast dat op het moment waarop het ongeval zich voordeed, de heftruck niet als motorvoertuig in gebruik was, maar in feite slechts fungeerde als instrument c.q. steiger op wielen. Wij hebben daarom verwezen naar de AVB-verzekeraar. In dit kader zijn de volgende feiten van belang.
Uit het rapport van de arbeidsinspectie is gebleken dat de heer X door een collega [met een vorkheftruck] tot een hoogte van circa 1 meter 65 centimeter boven het maaiveld werd opgetild. Vervolgens werd de motor van de vorkheftruck uitgeschakeld en op slot gezet, zodat deze niet gestart kon worden. De heftruck stond geblokkeerd. Bovendien had de bestuurder zich van de heftruck verwijderd om elders werkzaamheden uit te voeren. Geconcludeerd kan worden dat op het moment van het ongeval de heftruck niet als motorvoertuig aangemerkt kon worden. De heftruck vormde tezamen met de daarop geplaatste aardappelbak een steiger, waarop de heer X zich bevond teneinde de schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren.
Omtrent het gebruiken van een motorrijtuig als instrument is o.m. van belang een vonnis van de Rechtbank Amsterdam d.d. 12 februari 1997 (VR 1999, 137). In deze zaak wordt ten behoeve van reparatiewerkzaamheden in een bedrijf ook een heftruck als steiger gebruikt. Daarbij komt een werknemer ten val en raakt ernstig gewond. De AVB-verzekeraar van de aansprakelijke werkgever weigert uitkering met een beroep op de polisuitsluiting ter zake van schade die verband houdt met het houden, gebruiken of besturen van een motorrijtuig (WAM-risico). Dit standpunt van de AVB-verzekeraar wordt verworpen, omdat het gebruik van een vorkheftruck als steiger niet gelijk gesteld kan worden met gebruik als motorrijtuig. Het Hof Amsterdam heeft in haar arrest d.d. 19 februari 1998 (NJ 2000, 153) dit vonnis bekrachtigd.
Mitsdien is de vorkheftruck in onderhavige kwestie als steiger gebruikt en dus ingezet als arbeidsmiddel voor een ander doel en een andere wijze dan waarvoor deze is ingericht en bestemd. In ieder geval is de vorkheftruck niet ingericht voor het transport van personen. Daarnaast blijkt uit het rapport van de arbeidsinspectie dat de gebruikte aardappelbak kapot was. De bak was aan de bovenzijde afgezaagd en dus verlaagd en bovendien aan de onderzijde niet meer voorzien van drie dwarslatten. Normaal gesproken zijn aardappelkisten voorzien van deze dwarslatten, die dienen te voorkomen dat de kisten van de lepels van de heftruck glijden, bijvoorbeeld tijdens transport. Juist door het ontbreken van deze drie latten heeft de kist kunnen kantelen en is de heer X met kist en al naar beneden gevallen. De oorzaak van de schade is derhalve uitdrukkelijk niet gelegen in het houden, besturen of gebruiken van de vorkheftruck.
Nu zoals reeds eerder gezegd in onderhavige zaak de heftruck niet als motorrijtuig in gebruik was, maar als steiger c.q. instrument en de oorzaak van de valpartij van de heer X gezocht moet worden in het gebruik van een kapotte aardappelkist kan en moet op grond daarvan en in navolging van het voornoemde arrest derhalve gesteld worden dat deze schade alleen is gedekt onder de AVB-verzekering en niet onder de werkmaterieelverzekering.
Dit geldt temeer nu op de AVB-verzekering een motorrijtuigenclausule van toepassing is, die luidt:
“in aansluiting op het bepaalde in artikel T.3.1 van de Verzekeringsvoorwaarden wordt hierbij aangetekend dat deze verzekering mede omvat schade veroorzaakt met of door ongekentekende motorrijtuigen als bedoeld in de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen, mits eigendom van verzekeringnemer, voorzover deze schade niet verhaalbaar is onder enige andere polis voor aansprakelijkheidsverzekering al dan niet van oudere datum.”
Blijkens deze clausule is er dekking onder de AVB-verzekering, voorzover de schade niet verhaalbaar is onder enige andere polis. Hierboven hebben we gemotiveerd uiteengezet waarom er geen dekking bestaat onder de werkmaterieelverzekering. Wij zijn van mening dat de AVB-verzekeraar op basis van haar polisvoorwaarden dekking dient te verlenen.”
Overwegingen van de commissie
Dit geschil is door A als samenloopgeschil aan de commissie voorgelegd overeenkomstig artikel 1 van haar reglement en artikel 2 van de samenloopregeling.
De commissie gaat er op grond van hetgeen over en weer door partijen naar voren is gebracht
vanuit dat partijen Y aansprakelijk achten voor de gevolgen van het aan de heer X overkomen
ongeval.
De commissie stelt vast dat de volgende door partijen gehanteerde polisvoorwaarden van
belang zijn:
Van de AVB-verzekering van A:
S De verzekering dekt de aansprakelijkheid van verzekerden voor door derden geleden
schade (incluis alle op geld waardeerbare gevolgschade en smartengeld) als gevolg
van: S.1 letsel of aantasting van de gezondheid al dan niet de dood ten gevolge hebbende
(hierna te noemen personenschade).
(…)
T Schade door motorrijtuigen
T.1 Niet gedekt zijn aanspraken tot vergoeding van schade veroorzaakt door of toegebracht met motorrijtuigen, behoudens het bepaalde in art. T.3
T.2 (---)
T.3 In afwijking van het bepaalde in art. T.1 geldt het volgende:
T.3.1 de dekking blijft gelden ten aanzien van niet-kentekenplichtige motorrijtuigen, waaronder niet begrepen bromfietsen.
Indien en voor zover het verzekeren van aansprakelijkheid ten aanzien van niet-kentekenplichtige motorrijtuigen ter plaatse en ten tijde van de schadeveroorzaking krachtens enige wet echter verplicht is, geeft deze verzekering slechts dekking voor het meerdere boven hetgeen aldus verzekerd dient te zijn, dan wel verzekerd is, indien dit de omvang van de verplichte verzekering overschrijdt.
Van de landmateriaalverzekering van B:
Algemene voorwaarden
Omvang van de dekking
q De verzekeraars vergoeden de gevolgen van de aansprakelijkheid van:
a. de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder of de bestuurder
van het verzekerde object
b. degenen, die door het verzekerde object worden vervoerd;
c. de werkgever van de onder a en b genoemde personen,
indien deze in die hoedanigheid aansprakelijk is voor schade aan zaken (waaronder
dieren), alsmede de daaruit voortvloeiende schade, die is veroorzaakt met of door:
a.a. het verzekerde object;
b.b. zaken die zich bevinden op of in, dan wel vallen of gevallen zijn van het
verzekerde object; c.c (…)
r De verzekeraars vergoeden de gevolgen van de aansprakelijkheid van:
a. de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder of de bestuurder
van het verzekerde object;
b. degenen, die door het verzekerde object worden vervoerd;
c. de werkgever van de onder a en b genoemde personen,
indien deze in die hoedanigheid aansprakelijk is voor schade aan personen en zaken
(waaronder dieren), alsmede de daaruit voortvloeiende schade, die is veroorzaakt met
of door:
a.a. het verzekerde object;
b.b. zaken die zich op of in, dan wel vallen of afgevallen zijn van het verzekerde
object
c.c. (…)
Clausule p
4. De inhoud van artikel q en artikel r wordt doorgehaald en vervangen door:
De verzekeraars betalen de schadevergoeding, die:
1. de verzekeringnemer, de eigenaar, de bezitter, de houder of de bestuurder van het verzekerde object;
2. degene, die door het verzekerde object wordt vervoerd;
3. de werkgever van de onder 1. en 2. genoemde personen, indien deze in die hoedanigheid aansprakelijk is,
op grond van wettelijke bepalingen krachtens rechterlijke uitspraak in het hoogste ressort of ingevolge transactie met toestemming van de verzekeraars aangegaan, hetzij op grond van enige overeenkomst, gehouden is aan derden te geven terzake van:
a. het verzekerde object of enig onderdeel daarvan;
b. de door het verzekerde object vervoerd wordende lading en/of last;
c. (…)
d. enige werkzaamheid en/of handeling met en/of door het verzekerde
object of enig onderdeel daarvan;
e. enige werkzaamheid en/of enige handeling met en/of aan de door het
verzekerde object vervoerd worden lading en/of last
De verzekerden worden ten opzichte van elkaar en onderling als derden beschouwd.
5. Van de in artikel q omschreven dekking gewijzigd als in artikel 4 van deze clausule is
uitgesloten schadevergoeding wegens dood of lichamelijk letsel van personen.
De commissie is op grond van de feiten van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een schade die het gevolg is van een dusdanig risicovol gebruik van de vorkheftruck met de daarop geplaatste aardappelkist, dat hier sprake is van schade veroorzaakt door of toegebracht met een (niet-kentekenplichtig) motorrijtuig. De commissie overweegt hierbij dat een vorkheftruck niet bedoeld of geschikt is voor het vervoer van personen, met welk doel dan ook. Artikel T.3.1 van de AVB-verzekering van A biedt in afwijking van artikel T.1 dekking voor aanspraken tot vergoeding van schade veroorzaakt door niet-kentekenplichtige motorrijtuigen, tenzij ter plaatse en ten tijde van de schadeveroorzaking ten aanzien van het verzekerde niet-kentekenplichtige motorrijtuig een wettelijke verzekeringsverplichting zou gelden. Nu in casu sprake is van een niet-kentekenplichtig motorrijtuig, waarvoor geen verzekeringsplicht geldt, stelt de commissie vast dat op de AVB-verzekering van A dekking voor deze schade bestaat.
De commissie stelt vast dat in het kader van de in co-assurantie afgesloten Landmateriaalverzekering een keuze kon worden gemaakt tussen een standaard en een uitgebreide aansprakelijkheidsdekking en dat blijkens het polisblad verzekeringnemer voor de uitgebreide dekking met toepassing van clausule p heeft geopteerd. De commissie is van
oordeel dat het onderhavige voorval binnen de reikwijdte van de in clausule geboden dekking valt, met name vanwege hetgeen in de onderhavige clausule in artikel 4 lid d en e staat omschreven.
Ten aanzien van het bepaalde in artikel 5 van clausule p merkt de commissie op dat deze uitsluiting, wegens dood of lichamelijke letsel van personen, louter van toepassing is indien het niet-kentekenplichtige motorrijtuig op basis van de standaardaansprakelijkheidsdekking is verzekerd zodat in het kader van het onderhavige voorval deze uitsluiting relevantie mist, aangezien niet voor de standaard, maar voor de uitgebreide aansprakelijkheidsdekking is gekozen. Op grond van de inhoud van artikel 5 van de speciale clausule is de uitsluiting namelijk beperkt tot het bepaalde in artikel q, zodat het bepaalde in artikel r onverlet van kracht blijft. Anders dan B meent is de commissie van oordeel dat het bepaalde in artikel 4 van clausule p niet als een beperking van de in artikel r geboden dekking heeft te gelden maar als een uitbreiding daarvan.
De commissie is dan ook van mening dat voor het onderhavige voorval eveneens rechten kunnen worden ontleend aan de landmateriaalverzekering.
Conclusie
De commissie concludeert dat de schade is veroorzaakt met of door een niet-kentekenplichtig motorrijtuig. Zowel de AVB-verzekering van A als de landmaterieelverzekering van B bieden hiervoor dekking.
Bindend advies
Partijen hebben zich tot de commissie gewend ter verkrijging van een bindend advies. De commissie geeft als bindend advies dat partijen de schade onderling dienen te verdelen overeenkomstig het bepaalde in de “Overeenkomst inzake samenloop van aansprakelijkheidsverzekeringen”, die geënt is op het bepaalde in artikel 7.17.2.24a lid 3 NBW, zodat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van het bedrag waarvoor een ieder afzonderlijk had kunnen worden aangesproken.
Aldus is beslist op 15 april 2004 door mr. M.M.C.J.M. de Nerée tot Babberich, mr. P.P. Roerink, mr. A.J. van Rooijen en mr. D.F. Richters, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van mr. M.N.J. Heeneman, secretaris.
De voorzitter De secretaris
mr. D.F. Richters mr. M.N.J. Heeneman