Wijziging besluit algemene rechtspositie politie


Besluit van 9 maart 1999, houdende wijziging van het besluit algemene rechtspositie politie

in verband met verantwoordelijkheid van de politiewerkgever bij dienstongeval van ambtenaren van politieWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 november 1998, Directoraat-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, nr. EA98/U53335;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993 en artikel 9, zesde lid, van de LSOP-wet;
De Raad van State gehoord (advies van 21 januari 1999, No. W04.98 0539);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 maart 1999, Directoraat-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, nr. EA99/53312;

Hebben goedgevonden en verstaan:


ARTIKEL I Het Besluit algemene rechtspositie politie1 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt aan Binnenlandse Zaken toegevoegd: en Koninkrijksrelaties.
2. De punt in onderdeel t wordt vervangen door een puntkomma.
3. Toegevoegd worden de onderdelen u en v, die als volgt luiden:
u. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
v. dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.
B
Artikel 54, eerste lid, komt als volgt te luiden:
1. In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.
C
Na artikel 54 wordt ingevoegd artikel 54a, dat als volgt luidt:
Artikel 54a 1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van f 300 000,00.

2. In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van f 150 000,00 uitgekeerd.

3. Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie is van overeenkomstige toepassing.

4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.
ARTIKEL II Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Artikel I, onderdeel A, sub 2 en 3, en onderdeel C, werkt terug tot en met 24 februari 1997.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot
's-Gravenhage, 9 maart 1999
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de vijfentwintigste maart 1999
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals


NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen
Uitgaande van de verantwoordelijkheid van de politiewerkgever is in artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) een voorziening getroffen voor het geval dat een politieambtenaar als gevolg van een dienstongeval invalide raakt of verlies van lichaamsfunctie of ledematen lijdt. In een dergelijk geval kan hij smartengeld tot maximaal f 300 000,– netto uitgekeerd krijgen. In geval van overlijden krijgt de weduwe of weduwnaar f 150 000,– netto.
De uitkering op grond van artikel 54a van het Barp aan de ambtenaar van politie vindt haar grondslag in gevaarzetting in zijn beroepsuitoefening. Het betreft een op zich zelf staande aanspraak en laat aanspraken voortvloeiend uit andere relevante rechtspositionele bepalingen en sociale verzekeringen onverlet.
De invoeging van artikel 54a van het Barp strekt tot formalisering van een afspraak in het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector Politie d.d. 24 februari 1997 voor wat betreft de verantwoordelijkheid van de werkgever voor het financiële risico bij dienstongeval. Partijen hebben daarbij overwogen, dat het politievak arbeidsomstandigheden met zich brengt die niet door de Arbeidsomstandighedenwet worden gedekt. Ambtenaren van politie kunnen bewust in risicovolle situaties worden gebracht, met gevaar voor hun gezondheid en zelfs in situaties die levensbedreigend kunnen zijn.
Met het oog op het specifieke risico van het werk is nu een voorziening getroffen, waarmee de bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van de ambtenaar van politie tot financiële uitdrukking wordt gebracht.
Bij de vaststelling van de verantwoordelijkheid van de politiewerkgever is artikel 59 van het Barp van belang. De strekking van dat artikel is dat van ambtenaren van politie in principe een continue inzet wordt verlangd, ook op tijden dat de betrokkene niet in dienst is. Moet een betrokken ambtenaar van politie buiten diensttijd toch optreden, dan verricht hij feitelijk dienst en geldt derhalve artikel 54a van het Barp.
Ter dekking van kosten voortvloeiend uit de onderhavige voorziening hebben de politiekorpsen na openbare aanbesteding (Publicatieblad EG 12.7.97, nr. 97/S 133–87078/NL) een particuliere verzekering afgesloten. Voordelen van verzekeren zijn dat de kosten via een gemiddelde premie in de begroting van de korpsen worden opgenomen en dat de individuele gevallen op deskundige wijze worden behandeld.
De politievakorganisaties zijn op 11 juni 1998 over het ontwerp-besluit gehoord en hebben hiermee ingestemd.
Artikelsgewijs
Artikel I
A
Artikel 1 van het Barp bevat enige definities. Bij de reikwijdte van het begrip dienstongeval is aansluiting gezocht bij de desbetreffende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De Raad toetst aan de definitie van dienstongeval (causaal verband met de functie, schuld bestuursorgaan, eigen schuld of onvoorzichtigheid van betrokken ambtenaar). De Raad sluit zich aan bij het civiele schadevergoedingsrecht inzake schuldaansprakelijkheid van de werkgever.
Van aanvaarding van risicoaansprakelijkheid door de overheidswerkgever kan volgens de Raad slechts sprake zijn, indien deze in een bijzonder wettelijk voorschrift is vastgelegd. Tot dit Besluit constateerde de Raad dat een dergelijk voorschrift inzake dienstongeval van politieambtenaren ontbrak (CRvB 13-2-1997, TAR 1997, 59 met noot B.M.J. van der Meulen; zie voorts onder meer de uitspraken van de Raad d.d. 23/1/1997, TAR 1997/44; 15/2/1996, TAR 1996/74 & 73; 18/1/1996, TAR 1996/66; 9/11/1995, TAR 1996/64 & 63; 19/10/1995, TAR 1995/267; 25/4/1995, TAR 1995/221; 13/10/1994, TAR 1995/59, 58 & 57; 17/3/1994, TAR 1994/106; 20/11/1992, TAR 1993/28; 11/9/1992, TAR 1992/249).
B
Artikel 54, eerste lid, bevat een technische aanpassing, omdat in artikel 1 van het Barp definities van dienstongeval en beroepsziekte zijn opgenomen.
C
In artikel 54a van het Barp gaat het om een dienstongeval dat blijvend letsel of de dood tot gevolg heeft, veroorzaakt in en door de uitoefening van de politietaak.
De hoogte van de uitkering is gerelateerd aan de mate van invaliditeit in verband met het dienstongeval. Het maximum van f 300 000,– wordt slechts uitgekeerd bij algehele blijvende invaliditeit.
Feitelijk ondergaan letsel behoeft niet per se gepaard te gaan met arbeidsongeschiktheid. Ook in zo'n geval, bijvoorbeeld bij (gedeeltelijk) verlies van ledematen of niet vitale organen, bestaat er recht op smartengeld en vindt een zogenoemde Gliedertaxe, die nader wordt geregeld, toepassing. Toepassing van Gliedertaxe betekent dat bij uitkeringen onderscheid wordt gemaakt naar verlies van bepaalde lichaamsdelen en -functies. Via staffeling naar de ernst van het verlies leidt verlies van beide benen of voeten bijvoorbeeld tot een hogere uitkering dan verlies van het reukvermogen.
Indien de ambtenaar van politie is overleden als gevolg van een dienstongeval heeft de weduwe of weduwnaar recht op een vast bedrag.
In het derde lid is de regeling van het Besluit bezoldiging politie inzake de definiëring van nabestaanden wanneer er geen weduwe of weduwnaar is, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit geldt ook voor wettelijk geregistreerde partners.
Het vierde lid geeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de opdracht een ministeriële regeling vast te stellen, waarin onder meer de Gliedertaxe wordt bepaald.
Artikel II
Terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel A, sub 2 en 3, en onderdeel C, van dit besluit tot en met 24 februari 1997 is aangewezen in verband met het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector Politie d.d. 24 februari 1997 en de garantie die daarin aan eventuele gelaedeerden is verstrekt. Tegen terugwerkende kracht bestaan geen bezwaren aangezien het in casu begunstigende maatregelen betreft.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper