VERBOND VAN VERZEKERAARS
Uitspraak no. 114 van de Geschillencommissie schadeverzekeraars inzake samenloopgeschil "Garageverzekering of autoverzekering VI"
Betreft: AVB-verzekering (garageverzekering) / WA-motorrijtuigenverzekering
Partijen: Verzekeraar A en Verzekeraar B
Partijen hebben zich ter verkrijging van een bindende uitspraak van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars tot deze commissie gewend ter beslechting van een geschil dat tussen partijen is gerezen.
Feitelijke gegevens
Bedrijf C biedt een haar in eigendom toebehorende auto ter reparatie aan bij autobedrijf D. De regelmatige bestuurder van deze auto is de heer E, werknemer van C. In verband met en voor de duur van deze reparatie wordt een vervangende auto, die in eigendom is van autobedrijf D, uitgeleend aan de heer E. Op 13 oktober 2000 rijdt de bestuurder van deze auto een voetganger aan, die als gevolg van deze aanrijding zwaar letsel oploopt.
Bij verzekeraar A is ten behoeve van autobedrijf D afgesloten een aansprakelijkheidsverzekering voor garagebedrijven; verzekeraar B heeft met autobedrijf D een bedrijfspolis afgesloten, waarvan voor de beoordeling van de onderhavige kwestie van belang zijn de speciale voorwaarden motorrijtuigenverzekering.
Verzekeraar A is rechtstreeks voor de schade door de gelaedeerde aangesproken en heeft hierop de schaderegeling ter hand genomen.
Partijen verschillen van mening over de vraag welke verzekeraar dekking dient te verlenen voor de veroorzaakte schade.
Het geschil
In zijn memorie van eis stelt verzekeraar A onder meer:
"De verzekering van verzekeraar A wordt geacht aan de door of krachtens de WAM gestelde eisen te voldoen. Verzekerde is o.a. de bestuurder van de auto. Een huurauto is niet verzekerd, behalve indien de huurauto is meegegeven aan een cliënt omdat zijn eigen auto voor reparatiewerkzaamheden aan de verzekeringnemer is toevertrouwd. Het slachtoffer heeft conform art. 6 WAM een rechtstreeks verhaalsrecht. Richting verzekeringnemer en verzekerde is sprake van een gedekt evenement.
De verzekering van verzekeraar B voldoet eveneens aan de bepalingen van de WAM. Art. k.1 van de polisvoorwaarden noteert dat deze verzekering ook geldt voor een vervangende auto mits de vervangende auto niet elders is verzekerd. Ook voor deze verzekering geldt dat het slachtoffer conform art. 6 WAM een rechtstreeks vorderingsrecht heeft en dat er sprake is van een gedekt evenement.
Verzekeraar A is van mening dat verzekeraar B gehouden is te participeren in de door verzekeraar A verstrekte uitkeringen. In beide polissen wordt gerefereerd aan de WAM. Voor het slachtoffer bestaat dientengevolge een rechtstreeks vorderingsrecht op één van deze polissen. Onder verwijzing naar uitspraak nummer 93 van uw commissie zijn wij van oordeel dat niet van belang is of er al dan niet sprake is van een na u clausule of welke na u clausule sterker is. Van belang is dat de clausules niet aan het slachtoffer en de bestuurder - niet zijnde de verzekeringnemer - kunnen worden tegengeworpen.
Verzekeraar B verwijst naar eerdere uitspraken van uw commissie en stelt niet te kunnen participeren omdat daaruit zou blijken dat de na u clausules wel relevant zijn".
In zijn memorie van antwoord stelt verzekeraar B onder meer:
"Verzekeraar B onderschrijft niet de interpretatie die verzekeraar A aan de eigen polisvoorwaarden geeft. Volgens de brief van verzekeraar A zou het zo zijn en wij citeren 'een huurauto is niet verzekerd behalve indien de huurauto is meegegeven aan de eigen cliënte'. Dat is niet in overeenstemming met (de bewoordingen van) de polis van verzekeraar A. De suggestie dat de auto niet (doorlopend) verzekerd zou zijn, zou relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de onderscheidene dekkingen (verzekeraar B stelt zich overigens op het standpunt dat dekking onder haar polis ontbreekt).
Rubriek T van de polis van verzekeraar A biedt dekking krachtens de bij de WAM gestelde eisen voor (art. f sub 2.1. eigen motorrijtuigen) motorrijtuigen die blijkens de kentekentenaamstelling eigendom zijn van de verzekeringnemer.
Op basis van deze voorwaarden moet worden aangenomen dat de dekking voor de eigen voertuigen conform de WAM integraal aanwezig is en niet afhankelijk is van het feit of deze voertuigen wel of niet aan een cliënt zijn toevertrouwd.
Verzekeraar A neemt aan (overeenkomstig de suggestieve uitleg van haar eigen polisvoorwaarden) maar in strijd met deze voorwaarden dat ook onder de polis van verzekeraar B automatisch dekking zou bestaan voor een vervangende auto. Die gedachte met betrekking tot een "automatische dekking" is pertinent onjuist. Onjuist is de gedachte van het "automatisme" omdat het alleen al een soortgelijk voertuig moet zijn. Is het geen soortgelijk voertuig dan is er ook geen dekking. Van een automatisme in de dekkingssystematiek is dan ook geen sprake. Een andere - zeer nadrukkelijk geclausuleerde voorwaarde in art. k.1. - is dat dekking eerst ontstaat indien er elders geen (WAM) dekking zou zijn. Artikel k.1. bepaalt dat
"geldt de verzekering, (...) mits het vervangende motorrijtuig niet door een andere verzekering is gedekt"
Ook hier is derhalve niet van een automatische dekking sprake. Ontbreekt de (elders lopende) WAM dekking dan (eerst) is er dekking (vooropgesteld dat het ook een soortgelijk voertuig is) onder onze polis en voldoet de dekking (automatisch) aan de WAM.
De polis van verzekeraar B biedt geen dekking voor het WAM risico van het vervangende voertuig. De dekking ontbreekt omdat het risico integraal onder de polis van verzekeraar A is verzekerd. Het is ook niet de bedoeling om (zonder meer) ieder vervangend vervoer te verzekeren onder de eigen polis. De bedoeling is slechts de eigen verzekerde WAM dekking te bieden indien een dergelijke dekking elders zou ontbreken.
Verzekeraar A refereert aan uitspraak 93 van Uw commissie. Deze uitspraak kan verzekeraar A niet helpen. In deze uitspraak wordt uitgegaan van het bestaan van een WAM dekking onder de beide polissen.
De bepaling dat de polis voldoet aan de WAM kan niet in die zin worden uitgelegd dat, daar waar verzekeraar en verzekerde zijn overeengekomen dat er geen dekking bestaat voor een motorrijtuig het motorrijtuig geacht wordt onder de polis te zijn verzekerd vanwege het refereren aan de WAM".
Overwegingen van de commissie
Dit geschil is door verzekeraar A als samenloopgeschil aan de commissie voorgelegd overeenkomstig artikel 1 van haar reglement en artikel 2 van de samenloopregeling.
De commissie stelt vast dat de volgende door partijen gehanteerde polisvoorwaarden van
belang zijn:
Van de AVB-verzekering van verzekeraar A:
Rubriek T Eigen motorrijtuigen /Aansprakelijkheid en Schade-inzittenden
Met voorbijgaan aan hetgeen anders in deze verzekeringsvoorwaarden mocht zijn bepaald, wordt de verzekering geacht aan de door of krachtens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) gestelde eisen te voldoen.
Artikel f lid 2 Verzekerde motorrijtuigen
Als verzekerd motorrijtuig gelden: 1. Eigen motorrijtuigen
motorrijtuigen die blijkens de kenteken-tenaamstelling eigendom zijn van de verzekeringnemer, met uitzondering motorrijtuigen die door hem in huurkoop - of onder enig (andere) vorm van eigendomsvoorbehoud - zijn verkocht dan wel behoren rot de bedrijfsvoorraad.
Artikel g lid 1 Aansprakelijkheid
Verzekerd is de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade aan personen en zaken -met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade - die met of door het motorrijtuig is veroorzaakt. In de dekking is tevens begrepen de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door zaken die zich bevinden op, vallen van of gevallen zijn van het motorrijtuig, tenzij de schade is ontstaan tijdens laad- en loswerkzaamheden.
Artikel h Uitsluitingen
In aanvulling op de uitsluitingen zoals omschreven in artikel (...) geeft de verzekering geen dekking voor schade:
1. (...)
2. verhuur
veroorzaakt gedurende de tijd dat het motorrijtuig wordt verhuurd, tenzij sprake is van de situatie dat het motorrijtuig, al dan niet tegen betaling, is meegegeven aan een cliënt omdat:
diens eigen motorrijtuig aan (het bedrijf van) verzekeringnemer is toevertrouwd in de zin van artikel (...).
3.
w
Van de speciale voorwaarden motorrijtuigenverzekering van verzekeraar B:
Artikel i Begripsomschrijvingen
Motorrijtuig: het in het verzekeringsbewijs omschreven voertuig
Artikel j Aansprakelijkheid
De verzekering voldoet aan de bepalingen van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM)
Artikel k Overige bepalingen
Artikel k. 1 Vervangend vervoer
Zolang het motorrijtuig in verband met reparatie, revisie of onderhoud tijdelijk wordt vervangen, geldt de verzekering - voor dezelfde risico's als voor het verzekerde voertuig - tevens voor een niet in eigendom van verzekerde zijnde vervangend gelijksoortig motorrijtuig met een Nederlands kenteken, mits het vervangende motorrijtuig niet door een andere verzekering, al dan niet van oudere datum, is gedekt of daarop verzekerd zou zijn, indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan (...).
De commissie leidt uit de memorie van eis van verzekeraar A af dat verzekeraar A rechtstreeks is aangesproken door de gelaedeerde op grond van artikel 6 WAM en dat verzekeraar A op grond van de relevante polisvoorwaarden als WAM verzekeraar de schade aan gelaedeerde heeft vergoed. Verzekeraar A heeft de schade uitgekeerd tegen cessie en is mitsdien in de rechten van de gelaedeerde getreden. De commissie stelt derhalve vast dat de aansprakelijkheidsverzekering voor garagebedrijven van verzekeraar A dekking biedt voor de met de leenauto van bedrijf D veroorzaakte schade.
De vraag of op grond van de verzekering van verzekeraar B eveneens dekking bestaat voor de door de bestuurder van het vervangende motorrijtuig aan de voetganger toegebrachte letselschade, zal beantwoord moeten worden aan de hand van de speciale voorwaarden motorrijtuigenverzekering.
De inhoud van de artikelen i, j en k.1 van de algemene polisvoorwaarden van verzekeraar B en hetgeen op het polisblad staat vermeld, in hun onderling verband bezien, verstaat de commissie aldus dat alleen met betrekking tot het in het in het verzekeringsbewijs omschreven voertuig van bedrijf C is bepaald dat de verzekering voldoet aan de bepalingen van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) en dat ten aanzien van een tijdelijk ter beschikking gesteld vervangend motorrijtuig met Nederlands kenteken, niet behorend tot het eigendom van verzekerde, de verzekering voor dezelfde risico's als voor het verzekerde motorrijtuig dekking biedt, mits het vervangende motorrijtuig niet door een andere verzekering, al dan niet van oudere datum, is gedekt of daarop verzekerd zou zijn, indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan. De commissie leidt hieruit af dat de verzekering, en derhalve ook de zogenaamde WAM-strik, niet van toepassing is op een vervangend motorrijtuig, indien sprake is van een andere verzekering die dekking biedt voor dit vervangende motorrijtuig.
Op grond van het vorenstaande stelt de commissie derhalve vast, dat de zogenaamde WAM-strik in casu uitsluitend is beperkt tot het in het verzekeringsbewijs omschreven voertuig en dat met betrekking tot de geboden aansprakelijkheidsdekking voor het vervangende motorrijtuig uitsluitend de verzekering van verzekeraar A dekking dient te bieden, nu vaststaat dat uit hoofde van het bepaalde in artikel k.1 van de speciale voorwaarden motorrijtuigverzekering geen dekking onder deze afgesloten verzekering behoeft te worden geboden, vanwege het loutere bestaan van de door verzekeraar A afgesloten verzekering, en in de voorwaarden van verzekeraar A een bepaling ontbreekt op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de aansprakelijkheidsdekking van verzekeraar B geheel of gedeeltelijk dekking zou moeten bieden.
Verder merkt de commissie op dat de onderhavige kwestie niet vergelijkbaar is te achten met hetgeen in uitspraak 93 onderwerp van geschil was. In deze uitspraak stelde de commissie zich op het standpunt dat onder andere vanwege een ruime omschrijving van het begrip "motorrijtuig" en de wijze waarop aan de inhoud van de WAM-strik in de voorwaarden van de WA-motorrijtuigenverzekeraar vorm was gegeven, geconcludeerd diende te worden dat ten aanzien van het vervangende motorrijtuig door de onderhavige verzekeraar een WAM-dekking werd geboden, met als gevolg het bestaan van twee afzonderlijke WAM-verzekeringen voor hetzelfde motorrijtuig, zoals ook nadien de Hoge Raad in een soortgelijke kwestie in zijn arrest van 19 maart 2004, NJ 2004, 372 heeft aangenomen. In het onderhavige geschil wijken de van belang zijnde polisvoorwaarden aanzienlijk af van de voorwaarden die in uitspraak nr. 93 een rol van betekenis speelden, zodat van een met in uitspraak nr. 93 vergelijkbare situatie geen sprake is.
Conclusie
De commissie concludeert dat voor de door het vervangende motorrijtuig veroorzaakte schade dekking bestaat onder de verzekering "Aansprakelijkheid garagebedrijven" van verzekeraar A en dat de polis van verzekeraar B hiervoor geen dekking biedt.
Bindend advies
Partijen hebben zich tot de commissie gewend ter verkrijging van een bindend advies. De commissie geeft als bindend advies dat verzekeraar A dekking zal verlenen.
Aldus is beslist op woensdag 8 september 2004 door mr. S.A.M. Brugman, mr. M.M.C.J.M, de Nerée tot Babberich, mr. D.F. Richters, mr. P.P. Roerink, mr. A.J. van Rooijen, leden van de Geschillencommissie Schadeverzekeraars, in tegenwoordigheid van mr. M.N.J. Heeneman, secretaris.
De voorzitter De secretaris
mr. D.F. Richters mr. M.N.J. Heeneman