Belastbaarheid bij collectieve ongevallen verzekering t.o.v. aansprakelijkheid

Zie ook Loonbelasting

Situaties
Oorzaak

Situaties

1.     De werkgever sluit de ongevallenverzekering voor werknemers en betaalt de premies
In dit geval kan gebruik worden gemaakt van de in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) genoemde vrijstelling voor aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval. Hierdoor is de aanspraak onbelast. De uitkering is belast.
2.     De werkgever sluit een ongevallenverzekering en houdt de premies in op het loon van de werknemer
In tegenstelling tot bij de situatie onder 1. betaalt de werknemer in dit geval de premies zelf door inhouding op zijn brutoloon. Deze ingehouden premies worden ook nu aangemerkt als bijdragen voor aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval en behoren niet tot het belaste loon van de werknemer. Omdat de aanspraak is vrijgesteld, wordt de uitkering volledig belast als loon uit dienstbetrekking.
3.     De werknemer sluit de verzekering zelf en de premie wordt vergoed door de werkgever
|Als de werkgever de premies vergoedt voor een ongevallenverzekering die in privé door de werknemer is afgesloten, wordt deze vergoeding in beginsel belast en valt de latere uitkering buiten de loonsfeer. Indien de ongevallenverzekering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen die plaatsvinden tijdens de vervulling van de dienstbetrekking, dan kan de door de werkgever betaalde vergoeding zijn vrijgesteld van loonheffing. In dat geval wordt de uitkering volledig belast als loon uit dienstbetrekking.
4.     De werkgever geeft een vergoeding voor een algemene ongevallenverzekering die zowel in de zakelijke als in de privésfeer dekking geeft
Wanneer de werkgever een vergoeding verstrekt voor een algemene ongevallenverzekering, waarbij recht bestaat op een kapitaalsuitkering ingeval van ongevallen in zowel de zakelijke als de privésfeer (een zogenaamde 24-uursdekking), dan moet de door de werkgever verstrekte vergoeding bij de werknemer als loon in aanmerking worden genomen. De uitkering valt dan buiten de loonsfeer en is onbelast.
5.     De werkgever sluit een collectieve privé-ongevallenverzekering ten behoeve van zichzelf en neemt de premies geheel voor zijn rekening
Het betreft hier een verzekering die de werkgever sluit om het risico van werkgever aansprakelijkheid af te dekken. Als de doorbetaling van de uitkering aan de werknemer niet berust op een verplichting uit hoofde van de dienstbetrekking, dan kan de uitkering (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval) onbelast zijn.

Oorzaak

Fiscaal wordt verlies aan arbeidsvermogen bij ongevallenverzekring anders behandeld dan bij aansprakelijkheid.

Het onderscheid is aangebracht door de Hoge Raad in het arrest HR 29-06-1983; BNB 1984, 2, dat kan worden samengevat met:
Vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan die werknemer worden betaald vinden, behoudens bijzondere omstandigheden, niet zozeer hun grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt.

De bronnentheorie ligt ten grondslag aan de leer dat schadevergoedingen belastingvrij blijven, indien zij betrekking hebben op het teloorgaan van arbeidskracht in het algemeen. Deze vergoedingen kunnen niet aan een bron van inkomen worden toegerekend (noot v. Soest 23 december 1977, BNB 1979/34).

De rechter neemt in fiscale zaken slechts dan een oorzakelijk verband tussen de uitkering en de dienstbetrekking aan indien de werkgever als zodanig zijn verplichtingen (als werkgever) niet is nagekomen dan wel de schade (het leed enzovoorts) van de werknemer uitsluitend in de uitoefening van de dienstbetrekking is kunnen ontstaan.
Indien niet bij uitsluiting de dienstbetrekking de oorzaak van de schade is maar een ieder bij aanwezigheid in het garagebedrijf had kunnen overkomen, zodat een ieder de eigenaar van dat bedrijf had kunnen aanspreken vanwege de schade die door het ongeval is veroorzaakt ontbreekt het oorzakelijk verband.

Belanghebbendes positie verschilde in geen enkel opzicht van die van een willekeurige derde (Hoge Raad 21-02-2001 AB0164: daarbij gaat het om omstandigheden zoals afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding ontleent.
Hof Arnhem AO7871 17-03-2004: Daaronder is niet te begrijpen een minnelijke overeenkomst als de onderhavige die, nadat het schadeveroorzakende ongeval zich heeft voorgedaan, wordt opgemaakt ter beëindiging van een lopende procedure
Hof Arnhem 28-10-1999 AA4599: Gelet op de aard van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden is het Hof van oordeel dat het ongeval en de daardoor veroorzaakte schade uitsluitend aan de werknemer als zodanig, in casu belanghebbende, is kunnen overkomen. De dienstbetrekking impliceerde klaarblijkelijk het verrichten van werkzaamheden met een gevaarlijk karakter. Het Hof acht het daarbij voorts ondenkbaar dat een dergelijk ongeval ook aan een toevallig op het werk aanwezige derde had kunnen overkomen.)

Je treft de uitspraak hieronder in extenso aan.

Wat dit arrest maatgevend voor de verzekeraarsbranche maakt, zit niet alleen in het verlies aan arbeidskracht als voorbronnelijke oorzaak van de uitkering, maar mede of zelfs vooral in de civielrechtelijke oorzaak, namelijk de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.

Veranderen we één van deze twee factoren dat zit je vrijwel direct in heffing.
1 Maken we van het verlies aan arbeidskracht verlies aan de fiscale bron inkomsten uit werk en woning, dan wordt inkomstenbelasting geheven.
2 Vervangen we aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad door gehoudenheid uit een collectieve ongevallenverzekering, dan komen we ook op heffing uit.

De eerste fiscale factor komt in de praktijk vrijwel alleen voor bij zelfstandigen. Kort door de bocht komt het erop neer dat als iemand door zijn onrechtmatige daad de arbeidskracht van een zelfstandig ondernemer vermindert door hem letsel toe te brengen, dan ziet de fiscus de vervangende uitkering als een vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen als het letsel blijvend is en als een inkomstenvergoeding als het gaat om tijdelijk letsel.
Ik verwijs naar het boek Letselschade en de fiscus, Stichting PIV 2002 van het Personenschade Instituut van Verzekeraars (www.stichtingpiv.nl http://www.stichtingpiv.nl/Smartsite.shtml?id=243590).

De tweede factor betreft het vervangen van onrechtmatig handelen door een situatie waarin de reguliere werkgever de premie van een door hem gesloten ongevallenverzekering voor invaliditeit of overlijden van een werknemer geheel of ten dele vergoedt. In dat geval wordt de uitkering zo zeer gegrond geacht in de dienstbetrekking dat deze als loon moet worden aangemerkt ingevolge art. 10 LB 64.

Niet de aanspraak op de uitkering, maar de uitkering zelf is belastbaar (art. 11 lid 1h LB 64).
De wet kent geen onderscheid in de situatie dat de werkgever zelf of een inhoudingsplichtige verzekeraar, de uitkering doet.

Het handboek Loonheffingen 2010, dat je hierbij aantreft, is duidelijk in hoofdstuk 17.16.1.
In de collectieve ongevallenverzekering heeft de werknemer recht op een uitkering omdat sprake is van een verzekerde invaliditeit door ongeval, wat min of meer overeenkomt met verlies arbeidsvermogen.
Dat recht, de aanspraak in fiscale zin, is niet belastbaar.
De uitkering die wij verrichten moet wel belast worden. Wij zijn inhoudingsplichtige in de zin van LB64.
Loonheffing kan het meest efficiënt gedaan worden door de uitkering via de loonadministratie van de werkgever zelf te laten volgen.
Dat is met name van belang omdat wij nimmer weten of de werknemer zelf ook bijgedragen heeft in de premie. De werkgever weet dat wel.
Meestal heeft de werknemer niet bijgedragen. Als dat wel het geval is dan neemt de fiscus aan dat de volledige uitkering belast is onder aftrek van het totaal aan premies die door de werknemer zijn betaald. In mijn gevoel is dat niet rechtvaardig, omdat een causale redenering toch zou moeten leiden tot een verhoudingsgewijze toerekening aan de dienstbetrekking naar rato van de door werkgever en werknemer betaalde premie.

Jurisprudentie over de premietoerekening is mij niet bekend, wel over het door mij hier weergegeven principe van heffing bij collectieve ongevallenverzekering. Je treft dat bij voorbeeld aan in Rb Breda 17-01-2006, AV9151 in geval van invaliditeit en HR 24-09-1997, AA3261 waarin bij overlijden de prioriteit bij de LB / IB ten opzichte van de successierechten mooi tot uitdrukking komt.

HR 29-06-1983; BNB 1984, 2

O., dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:
'Aan belanghebbende, die sedert 1949 in dienstbetrekking was bij de besloten vennootschap Carrosserie- en Automobielbedrijf A BV te Z, laatstelijk als allround autorichtspecialist, is op 24 april 1968 in de werkplaats van zijn werkgeefster een ongeval overkomen waarvan de toedracht de volgende is geweest:
Terwijl belanghebbende in de in die werkplaats aanwezige werkkuil in de uitoefening van zijn dienstbetrekking aan het werk was, deed zich in die kuil een explosie voor welke werd gevolgd door brand. Als gevolg van deze explosie en deze brand heeft belanghebbende ernstige brandwonden en verminkingen opgelopen;
hij is vele malen in het ziekenhuis opgenomen geweest en geopereerd.
Belanghebbende is door dit ongeval volledig arbeidsongeschikt geworden en hij heeft thans een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De explosie is ontstaan doordat benzinedampen die zich in de werkkuil hadden verzameld, zijn ontbrand door een defect aan de verlichtingsinstallatie van de werkkuil.
Belanghebbende heeft zijn werkgeefster bij dagvaarding van 25 september 1970 gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te Maastricht en haar veroordeling gevorderd tot vergoeding van de kosten, schade en interessen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, ter zake van het hem op 24 april 1968 overkomen ongeval, alsmede tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot die van de algehele voldoening.
Deze eis is toegewezen bij vonnis van 19 september 1974, in welk vonnis is beslist dat het ongeval uitsluitend te wijten is geweest aan de schuld van A BV en dat zij volledig aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan. Nadat het tegen dit vonnis gerichte hoger beroep van A BV bij arrest van dit Hof van 25 februari 1975 niet-ontvankelijk was verklaard, heeft het Expertisebureau B in opdracht van belanghebbende de door hem geleden en nog te lijden schade berekend, welke berekening samengevat luidt als volgt:
a. materiele schade ƒ 6.255,?
b. inkomstenderving ƒ 47.795,_
c. extra uitgaven in verband met invaliditeit ƒ 16.595,?
d. belastingschade ƒ 9.060,?
e. smartegeld ƒ 45.000,?
——————————
totale schade ƒ 124.705,?
Delta Lloyd Autoverzekering n.v., bij welke vennootschap belanghebbendes werkgeefster zich tegen wettelijke aansprakelijkheid had verzekerd, heeft de schade van belanghebbende becijferd als volgt:
1. smartegeld ƒ 50.000,?
2. materiele schade ƒ 3.500,?
3a. vergoeding van geleden
inkomensschade tot en
met december 1974 ƒ 8.670,?
3b. toekomstschade
(contante waarde voor verloren
arbeidscapaciteit ten gevolge van verminderde validiteit) ƒ 36.235,?
4. lump sum als bijdrage in
de kosten van vervanging
voor eigen werkzaamheid in huis,tuin en keuken ƒ 5.000,?
5. wettelijke rente ƒ 30.516,64 6. belastingschade ƒ 3.034,03 ————————————
totale schade (afgerond) ƒ 137.500,?
Na verdere onderhandelingen zijn A BV
contractante sub I, 1 ) en Delta Lloyd (contractante sub I, 2) als haar WA-assuradeur met belanghebbende (contractant sub II) bij wijze van dading op 10 november 1976 schriftelijk overeengekomen als volgt:
'1. contractante sub I, 2 betaalt aan of ten behoeve van contractant sub II, onder aftrek van een reeds betaald voorschot ad ƒ 15.000,?, een bedrag van ƒ 122.500,? ten titel van zaaksschade, smartegeld en verlies aan arbeidsvermogen; betaling zal plaatsvinden voor of uiterlijk op 15 november 1976.
2. partijen doen afstand van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te vorderen overeenkomstig de artt. 1302 en 1303 BW
3. de partijen voornoemd verklaren het tussen hen gerezen geschil aldus naar wederzijds genoegen te hebben opgelost, zodat zij ter zake voormeld niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar deswege volledige en algehele kwijting verlenen'.
Genoemde contractanten hebben hierbij in aanmerking genomen: 'dat zich op 24 april 1968 in het bedrijf van contractante sub I, 1 een bedrijfsongeval heeft voorgedaan, waarvoor contractanten sub I zich ten gronde aansprakelijk achten;
dat ten gevolge van voormeld ongeval contractant sub II ernstige immateriele en materiele schade, daaronder begrepen financieel nadeel als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen uit hoofde van invaliditeit, alsmede zaaksschade, heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden;
dat partijen verdeeld zijn over de vraag naar de omvang van de door contractant sub II geleden schade;
dat partijen met elkaar te rade zijn gegaan en besloten hebben het onderhavige geschil in der minne te regelen'.
Het in de overeenkomst van dading genoemde voorschot van ƒ 15.000,? is in 1975 aan belanghebbende uitbetaald en partijen hebben ter zitting eensluidend verklaard dat, voor zover dat van belang mocht blijken te zijn, van het door belanghebbende op grond van deze dading ontvangen bedrag in het onderhavige kalenderjaar niet meer dan ƒ 122.500,? belastbaar is en dat indien de totale schade-uitkering van ƒ 137.500,? is opgebouwd uit de elementen, zoals die zijn vermeld in de schadeberekening van Delta Lloyd (hetgeen de Inspecteur stelt, maar belanghebbende betwist) het bedrag van het voorschot pondspondsgewijze moet worden toegerekend aan elk van die elementen.
De bij de uitspraak, waarvan beroep, gehandhaafde aanslag is berekend als volgt:
aangegeven belastbaar inkomen ƒ 20.600,52 bij: belastingschade ƒ 3.034,03 verminderd arbeidsvermogen ƒ 44.905,
wettelijke rente ƒ 30.516,64 ƒ 78.455,67 vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 99.056,19
O. dat het Hof het standpunt van belanghebbende heeft weergegeven als volgt:
'1. dat de Inspecteur ten onrechte aanneemt dat in de uitkering van ƒ 137.500,een bedrag van ƒ 3.034,03 is begrepen voor belastingschade en een bedrag van ƒ 30.516,64 voor wettelijke rente;
2. dat- anders dan de Inspecteur voorstaat — de schade-uitkering, voor zover betrekking hebbende op verminderd arbeidsvermogen noch als loon uit dienstbetrekking, noch uit andere hoofde belastbaar is;
3. dat de Inspecteur ten onrechte stelt dat de aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld, aangezien hij ten onrechte aanneemt dat hetgeen voor zaakschade en smartegeld is begrepen in de schade-uitkering, belastbaar is;';
O. dat het Hof voorts omtrent de standpunten van partijen heeft vermeld:
'dat partijen elk hun standpunt hebben doen steunen op hetgeen zij daarvoor in de van hen afkomstige stukken hebben aangevoerd en belanghebbende daaraan ter zitting — zakelijk weergegeven — nog heeft toegevoegd:
ad 1:
Hij handhaaft dat in de van Delta Lloyd ontvangen schade-uitkering geen bedragen zijn begrepen voor belastingschade en wettelijke rente. De door de F.I.0.D. in de administratie van Delta Lloyd aangetroffen specificatie waarop de Inspecteur zich baseert voor zijn stelling dat belanghebbende wel een bedrag voor belastingschade en een bedrag voor wettelijke rente heeft ontvangen, is niet meer dan een intern stuk waaraan geen bewijs met betrekking tot de samenstelling van de schade-uitkering mag worden ontleend.
Belanghebbende die op basis van het rapport B een schadevergoeding van ƒ 124.705,? exclusief rente claimde, was het niet eens met de diverse in het aanbod van Delta Lloyd begrepen schadeposten.
Toen echter in de loop van de onderhandelingen bleek dat Delta Lloyd niet meer dan in totaal ƒ 137.500,? wilde betalen, is belanghebbende daar ter vermijding van een schadestaatprocedure uiteindelijk mee accoord gegaan, ook al ontving hij dan minder dan hij verlangde namelijk naast de door hem aanvaarde hoofdsom geen wettelijke rente. Dit blijkt ook uit de in het geding gebrachte akte van dading: belanghebbende heeft de schade-uitkering namelijk uitsluitend ontvangen ter zake van zaakschade, smartegeld en verlies van arbeidsvermogen, te specificeren als volgt:
voor zaakschade ƒ 6.255,?, voor smartegeld ƒ 50.000,? en voor verminderd arbeidsvermogen ƒ 81.245,?.
ad 2 en 3:
Zoals in het beroepschrift reeds is opgemerkt, wordt aan een uitkering wegens verminderd arbeidsvermogen haar karakter niet ontnomen indien ter kwantificering daarvan acht wordt geslagen op concrete inkomensgegevens en de positie van de belanghebbende. Van een uitkering wegens gederfe of te derven inkomsten is in elk geval geen sprake.
De stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende genoten uitkering belast is omdat zij voortspruit uit de dienstbetrekking, wordt, zoals reeds betoogd is in het beroepschrift, bestreden op deze grond, dat in rechterlijke uitspraken is beslist dat uitkeringen als de onderhavige niet aan een bepaalde bron van inkomen kunnen worden toegerekend. Dat zulks wel voor de winstsfeer zou gelden en niet voor de loonsfeer, is onjuist.
Zou niettemin een onderscheid moeten worden gemaakt- hoe onlogisch ook — dan nog dienen de door belanghebbende genoten uitkeringen wegens verminderd arbeidsvermogen en immateriele schade buiten de heffing van inkomstenbelasting te blijven aangezien zij niet uit belanghebbendes dienstbetrekking bij A BV worden genoten.
Dezerzijds wordt gesteld dat de uitkeringen hun oorzaak vinden in een onrechtmatige daad welke belanghebbendes werkgever heeft begaan, hierin bestaande, dat hij er niet voor heeft gezorgd dat een lokaliteit, waarin zich ook anderen dan personeelsleden kunnen bevinden, veilig is. De verplichting tot vergoeding van de hierdoor veroorzaakte schade vloeit derhalve voort uit een verbintenis uit de wet (art. 1401 en volgende van het BW). Dat het arbeidsrecht in ruime zin een aparte bepaling kent (art. 1638x BW) welke op de werkgever als zodanig zekere verplichtingen legt, bij welker niet-nakoming een schadeplicht ontstaat, doet daarbij niet ter zake. De gelaedeerde werknemer heeft immers — voor zover beide wettelijke bepalingen samenlopen — de keuze om zich op de een dan wel op de ander bij zijn actie tot schadevergoeding te beroepen. Zou in een geval als het onderhavige die keuze bepalen of de uitkering uit de dienstbetrekking wordt genoten of niet, dan zou een verschil in belastingheffing ontstaan dat door het enkele bestaan van die keuze niet gemotiveerd casu quo gerechtvaardigd kan worden.
Aangezien een derde, die in de betrokken ruimte aanwezig zou zijn geweest, bij schade de garagehouder had kunnen aanspreken op grond van onrechtmatige daad, en een alsdan ontvangen uitkering onbelast zou zijn geweest, moet worden geconcludeerd dat belanghebbendes vordering tot schadevergoeding niet voortspruit uit de dienstbetrekking doch uit de onrechtmatige daad, waarbij — indien deze conclusie niet zou mogen worden getrokken — evenzeer een verschil in belastingheffing zou ontstaan dat nimmer op grond van de overigens bestaande rechtsverhouding (dienstbetrekking) of de afwezigheid daarvan kan worden gegrond.
De Inspecteur beroept zich bij de uiteenzetting van zijn standpunt op enige rechterlijke uitspraken. Uit het hierna volgende moge echter blijken dat deze uitspraken veeleer het standpunt van belanghebbende schragen.
In BNB 1972/236 wordt door het Hof Amsterdam uitvoerig overwogen dat de aan de belanghebbende in die procedure gedane uitkering tot het loon werd gerekend 'omdat hij zich bij de uitoefening van zijn dienstbetrekking zou hebben schuldig gemaakt aan grove onachtzaamheid en oneerlijkheid en dat hij dus bij de uitvoering van de hem opgedragen taak ernstig verwijtbare handelingen of verzuimen heeft gepleegd; dat immers niet is gebleken dat voormelde beschuldiging betrekking heeft op gedragingen van belanghebbende die met de dienstbetrekking niets te maken hebben'.
Zie evenzo Hoge Raad 6 september 1978, BNB 1979/208:
'dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat een vergoeding voor immateriele schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan is gelegen in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of op de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend'.
Uit deze rechterlijke uitspraken blijkt dat de rechter in fiscale zaken — anders dan de Inspecteur in deze procedure — slechts dan een oorzakelijk verband tussen de uitkering en de dienstbetrekking aanneemt indien de werkgever als zodanig zijn verplichtingen (als werkgever) niet is nagekomen dan wel de schade (het leed enzovoorts) van de werknemer uitsluitend in de uitoefening van de dienstbetrekking is kunnen ontstaan. In het onderhavige geval is niet bij uitsluiting de dienstbetrekking de oorzaak van de schade geweest doch het ongeval.
Immers dit ongeval had een ieder bij aanwezigheid in het garagebedrijf kunnen overkomen, zodat een ieder de eigenaar van dat bedrijf had kunnen aanspreken vanwege de schade die door het ongeval is veroorzaakt.
In dit opzicht verschilde belanghebbendes positie in geen enkel opzicht van die van een willekeurige derde. Dat belanghebbende de keuze had tussen een actie op grond van art. 1638x BW en art. 1401 en volgende van het BW is niet relevant, nog daargelaten dat zulks — weergegeven de daar de Arrondissementsrechtbank te Maastricht vastgestelde feiten — geen enkel verschil in omvang en aard van de schadevergoeding zou hebben uitgemaakt.
De opmerking van de Inspecteur dat een willekeurige derde geen schade zou hebben kunnen claimen, is in strijd met de tegenover derden geldende zorgplicht die op de eigenaar van de garage rust, en tegen de financiele risico's waarvan die eigenaar zich dan ook verzekerd heeft.
Ten slotte moge nog worden verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 1978, F.E.D. I.B. 1964: art. 22: 150, waarin de aan een werknemer toegekende vergoeding wegens een in de uitoefening van zijn dienstbetrekking overkomen ongeval onbelast werd gelaten wegens onvoldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking. Dat deze uitkering werd ontvangen van een derde (een afnemer van belanghebbendes werkgever) kan voor deze onbelastbaarheid niet worden aangevoerd: de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van prestaties van derden vereist slechts een oorzakelijk verband en niet dat arbeid is of zal worden verricht.
Voor de belastbaarheid van vergoedingen wegens verminderd arbeidsvermogen en smartegeld verkregen van de werkgever is niet voldoende dat het ongeval of de oorzaak van het leed zich heeft voorgedaan in de uitoefening van de dienstbetrekking maar is vereist dat de schade uitsluitend aan de werknemer als zodanig heeft kunnen opkomen en de werkgever als zodanig tot vergoeding van die schade gehouden is.
Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake;';
O. dat het Hof vervolgens heeft overwogen:
'dat belanghebbende ter zitting — voor het geval zijn hierboven onder 2 vermelde standpunt wordt verworpen — heeft ingestemd met de stelling van de Inspecteur dat de in de schade-uitkering begrepen vergoeding voor verminderd arbeidsvermogen is een uitkering wegens invaliditeit van de werknemer ten gevolge van ongeval, als bedoeld in art. 57, lid 1, letter h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zodat ingevolge het vierde lid van dat artikel daarop een bijzonder tarief van 20% van toepassing is in plaats van 22%, waarvan ten onrechte bij de berekening van de aanslag is uitgegaan;';
O. dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
'dat belanghebbende heeft gesteld en ter zitting nader gepreciseerd dat de uitkering ad ƒ 137.500,?, die hij van de WA-assuradeur van zijn voormalige werkgeefster A BV heeft ontvangen als vergoeding voor de door hem als gevolg van het hierboven onder de vaststaande feiten omschreven ongeval geleden schade, bestaat uit een bedrag van ƒ 6.255,? voor zaaksschade, een bedrag van ƒ 50.000,? als smartegeld en een bedrag van ƒ 81.245,? wegens verlies van arbeidsvermogen;
dat de Inspecteur heeft gesteld dat de uitkering van ƒ 137.500,? is samengesteld als volgt:
1. materiele schade (afgerond) ƒ 4.000,?
2. belastingschade ƒ 3.034,03
3. smartegeld ƒ 50.000,
4. vergoeding wegensver minderd arbeidsvermogen ƒ 44.905,?
5. lump sum ƒ 5.000,?
6. wettelijke rente ƒ 30.516,64
—————————————
totaal (afgerond) ƒ 1 37.500,?
dat de Inspecteur de onder 2, 4 en 6 genoemde bedragen ad in totaal ƒ 78.455,67 in afwijking van belanghebbendes aangifte tot diens belastbare inkomen heeft gerekend, en hij heeft gesteld, dat indien zou komen vast te staan dat overeenkomstig belanghebbendes stelling in de schade-uitkering niets is begrepen voor belastingschade en wettelijke rente, noch deze omstandigheid, noch de omstandigheid dat het hiervoor onder 4 genoemde bedrag is belast naar een tarief van 22% in plaats van een van 20% tot vernietiging van de uitspraak waarvan beroep, en vermindering van de daarbij gehandhaafde aanslag kan leiden, omdat hij, Inspecteur, bij de aanslagregeling — achteraf bezien — ten onrechte niet het smartegeld van ƒ 50.000,? en de lump sum van ƒ 5.000,? heeft belast;
dat indien zowel het (door de Inspecteur op ƒ 44.905,? gestelde) bedrag wegens verminderd arbeidsvermogen als het (door ieder van partijen op ƒ 50.000,? gestelde)
bedrag wegens vergoeding voor immateriele schade belastbaar is — hetgeen de Inspecteur stelt en de belanghebbende betwist —, de tussen partijen in geschil zijnde vraag of in de schade-uitkering iets is begrepen voor wettelijke rente en belastingschade, onbesproken kan blijven, omdat — zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd — de aanslag in dat geval niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld'dat het Hof met betrekking tot het aan belanghebbende overkomen ongeval aan de hand van het tot de gedingstukken behorende vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 september 1974 het volgende vaststelt:
In de werkkuil, waar belanghebbende bezig was met het aftappen van benzine, toen de hierboven onder de vaststaande feiten vermelde explosie zich voordeed, bevond zich een installatie die ter beveiliging van het werken in de werkkuil als afzuiginstallatie kon worden gebruikt. Deze installatie was ook als verwarmingsinstallatie bedoeld en placht alleen daarvoor te worden gebruikt.
Het bij het aftappen door belanghebbende van de benzine gevormde benzinedamp-luchtmengsel is geexplodeerd door een vonk ontstaan door een defect aan de t.l.-verlichting in die werkkuil, bestaande in het ontbreken van het schutglas aan een van de t.l.-armaturen, hetwelk belanghebbendes werkgever had nagelaten tijdig te vervangen. De ontploffing zou zich weliswaar niet hebben voorgedaan als belanghebbende de in de werkkuil aanwezige installatie in werking zou hebben gesteld om het benzinedamp-luchtmengsel af te voeren, maar van het achterwege laten hiervan kan hem geen verwijt worden gemaakt; niet alleen heeft zijn werkgever het personeel nimmer enige instructie over het gebruik van de installatie als afzuiginstallatie bij het werken in de werkkuil gegeven, maar ook was aan het personeel niet bekend dat die installatie ook als afzuiginstallatie was bedoeld en niet uitsluitend als verwarmingsinstallatie, terwijl de werkgever aan belanghebbende ook niet had verboden benzine boven de werkkuil af te tappen;
dat A BV als werkgeefster tegenover belanghebbende als haar werknemer verplicht was de werkplaats, waarin zij de arbeid liet verrichten, zo in te richten en te onderhouden en omtrent het verrichten van de arbeid zodanig regelingen te treffen en aanwijzingen te geven dat de werknemer tegen gevaar voor lijf, eerbaarheid en goed zover beschermd is als redelijkerwijs in verband met de aard van de arbeid kon worden gevorderd;
dat het Hof uit hetgeen het in de voorlaatste alinea met betrekking tot het aan belanghebbende overkomen ongeval heeft vastgesteld, afleidt dat A.BV, niet aan deze verplichtingen heeft voldaan;
dat belanghebbende als gevolg van het niet nakomen door A BV van deze verplichtingen schade heeft geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, welke schade hem door A BV is vergoed, die daartoe gehouden was nu niet is komen vast te staan dat de niet-nakoming was te wijten aan overmacht van A BV of de schade aan (mede) schuld, laat staan in de belangrijke mate mede aan grove schuld van belanghebbende;
dat nu uit het vorenoverwogene volgt dat de door belanghebbendes werkgever betaalde vergoeding van ƒ 137.500,? is gegeven voor schade waarvan de oorzaak was gelegen in het niet naleven door de werkgever van bovenvermelde op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, die vergoeding tot de inkomsten uit belanghebbendes dienstbetrekking moet worden gerekend;
dat — anders dan belanghebbende heeft gesteld — voor de vraag of de door belang hebbende van zijn werkgever ontvangen schade vergoeding tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend, niet van belang is of de werknemer die als gevolg van het niet naleven door zijn werkgever van de op deze uit hoofde van de dienstbetrekking rustende verplichtingen, schade heeft geleden, tegen de werkgever ter realisering van zijn aanspraken op schadevergoeding ageert uit art. 1638x BW of uit art. 1401 en volgende van het BW;
dat voor het antwoord op die vraag ook niet van belang is of een derde de werkgever van belanghebbende met succes zou hebben kunnen aanspreken voor vergoeding van schade door die derde geleden als gevolg van hetzelfde feit als waardoor belanghebbende schade heeft ondervonden;
dat voorts nu blijkens (onder meer) de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 6 september 1978 en 4 april 1979, BNB 1979, 208 en 209, de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van hetgeen de belastingplichtige van zijn werkgever of vroegere werkgever ontvangt als vergoeding voor immateriele schade, hiervan afhangt of die vergoeding zijn grond vindt in de dienstbetrekking, aangenomen moet worden dat hetzelfde geldt voor hetgeen wordt vergoed ter zake van verlies van arbeidskracht in het algemeen en dat voor de belastbaarheid van die vergoedingen het karakter daarvan niet van betekenis is;
dat dan ook de stelling van belanghebbende dat hetgeen hem ter zake van immateriele schade en verlies van arbeidsvermogen is vergoed, onbelast is, moet worden verworpen, dat nu tussen partijen in confesso is dat het door belanghebbende voor vergoeding van immateriele schade van zijn werkgeefster ontvangen bedrag ƒ 50.000,? beloopt en het wegens verminderd arbeidsvermogen ontvangen bedrag ten minste ƒ 44.905,bedraagt, derhalve tezamen ƒ 94.905,? en nu — naar hierboven is vastgesteld — deze beide vergoedingen belastbaar zijn als loon uit dienstbetrekking, terwijl de Inspecteur van de door belanghebbende van zijn werkgeefster ontvangen schadevergoeding slechts een bedrag van ƒ 78.455,67 tot het belastbare inkomen van belanghebbende heeft gerekend, niet is komen vast te staan dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, ook niet bij ponds-pondsgewijze toerekening van de hiervoor als belast aangemerkte bedragen aan het in 1975 uitbetaalde voorschot ad ƒ 15.000,?, en de grieven van belanghebbende verder geen bespreking behoeven, aangezien zij niet tot vernietiging van de aanslag kunnen leiden';
O. dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd;
O. dat belanghebbende het volgende middel van cassatie aanvoert:
'Schending, althans verkeerde toepassing van de wet, doordat het Hof heeft beslist dat de door de belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding moet worden gerekend tot de inkomsten uit belanghebbendes dienstbetrekking doordat de vergoeding is gegeven voor schade waarvan de oorzaak was gelegen in het niet naleven door de werkgever van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, zulks ten onrechte, aangezien in de eerste plaats de vergoeding er een is voor immateriele schade en voor het verlies van arbeidsvermogen, welke vergoeding daardoor niet op een concrete bron van inkomsten kan worden betrokken en in de tweede plaats de schade niet uitsluitend is ontstaan door het niet naleven door de werkgever van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking doch door een aan deze toe te rekenen nalatigheid, welke in strijd is met de zorgvuldigheid welke heel in het algemeen in het maatschappelijk verkeer bestaat', welk middel als volgt is toegelicht:
'In het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1972, BNB 1972/140 met noot van J. van Soest, alsmede in de uitspraken van het Hof te Leeuwarden van 22 december 1976, BNB 1978/100 en 23 december 1977, BNB 1979/34 werden vergoedingen wegens verlies van arbeidsvermogen buiten de inkomstensfeer gelaten. In zijn noot onder het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad geeft J. van Soest- terecht- als zijn mening dat de bronnentheorie ten grondslag ligt aan de leer dat schadevergoedingen belastingvrij blijven, indien zij betrekking hebben op het teloorgaan van arbeidskracht in het algemeen.
Aangezien vergoedingen als deze derhalve niet aan een bron van inkomen kunnen worden toegerekend valt niet in te zien waarom een zodanige vergoeding wel aan de bron dienstbetrekking zou kunnen worden toegerekend.
Met een verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 6 september 1978 en 4 april 1979, BNB 1979/208 en 209 stelt het Hof dat daaruit blijkt dat de belastbaarheid als loon uit dienstbetrekking van hetgeen de belastingplichtige van zijn werkgever of vroegere werkgever ontvangt als vergoeding voor immateriele schade, hiervan afhangt of die vergoeding zijn grond vindt in de dienstbetrekking.
In het arrest van 6 september 1978 werd overwogen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat een vergoeding voor immateriele schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan is gelegen in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of op de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend. Naar belanghebbendes mening heeft de Hoge Raad met deze omschrijving een afbakening willen maken voor vergoedingen die wel en die welke niet belastbaar zijn op grond van de bron dienstbetrekking door als criterium aan te leggen de omstandigheid dat de schade uitsluitend bij de uitoefening van de dienstbetrekking kan ontstaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
Ook uit jurisprudentie van de Hoven blijkt dat een zodanig criterium wordt gehanteerd bij de vraag naar de belastbaarheid van vergoedingen als de onderhavige. Belanghebbende moge verwijzen naar onder meer Hof Amsterdam, 2 december 1971, BNB 1972/236.
Hof Arnhem 6 oktober 1978, F.E.D. I.B.'64 art. 22:150 en Hof Leeuwarden 27 oktober 1978 BNB 1979/256.
Nu in het onderhavige geval niet de dienstbetrekking de conditio sine qua non van de schade was, is er voor de vraag naar de belastbaarheid van de vergoedingen onvoldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking.';
O. dienaangaande:
dat het middel de vraag aan de orde stelt of de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding ter zake van door hem als gevolg van een ongeval geleden immateriele schade en verlies aan arbeidskracht moet worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in art. 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
dat door een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer betaalde vergoedingen voor immateriele schade en verlies aan arbeidskracht — behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst, waaromtrent te dezen echter niets is vastgesteld — niet zo zeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt;
dat het Hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende ter zake van immateriele schade en verlies van arbeidskracht is vergoed als loon uit dienstbetrekking moeten worden aangemerkt;
dat het middel mitsdien gegrond is;
O. dat's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen;
Etc.
Conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest:
A. De feiten.
De belanghebbende is in dienstbetrekking geweest bij Carrosserie- en Automobielbedrijf A BV (hierna te noemen de BV)
Op 24 april 1968 is de belanghebbende tijdens werkzaamheden in deze dienstbetrekking een ongeval overkomen, ten gevolge waarvan hij volledig arbeidsongeschikt is geworden.
Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 19 september 1974 is de BV veroordeeld onder meer tot vergoeding van de schade. In het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep werd de BV niet-ontvankelijk verklaard.
Uit dezen hoofde heeft de belanghebbende in 1975 ƒ 15.000,? en in 1976 ƒ 122.500, ontvangen.
B. Het geschil
In het geschil, is of en, zo ja, in hoeverre het bedrag van ƒ 122.500,? onderworpen is aan inkomstenbelasting.
C. De privaatrechterlijke grondslag van de schadevergoeding.
Uit de stukken van het thans aanhangige geding blijkt niet, of de belanghebbende zijn actie tegen de BV gebaseerd heeft op art. 1638x Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel op de art. 1401 e.v. BW (zie de bestreden uitspraak, overweging 'met betrekking tot het recht'; 10e al., blz. 10).
Zie over de mogelijke samenloop van de genoemde voorschriften Asser Bijzondere overeenkomsten III, 4e druk, 1977, blz. 159 (L.J.M. de Leede); W.C.L. van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 12e druk, 1979, blz. 88 v. De schrijvers kennen aan de mogelijkheid van een vordering uit onrechtmatige daad naast die uit art. 1638x BW weinig praktische betekenis toe (zie voorts G.J. Scholten, NJ 1976, nr. 81; Asser-Rutten III, 5e druk, 1979, blz. 198).
D. Schadevergoedingen als loon.
Art. 10, lid 1 . Wet op de loonbelasting 1964, ten dezen van toepassing op grond van art. 22, lid 2, Wet op de inkomstenbelasting 1964, luidt:
'Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.' (zie over de voorgeschiedenis van dit voorschrift mijn conclusie voor HR 10 december 1981, BNB 1982E').
In mijn conclusie voor HR 28 juni 1978, BNB 1978/255 met noot H.J. Hofstra, vermeldde ik een reeks arresten waarin het door de term 'uit' vereiste verband causaal wordt geformuleerd met betrekking tot voordelen die door de werkgever zelf — in tegenstelling tot personen die ten opzichte van de dienstbetrekking derde zijn — aan de werknemer worden uitgekeerd (zie blz. 1344, regel 44, — blz. 1345, regel 9). Ik noem thans HR 6 juni 1956, BNB 1956/232, overwegende, 'dat de in art. 1638q BW den arbeider wegens vertraging in de uitbetaling van het loon gegeven aanspraak op verhoging van dit loon hem toekomt krachtens zijn, mede in dit artikel geregelde, arbeidsovereenkomst';
25 juni 1958, BNB 1958/257, betreffende een als 'smartegeld' aangeduide, door de werkgever onverplicht gedane uitkering, waaromtrent het betrokken Gerechtshof feitelijk vastgesteld had, dat zij haar grond vond in de dienstbetrekking, overwegende, 'dat het Hof, hiervan uitgaande, terecht heeft geoordeeld, dat genoemde uitkering voor belanghebbende vormde opbrengst van dienstbetrekking';
16 november 1960, BNB 1960/335, overwegende, 'dat al moge ..... de verhoging van het pensioen ..... bedoeld zijn als uitkering van smartegeld — met name niet als een compensatie voor loonderving maar als een vergoeding voor gemis aan levensvreugde — zulks niet belet dat ..... de bedoelde uitkering ..... haar grond vond in de ..... dienstbetrekking';
18 juni 1969, BNB 1969/221 met mijn noot, overwegende,
'dat de regeling, krachtens welke de werkgeefster deze betaling deed, een onderdeel vormde van belanghebbendes arbeidsvoorwaarden';
6 september 1978, BNB 1979/208 met noot J.E.A.M. van Dijck, Vakstudie- Nieuws (V-N) 30 september 1978, blz. 1418, punt 13, F.E.D., I.B.'64: Art. 22:143 met noot H.M.N. Schonis, overwegende, 'dat een vergoeding voor immateriele schade wegens de onrechtmatige aantasting van de persoon van de werknemer en van diens geestelijke gezondheid, indien de oorzaak daarvan is gelegen in het niet naleven door de werkgever van diens op de wet of op de overeenkomst berustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking, tot de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden gerekend';
4 april 1979, BNB 1979/209 met noot Van Dijck, overwegende, 'dat ....., wanneer de Staat zich gehouden heeft geacht om ..... aan gewezen militairen, die tijdens en door de militaire dienst invalide zijn geworden, ..... uit te keren ..... een eenmalige vermeerdering van ..... pensioen ter vergoeding van de immateriele schade welke die militairen lijden doordat zij ten gevolge van die invaliditeit levensvreugde derven, ten aanzien van (die uitkering)
geldt, dat zij zozeer (haar) grond (vindt) in de dienstbetrekking, waarin die gewezen militairen voorheen tot de Staat stonden, dat die (uitkering moet) worden aangemerkt als te zijn genoten uit die vroegere dienstbetrekking' (zie voorts Hof Amsterdam 2 december 1971, BNB 1979/236;
's Hertogenbosch 25 augustus 1978, nr. 139/76, F.E.D., I.B.'64: Art. 22:143 met noot Schonis).
Beoordeeld naar een zelfde criterium oordeelde Hof Leeuwarden 23 december 1977, BNB 1979/34, V-N 29 april 1978, blz. 645, punt 13, F.E.D., I.B.'64: Art.
22:134 met noot Schonis, een vrijwillige uitkering onbelast, maar in de overwegingen speelt mede een grote rol, dat de uitkering niet strekte tot vervanging van gederfde inkomsten, maar als smartegeld.
Uitgewerkte overzichten van en beschouwingen over de jurisprudentie geeft H.M.E. Mes, Weekblad voor fiscaal recht (W.F.R.) 1981/5355, blz. 293 e.v. (zie voorts P.J.J.M. van den Bosch, Maandblad belastingbeschouwingen, april 1980, jaargang 49, blz. 85 e.v.). Overigens wijzen de schrijvers merendeels de jurisprudentie af, voor zover zij vergoeding voor immateriele schade in de persoonlijke sfeer betreft (zie behalve de genoemde annotaties Van Dijck, Fed's Fiscale Brochures, I.B.:5.6, 2e druk, 1982, blz. 68 v.; Hofstra, Inkomstenbelasting, 2e druk, 1981, blz. 269). De kritiek culmineert in de zinsnede (Hofstra t.a.p.)
'de werkgever betaalt ..... niet als werkgever, doch krachtens zijn verantwoordelijkheid voor de toegebrachte immateriele schade'.
Het is evenwel mogelijk, dat de werkgever als werkgever verantwoordelijk is voor de toegebrachte immateriele schade of zich daarvoor verantwoordelijk voelt. In dat geval is het noch principieel juist, noch praktisch mogelijk de door de werkgever aan de werknemer uitgekeerde schadevergoeding te onderscheiden van de andere voordelen die — op uiteenlopende gronden en voor uiteenlopende doelen — uit hoofde van de dienstbetrekking door de werkgever aan de werknemer worden verstrekt (zie voorts C.W.M. van Ballegooijen, W.F.R. 1981/5493, blz.397v.).
Uit het vorenstaande volgt, dat mij het eerste onderdeel van het middel ongegrond voorkomt.
E. De grond voor de onderhavige uitkering.
Het tweede onderdeel van het middel houdt in, dat 'de schade niet uitsluitend is ontstaan door het niet naleven door de werkgever van op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de dienstbetrekking doch door een aan deze toe te rekenen nalatigheid, welke in strijd is met de zorgvuldigheid welke heel in het algemeen in het maatschappelijk verkeer bestaat'.
Ter toelichting voert de belanghebbende nog aan (beroepschrift in cassatie, blz. 3):
'Nu in het onderhavige geval niet de dienstbetrekking de conditio sine qua non van de schade was, is er voor de vraag naar de belastbaarheid van de vergoedingen onvoldoende oorzakelijk verband met de dienstbetrekking.' Naar het mij voorkomt, gaat het middel uit van een engere causaliteitstheorie dan voor de onderhavige problematiek passend is.
Voldoend is, dat de uitkering, naar het geheel van de omstandigheden beoordeeld, toegerekend (zie Hofstra, a.w., blz. 42) kan worden aan de sfeer van de dienstbetrekking. Men realisere zich, dat de relatie tussen een werkgever en zijn werknemer nimmer geheel dezelfde is als die tussen de werkgever en derden (in het onderhavige geval zou bijvoorbeeld een derde zich niet licht in de gevaarssituatie hebben bevonden waarin de belanghebbende zich bevond), evenmin als de relatie tussen de werknemer en de werkgever geheel dezelfde kan zijn als die tussen de werknemer en derden. Het Hof heeft nu, omstandig gemotiveerd, beslist, dat de uitkering haar grond vond in de dienstbetrekking, en, daarvan uitgaande, terecht beslist, dat zij behoort tot het belastbare inkomen van belanghebbende. Derhalve kan ook het tweede onderdeel van het middel niet tot cassatie leiden.
F. Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

Invaliditeit in handboek loonheffing 2011

4.1.1 Uitzonderingen op het uniforme loonbegrip
Op het uniforme loonbegrip gelden de volgende uitzonderingen
(zie ook bijlage 1):
• Loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioen
en vut-uitkeringen, is wel loon voor de loonbelasting/
volksverzekeringen
en Zvw, maar geen loon voor de
werknemersverzekeringen. Hierop gelden uitzonderingen.
De volgende loonbestanddelen zijn loon voor alle
loonheffingen:

 

4.5 Uitkeringen en verstrekkingen
bij bijzondere gebeurtenissen
De volgende uitkeringen bij bijzondere gebeurtenissen
zijn onder bepaalde voorwaarden geen loon:
• diensttijduitkering (zie paragraaf 18.14)
• (eenmalige) uitkering bij overlijden of invaliditeit
(zie paragraaf 18.16)
• gouden handdruk (zie paragraaf 18.20)

4.6 Aanspraken en uitkeringen
op grond van aanspraken
Tot het loon behoren de zogenoemde aanspraken. Een
aanspraak is een recht om na verloop van tijd of onder een
voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te
krijgen. Een aanspraak behoort meestal tot het loon, maar
kan ook geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld. Dan is de
uitkering of de verstrekking die uit de aanspraak voortvloeit,
meestal geheel of gedeeltelijk belast. De verschillende
mogelijkheden vindt u in paragraaf 18.2.

4.10 Verzekeringsuitkeringen belast
voor de loonheffingen
Banken, levensverzekeringsmaatschappijen en andere
financiële instellingen moeten sinds 1 januari 2010 voor het
eerst loonbelasting/premie volksverzekeringen en bijdrage
Zvw inhouden op bepaalde categorieën verzekeringsuitkeringen.
Vanaf 1 januari 2011 geldt dat ook voor
inkomensverzekeraars
(schadeverzekeraars als bedoeld in
de Wet op het financieel toezicht). Het gaat om de volgende
categorieën verzekeringsuitkeringen:
1 periodieke uitkeringen die tot box 1 behoren, bijvoorbeeld
uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of
een ongeval
2 lijfrentetermijnen aan minderjarigen (lijfrentetermijnen
aan meerderjarigen vallen al langer onder de loonbelasting/
premie volksverzekeringen, net als termijnen uit een
lijfrentespaarrekening of uit een lijfrentebeleggingsrekening)
3 afkoopsommen van lijfrenten ‘oude stijl’ (contracten die
vóór 1992 zijn gesloten en waarvoor de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 van vóór 1992 nog geldt) en
afkoopsommen van rechten op periodieke uitkeringen
die tot box 1 behoren
4 negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij ‘fysieke
afkoop’ – afkoopsommen in geld – van lijfrenten en
andere periodieke uitkeringen waarvoor de Wet op de
inkomstenbelasting 2001 geldt
Dit zijn grofweg: contracten die vanaf 1992 zijn gesloten.
Een uitzondering geldt voor kleine afkoopsommen met
een waarde van maximaal € 4.146. Kleine afkoopsommen
behandelt u als categorie 3.
Geen premies werknemersverzekeringen inhouden
Degenen die deze verzekeringsuitkeringen krijgen, zijn geen
werknemers voor de werknemersverzekeringen. U betaalt
dus geen premies werknemersverzekeringen.
Bijdrage Zvw inhouden
U moet de bijdrage Zvw inhouden als er sprake is van een
loontijdvak. Dat is bij verzekeringsuitkeringen uit categorie 1
en 2 het geval. In die situaties moet u dus behalve loonbelasting/
premie volksverzekeringen ook de bijdrage Zvw
inhouden. U hoeft de ingehouden bijdrage Zvw niet te
vergoeden.

 

6.2.3 Bijdrage Zvw vergoeden
Als de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
of bepaalde socialezekerheidsuitkeringen heeft, bent u
in principe verplicht om de ingehouden bijdrage Zvw aan
de werknemer te vergoeden. De vergoeding is belast voor
de loonbelasting/volksverzekeringen, maar onbelast voor
de overige loonheffingen. Per saldo betekent dit voor de
werknemer dat hij van u de bijdrage Zvw vergoed krijgt,
maar dat hij wel de loonbelasting/premie volksverzekeringen
over deze vergoeding betaalt.
In paragraaf 6.2.5 kunt u lezen in welke (uitzonderings

6.2.5 Uitzonderingen

• Over periodieke uitkeringen in verband met invaliditeit,
ziekte of een ongeval houdt u 5,65% bijdrage Zvw in.
U bent niet verplicht om de bijdrage Zvw te vergoeden.

8.2.7 Kolom 7: aftrekposten voor alle heffingen
Vul in deze kolom de bedragen in die u voor de loonheffingen
van het loon mag aftrekken. Sommige aftrekposten moet u
in kolom 7 boeken, andere mag u hier niet opnemen.
Aftrekposten die u in kolom 7 moet boeken
Vul de volgende aftrekposten in kolom 7 in:
• de pensioenpremie die u op het loon van de werknemer
inhoudt
• de werknemersbijdrage in een regeling voor uitkeringen
bij overlijden of invaliditeit door een ongeval, of regelingen
die daaraan zijn gelijkgesteld
• spaarloon dat is vrijgesteld en dat u in kolom 3 hebt geboekt
U boekt hetzelfde bedrag ook in kolom 7.

18.2.3 Aanspraak (gedeeltelijk) vrijgesteld,
uitkeringen (gedeeltelijk) vrijgesteld
Er geldt een gehele of gedeeltelijke vrijstelling voor de
aanspraken
én een gehele of gedeeltelijke vrijstelling voor
de (eenmalige) uitkering voor aanspraken op uitkeringen
bij overlijden of invaliditeit als gevolg van een ongeval
(zie paragraaf 18.16.1).
De eigen bijdrage van de werknemer die voor deze aanspraken
op het loon wordt ingehouden, is een aftrekpost voor alle
heffingen (te boeken in kolom 7 van de loonstaat).
Let op!
Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u de waarde van
de aanspraken ook als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije
ruimte. Belaste uitkeringen die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
zijn, mag u ook als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije
ruimte. Als de belaste uitkering loon uit vroegere dienstbetrekking is,
mag dat niet.

18.16 (Eenmalige) uitkering bij
overlijden of invaliditeit
(aanspraken en uitkeringen)
Er bestaan twee regelingen voor (aanspraken op) eenmalige
uitkeringen bij overlijden of invaliditeit. Er wordt onderscheid
gemaakt tussen de volgende uitkeringen (en verstrekkingen):
• (eenmalige) uitkeringen bij overlijden of invaliditeit
als gevolg van een ongeval (zie paragraaf 18.16.1)
• eenmalige uitkeringen bij overlijden anders dan
als gevolg van een ongeval (zie paragraaf 18.16.2)
Zie ook paragraaf 4.6 en 18.2 voor informatie over
aanspraken.

18.16 (Eenmalige) uitkering bij
overlijden of invaliditeit
(aanspraken en uitkeringen)
Er bestaan twee regelingen voor (aanspraken op) eenmalige
uitkeringen bij overlijden of invaliditeit. Er wordt onderscheid
gemaakt tussen de volgende uitkeringen (en verstrekkingen):
• (eenmalige) uitkeringen bij overlijden of invaliditeit
als gevolg van een ongeval (zie paragraaf 18.16.1)
• eenmalige uitkeringen bij overlijden anders dan
als gevolg van een ongeval (zie paragraaf 18.16.2)
Zie ook paragraaf 4.6 en 18.2 voor informatie over
aanspraken.
18.16.1 (Eenmalige) uitkering bij overlijden of
invaliditeit als gevolg van een ongeval
(aanspraken en uitkeringen)
Aanspraken op uitkeringen (en verstrekkingen) bij overlijden
of invaliditeit als gevolg van een ongeval zijn vrijgesteld.
Hierbij maakt het niet uit of het gaat om een aanspraak op
een eenmalige of een aanspraak op een periodieke
uitkering.
Een eenmalige uitkering bij overlijden is tot maximaal driemaal
het loon over een maand vrijgesteld. Het gedeelte boven
driemaal het loon over een maand behoort tot het loon
waarop de tabel bijzondere beloningen van toepassing is. De
vrijstelling geldt als een van de volgende personen overlijdt:
• de werknemer
• de echtgenoot van de werknemer
• degene die in het (voorafgaande) kalenderjaar de fiscale
partner (zie hieronder) is van de werknemer
• de eigen kinderen of pleegkinderen
Het loon voor het bepalen van de hoogte van deze vrijstelling
is het brutomaandloon, inclusief 1/12 deel van het jaarbedrag
aan vaste gegarandeerde beloningen. Meer informatie over
het loon over een maand vindt u in paragraaf 18.14.
De uitkering bij invaliditeit behoort tot het loon, behalve
als de uitkering als een vrijgestelde diensttijduitkering kan
worden opgevat.
Als de uitkering niet eenmalig is, maar uit periodieke uitkeringen
bestaat, dan behoort de waarde van deze periodieke
uitkeringen tot het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen
en Zvw. Een vrijstelling is dan niet van toepassing.
Het maakt dan ook niet uit of de uitkeringen verstrekt worden
in verband met invaliditeit of overlijden.
Let op!
Uitkeringen (eenmalige en periodieke) bij overlijden of invaliditeit als
gevolg van een ongeval zijn geen loon voor de premies werknemersverzekeringen.

Let op!
Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u eenmalige en
periodieke uitkeringen bij overlijden of invaliditeit als gevolg van een
ongeval, niet als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.
Want deze uitkeringen zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.

 

18.16.1 (Eenmalige) uitkering bij overlijden of
invaliditeit als gevolg van een ongeval
(aanspraken en uitkeringen)