Algemene Bijstandswet, ABW, WWB

zie ook voorzieningen

Memorie van Toelichting WWB 288702 (pdf)
Smartegeld en vermogen 3-12-2015 (html)

Detentie .
Eigen bijdragen op grond van de Wet op de Rechtsbijstand - griffierecht.
Horen.
Gezamenlijke huishouding .
Informatieplicht .
Koppelingswet (Stb. 1998, 203) .Kosten van woninginrichting asielzoekers .
Overgangsrecht ABW naar Abw .
Overgangsrecht Wet Boeten .Procesgang.
Smartegeld.
Verordeningen .
Vermogenstoets, schadevergoeding en inkomen.
Ziektekosten, onverzekerde ziekenhuisopnames .
Zorgvuldig bestuur.

 


Detentie

Hoewel detentie geen voorliggende voorziening ten opzichte van de Abw vormt, geeft degene die zich aan een opgelegde detentie onttrekt ook onder de werking van de Abw blijk van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (uitspraken van 16 februari 1999, AA8635 RSV 1999/98, USZ 1999/96, JABW 1999/49 en AA8649 RSV 1999/99, USZ 1999/95 en JABW 1999/50).

Horen

CRvB 18-5-2010 nr. 10/54 wwb =BM6041 onderwerp: geen hoorverplichting bij nieuw primair besluit

Gezamenlijke huishouding

In de Abw is de uitzondering gehandhaafd dat bloedverwanten in de eerste graad die een gezamenlijke huishouding voeren, voor de verlening van bijstand niet als gehuwden worden aangemerkt. In zijn uitspraak van 24 november 1998, AA9003 , RSV 1999/72, AB 1999, 77 en USZ 1999/7, oordeelde de Raad dat het verschil in behandeling dat deze uitzondering teweegbrengt tussen een gezamenlijke huishouding van bloedverwanten in de eerste graad en van bloedverwanten in de tweede graad, in het licht van het verbod van discriminatie gerechtvaardigd is.

CRvB 01-09-2009 nr. 08/1349 = BJ6782 Onderzoek gezamenlijke huishouding

Wat de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 februari 2006 betreft is de Raad van oordeel dat de in het rapport van 14 februari 2006 neergelegde onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante

Informatieplicht


Evenals onder de oude wet is het aantal gevallen waarin door schending van de op de belanghebbende rustende informatieplicht het recht op bijstand of het voortduren van dat recht niet kan worden vastgesteld, onverminderd groot. Onder het oude recht gold reeds dat dit een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand opleverde. Bevestigd is dat deze aan het oude recht ontleende jurisprudentie onder het huidige recht zijn gelding heeft behouden (CRvB 17 maart 1998, AA8623 RSV 1998/188, JABW 1998/88 en USZ 1998/114).

Indien de betrokkene ook na opschorting van een toegekende uitkering in gebreke is gebleven de inlichtingen te verstrekken, was het bijstandsverlenend orgaan op grond van de wet zoals die tot 1 juli 1997 luidde, verplicht om de bijstandsverlening te beëindigen (CRvB 14 juli 1998, AA8691 RSV 1998/254, JABW 1998/147).

tEigen bijdragen op grond van de Wet op de Rechtsbijstand - griffierecht

Volgens een uitspraak van 30 maart 1999 AA8636 (USZ 1999/142, AB 1999, 245, RSV 1999/166 en 196 en JABW 1999/77) moeten de eigen bijdragen op grond van de Wet op de Rechtsbijstand in het geval van een toevoeging gerekend worden te behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan en is er geen plaats voor een categorale beperking tot enige soorten van gerechtelijke procedures.

Tot een zelfde oordeel is de Raad gekomen inzake de kosten van griffierecht (CRvB 23 november 1999, AA8546 USZ 2000/6; RSV 2000/35; JABW 2000/37).

Koppelingswet (Stb. 1998, 203)

De eerste zaken waarin een (voorlopig) oordeel over de toepassing van de Koppelingswet ten aanzien van illegale vreemdelingen moest worden gegeven, betroffen verzoeken om een voorlopige voorziening. Gewezen wordt op de uitspraken van 18 september 1998, AA8520 (RSV 1998/280, USZ 1998/280, JABW 1998/177 en KG 1998/267) en van 28 juni 1999, AA8512 (RSV 1999/236 en JABW 1999/124). Uit laatstgenoemde uitspraak blijkt onder meer dat de overgangsregeling in artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet voor illegale vreemdelingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet bijstand ontvingen geen soelaas biedt, indien niet artikel 25 van de Vreemdelingenwet betreffende vreemdelingen van wie uitzetting om gezondheidsredenen niet verantwoord is, op de betrokkene van toepassing is verklaard.

Kosten van woninginrichting asielzoekers

Het beleid van een gemeente om ten aanzien van asielzoekers wel te voorzien in bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting indien zij vanuit een huisvesting van de Centrale Opvang Asielzoekers in de gemeente waren geplaatst, maar dit niet te doen als een asielzoeker zich om andere redenen in de gemeente vestigde, werd door de Raad bij zijn uitspraak van 28 september 1999 AA8508 (USZ 1999/301; RSV 1999/279; JABW 1999/163) strijdig met de Abw geacht, aangezien artikel 39 een individuele toetsing per geval vergt.

Overgangsrecht ABW naar Abw

In diverse gedingen moest de vraag worden beantwoord of deze naar de regels van de oude Bijstandswet of naar die van de per 1 januari 1996 van kracht geworden wet moesten worden beoordeeld. De hantering van het in de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet neergelegde overgangsrecht bleek niet eenvoudig te zijn en situaties waarin het verkeerde wettelijke regime was toegepast kwamen dan ook met een zekere regelmaat voor. Volstaan wordt met het vermelden van de uitspraken van 7 juli 1998, AA8774 (RSV 1998/252, USZ 1998/218, JABW 1998/145 en 14 juli 1998, AA8680 (RSV 1998/253, JABW 1998/148).

Overgangsrecht Wet Boeten

De Wet Boeten is voor de bijstandswetgeving in werking getreden op 1 juli 1997. De Raad heeft in de loop van 1999 bij uitspraken van 27 juli AA8506 (USZ 1999/276; RSV 1999/255; JABW 1999/132), 31 augustus AA5738 (USZ 1999/279; RSV 1999/256) en 2 november AA8511 JABW 2000/1), bepaald dat uit artikel XVI, eerste lid, van de Wet Boeten voortvloeit dat bij gedragingen dan wel besluiten tot terugvordering/verrekening van te veel betaalde bijstand onderscheid moet worden gemaakt naar de periode(n) waarin die gedraging speelde dan wel waarop de betaling betrekking had:

ligt die periode geheel vóór 1 juli 1997, dan is het oude materiële recht van toepassing;
ligt de periode deels vóór en deels na 1 juli 1997, dan geldt deels oud en deels nieuw recht;
ligt de periode geheel na 1 juli 1997, dan is het nieuwe recht van toepassing.

Hierbij is in aanmerking genomen dat de Raad in hoger beroep exclusief bevoegd is te oordelen over besluiten tot terugvordering/verrekening van te veel betaalde bijstand die op en na 1 juli 1997 zijn genomen.

Een en ander kan meebrengen dat de Raad terugvorderingsbesluiten dient te toetsen aan bepalingen van de oude ABW dan wel de nieuwe Abw die vóór 1 juli 1997 tot het domein van de burgerlijke rechter behoorden. Het spreekt voor zich dat hierbij zoveel mogelijk de door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie wordt gevolgd.

Procesgang

Door de intrekking van artikel 139 van de Abw per 1 juli 1998 is in de verslagperiode een einde gekomen aan de mogelijkheid van rechtstreeks beroep op de Raad voor vreemdelingen voor wie de normale beroepsgang niet openstond. Het effect daarvan werd snel merkbaar in de tweede helft van 1998, omdat deze vreemdelingen nu de gang van bezwaar en beroep moesten gaan volgen en zich met een verzoek om een voorlopige voorziening tot de president van de rechtbank moesten wenden.

Smartegeld

CRvB 5-1-2010 nr. 08/2060 wwb = BL0342 onderwerp: geen Smartegeld voor onrechtmatige besluitvorming.

Vermogenstoets, schadevergoeding en inkomen.

CV: Bij schaderegeling van bijstandstrekkers is het belangrijk de vergoedingselementen apart te vermelden met motivering. Als achteraf pas van bijstand blijkt en de specificatie ontbreekt, dan dient deze aan de hand van het dossier gereconstrueerd te worden opdat de benadeelde daarover de gemeente kan informeren.

Eenmalige uitkeringen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en letselschade-uitkeringen (zie : http://wetten.overheid.nl/BWBR0019237/geldigheidsdatum_09-07-2013) worden vanaf 1-1-2013 in aanmerking genomen in de vermogenstoets voor zover box 3 daardoor verhoogd wordt en de uitkeringen niet voor 11-10-2010 zijn toegekend/vastgesteld. Zijn de uitkeringen eerder vastgesteld, dan wegen die tot 1 januari 2023 niet mee in de vermogenstoetsen bij met name AWBZ en WMO.

Op grond van art. 31 sub M Wet werk en bijstand (WWB) zijn smartegelduitkeringen uit ongeval naar vaste rechtspraak middelen die niet in mindering gebracht kunnen worden op de bijstandsuitkering (vgl. CRvB 20-09-2005, LJN: AU3195, 05-03-2002 AE2699, Rb Groningen 13-08-1999, LJN: AA4021).

Niet alleen smartegeld is vrij, maar ook een vergoeding voor voorzieningen zoals brillen, kronen, hulp in huishouden enz. (vgl. CRvB 20-09-2005, LJN: AU3195, voor hih ook CRvB 4 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY3565).

Rb. Oost-Brabant 29 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:4588 wettelijke rente is inkomsten

CRvB 26-11-2013 ECLI:NL:CRVB:2013:2390, 2394 en 2395 Vermogen of inkomen geen reden WMO-uitkering te weigeren, daarvoor dient de eigen bijdrage

3.1 Gelet op artikel 4, eerste lid, van de Wmo moet vaststaan of iemand beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie. Als iemand beperkingen ondervindt gaat het eerst om de vraag of hij in staat is die beperkingen op te lossen, door zelf een oplossing te organiseren en die oplossing te betalen. De compensatieplicht van appellant komt pas aan de orde als de betrokkene geen in redelijkheid van hem of haar te vergen mogelijkheden heeft om zelf een oplossing te realiseren.
5.6 In aanmerking genomen die effecten en hetgeen daarover in de parlementaire behandeling is overwogen, betekent dit dat er bij het toekennen van individuele voorzieningen, naast of in plaats van de in de artikelen 15 en 19 van de Wmo bedoelde eigenbijdrageregeling, geen ruimte is om anders met het inkomen of vermogen van de aanvrager van een voorziening rekening te houden dan daarin is voorzien, ook niet met een beroep op de zelfredzaamheid van de aanvrager.
5.8 Met appellant is de Raad van oordeel dat aan de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het kader van de Wmo substantieel betekenis toekomt bij de beoordeling van diens zelfredzaamheid. Deze kan echter, gelet op hetgeen onder 5.4 tot en met 5.7 over de betekenis van artikel 4 van de Wmo is overwogen, niet zover gaan, dat een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk aan de aanvrager wordt onthouden op grond van diens inkomen of vermogen. Dit zou leiden tot een doorkruising van de door de wetgever geregelde waarborgen van de artikelen 15 en 19 van de Wmo. Gemeenten zouden daardoor toch een door de wetgever niet gewenst inkomensbeleid kunnen gaan voeren. Bovendien zou de door het college voorgestane toepassing van de Wmo de uitvoering van de anticumulatieregeling (anticumulatie van eigen bijdrage ingevolge de Wmo met de eigen bijdrage ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, CV T.K., 2005-2006, 30 131, nr. 29) frustreren.

CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776 geen recht op voorziening uit WMO als actie uit OD bestaat

Volgens art. 2 WMO moet sprake zijn van een noodzaak tot ondersteuning. De eigen verantwoordelijkheid van burgers speelt een grote rol. Alleen voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen. Het is niet van belang of in de vaststellingsovereenkomst een bedrag voor de lift is begrepen. Betrokkene had immers zelf mogelijkheden in de schaderegeling voor een oplossing te zorgen. Het had op zijn weg gelegen om de kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van zijn woning in het letselschadebedrag te verdisconteren. Dat dit bij de onderhandelingen met de verzekeraar geen onderwerp van gesprek is geweest, omdat appellant een aanvraag voor deze woningaanpassing bij het college had ingediend, maakt dit gezien de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor het naar vermogen zelf regelen van een oplossing voor de noodzakelijke woningaanpassing niet anders.

CRvB 21-5-2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810 de justitiabele kan zelf zorg dragen voor een adequate voorziening

Afwijzing aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de woning in verband met verhuizing van een adequate woning naar een niet adequate woning. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de woonvoorziening als de aanvrager geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In de Wmo speelt de eigen verantwoordelijkheid van burgers immers een grote rol. De Raad baseert zich hiervoor op de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder op de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004-2005, 30 131, nr. 3). Daarin heeft de wetgever onder meer verwoord dat gemeenten kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning van burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren.Voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen. Appellante en haar echtgenoot hadden in de omstandigheden van dit geval mogelijkheden om zelf voor een oplossing te zorgen

CRvB 18 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1309 Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening in natura is, naast de op artikel 15 van de Wmo gebaseerde eigen bijdrage, geen ruimte voor een inkomensgrens.

CRvB 17 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4091 indien smartegeld niet aannemelijk dan geheel middelen.

(vgl Rb. Breda 4 augustus 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3950)

CRvB 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0444 Economische kwetsbaarheid is inkomen

zie ook Rechtbank Breda 20 september 2005 (ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3950

CRvB 13-3-2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BW0444 Slechts een deel van de vergoeding ziet toe op smartegeld

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd onder toevoeging van het volgende. Appellant heeft de inhoud van de brief van AXA van 17 april 2007, inhoudende dat slechts € 22.689,01 van de aan appellant uitgekeerde schadevergoeding betrekking heeft op smartengeld, niet gemotiveerd bestreden. Daarom faalt de klacht dat de gehele schadevergoeding daarop betrekking had.

CRvB 19 december 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BU7263 gebruikelijk zijn van een fiets geen reden tot een eigen bijdrage scootmobiel

Onder verwijzing naar de aangehaalde wetsgeschiedenis is de Raad van oordeel dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om artikel 4 lid 2 Wmo, mede in verband met de inkomenseffecten, te interpreteren in het licht van de artikelen 15 en 19 van de Wmo. Deze interpretatie leidt ertoe dat artikel 4 lid 2 Wmo geen ruimte biedt om naast de op artikel 15 van de Wmo gebaseerde bijdrage extra financiële voorwaarden, zoals een besparingsbijdrage op te leggen bij het verstrekken van een voorziening in natura als de scootmobiel. Dat de besparingsbijdrage zijn grondslag vindt in het algemeen gebruikelijk zijn van het bezit van een fiets, doet daar niet aan af. De uitsluitingsgrond “algemeen gebruikelijk” kan in het kader van de Wmo slechts zien op de in aanmerking komende voorziening zelf en kan, gelet op het voorgaande, geen grondslag bieden voor een bijdrage in verband met een mogelijke besparing van kosten van een andere, wel algemeen gebruikelijke voorziening.

CRvB 17-5-2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5236 terecht een bedrag ter hoogte van 40% van de ontvangen immateriële schadevergoeding als vermogen in aanmerking genomen

Volgens werknemer verzekeraar ziet de immateriële schadevergoeding feitelijk niet op het verlies van arbeidsvermogen, maar is dit gelet op de beoogde finale afronding, voor de volledigheid in de vaststellingsovereenkomst opgenomen. Het bedrag van € 55.000,-- betreft volgens hem uitsluitend smartengeld. De stelling van appellant dat hij vanwege een schulddeling in de letselschadezaak in plaats van een bedrag van € 82.500,-- slechts een vergoeding van € 55.000,-- aan smartengeld vergoed heeft gekregen, en dat hij, wanneer hij wel de volledige smartegeldvergoeding zou hebben ontvangen uiteindelijk ook een groter bedrag had kunnen behouden, brengt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat het College in het kader van de verlening van de bijstand diende uit te gaan van het feitelijk beschikbaar gekomen bedrag. Tussen partijen staat vast dat de slotuitkering smartegeld betrof. Voorts heeft appellant in dit verband gewezen op de ernst van de gevolgen van het hem overkomen ongeval. De Raad ziet daaraan niet voorbij, maar dit kan er volgens vaste rechtspraak in vergelijkbare gevallen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 11 mei 2004, LJN AO9283) niet toe leiden - gelet op het karakter van de Abw als laatste bestaansvoorziening bezien in samenhang met de hoogte van de verkregen schadevergoeding - dat het gehele bedrag bij de vaststelling van de vermogenspositie van appellant buiten beschouwing dient te blijven.

CRvB 22-02-2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BP5677 bijstandsuitkering vermogensgrens intering, schadevergoeding voorlopige hechtenis voor een derde buiten vermogen WWB

Het College heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tweederde deel van de schadevergoeding materieel en immaterieel moet worden aangemerkt als voor de bijstandsverlening relevante middelen
Het College heeft in de snellere dan aanvaardbaar geachte intering door appellant terecht een onverantwoorde wijze van besteding van het vermogen gezien en heeft derhalve terecht geconcludeerd dat sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
CRvB 6-7-1999 ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390 Immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie leidt er toe dat geen recht (meer) bestaat op bijstand.

CRvB 8-2-2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BP4888 ontvangst smartegeld niet aannemelijk gemaakt. Te snel interen op vermogen

4.2.2. In het kader van de onderhavige procedure heeft appellant zijn stelling, dat van de door hem ontvangen schadeloosstelling een bedrag van DM 85.000,-- smartengeld is dat ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder e, van de WWB niet als vermogen moet worden aangemerkt, herhaald. Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling bij zijn aanvraag van 23 februari 2007 niet meer of andere stukken overgelegd dan de stukken die hij voorafgaande aan het besluit van 1 november 2005 heeft overgelegd.

4.2.3. Uit hetgeen onder 4.2.1 en 4.2.2 is aangegeven volgt dat appellant bij zijn herhaalde impliciete aanvraag om van de door hem ontvangen schadeloosstelling een bedrag van DM 85.000,-- niet als vermogen aan te merken, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Hieruit vloeit voort dat het College bevoegd was de aanvraag van appellant van 23 februari 2007 in zoverre met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit van 1 november 2005 af te wijzen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep van appellant treft dan ook in zoverre geen doel.

CRvB 12-5-2009 nr. 07/6304 wwb BI4420 kapitaalsuitkering VAV is inkomsten in verband met arbeid

Aan appellante is uitgekeerde bedrag van € 70.000,-- is begrepen de gekapitaliseerde vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen van € 300,-- per maand gedurende 15 jaar vanaf 1 januari 2006. Deze vergoeding is inkomen in de zin van art 32, eerste lid, aanhef en onder a, WWB. De vergoeding komt naar zijn aard overeen met een periodiek te ontvangen bedrag aan inkomsten in verband met arbeid dat kan worden ingezet voor levensonderhoud, waarop de bijstand slechts behoeft aan te vullen (CRvB 20 september 2005, LJN AU3195).
De omstandigheid dat de vergoeding in het fiscale recht niet als inkomen wordt aangemerkt kan er niet toe leiden dat de betreffende bepalingen van de WWB in dezelfde zin moeten worden uitgelegd.

CRvB 11-11-2008 ECLI:NL:CRVB:2008:BG4110 VAV is inkomen dat in mindering strekt op bijstand vanaf datum ongeval

Een vergoeding in verband met verlies aan verdienvermogen wordt beschouwd als inkomsten in verband met arbeid. Indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, worden de aanspraken ter zake toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval.

CRvB 24 juli 2007, LJN BB0561 en 27 januari 2009, LJN BH2259 terugvordering bruto bij verwijtbaarheid

Indien de gemeente een terugvorderingsrecht toekomt is voor beantwoording van de vraag of de terugvordering bruto of netto dient te geschieden de verwijtbaarheid van de betrokkene bij het ontstaan van de terugvordering van belang (vgl. CRvB 6-10-2009 ECLI:NL:CRVB:2009:BK0414).

CRvB 20-9-05 ECLI:NL:CRVB:2005:AU3195 Smartegeld buiten bijstand, VAV is inkomen

De Raad stelt verder vast dat gedaagde het voor smartengeld en diverse onkosten bestemde bedrag (inclusief voorschotten in totaal € 15.882,31) terecht als niet in aanmerking te nemen middelen buiten beschouwing heeft gelaten.
Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2003, LJN: AF6329) geldt als uitgangspunt dat, indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, de aanspraken ter zake worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval. Dat is slechts anders indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan is de Raad in dit geval niet gebleken.

CRvB 13-09-2005 ECLI:NL:CRVB:2005:AU3208 het vermogen bestond uit smartegeld en saldo boedelverdeling waarop was ingeteerd, beide in gelijke mate waardoor 1/3 smartegeld overbleef


CRvB 31-03-2005 ECLI:NL:CRVB:2005:AT3546 uit belastinggarantie blijkt dat de vergoeding geen smartegeld maar inkomsten betreft.

De Raad stelt vast dat het bedrag van f 10.800,-- dat appellant heeft ontvangen van Interpolis een vergoeding betreft voor door appellant geleden schade in de vorm inkomstenderving.

CRvB 11-05-2004 ECLI:NL:CRVB:2004:AO9283 60% uitkering uit sommenverzekering vrijgelaten geheel is smartegeld

Gedaagde heeft in februari 1999 uit hoofde van een reisverzekering met ongevallendekking de beschikking gekregen over een bedrag van f 116.508,25, zijnde 87% van het maximaal uit te keren bedrag bij blijvende invaliditeit (f 150.000,--) onder aftrek van het eerder verstrekte voorschot ad f 15.000,-- en vermeerderd met rente. Het betreft hier een zogeheten sommenverzekering waarbij geen onderscheid is gemaakt naar de soort van schade. Van de zijde van gedaagde is steeds benadrukt dat het gehele bedrag als een immateriële schadevergoeding moet worden bestempeld. Met appellant ziet de Raad geen aanleiding ter zake een ander standpunt in te nemen nu in de voorhanden zijnde gegevens aanknopingspunten ontbreken dat niettemin een deel van het uitgekeerde bedrag in verifieerbare mate is bestemd voor geleden materiële schade.

CRvB 2-12-2003 ECLI:NL:CRVB:2003:AO1106 1/3 van een sommenverzekering is vrijgelaten

rb uitkering uit sommenverzekering is geheel immateriële schade. De raad ziet geen aanleiding een deel van de vergoeding van f 112500 in aanmerking te nemen als materiële schade. Dit bedrag ontving appellant uit hoofde van een zogeheten sommenverzekering waarbij geen onderscheid is gemaakt naar de soort van schade. Er wordt een bepaalde som geld uitgekeerd indien zich een zekere gebeurtenis heeft voorgedaan. De raad ziet geen aanleiding om onjuist te achten dat de gemeente een derde deel buiten de vrijstelling liet.

CRvB 04-03-2003 AF6329 smartengeld niet in aanmerking voor vermogen,VAV is inkomen vanaf datum ongeval, Pensioen aparte melding

De vergoeding ineens voor verlies aan arbeidsvermogen is niet vrij. Deze valt echter niet aan te merken als vermogen, maar als inkomen dat herleid moet worden naar betrekking hebbend op de dag van het ongeval tot het 60e levensjaar. Dat is alleen dan anders wanneer de vergoeding op een andere periode betrekking heeft. Dat kan het geval zijn als in de uitkering pensioenschade is begrepen of als de uitkering betrekking heeft op toekomstig verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade moet apart vermeld worden; (zie ook CRvB 02-03-2004 ECLI:NL:CRVB:2004:AO4686 en Rb Breda 20 september 2005 ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3950; pensioen apart melden ook CRvB 4 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY3565).

CRvB 16 januari 2001, nr. 99/4815, JABW 2001/41 lijfrente is inkomsten ivm arbeid

Rb Groningen 13-08-1999 ECLI:NL:RBGRO:1999:AA4021 Smartegeld volledig buiten beschouwing , lijfrente geen inkomsten

De lijfrente-uitkeringen zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet op de vorenbedoelde dading en de titel op grond waarvan de lijfrentes zijn gevestigd bezwaarlijk anders te begrijpen dan als uitgestelde betalingen van de eiseres toekomende schadevergoeding en niet -zoals verweerders kennelijk menen- als inkomsten uit voor bijstandsverstrekking relevant vermogen. Reeds meermalen is in de rechtspraak uitgemaakt dat smartengelduitkeringen en schadevergoedingen niet zijn aan te merken als vermogen c.q. inkomsten. Het wezen van smartengeld is immers een geldelijke tegemoetkoming, bedoeld als pleister op de niet te helen wond van geleden smart.

CRvB 27 juli 1999 AA8590 (USZ 1999/255; RSV 1999/253; JABW 1999/134 Vermogen in woonwagen

Artikel 20 van de Abw naar de letter niet van toepassing op in een woonwagen gebonden vermogen. Gelet op de wetsgeschiedenis heeft de Raad evenwel aangenomen dat wel in de rede lag de in genoemd artikel vervatte regeling ook ten aanzien van dat vermogen te laten gelden, al voorziet de Abw niet in een regeling betreffende de bepaling van de waarde van een woonwagen. De Raad heeft deze leemte niet ingevuld, ook al omdat voor een dergelijke regeling meerdere keuzes denkbaar zijn. Dit, zo oordeelde de Raad, ligt op de weg van de wetgever.

Verordeningen

De Abw wordt gedecentraliseerd uitgevoerd. In dit perspectief is in artikel 38 van de Abw aan de gemeentebesturen de taak opgelegd bij verordening vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verlaging of verhoging wordt bepaald. Enige verordeningen hebben in de verslagjaren de aandacht van de Raad gevraagd. In een aantal uitspraken, waaronder de uitspraak van 2 maart 1999, AA8683 (USZ 1999/120, RSV 1999/161, JABW 1999/69 en AB 1999, 262), heeft de Raad geoordeeld dat een betrokkene uit de verordening concreet moet kunnen aflezen welke verhoging of verlaging in zijn situatie geldt. In de berechte gevallen werd aan dit vereiste niet voldaan.

Ziektekosten, onverzekerde ziekenhuisopnames

In de verslagjaren is een aantal gedingen behandeld, daterend van vóór de inwerkingtreding van de Koppelingswet, waarin het kernprobleem was dat een niet legaal in Nederland verblijvende vreemdeling acuut in een ziekenhuis moest worden opgenomen waarbij bleek dat hij niet voor ziektekosten was verzekerd. Al in een uitspraak van 30 maart 1999, AA8642 gepubliceerd in JABW 1999/78, werd geoordeeld dat het niet afsluiten van een ziektekostenverzekering bij aankomst hier te lande wijst op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; in niet één van de berechte gevallen werd in het voordeel van de rechtzoekende beslist. Inmiddels is dit een grootschalig probleem waaraan door enige ziekenhuizen in de media ruime bekendheid is gegeven.

Zorgvuldig bestuur

CRvB 27-7-2010 nr. 08/5636 wwb BN3309 onderzoek naar eigendom woning in Spanje 1,5 jaar na anonieme tip geen strijd met zorgvuldig bestuur