Rectificatie Regeling uitkering dienstongevallen politie


In Staatscourant nr. 211 van 31 oktober 2007 is de Regeling uitkering dienstongevallen politie geplaatst. In de toelichting zijn abusievelijk een aantal fouten geslopen. Hieronder wordt de correcte toelichting nogmaals integraal gepubliceerd.


Toelichting

Algemeen
In het akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector politie van 24 februari 1997 is een afspraak neergelegd over de verantwoordelijkheid van de werkgever voor het financiële risico bij een dienstongeval. Deze afspraak houdt in dat indien een
dienstongeval of beroepsziekte leidt tot overlijden of invaliditeit van de ambtenaar er recht ontstaat op smartengeld. Deze afspraak is geformaliseerd met de invoeging van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bij Besluit van 9 maart 1999, houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met verantwoordelijkheid van de politiewerkgever bij dienstongeval van ambtenaren van politie (Stb. 1999, 131). In artikel 54a, eerste lid, van het Barp is bepaald dat bij invaliditeit, die voortvloeit uit een dienstongeval of beroepsziekte de ambtenaar een smartengelduitkering tot maximum van € 136.100,- krijgt vergoed. Bij overlijden ten gevolge van dienstongeval ontvangen de erfgenamen van de ambtenaar op grond van artikel 54a, tweede lid, van het Barp een overlijdensuitkering van netto € 68.100,-. De smartengelduitkering voor invaliditeit ten gevolge van dienstongeval is afhankelijke van de mate van invaliditeit van de ambtenaar. Artikel 54a is ingevoerd met terugwerkende kracht tot 24 februari 19997, de datum van ondertekening van het akkoord In arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector politie.
De sector politie heeft een collectieve dienstongevallenverzekering afgesloten. Deze verzekering biedt de korpsen dekking tegen het risico dat ten gevolge van een dienstongeval een ambtenaar aanspraak maakt op smartengelduitkering op grond van artikel 54a van het Barp. In de polisvoorwaarden van deze verzekering zijn voor de vaststelling van de hoogte van de smartengelduitkering bij invaliditeit uitkeringspercentages voor de mate van invaliditeit opgenomen. In de afgelopen periode zijn bij aanspraken op grond van artikel 54a van het Barp aan de hand van deze collectieve dienstongevallenverzekering smartengelduitkeringen aan politieambtenaren toegekend. Materieel is dus alvast uitvoering gegeven aan deze regeling. De aanspraak op smartengelduitkering van de ambtenaar rust op het bevoegd gezag, In deze regeling, is voorzover het dienstongevallen betreft, is de aanspraak op smartengeld bij invaliditeit ten gevolge van een dienstongeval uitgewerkt. Vanwege het feit dat in de afgelopen periode aan de hand van de collectieve dienstongevallenverzekering uitvoering is gegeven aan de aanspraken op grond van artikel 54a van het Barp, is ervoor gekozen aan de thans voorliggende regeling geen terugwerkende kracht te verbinden. Overigens behoudt de sector politie de collectieve dienstongevallenverzekering ter dekking van het risico.

Artikelsgewijs

Artikelen 2 tot en met 5
Een dienstongeval kan direct, maar ook op later moment leiden tot het ontstaan van invaliditeit. De ambtenaar meldt een dienstongeval zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 150 dagen te geschieden om het bevoegd gezag in staat te stellen te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een dienstongeval. De schriftelijke melding geldt als aanvraag van een besluit tot toekenning van smartengeld (zie ook artikel 8, eerste lid). Op deze aanvraag zijn de bepalingen over de aanvraag van besluiten in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De ambtenaar moet naast de informatie over de oorzaak en toedracht van het dienstongeval (desgevraagd) ook andere gegevens en bescheiden moet verschaffen die voor beslissing noodzakelijk zijn, zoals de aard en omvang van het letsel. Indien de benodigde (medische) gegevens ondanks rappel niet worden verschaft, kan het bevoegd gezag met een beroep op artikel 4:5 van de Awb besluiten de aanvraag niet verder te behandelen.
Indien de ambtenaar niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, opgenomen verplichtingen zal hij, wil een recht op smartengeld kunnen ontstaan, in redelijkheid moeten aantonen dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend het gevolg is van het dienstongeval. Het feit dat hij zich niet onder behandeling heeft gesteld of de voorschriften van de behandelende artsen niet heeft opgevolgd, mag dus niet leiden of hebben geleid tot het ontstaan of de toename van zijn invaliditeit. De kosten die de ambtenaar maakt om aan te tonen dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend een gevolg is van het dienstongeval worden niet gedragen door het bevoegd gezag.
Om het percentage van de smartengelduitkering te kunnen bepalen, stelt een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige de aan het dienstongeval toe te rekenen invaliditeit medisch objectief vast zodra dit mogelijk is. Een termijn van ten hoogste twee jaar na het dienstongeval wordt daarvoor voldoende geacht. De mate van ontstane of toegenomen invaliditeit ten gevolge van het dienstongeval wordt vastgesteld aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. Deze zogenoemde AMA-schaal wordt in Nederland algemeen gebruikt bij de vaststelling van invaliditeit bij letsel. In het geval dat de invaliditeit is omschreven in de Gliedertaxe, zoals opgenomen in artikel 4, is niet relevant dat toepassing van de AMA-schaal zou hebben geleid tot een hoger of lager uitkeringspercentage. Dan wordt uitgekeerd naar het in de Gliedertaxe opgenomen uitkeringspercentage. Het moge duidelijk zijn dat het totale uitkeringspercentage dat met toepassing van de Gliedertaxe tot stand komt niet meer kan bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp opgenomen maximumbedrag.
Wanneer is vastgesteld dat sprake is van ontstane of toegenomen invaliditeit en het dienstongeval ook heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid, wordt naast het uitkeringspercentage op grond van de opgetreden mate van invaliditeit, een tweede uitkeringpercentage vastgesteld. De ambtenaar kan echter verzoeken om geen tweede uitkeringspercentage vast te stellen. Dat verzoek zou hij bijvoorbeeld kunnen doen als het uitkeringspercentage op grond van de mate van invaliditeit al zo hoog is dat onaannemelijk is dat het tweede uitkeringspercentage nog hoger zal zijn.
Uitgangspunt bij deze vaststelling van een tweede uitkeringspercentage vormt het arbeidsongeschiktheidspercentage zoals dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen is vastgesteld. De deskundige bepaalt vervolgens in hoeverre dit arbeidsongeschiktheidspercentage rechtstreeks en onlosmakelijk het gevolg is van het dienstongeval. Het in artikel 5, tweede lid, bedoelde uitvoeringsorgaan dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen het arbeidsongeschiktheidspercentage bepaalt, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Indien zowel een uitkeringspercentage wegens invaliditeit als een uitkeringspercentage wegens arbeidsongeschiktheid zijn vastgesteld, wordt het smartengeld berekend naar het hoogste percentage. Bij de vaststelling van de uitkeringspercentages bestaat geen beleidsvrijheid voor het bevoegde gezag.
Artikel 6
Indien sprake is van een post-whiplashsyndroom waarbij geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden geconstateerd, kan op basis van dit artikel een vergoeding worden toegekend als een deskundige op basis van de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor Neurologie vaststelt dat er sprake is van invaliditeit in de zin van die richtlijnen. Het uitkeringspercentage is gelijk aan de vastgestelde mate van invaliditeit.
Artikel 7
Om te kunnen vaststellen of een HIV-besmetting bij het uitoefenen van de politietaak is opgelopen, is directe melding door de ambtenaar van politie van het desbetreffende voorval onontbeerlijk. Het laten uitvoeren van een test is noodzakelijk om te kunnen bepalen of daadwerkelijke besmetting heeft plaatsgevonden.
Indien is vastgesteld dat sprake is van een HIV-besmetting dient de ambtenaar ingevolge het tweede lid binnen acht weken een keuze te maken tussen de toekenning van een uitkering van een zesde deel van het smartengeld dat in artikel 54a van het besluit maximaal kan worden toegekend of de uitkering van dat volledige bedrag indien hij binnen 20 jaar als gevolg van de besmetting overlijdt. Het eenmalige bedrag van een zesde deel van het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde maximumbedrag kan worden beschouwd als afkoop van onzekerheden. Van een HIV-besmetting is het juiste tijdstip van de besmetting niet eenduidig is vast te stellen en het manifest worden van de gevolgen zich pas later of mogelijk in het geheel niet zal voordoen en de omvang van de gevolgen van de besmetting ook, mede gelet op de ontwikkelingen in de medische wetenschap, niet op voorhand met zekerheid zijn aan te geven. Voor de volledigheid wordt vermeld dat in het geval dat bij de ambtenaar naast de HIV-besmetting tevens sprake is van (toegenomen) invaliditeit ten gevolge van het dienstongeval, de totale uitkering in geen geval meer kan bedragen dan het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp opgenomen maximumbedrag.
Artikel 8
Op grond van artikel 8, eerste lid, wordt de melding aangemerkt als een aanvraag tot de uitkering van smartengeld. Uiteraard is afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht hierop van toepassing. In artikel 8, tweede en derde lid, zijn de beslistermijnen aangegeven in het geval sprake is van een dienstongeval.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,G. ter Horst.