Verzekerd bedrag

Wam minimum verzekerde bedragen

Jurisprudentie

1-1-1965 € 113445,05
1-7-1968 €181512,09
1-1-1972 € 453780,22
1-1-1988 € 907560,43
11-6-2007 zaakschade € 1000000
letselschade € 5000000


prof. mr C.C. van Dam Het nieuwe verzekeringsrecht en het indemniteitsbeginsel VRA 2006/133

Indexering minimum verzekerde bedragen WAM 1 januari 2012

Het ministerie van Justitie besloot de ingangsdatum van de indexering van de minimum verzekerde bedragen van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen te handhaven op 1 januari 2012.
De Europese Commissie en het ministerie van Justitie interpreteren de bepalingen van de 5e WAM-richtlijn in die zin, dat zij van mening zijn dat de indexering eigenlijk al per 1 januari 2011 had moeten plaatsvinden.
Onder voorbehoud van instemming door de Ministerraad worden de minimum verzekerde bedragen in het besluit behorende bij de WAM per 1 januari 2012 als volgt geïndexeerd:
minimum verzekerd bedrag voor materiële schade: € 1.120.000,-
minimum verzekerd bedrag voor schade aan personen: € 5.600.000,-
De eveneens in het besluit bij de WAM genoemde minimum verzekerde bedragen voor het vervoer van meer dan acht personen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (beide €10.000.000,-) worden vooralsnog niet geïndexeerd. Deze bedragen betreffen nationale regelingen en vloeien niet voort uit de WAM-richtlijn, die de indexering verplicht voorschrijft (Circulaire Verbond van Verzekeraars MOT-L 2011-07 TRA-L 2011-07).


WAM: Besluit van 4 juni 2007 tot wijziging van het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

Staatsblad 2007 196 1B

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 2 april 2007,
nr. 5476352/07/6, Directie Wetgeving, mede namens Onze Minister van Financiën;
Gelet op artikel 22 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
De Raad van State gehoord (advies van 11 april 2007,
nr. W03.07.0088/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 mei 2007, nr. 5485818/07/6, Directie Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 2 komt te luiden:
Artikel 2
1. De som waarvoor de verzekering van aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, voor een motorrijtuig ten minste moet zijn gesloten, bedraagt:
a. voor schade aan personen € 5.000.000 per gebeurtenis;
b. voor schade aan zaken € 1.000.000 per gebeurtenis.

2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt voor een motorrijtuig dat is ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, de verzekerde som ten minste € 10.000.000 per gebeurtenis.
In artikel 2a wordt « € 6.806.703» vervangen door: € 10.000.000.

C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede «schade, toegebracht aan goederen» wordt vervangen door: schade aan zaken.
2. « € 13.600» wordt vervangen door: € 40.000.

ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet tot wijziging van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van de vijfde richtlijn motorrijtuigenverzekering in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 4 juni 2007
Beatrix
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de zevende juni 2007
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin

STB11021
ISSN 0920 - 2064
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2007

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Staatsblad 2007 196 2NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot aanpassing van het Besluit bedragen aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en is voorgedragen mede namens de Minister van Financiën. Het geeft de bedragen weer, waartoe de in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) bedoelde verzekering minimaal dekking moet bieden. Aanpassing van dit besluit vloeit voort uit de totstandkoming van richtlijn nr. 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PbEU L 149), hierna te noemen: de vijfde Wam-richtlijn.

Artikel 2 van de vijfde Wam-richtlijn, waarbij artikel 1 van de uit 1984 daterende tweede Wam-richtlijn opnieuw is vastgesteld, bevat in het tweede lid de bedragen waartoe de verzekering minimaal dekking moet bieden. Voor schade aan personen is het minimumbedrag van de dekking verhoogd van € 350.000 tot € 1.000.000 per slachtoffer. In plaats daarvan kunnen lidstaten ook opteren voor de mogelijkheid een bedrag te hanteren van minimaal € 5.000.000 per gebeurtenis, ongeacht het aantal slachtoffers (oorspronkelijk € 500.000). Voor schade aan zaken is het minimumbedrag van € 100.000 verhoogd tot € 1.000.000 per gebeurtenis, ongeacht het aantal slachtoffers.

De mogelijkheid die de tweede Wam-richtlijn lidstaten bood om één minimum totaalbedrag per ongeval te hanteren voor schade aan personen en schade aan zaken tezamen (oorspronkelijk € 600.000), is vervallen. Nederland maakte tot nu toe van die mogelijkheid gebruik en hanteerde daarbij een minimum totaalbedrag van € 907.560 per gebeurtenis.

Zoals uit het bovenstaande moge blijken, was aanpassing noodzakelijk van de in Nederland geldende bedragen, zoals vervat in bovengenoemd besluit. Hierbij is gebruik gemaakt van de optie die de richtlijn biedt, om een minimumbedrag per gebeurtenis te hanteren. In geval van schade aan personen is in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het besluit gekozen voor het door de richtlijn voorgeschreven minimumbedrag van € 5.000.000 per gebeurtenis. Voor een motorrijtuig dat is ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen is dit bedrag echter vastgesteld op minimaal € 10.000.000 per gebeurtenis. Voor de regering is de bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen van wezenlijk belang. Die bescherming is echter slechts reëel als het met de aansprakelijkheidslimiet gemoeide bedrag ook verzekerbaar is. Indien zou zijn gekozen voor de optie die de richtlijn geeft van € 1.000.000 per slachtoffer, dan zou in geval van een ongeval met een motorrijtuig dat is ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen (vooral grote bussen) de mogelijke schadelast zeer hoog kunnen zijn. Dat kan tot verzekeringsproblemen leiden. Bij de keuze voor € 10.000.000 per gebeurtenis is getracht tussen deze twee belangen een balans te vinden.

Gelet op het bovenstaande is de afzonderlijke verzekerde som per zitplaats voor motorrijtuigen ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen, zoals die was opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het besluit, vervallen.

Voor schade aan zaken wordt conform de richtlijn in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het bedrag van € 1.000.000 per gebeurtenis gehanteerd.

Staatsblad 2007 196 3In artikel 2a van het besluit is het bedrag neergelegd waartoe een motorrijtuig met een maximaal toelaatbaar gewicht van meer dan 3500 kilogram, minimaal verzekeringsdekking moet hebben voor schade waartoe een gevaarlijke stof aan boord van dat motorrijtuig aanleiding kan geven. Dit bedrag komt bovenop de minimaal te verzekeren bedragen voor gewone verkeersschade. Het sinds 1997 geldende bedrag van minimaal € 6.806.703 is aangepast aan de sindsdien plaatsgevonden hebbende inflatie en naar boven afgerond op minimaal € 10.000.000 per gebeurtenis. Opgemerkt zij dat laatstgenoemd bedrag een totaalbedrag is voor zowel schade aan personen als voor schade aan zaken.

Voor schade aan zaken die toebehoren aan personen vervoerd krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000, gold ingevolge artikel 3 van het besluit een bedrag van € 13.600 per gebeurtenis. Dit uit 1972 daterende bedrag is eveneens aangepast aan de sedertdien plaatsgevonden hebbende geldontwaarding en is vastgesteld op € 40.000 per gebeurtenis.

Het Verbond van Verzekeraars kan zich in de bovengenoemde bedragen vinden.

Wat betreft de financiële consequenties van de aanpassing van de verzekerde bedragen wijst een voorzichtige schatting van het Centrum voor Verzekeringsstatistiek uit dat dit aanleiding kan geven tot een extra schadelast van € 15 tot € 20 miljoen op jaarbasis. Dat is ongeveer 0,7 tot 0,9 procent van de totale Wam-premie-inkomsten. Hierbij dient te worden bedacht dat veel Nederlandse verzekeraars nu al dekkingen van € 2 of € 2,5 miljoen in hun polissen opnamen in plaats van het oude minimumbedrag van € 907.560. De feitelijke stijging van de premies zou derhalve lager kunnen uitvallen.

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
Staatsblad 2007 196 4

Jurisprudentie

Rb Zeeland-West-Brabant 27-03-2013 ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6469 Schadeverzekering inzittenden. Vergoeding BGK boven verzekerde som. Geen wettelijke rente wel het voordeel

3.7. Volgens de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 19 529, nr. 3, waarop [eiser] heeft gewezen, is bij de formulering van lid 1, vergeleken met het voorontwerp, nauwer aangesloten bij artikel 6.1.9.2 lid 2 onder c. Gelet evenwel op de bewoordingen ‘de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade’ is bedoeld met de formulering aan te sluiten bij het huidige artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b. Daarop wijst ook het gebruik van de term ‘expertisekosten’ in de genoemde Memorie van Toelichting. Zie onder anderen in deze zin ook het na te noemen voortontwerp, Asser 7-IX, nr. 412, Mijnssen, Monografieën BW, Verzekering, 29.6.

3.8. In het voorontwerp voor boek 7 NBW (het ‘Groene Boek’, 1972) is artikel 7:959 lid 1 BW (destijds 7.17.2.22 lid 1) als volgt toegelicht: “Lid 1 bepaalt dat de in artikel 7.17.2.18 bedoelde vergoeding en de expertisekosten door de verzekeraar worden gedragen, ook al zou daardoor tezamen met de vergoeding van de schade de verzekerde som worden overschreden. Voor de vergoeding volgens artikel 7.17.2.18 is dit reeds bij dat artikel toegelicht. Dat ook de kosten tot het vaststellen van de schade eventueel boven de verzekerde som door de verzekeraar worden gedragen, is in overeenstemming met de beursbrandpolis en met de tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde opvatting dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos moet worden gesteld. Veelvuldig vergoeden verzekeraars deze kosten dan ook boven de verzekerde som, ook indien dit niet was overeengekomen.” Uit deze toelichting valt op te maken, dat de reden om in 7:959 lid 1 BW een uitzondering te maken voor de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op het uitgangspunt dat de schade slechts tot de verzekerde som moet worden vergoed, is dat deze kosten (evenals de uitgezonderde bereddingskosten) in zekere zin los staan van de eigenlijke door de verzekerde geleden personen- of zaakschade, want gemaakt zijn ter vaststelling van het bestaan of de omvang van die eigenlijke schade. Daaraan doet niet af dat artikel 6:96 BW dergelijke kosten als ‘vermogensschade’ aanmerkt. Zouden deze kosten niet boven de verzekerde som voor vergoeding in aanmerking komen maar daarop in mindering strekken, dan zou de ‘eigenlijke’ schade, indien deze de verzekerde som overschrijdt, in zoverre niet worden vergoed, hetgeen niet strookt met het beginsel dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos wordt gesteld. Gelet op deze strekking en de aansluiting van de wetgever bij de formulering van artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b, bestaat naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door Interpolis bepleit, geen reden om advocaatkosten uit te zonderen van de ‘kosten ter vaststelling van de schade’ als bedoeld in artikel 7:959 lid 1 BW.

Juist ter zorgvuldige vaststelling van de schade, gaf Interpolis in overweging om bijstand van een in letselschade gespecialiseerde advocaat te zoeken. Mitsdien zijn de kosten van juridische hulp en bijstand aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 7:959 lid 1 BW.

Geen vergoeding wettelijke rente omdat dat boven het verzekerd bedrag uitkomt, wel het voordeel van rente wegens verrijking.

Rechtbank Breda 04-04-2012 ECLI:NL:RBBRE:2012:BW1032 WAM, geen vergoeding schadebeperkingskosten boven verzekerde som. Vergoeding vervanger zelfstandige

Terwijl de buitengerechtelijke kosten als zodanig niet zozeer zijn toe te rekenen aan de veroorzaker van de primaire schade en veeleer een zelfstandige schuld van de verzekeraar betreffen, geldt dit niet voor de kosten ter beperking van schade (Vgl. S.D. Lindenbergh in: Buitengerechtelijke kosten, vijf visies op de redelijkheid, p. 17).
Waardering arbeidsvermogensschade van onderneemster die samen met haar echtgenoot medegerechtigd is in een vennootschap onder firma en een besloten vennootschap. Abstrahering van concrete omstandigheden. Omstandigheid dat benadeelde in gemeenschap van goederen is gehuwd brengt mee dat voor de waardering van de arbeidsvermogensschade geabstraheerd dient te worden van de feitelijke eigendomsverhoudingen, de feitelijke winstverdeling en het feitelijk aan de echtgenoot als directeur van de bv toegekende salaris. Waardering van het arbeidsvermogensverlies op de kosten van een vervanger die nodig zijn om winstgevendheid van de onderneming te behouden, na het uitvallen van de arbeidskracht van de benadeelde.

Rechtbank Amsterdam 15-08-2012 ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7282 Onvoldoende gesteld t.a.v. regresnemers dat schade boven verzekerde som kwam

Benadeelde tegen regresplegende werkgever en UWV, voordat zij bekendheid hadden of verzekerde som toereikend was. Benadeelde heeft onvoldoende gesteld zodat onvoldoende is komen vast te staan dat hij meer schade leed vergoed door de wa-verzekeraar.

Rechtbank Utrecht 18-08-2010 ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5962 Geen toelating bewijs dat de feitelijke verzekerde som hoger is dan het locale minimum

Omvang regresrecht Nederlandse verzekeraar op Servische verzekeraar. Eiser niet tot (tegen)bewijs toegelaten van stelling dat verzekerde som hoger is dan de in Servië ttv ongeval voorgeschreven minimum dekking mede omdat eiseres schriftelijke bewijsstukken van gedaagde hieromtrent geheel onbesproken heeft gelaten in haar conclusies.

HR 27 juni 2008, BD1842 stuiting verjaring bij WAM-verzekeraar stuit ook boven het verzekerd bedrag jegens verzekerde. Aanzegging rente stuit verjaring

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 22-04-2008 ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD9066 niet te goeder trouw deel verzekerde som aan anderen betaald

Na verkeersongeval is de schade hoger dan de verzekerde som. Vraag is of het GEA de verzekeringsmaatschappij kon veroordelen tot betaling van meer dan de verzekerde som. Gerecht heeft op goede gronden overwogen dat verzekeraar niet te gelden heeft als zijnde te goeder trouw toen deze aan de Staat en aan ander slachtoffer een groter bedrag heeft uitgekeerd dan het aan deze andere slachtoffers toekomende deel. Daarom kan verzekeraar geen beroep doen op art. 6, lid 2 LAM. Ook is het niet redelijk slachtoffer op te zadelen met verhaal van het hem toekomend aandeel op mede-gelaedeerden. Over wettelijke rente moet nog een berekening door partijen worden gemaakt.

Rb Den Bosch 04-07-2007 ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4801 Overschrijding maximaal verzekerde som. geen matiging

Verzekerde dient uit eigen middelen het onbetaald gebleven deel van de schade te vergoeden. Hoofdelijke schuldenaar. Rest schade wel door een andere verzekering gedekt. Beroep op matiging afgewezen. De rechtbank wijst erop dat zij geen grond ziet om anders te oordelen indien mocht blijken dat gedaagde toch geen regresmogelijkheden op de verzekeraar van de mede-eigenaar meer heeft. Indien de mede-eigenaar regres kan afweren door zich met succes te beroepen op verjaring of op het door gedaagde onjuist voeren van de procedure, dan heeft gedaagde immers door eigen toedoen zijn regresmogelijkheid verspeeld

HR 29-4-1977 VR 1977, 68: rente en BGK komen boven het verzekerd bedrag

dat de verzekeraar van de aansprakelijkheid voor door een motorrijtuig veroorzaakte schade krachtens artikel 6 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen een eigen verbintenis heeft jegens de benadeelde tot vergoeding van door het motorrijtuig veroorzaakte schade voor welke een of meer van de verzekerde personen aansprakelijk is; dat deze schuld van de verzekeraar jegens de benadeelde op grond van het bepaalde in artikel 11 lid 1, tweede zin, in verband met artikel 22 van genoemde wet beperkt is tot het bedrag bedoeld in artikel 22, indien de betreffende verzekering voor een niet hoger bedrag was gesloten; — dat de verzekeraar over deze aldus beperkte schuld, zoals iedere schuldenaar van een geldsom, bij niet tijdige voldoening van de schuld ter vergoeding van de daardoor veroorzaakte vertragingsschade aan de benadeelde die hem overeenkomstig de bepalingen van artikel 1296 van het Burgerlijk Wetboek terzake heeft aangemaand, wettelijke interessen moet betalen;
dat deze verplichting van de verzekeraar tot het betalen van wettelijke interessen over zijn schuld jegens de benadeelde los staat van zijn verbintenis jegens de verzekerde uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst; dat dan ook de beperking van het verzekerde bedrag in die overeenkomst tot ƒ 400.000 geen invloed heeft op de verschuldigdheid van wettelijke interessen krachtens artikel 1286 door de verzekeraar aan de benadeelde; dat het Hof in zijn bestreden arrest derhalve terecht heeft geoordeeld dat Ennia over het door haar verschuldigde bedrag van ƒ 400.000, ook wanneer men uitgaat van de in het vierde en vijfde onderdeel gestelde.
Zie ook
en HR 31-10-1997 VR 1998, 46:
2.4.3. Naar Nederlands recht is het oordeel van de rechtbank, dat het hof tot de zijne heeft gemaakt, juist. Evenals de verplichting van de WAM-verzekeraar tot het betalen van wettelijke rente over zijn schuld jegens de benadeelde losstaat van zijn verbintenis jegens de verzekerde uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, staat ook de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten los van deze verbintenis.
Het vorenoverwogene brengt mee dat onderdeel 3a ook voor het overige faalt.

AVP en AVB CV (zie ook docx, inloggen): Bij een AVP verzekeren wij de aansprakelijkheid van verzekerde jegens derden. Datgene waartoe de verzekerde verplicht is te betalen nemen wij op ons. De dekking betreft derhalve de schuld van verzekerde jegens derden en niet onze schuld jegens derden. Daardoor valt de rente en de BGK binnen het verzekerd bedrag, behalve als in de polisvoorwaarden anders is bepaald. De polisvoorwaarden trof ik in het dossier niet aan.
De introductie van art. 7:954 BW:
Indien in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid de verzekeraar ingevolge artikel 941 de verwezenlijking van het risico is gemeld, kan de benadeelde verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald.
verandert hier niets aan, omdat in tegenstelling met de WAM de verzekeraar geen eigen schuld jegens benadeelde heeft, alleen verplicht is datgene wat hij jegens de verzekerde verschuldigd is aan de benadeelde te betalen.
Het is derhalve van belang voor benadeelden geen rente en kosten te laten ontstaan.

HR 30-5-1997 RvdW 97, 1331, VR 97, 163 Rechtsverwerking bewijs Maximum WAM

Door 14 jaar lang te wachten met het aanspreken van de dader en diens werkgever zijn deze in een bewijsachterstandspositie geraakt. In die 14 jaar heeft de eiser zonder een deugdelijke rechtvaardiging daartoe te hebben aangevoerd bewijs verza­meld buiten het gezichtsveld en contro­lemogelijkheid van hen en een procedure tegen de WAM verzekeraar gevoerd waarvan zij wisten dat deze slechts tot 1 mio aan­sprakelijk was terwijl reeds enkele jaren na het ongeval bekend was dat de schade dat bedrag ver overtrof. Enig gewicht komt ook toe aan het ontnemen van de moge­lijkheid voorzieningen te treffen tegen de financiële gevolgen. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat eisers daardoor hun recht verwerkt hebben.

Rb Dordrecht 14-9-1994 VR 1996, 120 Onvoldoende verzekerd bedrag, WAM, Ziekenfonds

Bij onvoldoende -dekking heeft de benadeelde voorrang en moet het ziekenfonds de vordering tenachterstellen.

 

 

 

Verzekering