Definities

zie ook fictief weigeringsbesluit, schadebesluit en terugvordering

Aanvraag.
Belanghebbende.
Besluit.
Bestuursorgaan.

 

Aanvraag
Art. 1:3 AWB

Verzoek om informatie is geen aanvraag
Een verzoek om inlichtingen kan niet gezien worden als een aanvraag in de zin van de AWB, ook niet als door een trage reactie van het bestuursorgaan de termijn voor het indienen van een aanvraag is ingediend, waarbij vann belang is dat geen direct nadeel voor de aanvrager is ontstaan (2002-10-03 CRvB AF0574).

Verzoek om beoordeling is aanvraag
Volgens de president dient het verzoek om beoordeling van het schetsplan, zowel gelet op de bedoeling van verz. als op de feitelijke inhoud, beschouwd te worden als een aanvraag om bouwvergunning: `De beslissing of er sprake is van een aanvraag kan immers niet afhankelijk zijn van een door het bestuursorgaan al dan niet toe te passen conversie als in bovengenoemde verklaring bij het verzoek bedoeld. (Pres. Rb. Zutphen 14 nov. 1995 JB 1995, 322, vgl. Rb. Middelburg 30 nov. 1994 NA 1995, 5: Het op 30 sept. 1993 bij verw. ingekomen verzoek voor het bouwen van een woning, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een aanvraag om bouwvergunning, nu niet is gebleken van ten minste een concreet bouwplan - dat wil zeggen een bouwtekening - en ook overigens geen gegevens zijn overgelegd waaruit de bedoelingen van eiser nader blijken.; zie ook ABRS 31 maart 1995 JB 1995, 126; ABRS 26 maart 1998 NJB p. 999, nr. 31; Pres. Rb. Arnhem 10 jan. 1995, Awb-katern 86; naschrift bij ABRS 28 dec. 1995, Gst. 7062, 7).

 

Belanghebbende

Art. 1:2 AWB
Vanaf 1 januari 1998 bepaalt art. 1:2 van de AWB dat belanghebbende degene is wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In de AROB jurisprudentie zijn criteria ontwikkeld die in het AWB-tijdperk nog van belang zijn:
- Een belang moet objectief bepaalbaar zijn (geen subjectief gevoel) en voldoende actueel (geen mogelijk belang in de toekomst).
- Het moet gaan om een eigen belang (niet andermans belang) en een persoonlijk belang (geen algemeen belang).
- Als een belang kan worden aangewezen, moet ook worden vastgesteld of dit belang rechtstreeks bij het genomen besluit betrokken is, met andere woorden: of er een causaal verband is tussen het besluit en het betrokken belang.
- Van een rechtstreeks bij een besluit betrokken belang is geen sprake als zich tussen het besluit en het (geschade) belang een contractuele relatie bevindt. Als een derde in een contractuele relatie tot de geadresseerde van het besluit staat, is dit een indicatie dat slechts een afgeleid belang bestaat.
- Niet is van belang vanuit welk belang iemand bezwaar maakt of beroep instelt.


Rb Overijssel 28-10-2015 ECLI:NL:RBOVE:2015:4792 Slachtoffers evenement Haaksbergen zijn belanghebbende wegens bijzondere omstandigheden

Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt dient een persoon een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. De rechtbank is van oordeel dat eisers ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt. Hun situatie onderscheidde zich op dat moment immers niet voldoende van die van vele andere inwoners van Haaksbergen. De tekst van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat er niet aan in de weg dat belanghebbendheid in de zin van deze bepaling ook binnen de voor het maken van bezwaar bedoelde termijn van zes weken na bekendmaking van het primaire besluit kan ontstaan en wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 1996 (R03.92.5785; JB 1997/23), waarin geoordeeld is dat niet vereist is dat belanghebbendheid reeds bestaat ten tijde van het nemen van het besluit waartegen men opkomt. Ook dan is vereist dat iemand door het besluit als zodanig rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. De omstandigheid dat iemand bezoeker was van het evenement is onvoldoende om hem als belanghebbende aan te kunnen merken. Er is sprake van (zeer) bijzondere omstandigheden, die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden in de zaak ABRS d.d. 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4117), die er toe leiden dat de rechtbank in dit geval toch de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te beoordelen. Er is bij meerdere personen sprake is van ernstig letsel ten gevolge van het ongeval. Voor de slachtoffers van het ongeval zijn fundamentele rechten, zoals het recht op leven en het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, in het geding. Verder vereist het belang van de veiligheid van bezoekers van evenementen zoals ‘Auto- en motorsportief’ dat op effectieve wijze moet kunnen worden getoetst of verweerder met het belang van de veiligheid voldoende rekening heeft gehouden.

CRvB 03-03-2004 AO6487 Overheidswerkgever belanghebbende bij WW-uitkering

Uit art. 97b.1 aanhef en onder a WW vloeit rechtstreeks voort dat de kosten van de aan de gedaagde overheidswerknemer toegekende WW-uitkering op de werkgever worden verhaald. Er bestaat derhalve een direct verband tussen de toekenning van de WW-uitkering aan gedaagde en het verhaal van de uit die toekenning voortvloeiende kosten op de werkgever.
De Raad deelt, gelet op het voorgaande, het standpunt van appellant dat de werkgever moet worden geacht een voldoende actueel en concreet belang te hebben bij het besluit tot de toekenning van een WW-uitkering aan gedaagde, welke toekenning immers de financiële positie van de werkgever rechtstreeks beïnvloedt. Voorts meent de Raad dat de omstandigheid dat het verhaal op de werkgever door middel van een afzonderlijk besluit van appellant geschiedt, niet dient te leiden tot het oordeel dat van een afgeleid belang moet worden gesproken, aangezien in het kader van het verhaalsbesluit een rechtens vaststaand toekenningsbesluit als gegeven geldt en een bedrag ter hoogte van de toegekende uitkering op de werkgever wordt verhaald. Voorts wijst de raad op het bepaalde in art. 129b WW, waaruit voortvloeit dat een werkgever de grief dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld dient in te brengen in het kader van een door hem aangewend rechtsmiddel tegen het besluit waarbij aan diens werknemer een uitkering wordt toegekend.

CRvB 13-02-2002 AD9985 Werkgever die bezwaar maakt is belanghebbende

De werkgever heeft een rechtstreeks belang bij een uitkeringsbesluit uit de WAO, omdat hij in het kader van de premiedifferentiatie in een publiekrechtelijke verhouding tot de UWV staat met betrekking tot de premiehoogte (CRvB 13-02-2002 AD9985 noot bevestiging in AF1606).
In zijn uitspraak van 12 februari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/82 en USZ 2001/91, en zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 01/200 en JB 01/223, heeft de CRvB als zijn oordeel te kennen gegeven dat een werkgever als belanghebbende dient te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO, alsmede dat de hoedanigheid van belanghebbende niet afhankelijk is van de aard van het bestreden besluit, te weten een toekennings-, herzienings- of intrekkingsbesluit.
Als een werkgever bezwaar maakt, dan wel beroep instelt tegen een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO, gelet op diens hoedanigheid van werkgever, dient de aanwezigheid van een voldoende actueel, concreet en rechtstreeks belang bij dat besluit te worden verondersteld (bevestiging in AF1606).

ABRS 18-5-1998, No H01.98.0893 Belanghebbende appartementsrecht Anema / Utrecht

Een lid van de vereniging van eigenaren is met betrekking tot een dwangaan­schrijving van de gemeente aan de vereniging als belanghebbende aan te merken omdat hij een zakelijk recht heeft op de woningen waarop de aan­schrijving ziet.
Rb. 's-Gravenhage 28 april 1997 JB 1997, 142
In het algemeen geldt bij subsidiebesluiten dat alleen degene aan wie subsidie wordt verstrekt of wordt geweigerd belanghebbende bij dat besluit is. De Rb. is van oordeel dat in het onderhavige geval een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt waarbij zij met name belang hecht aan het feit dat het hier niet gaat om een toekenning (vooraf) van subsidie gaat, maar om een vaststelling (achteraf) daarvan, waarbij de exploitatierekening van eiseres rechtstreeks bepalend is voor de hoogte van de subsidie, terwijl de subsidiegerechtigde geen enkele invloed heeft of heeft gehad op de exploitatie en enkel is opgetreden als "doorgeefluik" voor de subsidie. (vgl. ABRS 30 augustus 1996 AB 1997, 42 en CBB 7 mei 1996 RAWB 1996, 103)

Jobcoach geen belanghebbende
Indien tussen de derde en het betrokken bestuursorgaan een publiekrechtelijke rechtsbetrekking bestaat dient snel aangenomen te worden dat de derde een belanghebbende is.
Omdat de belangen van de jobcoach zijn ingebed in de tussen de belanghebbende en gedaagde bestaande rechtsbetrekking is de jobcoach niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit (CRvB 23-01-2002-01-23 AD9259 ).

Rechtsovergang

HR 7 oktober 1994 RvdW 1994, 200 Overgang van belang op een ander maakt de ander in beginsel belanghebbende

Indien een procespartij hangende de instantie ophoudt te bestaan en door een ander onder algemene titel wordt opgevolgd, zet deze rechtsopvolger de instantie als procespartij op eigen naam voort, zonder dat is vereist dat de oorspronkelijke procespartij nog als zodanig aan de rechtsstrijd deelneemt.
ABRS 27 augustus 1996 (Gst. 7057, nr. 7)
Naar het oordeel van de Afdeling kan in beginsel worden aanvaard dat in geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel, ook de hoedanigheid van aanlegger in een geschil wordt overgedragen. Het kunnen voortzetten van de procedure is in een dergelijk geval noodzakelijk om te voorkomen dat het belang t.b.w. de procedure is gestart onverkort blijft bestaan, maar door verlies van procesbelang bij de oorspronkelijke aanlegger verlies van rechtsbescherming optreedt. Daarvoor is echter allereerst van belang dat de hoedanigheid van rechtstreeks belanghebbende wordt overgedragen.
ABRS 7juli 1997(BR 1998, p. 122)
Appellant is eerst na afloop van de termijn voor het indienen van bezwaren bij de gemeenteraad eigenaar geworden van een perceel . De toenmalige eigenaar heeft evenwel tijdig bezwaren ingediend bij de gemeenteraad. De Afd. overweegt dat een redelijke toepassing van de hiervoor aangehaalde artikelen [art. 36 WRvSt; art. 26, 7, 8 WRO] met zich meebrengt dat het belang in de onderhavige procedure op de huidige eigenaar is overgegaan.

Nevenrechten onrechtmatige daad cessie relativiteit belanghebbende
In geval van overgang van een vordering door levering, cessie of anderszins gaan de bij de vordering behorende nevenrechten van rechtswege over op de verkrijger van de vordering. Een vordering uit onrechtmatige daad is geen nevenrecht. De verkrijger is geen belanghebbende bij de WIR-premies. Dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende impliceert geen onrechtmatigheid jegens de rechtverkrijgende (HR 12-11-1999, RvdW 1999, 170 C).

Moment verkrijging belang
Krijgt men een zelfstandig belang na de bezwaarperiode, dan voldoet men niet aan het begrip begrip belanghebbende in de zin van de AWB, daarvoor wel (ABRS 24 mei 1996 ABkort 1996, 501; ABRS 16 december 1996, JB 1997, 23)

Besluit

Art. 1:3 AWB (vgl. Negatieve lijst)


Rb Den Haag 23-08-2013 ECLI:NL:RBDHA:2013:10784 Salarisstrook is besluit

Volgens vaste jurisprudentie kan tegen de salarisspecificatie binnen de bezwaartermijn van zes weken na bekendmaking bezwaar worden gemaakt.
Ingevolge artikel 2:17, eerste lid, van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde. Naar het oordeel van de rechtbank is P-direkt een systeem voor gegevensverwerking waarvan verweerder en eiser worden geacht gebruik te maken. Niet in geschil is dat het bericht betreffende de salarisspecificatie op 24 januari 2013 toegankelijk is geworden voor eiser en de termijn voor het maken van bezwaar daarna aanving.

CRvB 23 januari 1998, AA8779 Rechtshandeling ook zonder wijziging rechtspositie

Een besluit moet een rechtshandeling betreffen en op rechtsgevolg toezien (CBB 7 juli 1994 AB 1995, 79 noot). Daarvoor is niet nodig dat de rechtspositie zelf van de belanghebbende zich wijzigt (). Het verdraagt zich niet met het stelsel van rechtsbescherming dat in de artikelen 1:3, 6:2 en 8:1 van de AWB is neergelegd, dat met betrekking tot een dergelijke hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de belanghebbende de toegang tot de bestuursrechter wordt ontzegd (zie ook CRvB 1 september 1999, AA8569 de mededeling van de omzetting van een uitkering ingevolge de AWW in een uitkering ingevolge de ANW is een besluit van intrekking van een AWW pensioen en toekenning van een ANW pensioen (zie ook CRvB 21 april 1999, AA8778; CRvB 5 oktober 1999, AA8510).

ABRvS 30 januari 2008, JB2008, 57 rechtsgevolg

Een beslissing heeft rechtsgevolg, indien deze erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te
doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen’.

CRvB 15 april 1999, AA8672 Onbevoegd genomen besluit is een besluit

ABRS 16 december 1997 AB 1998, 87 rechtsgevolg bevoegd gezag

De Afdeling stelt voorop dat de vraag of met een handeling een rechtsgevolg is beoogd, dient te worden onderscheiden van de vraag of het bestuursorgaan dat de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht, daartoe bevoegd was. De bewoordingen van de brief van 12 juni 1996 rechtvaardigen de conclusie dat de Commissaris van Politie - hoewel daartoe niet bevoegd - heeft beoogd de illegale situatie in de collectieve ruimte via de bestuursrechtelijke weg te (doen) beëindigen. Mede in aanmerking genomen dat de Commissaris van Politie heeft beoogd een publiekrechtelijke bevoegdheid uit te oefenen als ware hij bestuursorgaan, moet deze brief mitsdien worden aangemerkt als een besluit, waartegen op grond van de AWB bezwaar kan worden gemaakt.

ABRS 29 november 1996 JB 1996, 253
Anders dan de Afdeling in haar uitspraak van 9 mei 1996 lest. 7047, nr. 8, AB 1997, 671 heeft overwogen, moet een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verz. gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in art. 1:3 eerste lid AWB, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien echter, zoals hier, aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoerig van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is er geen sprake van een besluit.

CBB 7 juli 1994 AB 1995, 79:
Een besluit is gericht op een bepaald rechtsgevolg indien dat beoogde rechtsgevolg door het objectieve recht wordt toegekend aan het nemen van dat besluit zelf.

Pres. Rb. Haarlem 8 november 1994 AWB-katern 1995,19
Onder het begrip rechtshandeling moet worden verstaan het gericht zijn op rechtsgevolg. Kenmerkend voor de rechtshandeling is dat het gaat om een handelen waarmee rechtsgevolg is beoogd.

Pres. Rb. Zwolle 13 december 1994 Gst. 7006
Er dient sprake te zijn van een op rechtsgevolg gerichte handeling. Van rechtsgevolg is o.m. sprake wanneer het bestaan van zekere rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.

CRvB 3 juli 1997 AB 1997, 346
Gezien de strekking van het verzoek van eiser is de schriftelijke mededeling van verweerder, dat, op grond van het te dien tijde vigerend recht, het verzoek van eiser niet kan worden ingewilligd, niet op rechtsgevolg gericht, zodat die schriftelijke mededeling niet een besluit is in de zin van art. 1:3 AWB.

Rb. Breda 12 juli 1996 AWB-katern 1996, 117
Niet relevant [is] of sprake is van een tijdelijk dan wel permanent rechtsgevolg.

Pres. Rb. Haarlem 21 maart 1994 AWB-katern 1995, 23; AB 1995, 140
Indien geen rechtsgevolg is beoogd, doch slechts een feitelijk gevolg, dan betreft het een feitelijk handelen en is er geen sprake van een besluit in de zin van de AWB. Het afsluiten van een straat in verband met onderhoudswerkzaamheden moet worden aangemerkt als een feitelijk handelen zodat geen beroep open staat.

CRvB 13 april 1999, AA8805: Niet verlenging aanstelling is besluit
De beslissing van een bestuursorgaan om de aanstelling van een voor bepaalde tijd benoemde ambtenaar niet te verlengen dan wel niet om te zetten in een vaste aanstelling is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de AWB. 

CRvB 16 april 1999, AA3647: Nadere vaststelling van aanspraken is besluit
Een in het kader van de uitvoering van een uitspraak van de bestuursrechter totstandgekomen nadere vaststelling van de omvang van ingevolge die uitspraak aan belanghebbende toekomende aanspraken is een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[6] Pres. Rb. 's-Gravenhage 10 mei 1996 QB 1996/206
Onder een publiekrechtelijke rechtsbetrekking dient in dit kader te worden verstaan een rechtsbetrekking die in overwegende mate wordt bepaald door een aan het bestuursorgaan toegekende bestuursbevoegdheid. Juist een bestuursbevoegdheid veroorzaakt immers een mate van "verticaliteit" in de verhouding tussen bestuur en bestuurde, die aanleiding is het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming toepasselijk te achten.

CBB 7juli 1994 AB 1995, 79:
Een besluit is gericht op een bepaald rechtsgevolg indien dat beoogde rechtsgevolg door het objectieve recht wordt toegekend aan het nemen van dat besluit zelf.

Pres. Rb. Haarlem 8 november 1994 AWB-katern 1995,19
Onder het begrip rechtshandeling moet worden verstaan het gericht zijn op rechtsgevolg. Kenmerkend voor de rechtshandeling is dat het gaat om een handelen waarmee rechtsgevolg is beoogd.

Pres. Rb. Zwolle 13 december 1994 Gst. 7006
Er dient sprake te zijn van een op rechtsgevolg gerichte handeling. Van rechtsgevolg is o.m. sprake wanneer het bestaan van zekere rechten, verplichtingen of bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.

CRvB 3 juli 1997 AB 1997, 346
Gezien de strekking van het verzoek van eiser is de schriftelijke mededeling van verweerder, dat, op grond van het te dien tijde vigerend recht, het verzoek van eiser niet kan worden ingewilligd, niet op rechtsgevolg gericht, zodat die schriftelijke mededeling niet een besluit is in de zin van art. 1:3 AWB.

Rb. Breda 12 juli 1996 AWB-katern 1996, 117
Niet relevant [is] of sprake is van een tijdelijk dan wel permanent rechtsgevolg.

Pres. Rb. Haarlem 21 maart 1994 AWB-katern 1995, 23; AB 1995, 140
Indien geen rechtsgevolg is beoogd, doch slechts een feitelijk gevolg, dan betreft het een feitelijk handelen en is er geen sprake van een besluit in de zin van de AWB. Het afsluiten van een straat in verband met onderhoudswerkzaamheden moet worden aangemerkt als een feitelijk handelen zodat geen beroep open staat.

CRvB 13 april 1999, AA8805: Niet verlenging aanstelling is besluit
De beslissing van een bestuursorgaan om de aanstelling van een voor bepaalde tijd benoemde ambtenaar niet te verlengen dan wel niet om te zetten in een vaste aanstelling is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de AWB. 

CRvB 16 april 1999, AA3647: Nadere vaststelling van aanspraken is besluit
Een in het kader van de uitvoering van een uitspraak van de bestuursrechter totstandgekomen nadere vaststelling van de omvang van ingevolge die uitspraak aan belanghebbende toekomende aanspraken is een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Pres. Rb. 's-Gravenhage 10 mei 1996 QB 1996/206
Onder een publiekrechtelijke rechtsbetrekking dient in dit kader te worden verstaan een rechtsbetrekking die in overwegende mate wordt bepaald door een aan het bestuursorgaan toegekende bestuursbevoegdheid. Juist een bestuursbevoegdheid veroorzaakt immers een mate van "verticaliteit" in de verhouding tussen bestuur en bestuurde, die aanleiding is het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming toepasselijk te achten.

ABRS 8 febr. 1995 R01.92.2910, niet gepubliceerd
Een geschrift waarin de motivering van het oude besluit wordt aangevuld, verbeterd of verduidelijkt, maar dat aan de essentie (van de gronden) van het oude besluit niet afdoet, voldoet niet aan de definitie van het besluit-begrip.

CRvB 23 januari 1998, AA8779 Mededeling zonder wijziging rechtspositie is besluit

De schriftelijke mededeling over herbeoordeling, waarmee betrokkene in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld, en het resultaat daarvan dient als een besluit te worden aangemerkt. (vgl. CRvB 21 april 1999 AA8778; CRvB 5 oktober 1999 AA8510).

Rechtshandeling feitelijk handelen rechtsgevolg voornemen
Met het vastgestelde bekenherstelplan geeft het waterschap te kennen te streven naar herstelling van het bekensysteem. Het waterschap beoogt met het plan geen verandering te brengen in rechten en verplichtingen tussen eiseres en verweerder noch om het plan of onderdelen daarvan bindend te laten zijn. Het is derhalve niet gericht op enig rechtsgevolg. Een besluit heeft rechtsgevolg als daardoor een recht of een plicht dan wel bevoegdheid of status ontstaat (Rb Almelo 15-1-1996 AB 1996, 220).

Besluit publiekrechtelijk rechtshandeling
Een rechtshandeling is publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gebruikt (Rb Haarlem 08-11-1994 pres. Awb-Katern 1995, 19).

Huur of publiekrechtelijk marktgeld
De uitgifte aan elk van de kooplieden van een vishuisje vindt haar grondslag in de marktgeldverordening. Dat voor het gebruik van de vishuisjes marktgeld wordt geheven conform het bij die verordening gestelde tarief, waardoor sprake is van publiekrechtelijke uitgifte tot gebruik van de vishuisjes en niet van huur.
Daaraan doet niet af dat de kooplieden aldus niet kunnen profiteren van het dwingendrechtelijke regime van de art. 7A:1624 e.v. BW, dat de rechtsverhouding tussen partijen zou hebben beheerst ingeval de gemeente de vishuisjes aan de kooplieden zou hebben verhuurd. Het stond in casu de gemeente als openbaar lichaam vrij om, in het kader van de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak op het gebied van het marktwezen, bij het aan kooplieden op de markt in gebruik geven van de vishuisjes te handelen op de voet van het op dat gebied geldende publiekrechtelijke regime (HR 31-01-1997 NJ 1998, 545 ).

Bestuurlijke hoedanigheid
Het bestuursorgaan moet in de hoedanigheid van bestuursorgaan een besluit nemen. Als deze zich niet onderscheidt van een privaatrechtelijke rechtspersoon zoals bij een vordering uit onverschuldigde betaling, is het besluit daartoe geen besluit in de zin van de AWB (CRvB 10 maart 1999, AA8752[6]).

Mededeling geen besluit
Een latere motivering van een besluit ziet niet op rechtsgevolg toe (ABRS 8 febr. 1995 R01.92.2910, niet gepubliceerd
[7]).

Onbevoegd genomen besluit is besluit
Tegen een onbevoegd genomen besluit bestaat de rechtsbescherming van de AWB eveneens (ABRS 16 december 1997 AB 1998, 87[8] vgl. ABRS 29 november 1996 JB 1996, 253[9])

Voorbereidingsbesluit
Besluiten zijn in beginsel vatbaar voor beroep. Een uitzonderingen bestaat bijvoorbeeld in art. 6:3 van de AWB voor een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit (tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft (CRvB 12 mei 1999, AA8541[10], vgl. 8:3 AWB). Ook is geen beroep mogelijk tegen het besluit om een privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten (art. 8:3 AWB, ABRS 21 oktober 1996 JB 1996, 232[11]).

ABRS 18 april 1996 NJB 1996, p. 854, nr. 29 Voorbereidingsbesluit

Weigering B&W voorstel te doen aan de raad tot het nemen van een voorbereidingsbesluit in de zin van art. 19 WRO is geen besluit in de zin van art. 1:3 AWB: Weliswaar staat het B&W vrij de gemeenteraad zodanig voorstel te doen, doch de gemeenteraad is bevoegd tot het nemen van een voorbereidingsbesluit ook zonder dat een dergelijk voorstel is gedaan. Zo een voorstel houdt in dit licht evenmin als de weigering daartoe een publiekrechtelijke rechtshandeling in.


ABRS 17juli 1995 ABkort 1995, 732 WRO Voorbereidingsbesluit

Verweerders hebben verzocht het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan te schorsen. De Vz. overweegt dat het besluit tot afwijking van het streekplan dient te worden beschouwd als een voorbereidingsbeslissing die niet gericht is op een op zich zelf staand rechtsgevolg, los van het rechtsgevolg van het besluit dat het beoogd mogelijk te maken. De bezwaren tegen dit afwijkingsbesluit komen in het kader van de beoordeling van de beslissing over de goedkeuring van het bestemmingsplan aan de orde.

ABRS 14 april 1997 JB 1997, 133 Voorbereidingsbesluit

De Afdeling is met verweerder van oordeel dat de primaire beslissing het karakter draagt van een voornemen, waardoor van een afronding van het besluitvormingsproces geen sprake kan zijn. Uit de beslissing volgt niet dat inderdaad bezuinigd zal worden en in welke omvang. primaire beslissing niet kan worden beschouwd als een besluit gericht op enig rechtsgevolg.

De beslissing tot terugvordering van degene die onbevoegd de uitkering incasseert is geen besluit
Om een betalingsbeslissing als een besluit in de zin van de AWB te kunnen aanmerken moet voldaan zijn aan het vereiste dat er een door het bestuursrecht beheerste verhouding bestaat tussen de betrokken persoon en het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan, had door toedoen van de betrokkene onbekend met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, de uitbetaling van de WAO-uitkering voortgezet. Betrokkene, geen erfgename, had met gebruikmaking van de bankpas en bijbehorende pincode van de overledene bedragen van diens rekening opgenomen. De beslissing tot terugvordering werd vanwege het ontbreken van een door het bestuursrecht beheerste verhouding niet als een besluit in de zin van de AWB aangemerkt (CRvB 10 maart 1999, AA8752).

ABRS 21 oktober 1996 JB 1996/232, m.nt. dzz.; RAWB 1997, nr. 3 bevoegdheid terugvordering

Aan de artikelen 8:1, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a, 8:3 en 8:6 van de AWB ligt blijkens de wetsgeschiedenis een streven van de wetgever ten grondslag naar een in de rechtspraktijk goed hanteerbare afbakening van bevoegdheden tot beoordeling van besluiten tussen de algemene bestuursrechter, de bijzondere bestuursrechters en de burgerlijke rechter. Blijkens met name de tekst en de geschiedenis van artikel 8:3 van de AWB beoogde de wetgever in het bijzonder zoveel mogelijk te voorkomen dat binnen een samenhangende reeks van uit elkaar voortvloeiende bestuursbeslissingen een cesuur zou moeten worden aangebracht wat betreft de rechter die bevoegd is tot toetsing van de onderscheiden beslissingen. Naar het oordeel van de Afdeling past het in dit door de wetgever gekozen stelsel, de algemene dan wel de bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen terugvorderingsbesluiten, indien dergelijke besluiten voortvloeien uit een besluit inzake een bestuursrechtelijke toekenning ter zake waarvan die rechter bevoegd is (ABRS 29 november 1996 RAWB 1997, 3; ABRS 18 febr. 1997 RAWB 1997,68)


ABRS 6 mei 1997 JB 1997, 118 bevoegdheid terugvordering

Naar het oordeel van de Afd. past het in dit AWB-stelsel de algemene dan wel bijzondere bestuursrechter slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Een wettelijke belemmering in de bevoegdheid van de bestuursrechter kennis te nemen van een beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid werkt aldus door in zijn bevoegdheid kennis te nemen van een beroep tegen een naar aanleiding van die bevoegdheidsuitoefening genomen schadebesluit
ABRS 15 januari 1998 (JB 1998, 36 niet-handhaven niet vervat in besluit
ABRS 15 januari 1998 (JB 1998, 51 niet-handhaven vervat in gedoogbesluit; bestuursrechter ontvankelijk.


CRvB 14 april 1999 AA6172 Verklaring verzekeringsgeneeskundige is geen besluit

De verklaring van de verzekeringsarts over ongeschiktheid als bedoeld in artikel 56a van de OSV, wordt niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de AWB aangemerkt. Deze verklaring brengt immers geen publiekrechtelijke rechtsgevolgen in de verhouding tussen betrokkene en bestuursorgaan mee, maar is een vereiste in het kader van de civielrechtelijke loonvorderingsprocedure tussen betrokkene en zijn werkgever. De juistheid van een dergelijke verklaring kan uitsluitend in die procedure bestreden worden.

Eis schriftelijk besluit
Een besluit moet schriftelijk worden genomen, maar het onwil om een besluit te nemen ter vermijding van bezwaar door een besluit mondeling te nemen vereist juist wel de rechtsbescherming van de AWB (ABRS 17 juli 1997 JB 1997, 213[13]).

Appellabel besluit rechtsmacht bevoegdheid
Als de wet geen mogelijkheid vermeldt van een voor beroep vatbare beslissing ter zake een bepaald onderwerp, dan is de administratieve rechter ook niet bevoegd (CRvB div data RSV 1986, 31, RSV 1989, 31, RSV 1989, 109).
De Raad gaat om op 9-6-1992, RSV 1993, 175
Het ontbreken van de vermelding van de mogelijkheid van een voor beroep vatbare beschikking betekent op zichzelf nog niet dat binnen ons stelsel van rechtsbescherming met betrekking tot deze beslissing geen beroep mogelijk is op een onafhankelijke rechter. In ieder geval is er de mogelijkheid van een beroep op de burgerlijke rechter. De onderhavige beslissing houdt echter zo nauw verband met beslissingen ter zake van aanspraken waarvoor wel beroep mogelijk is, dat de administratieve rechter ook met betrekking tot een zodanige beslissing moet worden gezien als de meest aangewezen rechter om in bedoelde rechtsbescherming te voorzien.
In CRvB 4-6-1996, AB 1996, 429 houdt de Raad de redenering van 9-6-1992 aan. Een verwijzing wordt toegevoegd naar de AWB, dat kennelijk analogische toepassing vond. De AWB kent inderdaad een materieel besluitbegrip in art. 1:3, dat inhoudt dat steeds administratieve rechtsbescherming openstaat tegen een besluit ongeacht de inhoud en wettelijke basis daarvan.
Zie ook AB 96, 424.

Appellabel nietig besluit
Een van rechtswege nietige beslissing is niettemin een voor beroep vatbare beslissing, omdat het gericht is op rechtsgevolg, al bewerkstelligt het dat niet (ABRS 7-2-1997 AB 1997, 154.)

ABRS 17 juli 1997 JB 1997, 213; RAWB 1997, 167 Een niet-schriftelijke beslissing tot uitoefening van bestuursdwang, is geen besluit.


Rb. 's-Gravenhage 13 maart 1996 JB 1996, 113 Stempelafdruk AFGEKEURD op vee als besluit aangemerkt

Pres. Rb. Maastricht 8 december 1995 NA 1996, 243 Telefonische mededeling wethouder dat wederom bestuursdwang zal worden toegepast is een besluit;

bestuursrechter bij uitstek geroepen rechtsbescherming te bieden.

Termijnoverschrijding beroep informatie status besluit
Het had op de weg van appellant gelegen inlichtingen in te winnen over de status van het genomen besluit. Appellant is op 7-6-1994 medegedeeld dat het op 11-4-1994 verzonden besluit moest worden aangemerkt als een definitief besluit. Het bepaalde in art. 6:11 AWB brengt niet met zich mee dat op dat moment wederom een termijn van 6 weken voor bezwaar in het leven geroepen wordt. Van appellant mag worden verlangd dat alsdan bezwaar wordt gemaakt zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Door nog 4 weken te wachten na mededeling van de status van het besluit is de termijn niet verschoonbaar overschreden. (ABrS 16-6-1995, AB 95, 507. Zie ook commentaar op art. 6:12 AWB en in bijzonder de toelichting op de nota van wijziging kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 6, p 7 jur 46. Van verzuim is onder meer dan sprake indien de indiener na het wegvallen van de omstandigheid die een tijdig bezwaar of beroep verhindert te lang talmt met het alsnog maken van bezwaar of het instellen van beroep).

Overheid appellabel schadebesluit feitelijk handelen
Het niet handhaven van het bepaalde bij de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren is niet vervat in een besluit op grond van art. 1:3 AWB. Tegen dit feitelijk handelen / nalaten kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Daarom is de Afdeling niet bevoegd te oordelen over de veronderstelde fictieve weigering om terzake de aanvraag tot schadevergoeding een besluit te nemen (ABRS 15-1-1998. NJB 98, p. 366).

Terugvorderingsbesluit
Een beslissing tot herziening of intrekking van een besluit, waarbij eerder bijstand is toegekend, is ook een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld indien deze na 1-1-1994, de datum van in werking treden van de AWB, genomen is. H.B: Na de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid per 1-1-1997 geldt dat er een herzienings- of intrekkingsbesluit moet worden genomen o.g.v art 6:3 Abw. Tegen dat besluit staat op basis van deze uitspraak administratief beroep open. Het besluit tot terugvordering is ook appellabel na 1-1-1997 door de Wet Boeten waarbij het besluit meteen een executoriale titel vormt (art. 87 Wet Boeten) Daarvoor stond het op de negatieve lijst van tart. 8:5 AWB, bijlage AWB (CRvB 26-9-1995 AB 96, 515).

Alvorens bijstand terug te vorderen moet een intrekkingsbesluit genomen worden.
(CRvB 26-7-1994, AB 95, 229 Zie ook CBSf 9-4-1997, JB 97, 105)

Bestuursorgaan

Art. 1:1 AWB.

Een adviescommissie is een bestuursorgaan.
De voorzitter dient onafhankelijk en niet betrokken te zijn bij het primaire besluit (Rb. Leeuwarden 8 febr. 1996 JB 1996, 100). De commissie mag niet over het primair besluit geadviseerd hebben (Rb. Maastricht 20 maart 1996 JB 1996, 114).

Rechtspersoon bestuursorgaan ruilverkaveling
De plaatselijke commissie die o.g.v. art. 51 Ruilverkavelingswet is belast met de ruilverkaveling is geen rechtspersoonlijkheid toegekend en kan niet uit OD worden aangesproken. (HR 2-9-1994 RvdW 94, 164)
Het is evenwel een orgaan van de staat, de onrechtmatigheid is derhalve aan de staat toe te rekenen (HR 10-2-1984, NJ 85, 102).

Bestuursorgaan openbaar gezag hypotheekgarantie
Een niet krachtens publiek recht ingestelde rechtspersoon is slechts dan bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 AWB als hij enig openbaar gezag bekleedt. Daarvoor is vereist dat aan hem één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.
De bevoegdheid tot het verlenen van een hypotheekgarantie gebeurt in het kader van de aan de stichting overgedragen overheidsdoelstelling tot bevordering van het eigen woningbezit. Daarnaast is er een band tussen de stichting en de overheid door participatie in de stichting. Deze oefent daarom openbaar gezag uit.
Besluiten ter zake de overheidstaak moeten uitdrukkelijk door of namens dat orgaan bekend te worden gemaakt, waarbij de openstaande rechtsmiddelen tegen het besluit bekend gemaakt dienen te worden. Als de bekendmaking door een ander geschiedt dient dit gebaseerd te zijn op een mandaat en moet daarbij vermeld worden dat dit namens het bestuursorgaan geschiedt.
(Stichting Waarborgfonds Eigen woningen Rb Arnhem 03-09-1997 AB 1997, 422; zie ook Stichting Silicose zaak. ABRS 30-11-1995, AB 1996, 136).

Bestuursorgaan bevoegd gezag
Hoewel de commissaris van politie daartoe niet bevoegd was heeft hij beoogd als ware hij bestuursorgaan de illegale situatie via de bestuursrechtelijke weg te doen eindigen. Hij heeft derhalve een publiekrechtelijke rechtshandeling verricht en zijn brief ter zake moet mitsdien aangemerkt worden als besluit in de zin van art. 1:3 AWB waartegen bezwaar openstaat.
Noot FM: Wanneer de beslissing in de bezwaarfase wordt overgenomen door het bevoegde gezag worden de rechtsgevolgen na vernietiging in stand gelaten (vgl. CRvB 25-03-1997, AB 1997, 182). In andere gevallen wordt nietigheid aangenomen of vindt vernietiging plaats. Voorwaarde daartoe is dat het orgaan in het algemeen wel besluiten kan nemen, maar niet het besluit in kwestie. In andere gevallen is er geen sprake van een besluit althans wanneer er voor een redelijk denkend mens geen twijfel over kan bestaan dat de beslissing niet bevoegd is genomen, anders wordt wel een besluit aangenomen (AWB 1:3 ABRS 16-12-1997 AB 1998, 87).
ABRS 29-11-1996, JB 1996, 235:
Als aan het bestuursorgaan geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan de andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling is er geen sprake van een besluit.

Bestuursorgaan openbaar gezag getuigschrift
Als sprake is van de uitoefening van een incidentele bestuursbevoegdheid door een niet krachtens bestuursrecht ingestelde rechtspersoon en deze de benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend wordt deze geacht bestuursorgaan te zijn (ABRS 01-15-1997 AB 1998, 248; vgl. ABRS 03-10-1996 AB 1996, 474).

Nederlandsche Bank is bestuursorgaan ter zake omwisseling van guldens AU4987
Bepalend voor de beantwoording van de vraag of De Nederlandsche Bank N.V. kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, Awb is of haar één of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend.