koen visser


HR 07-02-1986 NJ 1986, 459


Wanneer het motorrijtuig bij het zich verplaatsen op een openbare weg of op terreinen als bedoeld in art. 2, par. 1, schade veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, het feit dat het motorrijtuig tegelijkertijd als werktuig in de hiervoor bedoelde zin werd gebezigd, niet er aan in de weg staan dat de schade zou moeten worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt.
De enkele omstandigheid dat tijdens de schadeveroorzaking het motorrijtuig zich bij het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden met behulp van zijn wielen verplaatste ten einde de juiste positie in te nemen, brengt nog niet mee dat de schadeveroorzaking in het verkeer plaatsvond; zulks zal met name niet het geval zijn, als het zich verplaatsen van het motorrijtuig redelijkerwijs slechts gezien kan worden als een onderdeel van de manoeuvre waarbij het motorrijtuig als ,,werktuig'' wordt gebezigd en als de schade niet is veroorzaakt op een wijze die overigens karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.

Red.: Vervolg van BGH 23 okt. 1984, NJ 1986, 458
resp. HR 8 april 1983, NJ 1986, 457.

Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Trb. 1966, 178), art. 2 par. 1, 3 par. 1; WAM art. 2 lid 1, 3 lid 1

[Essentie] Aansprakelijkheidsverzekering. Verplichte omvang van de dekking van de verzekering, bedoeld in art. 2 lid 1 WAM. Schadeveroorzaking door vorkheftruck; in het verkeer veroorzaakt in geval van verplaatsing met de wielen? In het onderhavige geval niet.

[Tekst] Henneke Visser, te Stellendam, gem. Goedereede, eiseres tot cassatie, adv. Mr. J.L.W. Sillevis Smitt,
tegen
Centraal Beheer Schadeverzekering NV, te Apeldoorn, verweerster in cassatie, adv. Mr. J.W. Lely.
Hoge Raad:
1. De procedure
1.1 De HR verwijst naar zijn tussenarrest van 8 april 1983.
1.2 Bij arrest van 23 okt. 1984, nr. A 83/2, heeft het Benelux-Gerechtshof uitspraak doende op de in voormeld tussenarrest gestelde vragen, voor recht verklaard:
1. De aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt bij het manoeuvreren van een motorrijtuig, zonder dat sprake is van deelneming door dat motorrijtuig aan het verkeer, is niet een aansprakelijkheid welke krachtens art. 3, par. 1, Gemeenschappelijke Bepalingen moet zijn gedekt.
2.a. De omstandigheid dat schade is veroorzaakt door een motorrijtuig dat niet of niet alleen is ingericht voor het verplaatsen van personen of goederen over wegen of terreinen, maar uitsluitend of mede om te dienen als werktuig voor andere verrichtingen dan het bewerkstelligen van zodanig vervoer, en dat die schade is veroorzaakt terwijl het motorrijtuig aldus als werktuig werd gebruikt, staat er niet aan in de weg, dat het motorrijtuig op dat moment deelnam aan het verkeer. Met name zou, wanneer het motorrijtuig bij het zich verplaatsen op een openbare weg of op terreinen als bedoeld in art. 2, par. 1, schade veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, het feit dat het motorrijtuig tegelijkertijd als werktuig in de hiervoor bedoelde zin werd gebezigd, niet er aan in de weg staan dat de schade zou moeten worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt;
2.b. De enkele omstandigheid dat tijdens de schadeveroorzaking het motorrijtuig zich bij het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden met behulp van zijn wielen verplaatste ten einde de juiste positie in te nemen, brengt nog niet mee dat de schadeveroorzaking in het verkeer plaatsvond; zulks zal met name niet het geval zijn, als het zich verplaatsen van het motorrijtuig redelijkerwijs slechts gezien kan worden als een onderdeel van de manoeuvre waarbij het motorrijtuig als ,,werktuig'' wordt gebezigd en als de schade niet is veroorzaakt op een wijze die overigens karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.
3. Het feit dat een motorrijtuig, voordat het als ,,werktuig'' te werk wordt gesteld en schade veroorzaakt, zich naar de plaats van het werk heeft bewogen en daarbij aan het verkeer heeft deelgenomen, brengt nog niet mee dat de daarna, bij het gebruik van het motorrijtuig als werktuig, veroorzaakte schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt.
1.3 De advocaten van pp. hebben de zaak nader bepleit.
De A-G Ten Kate heeft vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1 Onderdeel 1 van het middel gaat uit van de stelling dat de verplichte omvang van de dekking van de verzekering, bedoeld in art. 2 lid 1 WAM - en daarmee de mogelijkheid tot een rechtstreekse aansprakelijkstelling van de verzekeraar op grond van art. 6 lid 1 WAM - niet is beperkt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig tijdens het deelnemen aan het verkeer in de zin van de WAM aanleiding kan geven. Deze stelling is onverenigbaar met het antwoord dat het Benelux-Gerechtshof op de eerste vraag van de HR heeft gegeven. Dit onderdeel faalt derhalve.
2.2 Ook onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. Vaststaat dat het hier gaat om een vorkheftruck, zijnde een motorrijtuig dat niet alleen is ingericht voor verplaatsen van goederen over wegen of terreinen, maar ook om te dienen als werktuig voor andere verrichtingen dan zodanig vervoer. Uit het antwoord van het Benelux-Gerechtshof op de tweede door de HR gestelde vraag vloeit voort dat wanneer een zodanig motorrijtuig bij het zich verplaatsen schade veroorzaakt, deze schadeveroorzaking slechts kan gelden als in het verkeer veroorzaakt in de zin van de art. 2 lid 1 en 3 lid 1 WAM, indien deze schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Aan dit vereiste is volgens dit antwoord niet reeds voldaan, indien het motorrijtuig zich tijdens de schadeveroorzaking met zijn wielen verplaatst, met name niet als dit zich verplaatsen redelijkerwijs slechts kan worden gezien als een onderdeel van de manoeuvre waarbij het motorrijtuig als werktuig wordt gebezigd.
De door het hof vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval aan voormelde vereiste niet is voldaan. 's Hofs vaststellingen komen immers hierop neer dat de vorkheftruck ter plaatse waar en op het moment waarop het ongeval geschiedde, in het bedrijf van Koen Visser Produkten BV aanwezig was als werktuig, bezig met hef- en stapelwerkzaamheden; dat de vorkheftruck zich toen wel met zijn wielen verplaatste, doch slechts ten einde een juiste positie in te nemen, opdat de omhoog geheven pallet met balen rijst op een andere pallet (derde laag) kon worden geplaatst; en dat toen de balen rijst die op de omhoog geheven pallet of op de reeds geplaatste pallet van de derde laag stonden, zijn gaan schuiven, waardoor een aantal balen door een scheidingswand naar beneden zijn gevallen en Henneke Visser die daar werkzaamheden aan de lopende band verrichtte, hebben gewond.
2.3 Ook het derde onderdeel faalt. Het gaat uit van een stelling die in het antwoord van het Benelux-Gerechtshof op de derde door de HR gestelde vraag wordt verworpen.
3. Beslissing:
De HR:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Henneke Visser in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Centraal Beheer begroot op f 305,45 aan verschotten en f 4000 voor salaris, daaronder begrepen de kosten van behandeling voor het Benelux-Gerechtshof.

[Mening] Conclusie A-G Mr. Ten Kate:
1. Bij arrest van 8 april 1983 - voor zover ik heb kunnen nagaan, nog niet gepubliceerd (NJ 1986, 457; Red.) - heeft Uw Raad in deze zaak vragen van uitleg met betrekking tot de art. 2 en 3 Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de op 24 mei 1966 te Luxemburg tot stand gekomen Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen aan het BGH voorgelegd.
2. Bij arrest van 23 okt. 1984, A 83/2 (RvdW 173; RW 1984/85, kolom 1009; VR 1985, nr. 1, p. 13; BR 1985, p. 314, m.nt. Kamphuisen) (NJ 1986, 458; Red.) heeft dit hof deze vragen beantwoord.
3. Na de zaak in dat licht bij pleidooi te hebben toegelicht, hebben pp. wederom Uw Raad om arrest verzocht op de in de cassatiemiddelen naar voren gebrachte klachten.
4. Bij deze stand van zaken verwijs ik voor de feiten naar de samenvattingen in voormelde arresten en de daaraan voorafgaande conclusies.
5. In onderdeel 1 van het cassatiemiddel culmineert de klacht in de stelling: ,,Anders dan het Hof (te 's-Gravenhage) heeft aangenomen, is de verplichte omvang van de dekking van de verzekering - en daarmee de mogelijkheid tot een rechtstreekse aansprakelijkstelling van de verzekeraar op grond van art. 6 lid 1 (WAM) - niet beperkt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in de zin van de WAM aanleiding kan geven''.
6. Te dien aanzien antwoordde het BGH op de eerste door Uw Raad gestelde vraag met betrekking tot art. 2 par. 1 eerste lid en art. 3 van de onder 1 hierboven bedoelde Gemeenschappelijke Bepalingen: ,,... dat dan ook de aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt bij het manoeuvreren van een motorrijtuig, zonder dat sprake is van deelneming door dat motorrijtuig aan het verkeer, niet is een aansprakelijkheid welke krachtens art. 3 par. 1 Gemeenschappelijke Bepalingen moet zijn gedekt''.
7. Dit brengt mee dat onderdeel 1 ongegrond te achten is.
8. Er zijn ook geen redenen om aan te nemen dat de Nederlandse WAM, die aansloot op de Gemeenschappelijke Bepalingen, in de destijds toepasselijke tekst hier een verdergaande verzekeringsplicht heeft willen opleggen dan uit de Gemeenschappelijke Bepalingen volgde. Het is ook door geen van de pp. verdedigd.
9. In de thans in Nederland geldende WAM (Stb. 1984, 269) sedert de wijziging bij de Wetten van 30 nov. 1983, Stb. 613 en Stb. 614 (ingevolge KB 20 juni 1984, Stb. 256, art. IV, met toelichting p. 5 en 8, voor de onderhavige artikelen in werking getreden op 1 juli 1984), is voormelde beperkte strekking van de wet duidelijker tot uitdrukking gebracht door in art. 3 lid 1 te lezen: ,,de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer (ik cursiveer; t.K.) aanleiding kan geven''. Men zie daaromtrent de conclusie van Mr. Roelvink onder 6 en mijn conclusie op p. 5, eerste volle alinea, beide met verwijzing naar de MvT, Zitting Tweede Kamer 1976-1977 - 14 281, stuk nr. 3, p. 16, 17.
10. In onderdeel 2 van het cassatiemiddel wordt primair geklaagd dat het Hof te 's-Gravenhage (in r.o. 5 in het licht van de in r.o. 2 vastgestelde feiten) van een onjuiste opvatting omtrent het begrip deelnemen aan het verkeer in de zin van art. 2 lid 1 jo. 1 laatste lid WAM in de destijds toepasselijke tekst is uitgegaan.
11. Bij de beoordeling van deze klacht dient in cassatie ervan te worden uitgegaan - zoals Uw Raad in de laatste alinea onder 3.3 overwoog - dat de omstreden manoeuvres van de vorkheftruck in de loods van Koen Visser Produkten BV plaatsvonden op een weg of terrein in de zin van art. 1 laatste lid WAM in de destijds geldende tekst (vgl. art. 2 par. 1 Gemeenschappelijke Bepalingen; art. 2 lid 1 WAM in de huidige tekst).
12. Uitgangspunt voor de beoordeling van de klacht is voorts, zoals uw Raad in de tweede alinea onder 3.3 overwoog, dat de vorkheftruck (op zichzelf een motorrijtuig in de zin van de WAM) ter plaatse waar en op het moment waarop het ongeval geschiedde, in het bedrijf van Koen Visser Produkten BV aanwezig was als werktuig, bezig met hef- en stapelwerkzaamheden.
13. Voorts overwoog Uw Raad onder 3.3 omtrent hetgeen in cassatie feitelijk vaststond, dat de vorkheftruck zich bij het verrichten van de eigenlijke hef- en stapelwerkzaamheden met behulp van zijn wielen verplaatste teneinde de juiste positie in te nemen (de omhoog geheven pallet op de juiste plaats, boven op de andere pallet - derde laag - te plaatsen).
14. De thans besproken klacht berust op de stelling dat deze verrichtingen van de vorkheftruck in samenhang met de overige omstandigheden, die zijn gesteld, dienen te worden gerekend tot het deelnemen aan het verkeer in de zin als hierboven onder 10 weergegeven en dat derhalve daaruit voortvloeiende schade gedekt dient te zijn ingevolge de WAM.
15. Uit het antwoord van het BGH op de door Uw Raad onder 2 en a gestelde vraag volgt, dat het enkele feit dat de vorkheftruck ten tijde van het ongeval als ,,werktuig'' werd gebruikt, er niet aan in de weg staat om aan te nemen dat de vorkheftruck op dat ogenblik aan het verkeer deelnam en dat de schade onder de WAM-dekking viel.
16. Het BGH reikt als criterium aan, of de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.
17. Dit houdt ook in - zoals het BGH op de door Uw Raad onder 2 en b gestelde vraag doet weten - dat anderzijds het eventuele feit dat de vorkheftruck zich (met behulp van zijn wielen) verplaatste teneinde (bij de hef- en stapelwerkzaamheden) de juiste positie in te nemen, nog niet meebrengt dat de schadeveroorzaking in het verkeer plaatsvond; ,,dat zulks met name niet het geval zal zijn, als het zich verplaatsen van het motorrijtuig redelijkerwijs slechts gezien kan worden als een onderdeel van de manoeuvre waarbij het motorrijtuig als ,,werktuig'' wordt gebezigd en als de schade niet is veroorzaakt op een wijze die overigens karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer''.
18. In dit verband teken ik aan dat dan ook voor de beslissing van de onderhavige vraag in dit licht niet relevant geacht kan worden de door het Hof te 's-Gravenhage aangenomen mogelijkheid dat de balen rijst die op de omhoog geheven pallet stonden wellicht ,,door stoten van die pallet tegen de pallet, die reeds als derde laag was geplaatst, de balen van deze pallet, (zijn) gaan schuiven'', op welke mogelijkheid ik doelde in mijn conclusie, p. 8, eerste volle alinea. Ik merk dit op, nu Mr. Lely bij pleidooi (pleitnota, NB onder 8) heeft te kennen gegeven, dat deze mogelijkheid i.c. feitelijk niet open zou staan.
19. Wel kan bij de beantwoording van de vraag, of de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer, van belang zijn - zoals het BGH naar aanleiding van de tweede vraag onder a van Uw Raad antwoordde - of de schade is veroorzaakt op een voor het verkeer bestemde weg, dan wel op een bedrijfsterrein; ,,dat immers in het eerste geval een schadeveroorzaking door het motorrijtuig eerder als karakteristiek voor schadeveroorzaking door motorrijtuigen in het verkeer is te beschouwen dan in het tweede geval''.
20. Gelet op dit alles, komt het mij voor dat het hof in r.o. 5 - anders dan in het onderdeel wordt geklaagd - niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven.
21. Allereerst overwoog het hof: ,,De vorkheftruck was immers ter plaatse in het bedrijf van Koen Visser Produkten BV aanwezig als werktuig, bezig met hef- en stapelwerkzaamheden''.
22. Daarmee gaf het hof te kennen (vgl. mijn eerdere conclusie, p. 7, tweede volle alinea), dat de manoeuvres van de vorkheftruck, die tot het onderhavige ongeval leidden, te zamen slechts gezien konden worden als te behoren tot het gebruik van de vorkheftruck als ,,werktuig'', zulks overeenkomstig de maatstaf vermeld onder 17 hierboven.
23. Overeenkomstig het aangetekende onder 19 hierboven deed het hof tot dat oordeel meewerken dat een en ander plaatsvond in het bedrijf van Koen Visser Produkten BV.
24. De conclusie dat de onderhavige schade niet onder de WAM-dekking van Centraal Beheer viel, leidde het hof tenslotte in r.o. 5 niet slechts daaruit af - hetgeen in strijd zou komen met het hierboven onder 15 aangetekende - doch uit de omstandigheid dat daarbij kwam, dat deze schade ,,ook niet in enig verband staat met overigens mogelijk plaatsgehad hebbende deelneming aan het verkeer in de hiervoor bedoelde zin''. Zie omtrent deze overweging verder 30 en 31 hieronder.
25. Naar het oordeel van het hof werd mitsdien de totstandkoming van de onderhavige schade niet gekarakteriseerd als een schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer.
26. Dit duidt niet, zoals reeds onder 20 gezegd, op een onjuiste rechtsopvatting.
27. Overigens verdient opmerking dat de waardering van de onderhavige omstandigheden in dat kader verder als in hoofdzaak van feitelijke aard aan het hof zal zijn voorbehouden, zolang niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting.
28. Ook de met ,,Bovendien'' ingeleide tweede klacht van onderdeel 2 mist doel.
29. De beslissing van het hof dat aan zijn voormeld oordeel niet afdoet de (enkele) omstandigheid dat de vorkheftruck met behulp van zijn wielen manoeuvreerde, is in overeenstemming met de onder 17 hierboven besproken overweging van het BGH.
30. De bestrijding in onderdeel 3 van de onder 24 hierboven aangehaalde overweging loopt vast op het andersluidende antwoord van het BGH op de derde door Uw Raad gestelde vraag.
31. Ik laat nu daar, of dit onderdeel niet ook op verkeerde lezing van deze overweging berust, nu deze overweging - wellicht tevens de strekking schijnt te hebben het schadegebeuren als vreemd aan ,,deelnemen aan het verkeer'' te karakteriseren.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep tot cassatie met een beslissing omtrent de kosten naar Uw Raad vermeent te behoren.

1. Dit is bij mijn weten de eerste maal waarin aan het BGH een beslissing werd gevraagd omtrent uitleg van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Deze Benelux-Overeenkomst is aangegaan bij Verdrag van 24 mei 1966, Trb. 1966, 178. De bevoegdheid van het BGH berust op het Aanvullend Protocol van 26 sept. 1968, Trb. 1968, 184.
In de feitelijke instanties heeft de rechter geen aanleiding gevonden om de beslissing van het hof te vragen. Rb. en hof hebben wellicht over het hoofd gezien dat de rechtsvragen die hun werden voorgelegd rechtsvragen waren die de uitleg van de Gemeenschappelijke Bepalingen betroffen. Het is niet zo verwonderlijk wanneer pp. en rechters er niet op attent zijn dat in deze competentie aan het BGH toekomt. Formeel betreffen de rechtsvragen de uitleg van de Nederlandse WAM. De HR gaat ervan uit - zie r.o. 2.1. van het arrest van 7 febr. 1986 - dat de krachtens de WAM verplichte verzekering overeenkomt met de verzekeringsplicht waartoe de pp. bij het verdrag zich hebben gebonden. De interpretatie van de Gemeenschappelijke Bepalingen is derhalve voor de omvang van de verzekeringsplicht volgens de WAM beslissend.
Rb. en hof waren niet gehouden de vraag van uitleg van de Gemeenschappelijke Bepalingen aan het BGH voor te leggen. Rb. en hof waren hiertoe bevoegd, doch niet verplicht. Een verplichting in deze bestaat volgens het verdrag betreffende de instelling en het statuut van een BGH slechts voor een nationaal rechtscollege, tegen de uitspraken waarvan volgens het nationale recht geen beroep kan worden ingesteld.
De HR heeft in zijn arrest van 8 april 1983 het hof verzocht uitspraak te doen over enkele vragen van uitleg van de Gemeenschappelijke Bepalingen. De advocaat van de eisende partij in cassatie had reeds in zijn pleitnota opgemerkt dat hem voorlegging aan het hof geboden leek. In de conclusie van de A-G Ten Kate werd eveneens betoogd, dat de HR het oordeel van het hof moest vragen.
2. Wat de feiten betreft mag in hoofdzaak worden volstaan met verwijzing naar de conclusie van de A-G bij het arrest van 1983. Niet betwist is, dat de vorkheftruck in kwestie een motorrijtuig is. Niet betwist is dat het ongeval plaatsvond op een tijdstip dat de vorkheftruck niet bezig was met vervoer doch met lossen van goederen. Niet betwist is, dat de loswerkzaamheid van de heftruck het ongeval heeft veroorzaakt.
De HR heeft drie nauw samenhangende vragen aan het BGH voorgelegd. De eerste vraag is de meest principiele. Iets anders geformuleerd dan de HR doet, komt de vraag hierop neer of het bij de WAM-verzekering gaat over schade die met of door het motorrijtuig bij deelneming aan het verkeer is veroorzaakt of ook over schade door het motorrijtuig veroorzaakt terwijl niet aan het verkeer wordt deelgenomen. Het BGH antwoordt categorisch, doch zonder motivering, dat het eerste antwoord juist is. Een motivering wordt wel gegeven in de conclusie van de fungerend A-G bij het hof. De geschiedenis van het verdrag wijst er duidelijk op, dat de verplichte verzekering betrekking heeft op motorrijtuigen in het verkeer.
Ook de ratio van het opleggen van een verplichte verzekering, het dekken van het verkeersrisico is een sterk argument voor deze interpretatie.
In zijn tweede vraag gaat de HR ervan uit dat het antwoord op de eerste vraag ontkennend zal luiden. In het eerste deel van deze vraag wordt gevraagd of er verkeersdeelneming kan zijn op een tijdstip dat het motorrijtuig als werktuig - niet als vervoermiddel wordt gebezigd. Het BGH antwoordt dat het gebruik als werktuig op zichzelf niet uitsluit dat van deelneming aan het verkeer kan worden gesproken. Beslissend is - aldus het hof - of er schade veroorzaakt is op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Met deze term karakteristiek wordt overigens niet een geheel duidelijk criterium gegeven en de zaak wordt niet duidelijker door de opmerking van het hof, dat voor het karakteristiek-zijn van belang kan zijn of de schade veroorzaakt is op een openbare weg of op een bedrijfsterrein. Het gebruik als werktuig sluit niet verkeersdeelneming uit. Het tweede onderdeel van de tweede vraag gaat uit van een ontkennende beantwoording van het eerste deel. Brengt verplaatsing van het motorrijtuig niet teneinde te vervoeren doch ten einde zijn taak als werktuig te kunnen verrichten op zichzelf mede dat het motorrijtuig deelneemt aan het verkeer. Neen zegt het hof, zulk een schadeveroorzaking is niet karakteristiek voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Het eerste onderdeel van de derde vraag wordt door het hof met een categorisch neen beantwoord, waardoor het tweede onderdeel komt te vervallen. De omstandigheid dat het ongeval plaatsvond met goederen die de heftruck had vervoerd, brengt niet mede dat de schade die door het behandelen van deze goederen door de vorkheftruck als werktuig is veroorzaakt moet worden beschouwd als veroorzaakt bij deelneming in het verkeer. De antwoorden van het hof zijn beslissend voor het cassatieberoep. Ruimte laten deze antwoorden niet aan de HR. De HR kon in het licht van de antwoorden op de vragen niet anders beslissen dan hij in het arrest van 1986 heeft gedaan.
3. De beslissingen van het BGH sluiten aan bij de Belgische rechtspraak. Zie Hof van Verbreking 5 nov. 1971, ARR. CASS 1972, 239, PAS 1972, I, 224, 26 nov. 1972, ARR. CASS 1973, 308, PAS 1973, I, 205; 24 april 1979, PAS 1979, I, 994. Wanneer het motorrijtuig op het ogenblik van het ongeval uitsluitend gebruikt wordt als werktuig voor bedrijfsverrichtingen neemt het niet deel aan het verkeer. In het geval van het arrest van 1971 had de feitenrechter beslist dat de tractor die bij het trekken van een machine een draaimanoeuvre uitvoert een loutere bedrijfsverrichting doet die vreemd is aan het verkeer. In het geval van het arrest van 1972 ging het over een tractor die hout overbracht naar een loods. Gesproken wordt over onverbreekbaar of onafscheidbare band tussen de rijmanoeuvre en de bedrijfsverrichting. Zie hierover S. Frederick c.s., Tijdschrift voor Privaatrecht 1981, p. 469. Er is echter wel een nuance. Het hof spreekt uit, dat de enkele omstandigheid dat het motorrijtuig als werktuig wordt gebruikt niet reeds medebrengt dat het niet deelneemt aan het verkeer.
In de benadering van het hof wordt voor de vraag of bij het gebruik van een motorrijtuig als werktuig gesproken kan worden van verkeersdeelneming beslissend, of de schade veroorzaakt is op een wijze die karakteristiek is voor de schade-toebrenging in het verkeer. Negatief gezegd: het moet gaan over schade die niet verkeersvreemd is. In de Franse tekst van het arrest wordt dit nog iets scherper tot uitdrukking gebracht; gesproken wordt over dommages causes ,,d'une maniere caracteristique, propre aux vehicles automoteurs dans la circulation''. Het antwoord op de vraag of in een bepaald geval kan worden gesproken over deelneming aan het verkeer bij het gebruik van een motorrijtuig als werktuig zal afhangen van de omstandigheden van het geval. De waardering van de omstandigheden kan echter uiteen lopen. In het onderhavige geval was de beslissing aan de hand van de uitleg van het BGH min of meer gegeven. Doch laat ik een ander geval stellen. Een motorrijtuig dat als betonmolen is ingericht verliest door het breken van de wand ten gevolge van het draaien van de molen specie. De specie verwondt een persoon of beschadigt een zaak. Is de WAM-assuradeur aansprakelijk.
a. indien het motorrijtuig op de openbare weg reed.
b. indien het motorrijtuig stilstond op de openbare weg.
c. indien het motorrijtuig zich bevond op de bouwplaats.
Aan de lezer laat ik het antwoord op deze vragen over.
4. Is de kwestie of een schadetoebrengend gebeuren onder de WAM valt voor de praktijk belangrijk? Voor het slachtoffer moet het antwoord ontkennend luiden, indien voor het schadetoebrengend gebeuren de aansprakelijke personen voldoende solvent zijn. Bij insolventie is het echter voor het slachtoffer van belang, dat hij een rechtstreekse vordering heeft op de verzekeraar of - bij het ten onrechte ontbreken van verzekering - op het Waarborgfonds. Wat aansprakelijkheid voor schade betreft is de betekenis van de WAM slechts deze, dat de assuradeur c.q. het Waarborgfonds naast degene die aansprakelijk is naar het gemene recht, aansprakelijk is. De interpretatie van de omvang van de verzekeringsplicht is ook niet van belang voor de vraag waar de grens ligt van de aansprakelijkheid ex art. 31 WVW.
De kwestie is wel van belang voor de WAM-verzekeraar die zijn aansprakelijkheid beperkt tot ,,WAM-schade''. Deze situatie deed zich in het onderhavige geval voor. Materieel was in de onderhavige zaak niet partij Henneke Visser, doch de AVB-assuradeur (Algemene Verzekering Bedrijven) van de werkgever van Henneke.
G