wam huwelijksgemeenschap


Hof van Cassatie 24-06-2010 C.09.0188.N


Wanneer een van de echtgenoten door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een goed van de huwelijksgemeenschap, zal hij de schade moeten vergoeden. Dit houdt meteen in dat de verzekeraar BA van de schuldige echtgenoot onmiddellijk kan worden aangesproken door de niet-schuldige echtgenoot in naam van de gemeenschap voor een deel van het verlies door de huwelijksgemeenschap geleden. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de verzekeraar helemaal niet kan worden aangesproken, zelfs niet ten belope van de helft van de netto baten, faalt naar recht.
De WAM verplicht de verzekeraar de benadeelde te vergoeden die schade heeft geleden door de fout van de verzekerde. Dit artikel ontslaat de verzekeraar niet geheel van zijn vergoedingsverplichting als het nadeel is geleden door het gemeenschappelijk vermogen waarin de verzekerde een medegerechtigde is.

Cassatie - arrest van 24 juni 2010 ()

'Aansprakelijkheidsverzekering'
Onrechtmatige daad door een echtgenoot - Schade aan het gemeenschappelijk vermogen - Vergoedingsplicht
Vergoedingsplicht - Onrechtmatige daad door een echtgenoot - Schade aan het gemeenschappelijk vermogen - Verzekeraar B.A. - Gehoudenheid tot vergoeding
Onrechtmatige daad door een echtgenoot - Schade aan het gemeenschappelijk vermogen - Vergoedingsplicht - Tijdstip
Huwelijksgemeenschap - Schade aan het gemeenschappelijk vermogen - Onrechtmatige daad van een echtgenoot als verzekerde medegerechtigde - Verzekeraar B.A. - Gehoudenheid tot vergoeding

Tot de huwelijksgemeenschap behoort een doelvermogen waarvoor een gelijktijdig bestuur van beide echtgenoten geldt.

Wanneer een van de echtgenoten door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een goed van de huwelijksgemeenschap, zal hij de schade moeten vergoeden.
Nu niets eraan in de weg staat dat het beginsel van de vergoedingsplicht en de omvang van de vergoeding ten allen tijde zou worden vastgesteld, houdt dit meteen in dat de verzekeraar BA van de schuldige echtgenoot onmiddellijk kan worden aangesproken door de niet-schuldige echtgenoot in naam van de gemeenschap voor een deel van het verlies door de huwelijksgemeenschap geleden.
Artikel 1382 BW bepaalt niet op welk ogenblik de echtgenoot, gehuwd onder het wettelijk stelsel, die door zijn fout schade toebrengt aan een goed dat tot het gemeenschappelijk vermogen behoort, gehouden is tot schadevergoeding.
Artikel 3, § 1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen ontslaat de verzekeraar niet geheel van zijn vergoedingsverplichting als het nadeel is geleden door het gemeenschappelijk vermogen waarin de verzekerde een medegerechtigde is.

Hof van Cassatie van België

Arrest
Nr. C.09.0188.N


KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger van Overstraetenplein 2,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
V.M.,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 februari 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
24 JUNI 2010     C.09.0188.N/2
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 4 februari 2010 verwezen naar de derde kamer.
Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;
- de artikelen 1 en 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
- artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
- de artikelen 1382, 1383, 1398 e.v., 1407 in fine, 1409, 1412, 1415, 1416 en 1450 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het aangevochten vonnis van 14 februari 2008 verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt dienvolgens de vonnissen in eerste aanleg in al hun onderdelen.
De appelrechters bevestigen derhalve de veroordeling van de eiseres tot betaling aan de verweerster van 2.324,08 euro met interest en kosten en veroordelen de eiseres tevens in alle kosten in hoger beroep, met aanhouding van de begroting van de rechtsplegings-vergoeding.
Het vonnis in hoger beroep stelt de eiseres, als WAM-verzekeraar van de auto BMW, bestuurd door Y. V.D. en toebehorend aan diens werkgever, aansprakelijk voor de door bestuurder V.D. toegebrachte schade van de geparkeerde auto Audi die toebehoorde aan de huwgemeenschap Y. V.D. - M.V. en verklaart de vordering tot schadevergoeding gegrond die de verweerster M.V. als bestuurster van de huwgemeenschap tegen de eiseres ingesteld had.

Het aangevochten vonnis van 14 februari 2008 komt tot al deze beslissingen op grond van onder andere volgende overwegingen:

“A. De relevante feiten:
(De verweerster) is de echtgenote van de heer Y.V.D. , beiden samenwonende te 8310 Brugge, Polderhoeklaan 10.
Op 2 juli 1999 om 22u reed haar echtgenoot, als bestuurder van een BMW 523 T, achteruit op de oprit van hun woning. Hij botste hierbij tegen het op de oprit geparkeerde voertuig Audi (Avant) dat gebruikt wordt door (de verweerster). Haar voertuig werd ernstig beschadigd. Er waren geen getuigen noch politietussenkomst.
Het aanrijdende voertuig BMW was eigendom van de nv Uco Textiles, werkgever van de echtgenoot van (de verweerster) en in BA verzekerd bij (de eiseres).
(...)

Het door (de verweerster) gebruikte voertuig Audi behoort toe aan de huwgemeenschap die bestaat tussen haar en haar (aanrijdende) echtgenoot.
Er volgde geen minnelijke regeling, met onderhavige betwisting tot gevolg.

B. De vordering en de vonnissen van de eerste rechter:
De eerste rechter, in zijn tussenvonnis van 14 november 2002, achtte de vordering ontvankelijk en heropende ambtshalve de debatten ten einde (de verweerster) toe te laten alsnog stukken voor te brengen over de plaatsgesteldheid en de omstandigheden van het ongeval.
Te gronde werd al beslist dat (de verweerster) in casu optreedt als beheerster van de huwgemeenschap die een apart en op zichzelf staand patrimonium heeft, los van het vermogen van de man en de vrouw. Aldus heeft (de verweerster) het recht tegen haar man een vordering in te stellen voor de schade door diens onrechtmatige daad. De bijkomende stukken zullen dienstig zijn bij de poging tot weerlegging van het vermoeden van de heimelijke verstandhouding.
(...)
De eerste rechter, in zijn eindvonnis van 18 mei 2006, verklaarde de vordering van (de verweerster) gegrond en veroordeelde (de eiseres) tot betaling van 2.324,08 euro en de interesten, zoals gevorderd.
(...)

C. Beroepsgrieven:

(De eiseres), in haar beroepsakte van 17 augustus 2006, verzocht de bestreden (3) vonnissen teniet te doen en, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van (de verweerster) zoals tegen haar gericht, te willen afwijzen als ongegrond.
Als grieven voerde zij aan:
- De huwgemeenschap is geen rechtspersoon en kan dus niet zelf als de eiseres of de verweerster optreden;
- De schade aan de huwgemeenschap werd veroorzaakt door bestuurder V.D. die met zijn eigen vermogen desgevallend de schade aan de huwgemeenschap kan vergoeden;
- Zolang de huwgemeenschap niet is ontbonden verhouden de heer V.D. en de huwgemeenschap V.D. -V. zich niet als derden en zijn de bepalingen van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet van toepassing.
(De verweerster), in haar conclusie van 27 februari 2007 verzocht de eerste vonnissen te willen bevestigen in al hun onderdelen. Zij merkte op dat de voor de eerste rechter ontwikkelde betwisting over de heimelijke verstandhouding blijkbaar niet langer in de beroepsprocedure wordt hernomen en dat de enige grief tegen de eerste uitspraken de beslissing is om de huwgemeenschap toe te laten tot het formuleren van haar vordering tot schadevergoeding op grond van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

(De eiseres), in haar conclusie van 29 maart 2007 en van 14 mei 2007 volhardde in de termen van haar beroepsakte.
(De verweerster), in haar conclusies van 27 april 2007 en 29 mei 2007, volhardde.

D. Bespreking en beoordeling:

1. Voorafgaandelijk:
(...)
De betwisting beperkt zich dus tot het juridische debat over het vorderingsrecht van de huwgemeenschap in het kader van de BA-verzekering.

2. De vordering van de huwgemeenschap:
Artikel 1415 van het Burgerlijk Wetboek stelt als principe ‘het bestuur omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking’ en benadrukt dat het bestuur van het gemeenschappelijke vermogen dient te geschieden ‘in het belang van het gezin’. In casu is er geen betwisting over het feit dat het beschadigde voertuig Audi toebehoort aan de huwgemeenschap V.D. -V. .

(De eiseres) kan dus niet ontkennen dat het invorderen van het schadebedrag ter vergoeding van een schade, toegebracht aan een onderdeel van het gemeenschappelijke vermogen, in strijd zou zijn met het geciteerde artikel 1415.

Artikel 1416 van het Burgerlijk Wetboek stelt in duidelijke termen dat het gemeenschappelijke vermogen bestuurd wordt door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuurshandelingen alleen kan uitoefenen onder gehoudenheid van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen’.
De door (de verweerster) aldus ingeleide procedure is op zich dan ook volledig in overeenstemming met dit artikel 1416 nu deze niet in strijd is met een eventuele andere bestuurshandeling van haar echtgenoot. Dit wordt bevestigd in het cassatiearrest van 10 december 1997 (Arr. Cass. 1997, 1344) dat uitdrukkelijk stelt dat ‘elke’ echtgenoot rechtsvorderingen betreffende de gemeenschappelijke goederen kan instellen of zich ertegen kan verweren. Het arrest in kwestie beoordeelde de situatie waarin één echtgenoot zich burgerlijke partij stelde voor de aan de gemeenschap toegebrachte schade. Dat de andere echtgenoot weliswaar over middelen beschikt om zich preventief of a posteriori te verzetten tegen bestuurhandelingen van de andere echtgenoot is in casu niet aan de orde.

Het principe van ‘gelijktijdig’ bestuur als algemene regel blijft gelden tot de dag van de dagvaarding in echtscheiding.
De door (de eiseres) ontwikkelde redenering dat de huwgemeenschap geen rechtspersoon is en niet als eiser of verweerder zou kunnen optreden kan om bovenvermelde reden niet worden gevolgd. Dat (de verweerster) gerechtigd was -als bestuurster van de huwgemeenschap- zich voor het door de gemeenschap beoogde schadeherstel rechtstreeks tot het vermogen van haar echtgenoot te wenden, is juist, maar gaat wel voorbij aan het principe dat een schadelijder zich ook rechtstreeks tot de verzekeraar kan wenden om genoegdoening te bekomen, mits is aangetoond dat de schade is ontstaan door de schuld van de verzekerde (die in casu haar echtgenoot is).

Stelt zich dus nog enkel de vraag of de huwgemeenschap V.D. -V. zich als een derde kan verhouden tegenover een der echtgenoten (eiseres). (De eiseres) betwist dit.
Terecht verwijst (de eiseres) naar artikel 1407 van het Burgerlijk Wetboek dat als ‘eigen schuld’ bestempelt ‘schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door één der echtgenoten’. Evenzeer een feit is wel dat deze ‘schuldige’ echtgenoot voor schade aan derden verzekerd was.

Met de eerste rechter is deze rechtbank de mening toegedaan dat (gezien het wettelijk stelsel waarin de echtgenoten gehuwd zijn) er sprake is van drie van elkaar onderscheiden vermogens (art. 1398 van het Burgerlijk Wetboek). De huwgemeenschap is op zich geen rechtspersoon maar zolang de huwgemeenschap niet ontbonden is, hebben de echtgenoten er geen individueel aandeel in (Brussel, 26.05.1965, Pas. 1966, 11, 136).
Pas na ontbinding van het wettelijk stelsel en nadat alle vergoedingen, verschuldigd door de huwgemeenschap, zullen vereffend zijn kan het batig saldo bij helften verdeeld worden (artikel 1445 van het Burgerlijk Wetboek).
Ten onrechte dus houdt (de eiseres) voor dat de heer V.D. nu al gerechtigd zou zijn op de helft van het gemeenschappelijke patrimonium. Dit vermogen behoort niet toe aan een of andere echtgenoot, zelfs niet voor een deel. Het feit dat elk der echtgenoten bestuursdaden kan stellen voor dit patrimonium doet hieraan niets af.

Terecht merkt (de verweerster) op dat het vorderingsrecht van de huwgemeenschap ook volgt uit de analogieredenering van artikel 1433 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de huwgemeenschap schade heeft berokkend. Hieruit blijkt ook dat deze huwgemeenschap als een derde dient beschouwd te worden en dat de (schuldige) echtgenoot zich niet kan beroepen op een soort ‘medegerechtigheid’.

Het door (de eiseres) geciteerde arrest van het hof van beroep te Gent van 19 september 1980 bevestigt zelfs al het bovenstaande waar het de eis van NMBS (terugvordering van loon en medische kosten, uitbetaald aan de ene echtgenoot) afwees. Omdat vergoedingen voor medische kosten en inkomstenverlies deel uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen.

Het (hof van beroep) besloot dat vorderingen met betrekking op het gemeenschappelijke vermogen niet op het eigen vermogen van een der echtgenoten kan (sic) verhaald worden. Of anders geformuleerd: er is steeds sprake van drie onderscheiden vermogens, elk met zijn activa en zijn passiva.
Ook dit is in de onderhavige betwisting aan de orde.

Besluit:

1. De huwgemeenschap is wel degelijk als een derde in het ongevalgebeuren te beschouwen.
2. De huwgemeenschap heeft aldus de keuze om vergoeding te vorderen, hetzij van de pleger van het oneigenlijke misdrijf (haar echtgenoot) of diens verzekeraar. Zij koos voor de laatste.
3. (De verweerster) mag in het kader van het ‘gelijktijdig bestuur’ alleen de vordering tegen deze verzekeraar inleiden”.

Grieven

Eerste onderdeel
Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
Het aangevochten vonnis dat de eiseres veroordeelt omdat de huwgemeenschap als een derde te beschouwen was, is met een tegenstrijdigheid in de redengeving behept, nu het enerzijds overweegt (folio 265, onderaan) dat de door de eiseres ontwikkelde redenering dat de huwgemeenschap geen rechtspersoon is niet kan worden gevolgd, en het derhalve aanneemt dat de huwgemeenschap wel een rechtspersoon is, doch anderzijds overweegt (folio 266, regels 12 en 13) dat de huwgemeenschap op zich geen rechtspersoon is.
Het is inderdaad tegenstrijdig de huwgemeenschap in het wettelijk stelsel enerzijds als rechtspersoon en anderzijds als zijnde geen rechtspersoon te bestempelen.
Wegens deze tegenstrijdigheid in de redengeving is het aangevochten vonnis niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Tweede onderdeel
Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in genoemd artikel 1138, en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.
1. Overeenkomstig artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken.
Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter een vordering tot schadevergoeding niet gegrond verklaren op een ambtshalve aangevoerde grond die niet van openbare orde of dwingend recht is en die partijen uit het debat gelaten hadden.
Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging moet de rechter partijen minstens de gelegenheid bieden zich te verdedigen omtrent dergelijke ambtshalve aangevoerde grond.
2. Eiseres, de nv KBC- Verzekeringen, had tot staving van haar stelling dat de vordering tot schadevergoeding die de verweerster V. als bestuurster van de huwgemeenschap tijdens het bestaan van het wettelijk stelsel ingesteld had, ongegrond was, aangevoerd dat de huwgemeenschap Y.V.D. -M.V. als schadelijder geen derde was t.o.v. de schadeverwekker Y.V.D. en t.o.v. het eigen vermogen van Y.V.D. , vermits deze huwgemeenschap geen rechtspersoon was (zie o.a. verzoekschrift tot hoger beroep p. 3 nr. 2, p. 5 nr. 1.2 en p. 6 nr. 1. 5; “beroepsconclusie” p. 2 nr. 2 al. 3).
3. Verweerster V. had erkend dat de huwgemeenschap inderdaad geen rechtspersoon was (“Tweede conclusie in hoger beroep” p. 3 al. 3) en had niet gevorderd dat haar eis zou gegrond verklaard worden omdat de huwgemeenschap een rechtspersoon was.
4. In zoverre het aangevochten vonnis overweegt (folio 265, laatste al.) dat de stelling van de eiseres dat de huwgemeenschap geen rechtspersoon is, niet kon gevolgd worden, en in zoverre het vonnis derhalve beslist dat de huwgemeenschap een rechtspersoon is en bijgevolg als een derde in het ongevalsgebeuren te beschouwen is (folio 266, onderaan) en de eiseres daarom tot vergoeding verplicht was, verklaart het de vordering tot schadevergoeding gegrond op een ambtshalve aangevoerde grond (huwgemeenschap = rechtspersoon) die niet van openbare orde of dwingend recht is en die partijen uit het debat gelaten hadden.
Door de vordering aldus in te willigen op een ambtshalve aangevoerde grond zonder dat de verweerster dit gevorderd had, doet het vonnis uitspraak over een niet gevorderde zaak en schendt het artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Door de vordering in te willigen op de ambtshalve ingeroepen grond die noch van openbare orde noch van dwingend recht is en die partijen uit het debat gelaten hadden, schendt het vonnis het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek.
Door de eiseres niet de gelegenheid geboden te hebben zich te verdedigen omtrent deze ambtshalve aangevoerde grond schendt het vonnis het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.

Derde onderdeel
Schending van artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek
1. Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel berust volgens artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.
2. Die drie vermogens hebben noch volgens genoemd artikel 1398 noch volgens enige andere rechtsbepaling een eigen rechtspersoonlijkheid.
3. In zover het aangevochten vonnis in de laatste alinea van folio 265 overweegt:
“De door (de eiseres) ontwikkelde redenering dat de huwgemeenschap geen rechtspersoon is en niet als eiser of verweerder zou kunnen optreden, kan (...) niet worden gevolgd.”
en derhalve overweegt dat de huwgemeenschap wel een rechtspersoon is, en het vonnis de vordering om deze reden gegrond verklaart, is het vonnis niet wettelijk verantwoord en schendt het artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek.

Vierde onderdeel
Schending van artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, van artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, en van de artikelen 1398 e.v., 1407 in fine, 1409, 1412, 1415, 1416 en 1450 van het Burgerlijk Wetboek
1. Overeenkomstig artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen dekt de WAM-verzekeraar de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Overeenkomstig artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst geeft de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
Uit de samenlezing van deze artikelen volgt dat de benadeelde een eigen recht heeft tegen de WAM-verzekeraar tot vergoeding van schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
2. In het wettelijk huwelijksvermogensstelsel waarvan sprake in de artikelen 1398 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, zijn overeenkomstig artikel 1407 in fine van dat wetboek de schulden eigen die ontstaan zijn uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door een der echtgenoten.
3. Die eigen schuld van een der echtgenoten kan overeenkomstig de artikelen 1409 en 1412 van het Burgerlijk Wetboek slechts verhaald worden op diens eigen vermogen en inkomsten en, indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoereikend is, kan deze schuld bovendien op het gemeenschappelijk vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto-baten.
4. Overeenkomstig de artikelen 1415 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek wordt het gemeenschappelijk vermogen in het wettelijk stelsel bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen.
5. Wat de verhaalbaarheid betreft van de schuldvorderingen van de huwgemeenschap tijdens het wettelijk stelsel op de eigen goederen van de echtgenoot-schuldenaar, na een onrechtmatige daad van laatstgenoemde waardoor de huwgemeenschap schade leed, is de wet niet expliciet.
Wat schulden tussen de echtgenoten betreft, bepaalt artikel 1450 van het Burgerlijk Wetboek dat tijdens het wettelijk stelsel schuldvorderingen van de ene echtgenoot op de andere alleen kunnen verhaald worden op de eigen goederen van de schuldenaar en dat deze schuldvorderingen van rechtswege interest opbrengen te rekenen van de dag van de ontbinding van het stelsel.
A contrario kunnen schuldvorderingen van de huwgemeenschap tijdens het wettelijk stelsel niet verhaald worden op de eigen goederen van de echtgenoot-schuldenaar.
6. Uit de samenlezing van de voorgaande artikelen volgt dat wanneer een echtgenoot ingevolge een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een goed dat behoort tot het gemeenschappelijk vermogen van het wettelijk stelsel, hierdoor een eigen schuld van die echtgenoot ontstaat en dat tijdens het wettelijk stelsel noch door de echtgenoot-schuldenaar noch door de andere echtgenoot namens de huwgemeenschap voor deze schade vergoeding kan gevorderd worden van het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar of van het gemeenschappelijk vermogen ten belope van de helft van de netto-baten.
Uit de samenlezing van die artikelen volgt derhalve dat in de aangeduide situatie de huwgemeenschap niet als "een derde" tegenover de echtgenoten of hun eigen vermogen kan beschouwd worden in de zin van die artikelen.
7. Het aangevochten vonnis van 14 februari 2008 stelt vast:
- dat de eiseres als WAM-verzekeraar de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurder Y.V.D. dekte;
- dat Y.V.D. als bestuurder van een auto BMW, toebehorend aan zijn werkgever, het geparkeerde voertuig Audi aanreed en beschadigde dat eigendom was van de huwgemeenschap tussen Y.V.D. en de verweerster M.V. die onder het wettelijk stelsel gehuwd waren;
- dat schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad conform artikel 1407 van het Burgerlijk Wetboek eigen schulden waren;
- dat de verweerster V. overeenkomstig artikel 1416 van het Burgerlijk Wetboek namens de huwgemeenschap een rechtsvordering kon instellen tot het bekomen van vergoeding van de schade aan de Audi.
Het vonnis kon vervolgens niet wettig beslissen:
- (o.a. folio 265, laatste al.) dat de verweerster V. , als bestuurster van de huwgemeenschap, zich tijdens het wettelijk stelsel voor het door de gemeenschap beoogde schadeherstel rechtstreeks tot het vermogen van haar echtgenoot kon wenden;
- (folio 266, al. 1 en onderaan nr. 1) dat de huwgemeenschap als een derde tegenover de echtgenoten en als een derde in het ongevalsgebeuren te beschouwen was;
- (folio 266, onderaan, nr. 2) dat de huwgemeenschap vergoeding kon vorderen van de pleger van het oneigenlijk misdrijf, zijnde de echtgenoot van de verweerster, of van diens verzekeraar;
- dat de vordering van de verweerster tegen de eiseres, handelend als BA-verzekeraar van het aanrijdend voertuig BMW dat bestuurd werd door Y. V.D. , gegrond was.
Het vonnis is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst, en de artikelen 1398 e.v., 1407, in fine, 1409, 1412, 1415, 1416 en 1450 van het Burgerlijk Wetboek.

Vijfde onderdeel
Schending van artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, van artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, en van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek
1. Overeenkomstig artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen dekt de WAM-verzekeraar de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Overeenkomstig artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst geeft de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
Uit de samenlezing van deze artikelen volgt dat de benadeelde een eigen recht heeft tegen de WAM-verzekeraar tot vergoeding van schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
2. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in artikel 1382:
“Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.”
De verplichting, opgelegd door dit artikel, om schade ingevolge een onrechtmatige daad te vergoeden, bestaat derhalve slechts in zoverre de schade “aan een ander”, aan een derde wordt veroorzaakt.
3. De echtgeno(o)t(e) die gehuwd is onder het wettelijk stelsel en die door zijn/haar fout schade toebrengt aan een goed dat behoort tot het tussen hem/haar en zijn echtgeno(o)te bestaande gemeenschappelijk huwelijksvermogen, brengt geen schade toe aan “een ander”, aan een derde in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waardoor hij/zij tijdens het bestaan van het wettelijk stelsel aan deze huwgemeenschap vergoeding verschuldigd is op grond van dit artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Het aangevochten vonnis stelt vast dat Y.V.D. ingevolge een oneigenlijk misdrijf schade toebracht aan het voertuig Audi dat toebehoorde aan de huwgemeenschap die tussen hem en de verweerster V. bestond, en Y. V.D. en de verweerster V. onder het wettelijk stelsel getrouwd waren.
Op grond van deze vaststellingen kon het vonnis niet wettig beslissen dat de schade die Y.V.D. aan de Audi toebehorend tot de huwgemeenschap toegebracht had, schade was die hij “aan een ander”, aan “een derde” in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek veroorzaakt had en die hij conform dit artikel diende te vergoeden, noch dat de eiseres, handelend als zijn BA-verzekeraar, deze schade diende te vergoeden.
Het vonnis is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Zesde onderdeel
Schending van de artikelen 1 en 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen
1. De wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt in artikel 1 dat onder “verzekerden” wordt verstaan “zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van deze wet is gedekt” en onder “benadeelden” “zij die schade hebben geleden welke grond oplevert voor de toepassing van deze wet, alsmede hun rechtverkrijgenden”.
Overeenkomstig artikel 3, §1, van deze wet moet de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken voor de schade die het motorrijtuig heef veroorzaakt zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
Overeenkomstig deze artikelen dient de verzekeraar in de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen niet de schade te vergoeden die een verzekerde aan zichzelf veroorzaakte: volgens de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen is de WAM-verzekeraar niet tot vergoeding gehouden van de schade van een benadeelde indien die benadeelde tegelijkertijd de verzekerde is, indien de schadelijder en de schadeverwekker zich niet als derden verhouden.
De WAM-verzekeraar is immers slechts tot vergoeding gehouden indien zijn verzekerde schade toebracht aan een derde in de zin van de WAM-wet.
2. Het aangevochten vonnis van 14 februari 2008 stelt vast:
- dat Y.V.D. als bestuurder van een auto BMW, toebehorend aan zijn werkgever, het voertuig Audi aanreed en beschadigde;
- dat deze Audi eigendom was van de huwgemeenschap tussen Y. V.D. en de verweerster M.V. die onder het wettelijk stelsel gehuwd waren;
- dat de eiseres de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van Y. V.D. dekte;
- dat de verweerster V. namens de huwgemeenschap van de eiseres vergoeding vorderde voor de schade die Y. V.D. had toegebracht aan de Audi die tot de huwgemeenschap behoorde.
Het vonnis kon vervolgens niet wettig beslissen dat de eiseres als WAM-verzekeraar de schade diende te vergoeden die haar verzekerde Y.V.D. toegebracht had aan de Audi die toebehoorde aan de huwgemeenschap die tussen Y. V.D. en zijn echtgenote, de verweerster V. , bestond.
De WAM-wet verplicht de eiseres immers niet tot vergoeding van schade die de verzekerde heeft toegebracht aan een schadelijder indien de verzekerde als schadeverwekker en de schadelijder zich niet verhouden als derden.
In zover het aangevochten vonnis de huwgemeenschap V.D. -V. aanziet als een derde in de zin van de WAM-wet en de eiseres veroordeelt tot vergoeding van de schade aan de huwgemeenschap veroorzaakt door haar verzekerde V.D. , is het derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt het de artikelen 1 en 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel
1.         Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters tegenstrijdig oordelen door te overwegen enerzijds dat de door de eiseres ontwikkelde redenering dat de huwelijksgemeenschap geen rechtspersoon is niet kan worden gevolgd en anderzijds dat de huwelijksgemeenschap geen rechtspersoon is.
2.         De appelrechters verwerpen de redenering van de eiseres dat de huwelijksgemeenschap geen rechtspersoon is “om bovenvermelde reden”. Dat wil zeggen dat deze overweging moet worden gelezen in samenhang met wat voorafgaat en niet mag geïsoleerd worden.
Bovendien affirmeren de appelrechters door deze overweging niet dat de huwelijksgemeenschap wel een rechtspersoon is.
De tegenstrijdigheid die het onderdeel aanvoert berust op een onvolledige en tevens een onjuiste lezing.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel
3.         De aangevoerde schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en de miskenning van het beschikkingsbeginsel en het recht van verdediging, die in dit onderdeel wordt aangevoerd, is volledig gesteund op de tegenstrijdigheid die in het eerste onderdeel vergeefs is aangevoerd.
Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel
4.         Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordelen de appelrechters niet dat de huwelijksgemeenschap een rechtspersoon is, zodat zij ook artikel 1398 van het Burgerlijk Wetboek niet schenden.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel
5.         Het onderdeel voert aan dat, tijdens het huwelijk, de gemeenschap geen vergoeding kan vorderen van een schuldige echtgenoot die door zijn onrechtmatige daad schade heeft toegebracht aan een goed van de gemeenschap. Het leidt hieruit af dat de rechter niet vermocht te beslissen dat de niet-schuldige echtgenoot in naam van de gemeenschap een vergoeding zou vorderen vanwege de schuldige echtgenoot of zijn verzekeraar BA.
6. Tot de huwelijksgemeenschap behoort een doelvermogen waarvoor een gelijktijdig bestuur van beide echtgenoten geldt. Wanneer een van de echtgenoten door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een goed van de huwelijksgemeenschap, zal hij de schade moeten vergoeden. Niets staat eraan in de weg dat het beginsel van de vergoedingsplicht en de omvang van de vergoeding ten allen tijde zou worden vastgesteld. Dit houdt meteen in dat de verzekeraar BA van de schuldige echtgenoot onmiddellijk kan worden aangesproken door de niet-schuldige echtgenoot in naam van de gemeenschap voor een deel van het verlies door de huwelijksgemeenschap geleden.
Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de verzekeraar helemaal niet kan worden aangesproken, zelfs niet ten belope van de helft van de netto baten, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel
7.         Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt niet op welk ogenblik de echtgenoot, gehuwd onder het wettelijk stelsel, die door zijn fout schade toebrengt aan een goed dat tot het gemeenschappelijk vermogen behoort, gehouden is tot schadevergoeding.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Zesde onderdeel
8. Het onderdeel gaat ervan uit dat de WAM-verzekeraar niet gehouden is tot vergoeding van de schade toegebracht door haar verzekerde, gehuwd onder het wettelijk stelsel, aan een goed dat tot het gemeenschappelijk vermogen behoort omdat deze geen derde is ten opzichte van de huwelijksgemeenschap.
9.         De echtgenoot, gehuwd onder het wettelijk stelsel, is gehouden de schade te vergoeden die hij door zijn onrechtmatige daad toebrengt aan een goed dat tot het gemeenschappelijk vermogen behoort.
Artikel 1 en 3, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen, verplicht de verzekeraar de benadeelde te vergoeden die schade heeft geleden door de fout van de verzekerde.
Dit artikel ontslaat de verzekeraar niet geheel van zijn vergoedingsverplichting als het nadeel is geleden door het gemeenschappelijk vermogen waarin de verzekerde een medegerechtigde is.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten op de som van 482,20 euro jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Ph. Van Geem   K. Mestdagh     A. Smetryns
B. Deconinck    E. Stassijns      I. Verougstraete