Arrest d.d. 28 november 2001
Rolnummer 0000121
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
derde kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake:
1. Sjouke Roelof Faber,
wonende te Bolsward, hierna te noemen: Faber,
2. Tannetje Adriana Meulenberg ,
wonende te Bolsward,
hierna te noemen: Meulenberg,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers in de hoofdzaak en
verweerders in het incident,
hierna tezamen te noemen: Faber c.s.,
procureur: mr J.V. van Ophem
tegen
de vennootschap naar Duits recht Allianz Versicherungs Aktiengeselschaft,
gevestigd te München,
in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak en eiseres
in het incident,
hierna te noemen: Allianz,
procureur: mr V.M.J. Both
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis
uitgesproken op I december 1999 door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.
Het geding in hoger beroep
Bij exploit van 28 februari 2000 is door Paber c.s. hoger beroep ingesteld van
het vonnis van l december 1999 met dagvaarding van Allianz tegen de zitting
van 5 april 2000.
De conclusie van de memorie van grieven luidt:
"het vonnis d.d. l december 1999 door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden
tussen partijen gewezen te vernietigen en (primair) opnieuw recht doende, de
zaak terug te verwijzen naar de Rechtbank te Leeuwarden om voort te procederen
en (subsidiair) zich alsnog bevoegd te verklaren om van de vorderingen van appellanten
kennis te nemen en gelntimeerde te veroordelen tot voldoening van de door appellanten
geleden schade en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente
over die schade vanaf 9 juni 1998 tot die der algehele voldoening, zoals omschreven
in de inleidende dagvaarding, met veroordeling van gelntimeerde in de kosten
van beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door Allianz verweer gevoerd met als conclusie:
bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bevestigen, zo
nodig met verbetering van gronden, het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden
op l december 1999 tussen partijen gewezen, en Faber niet-ontvankelij k te verklaren
in hun vordering, dan wel deze af te wijzen met veroordeling van Faber in de
kosten van de procedure in beide instanties . "
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
Faber c.s. heeft één grief opgeworpen. Het Hof leest de grief
aldus dat Faber c.s. vordert dat het hof opnieuw rechtdoende in het incident
de rechtbank te Leeuwarden alsnog bevoegd verklaart om van de vorderingen van
de appellanten kennis te nemen en de zaak naar deze rechtbank verwijst voor
verdere berechting.
De beoordeling
Met betrekking tot de feiten
1. Op 23 mei 1988 heeft in Norden (BRD) een aanrijding
plaatsgevonden tussen een door Faber bestuurde auto, waarin Meulenberg was gezeten,
en een door Jens Heltners, wonende in de BRD, bestuurde auto die door Erika
Helmers was verzekerd bij Allianz. In dit geding, aanhangig gemaakt bij de rechtbank
te Leeuwarden, vordert Faber c.s. -voorzover thans van belang - van Allianz
vergoeding van schade die hij stelt door de volgens hem door Jens Helmers veroorzaakte
aanrijding te hebben geleden.
2. De rechtbank heeft zich in het incidentele vonnis, waarvan beroep, onbevoegd
verklaard om van de vorderingen van Faber c.s. kennis te nemen.
Met betrekking tot de grief
3. De grief bestrijdt deze beslissing en het daaraan ten grondslag liggende
oordeel. Faber c.s. stelt dat de rechtbank - anders dan deze zelf heeft geoordeeld
- bevoegd
is om van de vorderingen van Faber c.s. tegen Allianz kennis te nemen. Faber
c.s. stelt dat de rechtbank bevoegd is op grond van het bepaalde in artikel
57 lid 2a van het EEX-Verdrag (het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid
en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) in
samenhang met artikel 7 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de
BOM (Benelux-overeenkomst betreffende'de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen).
4. Het Hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere
stellingen of verweren dan reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd en verworpen.
Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing
heeft overwogen en neemt die motivering over.
Slotsom
5. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van
Faber c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger
beroep.
De beslissing
Het gerechtshof
bekrachtigt het incidentele vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Faber c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot
die aan de zijde van Allianz tot aan deze uitspraak op ƒ 9.350,-- aan verschotten
en ƒ 1.700,-- aan salaris voor de procureur.
Aldus gewezen door mrs Streppel, voorzitter, Makkinga en Verschuur, raden, en
uitgesproken door mr Mollema, fungerend-president, lid van een enkelvoudige
kamer, .in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als waarnemend griffier
ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 28 november 2001
Uitspraak: 1 december 1999
Rolnummer: H 98/649
VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, in
de zaak van:
1. Sjoukje Roelof FABER,
2. Tonnetje Adriana MEULENBERG,
beiden wonende te Bolsward,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna mede te noemen: Faber respectievelijk Meulenberg,
procureur: mr. P.E. Mazel,
advocaat: mr. A.F:M: Duynstee te Maastricht,
tegen
1. Jens HELMERS,
2. Erika HELMERS,
beiden wonende te Bockhorn,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers 'm het incident,
hierna gezamenlijk mede te noemen: Helmers,
3. de vennootschap naar Duits recht
ALLIANZ VERSICHERUNG AKTEENGESELLSCHAFT,
gevestigd te München,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna mede te noemen: Allianz,
procureur: mr. V.M.J. Both,
advocaten: mrs. W.J. Hengeveld en A.J. Vink te Rotterdam.
PROCESGANG
Bij de naar de dagvaarding van 9 juni 1998 verwijzende conclusie van eis hebben
Faber en Meulenberg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
gedaagden veroordeelt om - kort weergegeven - aan Faber en Meulenberg te betalen
een vergoeding van de door Faber en Meulenberg geleden en nog te lijden schade,
vermeerderd met rente en kosten.
Helmers en Allianz hebben incidenteel geconcludeerd dat deze rechtbank zich
bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart
van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van Faber en Meulenberg in
de kosten van het incident. Faber en Meulenberg hebben in het incident geantwoord
en geconcludeerd dat de rechtbank zich bevoegd verklaart van de vordering jegens
Allianz kennis te nemen en zich onbevoegd verklaart om van de vordering jegens
Helmers kennis te nemen, kosten rechtens.
Ten slotte is door partijen vonnis in het incident gevraagd onder overlegging
van de stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.
RECHTSOVERWEGINGEN
in het incident
1. Faber en Meulenberg stellen dat zij op 23 mei 1988 in Duitsland ernstig gewond
zijn geraakt bij een aanrijding met een motorvoertuig dat werd bestuurd door
Jens
Helmers en waarvan het kenteken werd gehouden door Erika Helmers. Allianz is
de
aansprakelijkheidsverzekeraar van Helmers. Faber en Meulenberg baseren de bevoegdheid
van deze rechtbank om van de vordering jegens Allianz kennis te nemen op het
bepaalde in artikel 57 lid 2a van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid
en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van
27 september 1968 (EEX) in samenhang met artikel 7 van de Gemeenschappelijke
Bepalingen behorende bij de Benelux-overeènkomst betreffende de Verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (BOM). Met betrekking tot
de vordering jegens Helmers hebben Faber en Meulenberg inmiddels erkend dat
deze rechtbank onbevoegd is om daarvan kennis te nemen. Helmers en Allianz stellen
zich op het standpunt dat deze rechtbank ook onbevoegd is om van de vordering
tot schadevergoeding jegens Allianz kennis te nemen.
2. Met Helmers en Allianz is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid van
deze rechtbank met betrekking tot de vordering jegens Allianz niet kan worden
gegrond
op (de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij) de BOM. Weliswaar is de
BOM
(een verdrag dat aan het slachtoffer van een verkeersongeval de mogelijkheid
biedt om
voor de rechter van zijn woonplaats de door hem geleden schade rechtstreeks
te verhalen
op de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval) een verdrag met betrekking
tot
een bijzonder onderwerp als bedoeld in artikel 57 lid l EEX, maar de BOM mist
in het
onderhavige geval toepassing.
Uit de considerans van de BOM blijkt dat deze overeenkomst strekt tot waarborging
van de rechten van de slachtoffers van ongevallen, welke door motorrijtuigen
op het grondgebied van de Benelux worden veroorzaakt, door de invoering van
een stelsel van verplichte verzekering.
Artikel 7 van de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de BOM (hierna
te noemen: de Gemeenschappelijke bepalingen) luidt:
"Voor de uitvoering van de bepalingen van deze wet kan de verzekeraar door
de benadeelde in België - in Luxemburg - in Nederland worden gedagvaard,
hetzij voor de rechter van de plaats van het feit, waaruit de schade is ontstaan,
hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeraar."
Op grond van artikel l van de Gemeenschappelijke bepalingen moet deze bepaling
zo worden gelezen dat onder "benadeelde" wordt verstaan: "zij
die schade hebben geleden welke grond oplevert voor toepassing van deze wet,
alsmede hun rechtverkrijgenden" en dat onder verzekeraar wordt verstaan:
"de verzekeringsonderneming [...] belast met de afwikkeling van de schade,
welke in België/in Luxemburg/in Nederland is veroorzaakt door motorrijtuigen
[...]". Uit deze bepalingen - in hun onderlinge samenhang bezien -volgt
dat de BOM niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin het betreffende
ongeval in Duitsland heeft plaatsgevonden.
Een verdrag dat met betrekking tot een bepaald geschil toepassing mist, kan
met betrekking tot dat geschil geen uitzondering vormen op de bepalingen van
het EEX. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 6 december 1994 (NJ 1995, 659) moet artikel 57 EEX immers aldus worden uitgelegd,
dat wanneer een verdragsluitende staat ook partij is bij een ander verdrag,
betreffende een bijzonder onderwerp, dat regels inzake de rechterlijke bevoegdheid
bevat, dit bijzonder verdrag de toepassing van het EEX uitsluit in de gevallen
die het bijzonder verdrag regelt, en niet in de gevallen die het niet regelt.
3. Nu de bevoegdheid van deze rechtbank in het onderhavige geschil niet kan
worden gegrond op artikel 57 lid 2a EEX in samenhang met artikel 7 van de Gemeen
schappelijke Bepalingen en het EEX ook overigens geen competentie voor deze
rechtbank
schept, komt de incidentele vordering voor toewijzing in aanmerking en zal de
rechtbank
zich onbevoegd verklaren van de vorderingen van Faber kennis te nemen.
4. Faber zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in
de kosten
van dit incident.
BESLISSING
De rechtbank
verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van Faber kennis te nemen;
veroordeelt Faber in de kosten van het incident tot aan deze uitspraak aan de
zijde van Helmers en Allianz begroot op ƒ 860,00 voor salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken
door de rolrechter op 1 december 1999.