Fictief weigeringsbesluit

Art. 4:13 AWB
Art. 6:12 AWB

Bezwaar
Of van onredelijk laat sprake is hangt af van omstandigheden, zelfs 14 maanden kan nog tijdig zijn (Pres. Rb. Haarlem 28 december 1995 NAV 1996, p. 13[67])

Als bezwaar is ingediend tegen een niet tijdig genomen fictief besluit dient het bestuursorgaan toch alsnog een besluit te nemen (art. 6:20 AWB). Het procesbelang van de bezwaarde bij het bezwaar kan dan nog bestaan (ABRS 29 augustus 1996 ABkort 1996, 692[68]).

Fictieve weigering nietigheid
De fictieve weigering leidt tot vernietiging als daartegen beroep is ingediend. (AGvB 12-7-1990, AB 91, 200)

Het niet in beroep gaan tegen een fictief weigeringsbesluit maakt dat besluit rechtmatig.
Nu tegen het niet tijdig nemen van een beschikking op de door Slegers ingediende aanvraag voor hem beroep openstond op grond van art. 45 lid 2 Wabm en Slegers van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, moet in beginsel ervan worden uitgegaan dat B&W niet onrechtmatig hebben gehandeld door niet tijdig een besluit te nemen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Indien de bestuurechter geoordeeld heeft dat het bestuursorgaan traag en onzorguldig is opgetreden is dat het geval. De taakverdeling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter brengt mee dat de beoordeling van de vraag of dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, in beginsel is voorbehouden aan de bestuursrechter (HR 15-12-2000, NJ 2001, 318 Slegers / Gemeente Asten; vgl. HR 13-11-1992, NJ 1993, 639).

Fictieve weigering formele rechtskracht verwijzing ontvankelijkheid
In een besluit werd de richtlijn Ammoniak en Veehouderij 1987, i.p.v. 1991 toegepast. Het besluit werd te laat genomen. Omdat de nieuwe richtlijn (net) was ingegaan had de administratieve rechter het besluit vernietigd op verzoek van een milieuorganisatie.
De bestuursrechter was bevoegd te oordelen over het te laat nemen van het besluit en biedt voldoende rechtsbescherming ter zake. De vraag of een beschikking op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen doordat te laat is beslist kan dan niet door de burgerlijke rechter worden beantwoord.
De rechtbank ziet af van verwijzing naar de bestuursrechter op de voet van art. 96a Rv. Verwijzing voor het te laat nemen van een besluit is blijkens de parlementaire geschiedenis vereist als sprake kan zijn (niet is) van niet verwijtbaarheid bij de burger die hier echter over voldoende op schrift gestelde aanknopingspunten beschikte.
Verder zou verwijzing het ongewenste gevolg hebben dat de bestuursrechter de burger ontvankelijk zou moeten verklaren wegens art. 96 Rv terwijl het beroep evident te laat zou zijn ingediend. (Rv 96a Venray / Herpers Rb Roermond (civ) 23-4-1998, dossier NRS 9202883)

Apellabel schadebesluit feitelijk handelen
Het niet handhaven van het bepaalde bij de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren is niet vervat in een besluit op grond van art. 1:3 AWB. Tegen dit feitelijk handelen / nalaten kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Daarom is de Afdeling niet bevoegd te oordelen over de veronderstelde fictieve weigering om ter zake de aanvraag tot schadevergoeding een besluit te nemen. (ABRS 15-1-1998. NJB 98, p. 366)

[67] Pres. Rb. Haarlem 28 december 1995 NAV 1996, p. 13
Vreemdelingenzaak; indiening beroepschrift bijna veertien maanden na indiening bezwaarschrift niet als onredelijk laat beschouwd.
ABRS 23 januari 1997 JB 1997, 46 proceskostenbelang geen grond over te gaan tot inhoudelijke beoordeling beroep; vernietiging geen eis voor proceskostenveroordeling.

[68] ABRS 29 augustus 1996 ABkort 1996, 692
De enkele omstandigheid dan een bestreden fictieve beslissing is gevolgd door een reŽle beslissing over hetzelfde onderwerp, welke eveneens is bestreden, rechtvaardigt niet de conclusie dat het (proces)belang bij een beoordeling van de fictieve beslissing is weggevallen..
ABRS 10 febr. 1994 JB 1994, 109
Belang bij beroep tegen fictieve weigering ontvallen; dit beroep kennelijk niet ontvankelijk.
ABRS 4 november 1996 ABkort 1996, 901
Beroep tegen `fictieve weigering', als gericht tegen de nadien gevolgde reŽle beslissing, door Rb. ongegrond verklaard. De Afdeling is van oordeel dat appellant geen belang heeft bij een afzonderlijke beoordeling van de fictieve beslissing in de zin van art. 6:20, zesde lid, AWB, nu hij, gelet op de toepassing van art. 6:20, vierde lid AWB geen extra griffierecht verschuldigd was en evenmin extra proceskosten heeft hoeven te maken. (zie ook ABRS 4 november 1996 RAWB 1997, 4.)