Arbeidsongeschiktheid

Zie ook verzekering, ambtenaar en arbeidsongeval

Objectiveerbaarheidseis
Arbeidsongeschiktheid
Schattingsbesluit
Maatman(inkomen)
Resterende verdiencapaciteit
Voorwaarden schatting
Fiscale keuze
Verhoging uitkering
Korting en duurzaamheid
Wet Pemba
Anticumulatiebepalingen
Sancties


Objectiveerbaarheidseis
Volgens vaste jurisprudentie moet onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de maatman. Ook in de verslagperiode is de Raad met enige regelmaat geconfronteerd met zaken waarin moeilijk objectiveerbare aandoeningen, zoals fibromyalgie en het chronisch vermoeidheidssyndroom, aan de orde waren en waarin aldus de vraag moest worden beantwoord of was voldaan aan het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip. De Raad is blijven vasthouden aan zijn standpunt dat het stellen van de diagnose fibromyalgie of chronisch vermoeidheidssyndroom op zichzelf genomen nog niet meebrengt dat sprake is van medisch objectiveerbare, uit ziekte of gebreken voortvloeiende, beperkingen, en dus op zichzelf genomen geen toereikende basis vormt voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO.

Enkele nuances met betrekking tot bovenvermelde eis van objectiveerbaarheid blijken uit de volgende twee uitspraken. In een uitspraak van 6 oktober 1998, AA8810 (USZ 1998/293 en RSV 1999/4), heeft de Raad geoordeeld dat niet is uit te sluiten dat uit de combinatie van (op zichzelf niet als ziekte of gebrek aan te merken) klachten, moet worden afgeleid dat sprake is van beperkingen op grond van ziekte of gebrek. In die uitspraak was sprake van een paniekstoornis als gevolg van een combinatie van karakterneurose, forse onbehandelbare hyperventilatie en daardoor steeds toenemende gevoelens van woede, machteloosheid en angst, hetgeen volgens de ingeschakelde deskundige leidde tot beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.

Eenstemmigheid bij de betrokken geneeskundigen, met uitzondering van de verzekeringsgeneeskundige die het uitvoeringsorgaan had geadviseerd, aangaande de beperking in duurbelasting van betrokkene, is mede reden geweest voor de Raad om te oordelen dat op toereikende wijze objectief is komen vast te staan dat betrokkene buiten staat was om voltijdse arbeid te verrichten (CRvB 22 januari 1999, AA8701 USZ 1999/74).

Over de relevantie van de Richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (Tica-mededeling M.96.122) voor beoordelingen van arbeidsongeschiktheid op een datum vanaf de publicatie van die richtlijn op 19 september 1996 heeft de Raad zich in de verslagperiode nog niet (principieel) uitgesproken. Ten aanzien van beoordelingen op een datum gelegen vóór 19 september 1996 heeft de Raad overwogen dat hij zich niet zonder meer rechtstreeks aan die richtlijn gebonden acht, te minder nu in dat geval het bestreden besluit ruimschoots vóór de publicatie van de richtlijn was genomen, zodat het bestuursorgaan daarmee bij zijn besluitvorming destijds ook geen rekening heeft kunnen houden (CRvB 11 december 1996, AA8503 USZ 1997/23 en RSV-actueel 1997/5; CRvB 4 juni 1997, AA8502 RSV 1998/46).

Whiplash FIS als hulpmiddel
Het FIS is een hulpmiddel om de belastbaarheid te objectiveren. (vgl CRvB 29-11-1994, RSV 1996, 136). De belastbaarheid wordt hierin aangegeven als een combinatie van een wisselende belastingfrequentie in relatie tot een wisselende intensiteit van belasting. Het resultaat van de op deze wijze weergegeven belastbaarheid per aspect is niet een gefixeerd meetpunt, maar een meetpunt met een zekere bandbreedte. Overleg tussen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige kan aangewezen zijn ten einde te bezien of de grenzen van de in het systeem vastliggende bandbreedte niet worden overschreden.
Deze ook wel genoemde "relativering van de functiebelasting" vindt plaats met als referentiekader het voor de betrokkene vastgestelde belastbaarheidspatroon.
De"relativering" mag niet zover gaan dat geoordeeld wordt dat het belastbaarheidspatroon onjuist is vastgesteld (2002-06-18 CRvB AF1657).

Overheid werkgever whiplash medisch objectiveerbaar
Het criterium van de CRvB is dat arbeidsongeschiktheid het op medische gronden naar objectieve maatstaven niet kunnen of mogen verrichten van arbeid is. Een beroep op de aanwezigheid van een ziekte of gebrek uitsluitend gebaseerd op de ernst van de ondervonden klachten kan op zichzelf niet tot het aannemen van ongeschiktheid van werk leiden. In bijzondere gevallen waarin de onafhankelijke medisch deskundigen een vrijwel eenduidige en consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting hebben dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is geworden, ook al is niet steeds duidelijk aan welke ziekte of gebrek precies die ongeschiktheid is toe te schrijven, valt een toereikende objectieve vaststelling van ongeschiktheid niet zonder meer geheel uit te sluiten.
Op basis van de bevindingen van de door de Rb ingeschakelde psychiater oordeelt de Rb tot de aanwezigheid van een stoornis die naar objectieve maatstaven ongeschiktheid veroorzaakt (Rb Den Haag 17-3-1999, TAR 1999, 84).

Arbeidsongeschiktheid

Arbeid in de zin van de ABW is arbeid in de zin van de IB
Voor de uitleg van het begrip arbeid kan aansluiting gezocht worden met art. 22 IB. Het ontvangen van een onkostenvergoeding voor politieke werkzaamheden is derhalve inkomen uit arbeid (2002-11-15 CRvB AF1663).

Definitie arbeidsongeschiktheid
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet onder ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Die arbeid is in beginsel de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid voor de ziekmelding. Niet de arbeid die door aanpassing verricht zou kunnen worden of verricht zou kunnen zijn geweest voor de ongeschiktheid (2002-12-03 CRvB AF1670 ).

Belemmering voor arbeid bij REA
Art 2 lid 3 REA verstaat onder arbeidsgehandicapte de persoon die niet behoort tot een categorie van personen als bedoeld in het eerste en tweede lid, doch ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.
Dat is ook het geval als iemand geen concrete medische beperkingen heeft (2002-10-01 CRvB AF0894).

Arbeidsongeschiktheid staat los van reïntegratie (CRvB RSV 1991, 91, RSV 1994, 83 en USZ 2000, 117).

Schattingsbesluit
In de verslagjaren heeft de Raad vele uitspraken gedaan over nagenoeg alle bepalingen van het ter uitwerking van het arbeidsongeschiktheidscriterium genomen Schattingsbesluit (Besluit ex artikel 18, lid 8, van de WAO en artikel 5, lid 9, van de AAW). Hoewel het Schattingsbesluit met ingang van 1 januari 1998 is vervallen en vervangen door het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, blijft de jurisprudentie met betrekking tot het Schattingsbesluit van belang voor de interpretatie van die bepalingen die inhoudelijk niet gewijzigd zijn.

Zo heeft de Raad zich onder meer uitgelaten over de interpretatie en reikwijdte van de begrippen:

algemeen geaccepteerde arbeid (CRvB 25 augustus 1998, AA8766 USZ 1998/275; CRvB 7 oktober 1998, AA8790 RSV 1999/5);
functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt (CRvB 10 februari 1998, AA8500 USZ 1998/91, RSV 1998/172 en AB 1998,190);
arbeid die alleen kan worden verricht na toepassing van zodanige voorzieningen, dat het accepteren van die toepassing in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd (CRvB 21 januari 1998, AA8487 USZ 1998/50; CRvB 3 maart 1999, AA8787 RSV 1999/135);
zodanige kenmerken bij betrokkene dat van een werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden hem in bepaalde arbeid te werk te stellen (CRvB 9 oktober 1998, AA8687 );
functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden (CRvB 9 juni 1998, AA8758 USZ 1998/234 en RSV 1998/240; CRvB 25 augustus 1998, AA9000 , USZ 1998/275; CRvB 28 mei 1999, AA8708 USZ 1999/207);
vaststelling of herziening en indexering van het maatmaninkomen (CRvB 23 januari 1998, AA8786 USZ 1998/89 en RSV 1998/171; CRvB 4 augustus 1998, AA8763 (USZ 1998/273 en RSV 1998/310);
indexering van het mediane loon (CRvB 13 augustus 1999, AA8807 USZ 1999/271 en RSV 1999/266).

Het overgangsrecht kwam aan de orde in een uitspraak betreffende de wijziging van het Schattingsbesluit met ingang van 31 december 1997 (Stb. 1997, 802), die ertoe strekt dat de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid moet plaatsvinden aan de hand van de methode van uurloonvergelijking. De Raad heeft aangegeven hoe het in artikel II van het gewijzigde Schattingsbesluit neergelegde overgangsrecht moet worden uitgelegd (CRvB 8 mei 1998, AA8783 USZ 1998/189 en RSV 1998/214).

Maatman(inkomen)
In een uitspraak van 17 juni 1998, AA8530 (USZ 1998/213 en RSV 1998/241) oordeelde de Raad over de vraag of een maatmanwisseling optreedt bij een profvoetballer ouder dan 35 jaar. Volgens vaste jurisprudentie wordt die vraag bevestigend beantwoord. In het onderhavige geval, waar het om een keeper ging, beantwoordde de Raad die vraag ontkennend. De stelling dat keepers langer professioneel actief kunnen blijven dan veldspelers achtte de Raad niet van enige grond ontbloot, terwijl gesteld noch gebleken was dat het einde van de carrière van betrokkene als professioneel keeper op korte termijn te verwachten viel.

De situatie van een langdurig werkloze kwam aan de orde in een uitspraak van 1 juli 1998, AA8728 (USZ 1998/236). De Raad kon zich, gelet op de lange duur van de werkloosheid ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid en de omstandigheid dat de betrokkene op dat moment geen loongerelateerde uitkering meer ontving, verenigen met het bepalen van de maatman op de langdurig werkloze die een uitkering ter hoogte van het wettelijk minimumloon ontvangt.

In een geval waarin betrokkene jarenlang genoegen had genomen met een lager loon dan het bij arbeidsovereenkomst overeengekomen loon, oordeelde de Raad dat bij de vaststelling van het maatgevende inkomen van het feitelijk genoten loon uitgegaan diende te worden (CRvB 11 september 1998, AA8504 USZ 1998/277 en RSV 1998/314).

Afwijking van de vaste jurisprudentie met betrekking tot het maatmaninkomen (in beginsel uitgaan van het bij de laatste werkgever genoten inkomen) acht de Raad onder meer gerechtvaardigd indien die inkomsten geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan betrokkene soortgelijke valide persoon. Dat laatste deed zich voor in het geval van de uitspraak van 18 december 1998, AA8699 (RSV 1999/56), waarin (de omvang van) de betalingen voor betrokkenes werkzaamheden (van B.V. Y aan B.V. X) hun grondslag niet vonden in een werkgevers/werknemersverhouding, maar in een in/uitleenverhouding. Gesteld noch gebleken was dat betrokkene in dienstbetrekking in een zelfde functie een inkomen had kunnen verdienen ter hoogte van die betalingen.

Resterende verdiencapaciteit

Uit de door de Raad gewezen uitspraken komt naar voren dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de schatting van een zogeheten medische parttimer - een persoon die op medische gronden slechts parttime kan werken - enerzijds en van een niet-medische parttimer anderzijds. Dit onderscheid komt tot uitdrukking in de eisen te stellen aan:

de omvang van de voorgehouden parttime functies: voor de medische parttimer kan worden verwezen naar CRvB 19 januari 1999, AA8645 (USZ 1999/68) en voor de niet-medische parttimer naar CRvB 31 oktober 1997, AA8501 (USZ 1997/281 en RSV 1998/69);
het aantal arbeidsplaatsen per functie: zie voor de medische parttimer CRvB 29 juli 1999, AA8759 (USZ 1999/71) en CRvB 20 april 1999, AA8797 (USZ 1999/163), en voor de niet-medische parttimer CRvB 3 februari 1999, AA8762 (USZ 1999/70).

Een oproepkracht die laatstelijk werkzaam is geweest in een patroon variërend van 10 tot 40 uur per week, derhalve met een oproepbaarheid van 40 uur per week, ziet de Raad niet als parttimer (CRvB 5 januari 1999, AA8761 USZ 1999/69 en RSV 1999/103).

De voorwaarden waaronder een schatting op een combinatie van functies kan plaatsvinden, alsmede de berekening van de resterende verdiencapaciteit in een dergelijke situatie, zijn te vinden in onder andere CRvB 17 september 1997, AA8486 (USZ 1997/242) en CRvB 24 september 1997, AA8735 (RSV 1998/67). De Raad heeft benadrukt dat een dergelijke schatting ook realiteitswaarde moet hebben. Dit standpunt is nader uitgewerkt in een uitspraak van 3 december 1997, AA8529 USZ 1998/48, waarin de Raad de eis van de temporele combineerbaarheid introduceerde: de functies moeten wat arbeidstijden betreft te combineren zijn. In een uitspraak van 7 december 1999, AA8580 (USZ 2000/2, RSV 2000/18), heeft de Raad daaraan de eis van geografische combineerbaarheid toegevoegd: de functies moeten ook wat betreft geografische ligging - ten opzichte van elkaar - te combineren zijn; er mogen geen combinaties van functies worden voorgehouden waarvan vaststaat dat uitvoering van de gecombineerde werkzaamheden in feite onmogelijk is dan wel een zodanig apert onredelijk beslag op iemands beschikbare tijd zou leggen dat dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

In de uitspraak van 23 april 1999, AA8644 (USZ 1999/164), kreeg de Raad te maken met een directeur-grootaandeelhouder die van de vennootschap geen loon ontving. De Raad oordeelde dat nu betrokkene arbeid van economische waarde verrichtte met een aantoonbare loonwaarde, een voor die arbeid passende beloning aan betrokkene kon worden toegerekend.

Kosten verminderen inkomen
De Raad is van oordeel dat betrokkene uit zijn activiteiten met betrekking tot het opknappen en verkopen van auto’s inkomsten uit arbeid heeft genoten. De Raad aanvaardt evenwel niet zonder nadere motivering dat het bedrag van deze inkomsten moet worden gesteld op het bruto bedrag van de verkoopprijs van de auto’s, zonder enige aftrek van kosten. Betrokkene heeft geen boekhouding bijgehouden en over de bedrijfsresultaten geen verifieerbare gegevens verstrekt, zodat hij heeft te aanvaarden dat zijn inkomsten schattenderwijs worden vastgesteld. Deze schatting kan echter niet geschieden zonder enige verdiscontering van kosten, nu aannemelijk is dat er kosten zijn gemaakt, onder meer op het punt van de huur van bedrijfsruimte en de inkoop van onderdelen (2002-12-27 CRvB AF3876 ).

Inkomsten uit hennepkwekerij, inlichtingenplicht, motiveringsplicht
Vaststaat dat betrokkene 36 oogstbare hennepplanten per maand heeft opgekweekt. Bij de berekening van de opbrengst heeft appellant zich uitsluitend gebaseerd op één rapport. Appellant heeft zich echter niet vergewist van de juistheid van dit rapport, terwijl betrokkene de juistheid ervan heeft bestreden. Hieruit volgt dat in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb is gehandeld door appellant. Tevens staat vast dat betrokkene onmiskenbaar activiteiten heeft verricht waarmee een opbrengst kan worden gerealiseerd die een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer. Gedaagde heeft hiervan echter geen mededeling gedaan, zodat hij de op grond van art. 65, eerste lid Abw (tekst tot 1 juli 1997) de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of gedaagde in omstandigheden verkeerde als bedoeld in art. 7 Abw, zodat het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld. De verwijzing naar de toegewezen strafrechtelijke ontnemingsvordering, waaruit zou blijken dat zijn inkomsten onder de bijstandsnorm lagen, kan gedaagde niet baten. Volgens vaste rechtspraak komt aan een strafrechtelijke uitspraak in een bestuursrechtelijke procedure geen beslissende betekenis toe. Daarnaast is door betrokkene het desbetreffende vonnis en arrest niet in geding gebracht, zodat ook niet is kunnen blijken op welke gegevens de vaststelling van het bedrag van de ontnemingsvordering steunt (2002-12-10 CRvB AF3140 ).

Voorwaarden schatting

Het is vaste jurisprudentie dat in het kader van een schatting in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de door het bestuursorgaan aan het Functie Informatie Systeem (FIS) ontleende gegevens. Bedoelde FIS-gegevens worden onder meer verkregen via enquêtes bij werkgevers. De vraag of de daarbij gebruikte functie-enquêteformulieren aan de rechter overgelegd dienen te worden, heeft de Raad bevestigend beantwoord, voor gevallen waarin de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden of de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt. De Raad heeft tevens overwogen dat die formulieren niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb (CRvB 27 november 1998, AA3736 USZ 1998/311, JB 1998/286 en AB 1999, 66; CRvB 27 november 1998, AA8628 RSV-Actueel 98/29).

In een uitspraak van 14 juli 1999, AA8620 (USZ 1999/223 en RSV 1999/240) heeft de Raad beslist dat het moment waarop in het buitenland verblijvenden redelijkerwijs geacht worden kennis te dragen van de aanzegging, in het algemeen gesteld kan worden op uiterlijk zeven dagen na de verzending van de aanzeggingsbrief.

Berekeningsgrondslag volgt fiscale keuze
De Raad kent de vaste jurisprudentie dat de door belanghebbende en de echtgenoot gemaakte fiscale keuze in beginsel doorslaggevend is voor de bepaling van het inkomen (2002-08-28 CRvB AE9435 ).

Verhoging WAO uitkering tot 100%
In de art.13 AAW en 22 WAO is bepaald dat een uitkering verhoogd wordt tot ten hoogste de grondslag respectievelijk 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon, indien de betrokkene verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt.
Ter zake van de uitleg daarvan is door het uitvoeringorgaan beleid vastgesteld waarover de Raad meer dan eens heeft geoordeeld dat het de rechterlijke toetsing kan doorstaan (zie RSV 1995, 154 en RSV 1999, 239). Dat beleid is gebaseerd op indeling in twee categorieën, te weten verhoging tot 85 of 100%.
Onder geregelde verzorging moet ingevolge dat beleid worden verstaan hulp bij alle, althans de meeste (verhoging tot 100%) of een aantal (verhoging tot 85%) van de essentiële en steeds terugkerende dagelijkse levensverrichtingen, zoals onder meer wassen, aan- en uitkleden en toiletgang. De Raad overweegt dat huishoudelijke taken als boodschappen doen, eten koken, (af)wassen, strijken en schoonmaken niet behoren tot bedoelde levensverrichtingen (2002-10-01 CRvB AE0877 ).

Korting AAW-uitkering bij inkomsten niet vaststaande duurzaamheid
Toepassing van art. 33 AAW is aan de orde indien onzekerheid bestaat over zowel de duurzaamheid van de verrichte arbeid, als de duurzaamheid van de omvang van verdiensten uit arbeid. De enkele omstandigheid dat de schattingseis, inhoudende dat sprake is van een bepaalbaar inkomen dat een voldoende mate van representativiteit en duurzaamheid heeft, niet expliciet in art. 5 AAW staat, staat niet in de weg aan korting van inkomsten op basis van art. 33 AAW indien de inkomsten van een zelfstandige nog onvoldoende bepaalbaar zijn.
De wijze van vaststellen van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in art. 33 AAW ligt niet in elk opzicht in dezelfde lijn als die bedoeld in art. 5 AAW. Bij art. 33 AAW is er nimmer sprake van een theoretische schatting, maar gaat het erom dat in verhouding tot de mate van arbeidsongeschiktheid onevenredig hoge inkomsten uit arbeid worden gekort.
In het licht van art. 33 AAW is niet relevant in hoeveel uren per week die inkomsten zijn verworven noch op welke wijze de resterende verdiencapaciteit indertijd is vastgesteld (2002-12-20 CRvB AF4352 ).

Wet Pemba
Op 25 februari 1998 heeft de Raad uitspraak gedaan over het op 1 januari 1998, als onderdeel van de zogenoemde Pembawetgeving, in werking getreden artikel 88h van de WAO, welk artikel onder meer bepaalt dat het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, in afwijking van artikel 8:62 van de Awb, met gesloten deuren plaatsvindt. Deze uitspraak wordt besproken in het jurisprudentieoverzicht internationaal en supranationaal recht.

Anticumulatiebepalingen

In een uitspraak van 15 oktober 1999, AA8661 (USZ 1999/333), heeft de Raad inkomsten uit drugshandel en heling aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van de anticumulatiebepalingen. De vraag of het evenredigheidsbeginsel was geschonden als gevolg van samenloop van de anticumulatie en de ontnemingsmaatregel door de strafrechter werd daarbij ontkennend beantwoord.

Het vrijwel dagelijks omwisselen van zeer omvangrijke bedragen aan buitenlandse valuta voor Nederlands geld werd aangemerkt als het verrichten van arbeid en de aan die arbeid toegerekende beloning werd in de anticumulatie betrokken (CRvB 28 september 1999, AA8773 USZ 1999/312).

Ten aanzien van de reikwijdte van de sedert 1 augustus 1993 geldende anticumulatiebepaling oordeelde de Raad dat die bepaling de beide voorheen geldende anticumulatieregelingen omvat (CRvB 23 december 1998, AA8629 USZ 1999/50 en RSV 1999/83).

Sancties ( zie ook boeten)
Overtreding van een controlevoorschrift in het kader van de AAW en de WAO, dat van vertrek voor langer dan vier weken naar het buitenland tijdig mededeling wordt gedaan aan de uitvoeringsinstelling, was aan de orde in een uitspraak van 2 september 1999, AA8561 (USZ 1999/309). In dat geval had de overtreding geleid tot het treffen van een maatregel op grond van het Maatregelenbesluit Tica. De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan bevoegd was een maatregel op te leggen op het tijdstip dat alle elementen van de omschrijving van de overtreding waren vervuld, te weten op het moment dat een belanghebbende naar het buitenland vertrok met het voornemen daar langer dan vier weken te blijven. De maatregel dient naar het oordeel van de Raad in te gaan op de eerste dag van de overtreding.